id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.570 Rolnummer: A. 224025/X-17083 Zaak: Arrest 249570 - Monumenten en Landschappen - 22/01/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-02-01 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-20 00:28 Fiche Arrest nr 249.570 van 22 januari 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 249.570 van 22 januari 2021 in de zaak A. 224.025/X-17.083 In zake : 1. Jules CALUWAERTS 2. Vincent CALUWAERTS 3. Michel CALUWAERTS 4. Brigitte CALUWAERTS 5. Nathalie CALUWAERTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Konstantijn Roelandt kantoor houdend te 2221 Heist-op-den-Berg Dorpsstraat 91 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Declercq kantoor houdend te 3320 Hoegaarden Gemeenteplein 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingediend op 18 december 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister bevoegd voor onroerend erfgoed van 18 oktober 2017 ‘tot definitieve bescherming als cultuurhistorisch landschap van hoogstamboomgaarden met fruittelersbedrijf in Tienen (Oplinter)’. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. X-17.083-1/13 Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 november 2020. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Konstantijn Roelandt, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Tomaz Thys van den Audenaerde, die loco advocaat Philippe Declercq verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. De verzoekers zijn eigenaars van een terrein langs de Oplintersesteenweg te Tienen waarop zich – van oost naar west – een fruittelerswoning met bedrijfsgebouwen, een ommuurde huisboomgaard en een weideboomgaard van 4,8 hectare bevinden. Krachtens het bij koninklijk besluit van 24 maart 1978 vastgestelde gewestplan Tienen is verzoekers’ terrein vanaf de Oplintersesteenweg over een diepte van ongeveer 50 meter gelegen in woongebied (hierna: de woonstrook van het gewestplan). De rest van verzoekers’ perceel is overeenkomstig hetzelfde gewestplan gelegen in agrarisch gebied. X-17.083-2/13 Ter verduidelijking volgt hierna een uittreksel uit het voornoemde gewestplan, waarop benaderende aanduidingen zijn aangebracht. 4. In 2016 start de verwerende partij de procedure op voor de bescherming van het fruittelersbedrijf met hoogstamboomgaarden op verzoekers’ terrein. 5. Op 10 mei 2016 adviseert de stad Tienen ongunstig over de voorgenomen bescherming. De reden daarvoor is onder meer het ontbreken van bebouwingsmogelijkheden, terwijl het in het woongebied gelegen gedeelte van verzoekers’ terrein “vanwege de ligging, in het dorpscentrum, langs een uitgeruste weg, vlakbij openbaar vervoer en diensten, uitermate geschikt is voor de ontwikkeling van wooneenheden”. 6.1. Op 21 oktober 2016 beslist de Vlaamse minister bevoegd voor onroerend erfgoed tot de voorlopige bescherming als cultuurhistorisch landschap. X-17.083-3/13 6.2. De verwerende partij beantwoordt het ongunstig advies van de stad Tienen als volgt: “De hoogstamboomgaarden in het centrum van Oplinter hebben een hoge erfgoedwaarde en een hoge ecologische waarde. Deze eigenschappen, gecombineerd met de centrale ligging in het dorp, maken het gebied eveneens geschikt om deze als groene ruimte te bestendigen. Zoals […] beargumenteerd kunnen groene ruimten immers deel uitmaken van een woongebied. Bovendien blijkt uit het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan van de stad dat het ook haar visie is om de deelregio waarin de te beschermen site zich bevindt landschappelijk aantrekkelijker te maken door het bestendigen van deze groene ruimte via een ruimtelijk uitvoeringsplan. [….] De site verkavelen en bebouwen is niet de enige weg naar verwezenlijking van de bestemming als woongebied. Ook de bestendiging als groene ruimte binnen een woongebied via een RUP is mogelijk. Dit hoeft bovendien met nadelig te zijn voor de eigenaars. Conform het Decreet van 28 maart 2014 betreffende de Landinrichting kunnen via ‘Herverkaveling uit kracht van wet met planologische ruil’ bouwkavels op een relatief eenvoudige manier verplaatst worden (Deel 2, Hoofdstuk 3, afdeling 5 van desbetreffend decreet). Indien de site (voorlopig) beschermd is, wil het agentschap Onroerend Erfgoed zeker in dialoog gaan met de stad en de eigenaars om de ontwikkelingsmogelijkheden voor de site te onderzoeken.” 