← België

Arrest 249573 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 22/01/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.573 Rolnummer: A. 226438/X-17353 Zaak: Arrest 249573 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 22/01/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-02-02 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-20 00:30 Fiche Arrest nr 249.573 van 22 januari 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 249.573 van 22 januari 2021 in de zaak A. 226.438/X-17.353 In zake : de NV ASPIRAVI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gregory Verhelst kantoor houdend te 2000 Antwerpen Bouwmeestersstraat 11 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 Gent Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 15 oktober 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 2018 houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Moervaartvallei fase 1’. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. X-17.353-1/24 De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 januari
  3. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Isaura De Cleem, die loco advocaat Gregory Verhelst verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Paul Aerts, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Op 15 maart 2017 vindt een plenaire vergadering over het voorontwerp van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Moervaartvallei fase 1’ (hierna: het gewestelijk RUP) plaats. Volgens de toelichting bij het gewestelijk RUP omvat het plangebied “het westelijk deel van de Moervaartvallei tussen Gent en de grens met Stekene en Sint-Niklaas en omvat [het] delen van de gemeenten Gent, Lochristi, Wachtebeke, Moerbeke en Lokeren”. De doelstelling van het gewestelijk RUP is volgens de toelichtingsnota: “- uitvoering geven aan de richtinggevende en bindende bepalingen uit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) inzake de afbakening van de gebieden van de natuurlijke en agrarische structuur zoals uitgewerkt in de ruimtelijke visie voor landbouw, natuur en bos voor de regio Waasland; X-17.353-2/24 - (delen van) het vastgestelde landschapsatlasrelict ‘Moervaartdepressie’ opnemen als erfgoedlandschap; - de realisatie van een aantal nieuwe natuurgebieden mogelijk te maken in uitvoering van strategisch plan voor de Gentse kanaalzone ter vervanging van verboden te wijzigingen vegetaties die bij de ontwikkeling van zeehavengebied Gent zullen verdwijnen.” 3.
  6. Binnen het gebied van de Moervaartvallei kunnen volgens de toelichtingsnota bij het gewestelijk RUP de volgende 11 deelgebieden onderscheiden worden: “- Deelgebied
  7. Speurdonk-Mendonk - Deelgebied
  8. Molenmeersen-Hoofdgeleed - Deelgebied
  9. Oostdonk-Zuidlede - Deelgebied
  10. Potdam-Eksaardedam - Deelgebied
  11. Cheijnen-Boudelomeersen - Deelgebied
  12. Puyenbroek-Siesmeer - Deelgebied
  13. Tussen de twee Leden-Etbos - Deelgebied
  14. De Linie-Vettemeers - Deelgebied
  15. Fondatie-Heernisse - Deelgebied
  16. Ten noorden van Kanaal van Stekene - Deelgebied
  17. Papelaar.” Het bestreden gewestelijk RUP heeft enkel betrekking op (delen van) de deelgebieden 1 tot
  18. De overige deelgebieden zullen aan bod komen in het nog op te stellen gewestelijk RUP ‘Moervaartvallei fase 2’. Het bestreden gewestelijk RUP omvat zodoende onder andere het deelgebied 6 ‘Puyenbroek-Siesmeer’ (hierna: het deelgebied 6), waarbinnen de verzoekende partij een windturbineproject wenst te ontwikkelen (hierna: het projectgebied van de verzoekende partij). Hierna volgt een weergave van het volledige gebied van de Moervaartvallei, met aanduiding van het deelgebied 6 en, bij benadering, het projectgebied van de verzoekende partij: X-17.353-3/24 deelgebied 6 projectgebied van de verzoekende partij 3.
  19. Het zuidelijk deel van het deelgebied 6 is overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgestelde gewestplan ‘Gentse en Kanaalzone’ in agrarisch gebied gelegen. Ter hoogte van het projectgebied van de verzoekende partij bestemt het bij ministerieel besluit van 30 juni 1994 goedgekeurde algemeen plan van aanleg van de gemeente Lochristi (hierna: het APA) het gebied evenwel voor een klein deel tot ‘agrarische zone type 2’ (artikel 17) en voor het grootste deel tot ‘agrarische landschappelijke waardevolle zone’ (artikel 18). Het bestemmingsvoorschrift artikel 17.1 van de ‘agrarische zone type 2’ luidt: “Zone voor alle agrarische activiteiten, zowel grondgebonden als niet- grondgebonden bedrijven en para-agrarische bedrijven [...] Zijn verboden: Nieuwe bedrijven voor intensieve veehouderij.” Het bestemmingsvoorschrift artikel 18.1 van de ‘agrarische landschappelijke waardevolle zone’ luidt: “Zone voor grondgebonden agrarische bedrijven en de aanleg en bescherming van bossen. Nieuwe bedrijfszetels zijn verboden. Nieuwe bedrijfsgebouwen, silo’s, kassen, stallen e.d. zijn toegelaten op de bestaande erven of in de onmiddellijke omgeving van het erf of bedrijfszetel en voor zover de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad. X-17.353-4/24 [...] Erfbeplanting is verplichtend [...]. De bestaande lineaire beplantingen, bossen en alleenstaande bomen, houtwallen e.d. worden beschermd. Bebossing is toegelaten. Bestaande bedrijfsgebouwen moeten hun huidige functie behouden. Er mag geen scheiding gebeuren van bestaande bedrijfswoningen met de bedrijfsgebouwen. Bij definitieve stopzetting van de agrarische bestemming mogen de huidige bedrijfswoningen, behouden blijven in de functie van woning en vallen onder de overgangsmaatregel 1.1.1 niet-agrarische gebouwen.” 3.