7.1. Tijdens het van 6 december 2016 tot 4 januari 2017 gehouden openbaar onderzoek dienen de stad Tienen en verzoekers elk een bezwaarschrift in. 7.2. Verzoekers beklagen zich erover dat de bescherming de bestemming als bouwgrond van hun terrein onmogelijk maakt. Zij verduidelijken dat zij op zich niet tegen een bescherming zijn, daar zij waarde hechten aan de site die al enkele generaties in familiebezit is. Het is hun wens deze site te behouden en weer op te waarderen, maar dit vereist financiële middelen die zij niet hebben en waarvoor ze rekenden op de verkoop van bebouwbare percelen. Zij vragen de verwerende partij een concreet zicht te geven van de bouwmogelijkheden op de site. 8.1. Met het bestreden besluit van de Vlaamse minister bevoegd voor onroerend erfgoed van 18 oktober 2017 wordt verzoekers’ terrein definitief beschermd als cultuurhistorisch landschap “hoogstamboomgaarden met fruittelersbedrijf in Tienen (Oplinter)”. X-17.083-4/13 8.2. Ter weerlegging van verzoekers’ bezwaarschrift stelt de verwerende partij vooreerst het volgende: “Allereerst moet duidelijk worden gemaakt dat een deel van de site bestemd is als woongebied en niet als bouwgrond, zoals de bezwaarindieners herhaaldelijk onterecht aanhalen. De bezwaarindieners spreken bovendien onterecht van ‘bouwgronden’. De twee percelen zijn gelegen in woongebied (in plaats van bouwgrond). Een dergelijke gewestplanbestemming betekent niet per definitie dat er een bouwrecht bestaat, wat het gebruik van de term ‘bouwgrond’ wel degelijk laat uitschijnen. Het verkrijgen van bouwrecht vereist immers de goedgekeurde stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning of stedenbouwkundig attest […]. Op heden (18/09/2017) zijn geen dergelijke vergunningen afgeleverd voor het woongebied binnen de site. Een goedgekeurde vergunning is in eerste instantie afhankelijk van de wetgeving inzake ruimtelijke ordening. Ook zonder bescherming is er geen zekerheid om aan te nemen dat bouwprojecten vergund zouden kunnen worden. Het is immers een basisbeginsel van de ruimtelijke ordeningssystematiek dat een rechtsonderhorige nooit een subjectief recht heeft op het verkrijgen van een stedenbouwkundige of verkavelingsvergunning. Met andere woorden, zelfs als er geen bescherming is, schept de ligging in woongebied geen onvoorwaardelijk recht tot verkavelen of bouwen, aangezien er nog steeds een verkavelingsvergunning of stedenbouwkundige vergunning vereist is. Dergelijke vergunning kan slechts afgeleverd worden als de uitvoering van de handelingen en werken verenigbaar zijn met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening, conform artikel 4.3.1 van de Vlaamse Codex voor Ruimtelijke Ordening, waarbij ook de cultuurhistorische aspecten, hier ontegensprekelijk aanwezig, moeten afgewogen worden. In het onroerend erfgoeddecreet is opgenomen dat een bescherming de uitvoering van geldende bestemmingen niet onmogelijk kan maken. Een bescherming als cultuurhistorisch landschap heeft een individueel karakter en fungeert als aanvulling en verfijning op de sectorale wetgeving die evenwel geen beperkingen mogen vaststellen die absoluut werken of handelingen verbieden of onmogelijk maken die overeenstemmen met de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, noch de realisatie van die plannen en hun bestemmingsvoorschriften verhinderen. Er kunnen wel beperkingen en voorwaarden worden opgelegd in functie van het behoud van de erfgoedwaarden. Binnen het gebied werd nog geen RUP of ander plan van aanleg opgemaakt waardoor het gewestplan Tienen - Landen, goedgekeurd op 24/03/1978, nog steeds van kracht is. Conform dit gewestplan is een strook langs de Oplintersesteenweg, verspreid over twee kadastrale percelen, bestemd als woongebied (en dus niet als bouwgrond) en is de rest van de site gelegen in agrarisch gebied. In de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, gewijzigd via omzendbrief van 25/01/2002 en 25/10/2002 zijn volgende beschrijvingen met betrekking tot de gewestplanbestemming woongebied opgenomen: ‘Onder de term ‘woongebieden’ worden begrepen, de effectieve X-17.083-5/13 woongebieden, de woonuitbreidingsgebieden, de woonparken en de woongebieden met een landelijk karakter. Het zijn derhalve die gebieden waar, al dan niet onder voorwaarden qua densiteit, groenvoorziening, technisch-stedenbouwkundige voorziening, entiteit van de inrichting, termijn van verwezenlijking, en dergelijke, het accent gelegd wordt op de woonfunctie, alsmede op functies die complementair zijn of inherent verbonden zijn aan het wonen van de mens. De woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en klein bedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven. Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving.’ Ook groene ruimten maken dus deel uit van een woongebied en worden verder in dezelfde omzendbrief als volgt omschreven: ‘Groene ruimten: een gewestplan geeft slechts algemene maatregelen van ordening. Een bijzonder plan van aanleg (tegenwoordig RUP) daarentegen geeft de gedetailleerde bestemming van elk perceel aan. Er wordt naar gestreefd om de bestaande groene ruimten in een voorzien woongebied, op het gewestplan aan te duiden. Gelet op die gebruikte schaal zal dit niet steeds mogelijk zijn. Het feit dat een bestaande groene ruimte in het woongebied is opgenomen, geeft de eigenaar geen (absoluut of objectief) recht om deze percelen om te vormen tot bebouwbare kavels. Dit kan eerst blijken uit het plan van aanleg dat de groene aanleg van het gebied vastlegt. Een bouw- of verkavelingsverbod onttrekt die percelen niet noodzakelijkerwijze aan hun natuurlijke bestemming. Bij het onderzoek van de dossiers zal derhalve de nodige aandacht moeten besteed worden aan het aanleggen van nieuwe groene zones en aan de bescherming van bestaande groene ruimten in de woongebieden.’ De bescherming is dus niet in conflict met de heersende bestemming van het gebied. […] ‘Zoals reeds […] beargumenteerd, is er geen juridische grond om aan te nemen dat de bebouwingsmogelijkheden ernstig beperkt worden, daar de betreffende grond nog geen bouwgrond is. Los daarvan houdt het beschermingsbesluit geen bouwverbod in. Dat onroerend erfgoeddecreet van 12 juli 2013 vormt de wettelijke basis bij het beschermen van onroerende goederen als monument, cultuurhistorisch landschap, stads- en dorpsgezicht of archeologische site. Dit decreet definieert een cultuurhistorisch landschap als ‘een begrensde grondoppervlakte met een geringe dichtheid van bebouwing en een onderlinge samenhang, waarvan de verschijningsvorm en de samenhang het resultaat zijn van natuurlijke processen en van maatschappelijke ontwikkelingen, van algemeen belang wegens de erfgoedwaarden’. Op [dit] ogenblik is er slechts één perceel bebouwd. Het verkavelen van het woongebied en het toevoegen van bijkomende gebouwen/woningen zal er niet automatisch toe leiden dat aan deze definitie niet meer voldaan is, maar is wel richtinggevend voor de inrichting van een verkaveling. Een beperkt aantal verspreide vrijstaande woningen kan X-17.083-6/13 immers, in tegenstelling tot een gesloten rij bebouwing, nog steeds de indruk wekken van een gebied met een geringe dichtheid aan bebouwing. Ook het garanderen van een verschijningsvorm en samenhang van nieuwe constructies kan opgenomen worden in specifieke verkavelingsvoorschriften door bijvoorbeeld het behoud van hoogstamfruitbomen in de tuinen op te leggen. De definitie van een cultuurhistorisch landschap conflicteert dus niet noodzakelijk met het uitvoeren van een verkaveling binnen het woongebied. Ook het passief- en actief behoudsbeginsel staan niet noodzakelijk haaks op het toevoegen van nieuwe gebouwen. Bij gedeeltelijke bebouwing van een site zal rekening gehouden moeten worden met de aanwezige erfgoedwaarden wat wel beperkingen en voorwaarden met zich mee kan brengen. Stellen dat een verkaveling of bebouwing onmogelijk is, is onjuist. Het is slechts een veronderstelling dat het Agentschap Onroerend Erfgoed in geen geval toelating verleent voor werken of handelingen op de site. Het Agentschap maakt in zijn advies wel een afweging van de impact op de aanwezige erfgoedwaarden en kan, omwille van die erfgoedwaarden dus mogelijk ook beperkingen of voorwaarden stellen aan toelatingen voor bepaalde werken of handelingen. De erfgoedwaarden zijn niet in heel de site even sterk aanwezig. Het zou een voorwaarde kunnen zijn dat het verwijderen van erfgoedelementen op één locatie (bijvoorbeeld het vellen van bomen) gecompenseerd moet worden op een andere locatie (bijvoorbeeld heraanplanten in een zone waar veel uitval
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.