  20. Op 26 april 2017 brengt de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening – Onroerend Erfgoed een gunstig advies over het voorontwerp van het gewestelijk RUP uit. 3.
  21. Op 28 juni 2017 beslist de dienst Milieueffectrapportage van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie van de Vlaamse overheid (hierna: de dienst Mer) dat het gewestelijk RUP niet de opmaak van een planmilieueffectrapport (hierna: plan-MER) vereist. 3.
  22. Met een besluit van 14 juli 2017 stelt de Vlaamse regering het ontwerp van het gewestelijk RUP voorlopig vast. Het gebied waarin zich het projectgebied van de verzoekende partij bevindt, wordt tot ‘agrarisch gebied’ (artikel 1) bestemd. Artikel 1.3 van de in het ontwerp opgenomen stedenbouwkundige voorschriften bepaalt: “Voor zover ze door hun beperkte impact de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen is het aanbrengen van windturbines en windturbineparken toegelaten, alsook andere installaties voor de productie van (hernieuwbare) energie of energierecuperatie. De mogelijke effecten van de inplanting ten aanzien van efficiënt bodemgebruik, eventuele verstoring van de uitbating(smogelijkheden) en landschappelijke kwaliteiten dienen in een lokalisatienota te worden beschreven en geëvalueerd.” In de toelichtingsnota bij het voorontwerp van gewestelijk RUP wordt aangegeven dat de voorschriften van de artikelen 16, 17 en 18 van het APA als een verdere verfijning worden beschouwd en dat zij niet strijdig zijn met de X-17.353-5/24 voorschriften van het gewestelijk RUP. Deze voorschriften blijven volgens de toelichtingsnota bij het (voor)ontwerp van het gewestelijk RUP behouden en worden niet opgeheven. Onder punt 10.2 ‘Op te heffen stedenbouwkundige voorschriften’ van de toelichtingsnota bij het gewestelijk RUP wordt onder meer het volgende gesteld: “[...] De voorschriften van de artikels 16, 17 en 18 van het APA Lochristi worden beschouwd als een verdere verfijning, worden niet als strijdig beschouwd en blijven behouden.” 3.
  23. Van 12 september 2017 tot 10 november 2017 vindt over het ontwerp van het gewestelijk RUP een openbaar onderzoek plaats. Tijdens dit onderzoek worden zes adviezen uitgebracht en 68 bezwaarschriften ingediend. 3.7.
  24. Onder meer de verzoekende partij dient een bezwaarschrift in, waarin zij aan de planopmakende overheid vraagt om de stedenbouwkundige voorschriften te verduidelijken met betrekking tot de mogelijkheid om in het agrarisch gebied windturbines in te planten, aangezien de voorschriften van de artikelen 16, 17 en 18 van het APA in het ontwerp van het gewestelijk RUP gehandhaafd lijken te worden. Indien dit het geval is, vraagt zij dat gespecificeerd wordt dat geen afbreuk wordt gedaan aan de mogelijkheid voorzien in artikel 1.3 van de stedenbouwkundige voorschriften van het gewestelijk RUP om windturbines en windturbineparken in de bestemmingszone ‘agrarisch gebied’ in te planten. 3.7.
  25. In het advies van de gemeente Lochristi van 30 oktober 2017 wordt gewezen op de onduidelijkheid en het probleem van rechtszekerheid met de herbestemming van ‘agrarisch gebied’ en het behoud van de artikelen 16, 17 en 18 van het APA. 3.
  26. De afdeling Wetgeving van de Raad van State verleent op 2 juli 2018 het advies 63.631/1 over het ontwerp van het gewestelijk RUP. X-17.353-6/24 3.
  27. Met het bestreden besluit van 13 juli 2018 stelt de Vlaamse regering het gewestelijk RUP definitief vast. Het projectgebied van de verzoekende partij wordt tot bouwvrij agrarisch gebied bestemd (artikel 2). Artikel 2.1 van het gewestelijk RUP luidt: “Het gebied is bestemd voor beroepslandbouw. Alle handelingen die nodig of nuttig zijn voor de landbouwbedrijfsvoering van landbouwbedrijven zijn toegelaten, behoudens het oprichten van gebouwen en gelijkaardige constructies.” Artikel 2.2 van het gewestelijk RUP bepaalt: “Handelingen die nodig of nuttig zijn voor: - het behoud en herstel van het waterbergend vermogen van rivier- en beekvalleien, - het behoud en herstel van de structuurkenmerken van de rivier- en beeksystemen, de waterkwaliteit en de verbindingsfunctie, - het behoud, het herstel en de ontwikkeling van overstromingsgebieden, het beheersen van overstromingen of het voorkomen van wateroverlast in voor bebouwing bestemde gebieden, - het beveiligen van vergunde of vergund geachte bebouwing en infrastructuren tegen overstromingen zijn toegelaten. De in artikel 2.1 genoemde handelingen kunnen slechts toegelaten worden voor zover ze verenigbaar zijn met de waterbeheerfunctie van het gebied en het waterbergend vermogen van rivier- en beekvalleien niet doen afnemen.” In het bestreden besluit wordt met betrekking tot de bestemming van het projectgebied van de verzoekende partij het volgende gesteld: “Overwegende dat de gemeente Lochristi en een aantal bezwaarindieners bezwaar aantekenen tegen de herbestemming van de ‘agrarisch landschappelijk waardevolle zone’ uit het APA Lochristi naar agrarisch gebied (artikel 1) omdat die herbestemming meer handelingen toelaat dan momenteel het geval is en de voorschriften van artikel 1 onvoldoende bescherming bieden voor kleine landschapselementen en bossen die momenteel aanwezig zijn in het gebied; dat de gemeente Lochristi stelt dat het APA moeilijk als een loutere verfijning van de voorschriften van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan kan beschouwd worden omdat X-17.353-7/24 het APA veel striktere voorschriften bevat die onder meer een bouwverbod inhouden; dat de gemeente Lochristi voorstelt de zones die in het APA als ‘agrarisch landschappelijk waardevolle zones’ bestemd zijn, op te nemen als ‘bouwvrij agrarisch gebied’ met behoud van mogelijkheid voor het uitbreiden van bestaande landbouwbedrijven zoals in de overgangsbepalingen van het APA aangegeven is; dat de Vlaamse Regering als antwoord stelt dat gedeeltelijk ingestemd kan worden met het voorstel van de gemeente Lochristi; dat het ontwerp van RUP weliswaar stelt dat de gedetailleerde voorschriften van het APA niet opgeheven werden, maar dat om onduidelijkheden te vermijden het aangewezen is de bestemmingen van het ruimtelijk uitvoeringsplan aan te passen zodat de gebieden die in het APA reeds een bouwvrij karakter hadden bestemd worden als bouwvrij agrarisch gebied en het bestaande bouwvrij karakter van kracht blijft; dat er voor geopteerd wordt om in plaats van bepalingen voor het uitbreiden van bestaande landbouwbedrijven in het bouwvrij agrarisch gebied op te nemen in de stedenbouwkundige voorschriften voldoende uitbreidingsmogelijkheden te laten in agrarisch gebied rond de bestaande landbouwbedrijfszetels; dat dat betekent dat niet alle percelen die in het APA als ‘agrarisch landschappelijk waardevolle zone’ bestemd zijn opgenomen worden als bouwvrij agrarisch gebied maar dat dus percelen met bestaande landbouwbedrijfsinfrastructuur of daarbij aansluitende andere bebouwing inclusief een aantal aangrenzende percelen opgenomen worden als agrarisch gebied zodat deze landbouwbedrijven de nodige uitbreidingsmogelijkheden behouden; Overwegende dat Aspiravi NV bezwaar aantekent tegen het behoud van de voorschriften van het APA Lochristi die de inplanting van windmolens niet toelaten en wijst op de onduidelijkheid en rechtsonzekerheid die ontstaat bij de interpretatie van de voorschriften indien de voorschriften van het APA samen gelezen moeten worden met de voorschriften van het RUP, dat wel bepalingen bevat die de bouw van windturbines toelaten in agrarisch gebied; dat Aspiravi NV vraagt om indien de voorschriften van artikel 16, 17 en 18 van het APA niet opgeheven worden in de verordenende voorschriften van het RUP op te nemen dat deze geen afbreuk doen aan de mogelijkheid om windturbines toe te laten zoals vervat in artikel 1.3; dat de Vlaamse Regering als antwoord daarop stelt dat ze conform de vraag van de gemeente Lochrist[i] de in het APA als ‘agrarisch landschappelijk waardevolle zones’ grotendeels zal bestendigen als bouwvrij agrarisch gebied; dat de aanduiding als bouwvrij agrarisch gebied verantwoord is omwille van de landschappelijke waarde die deze gebieden hebben én de nabijheid van speciale beschermingszones; dat het oprichten van windturbines mogelijk is binnen de gebieden die als agrarisch gebied bestemd worden;” X-17.353-8/24 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.
  28. De verzoekende partij roept in een eerste middel de schending in van de artikelen 4.2.1, 4.2.3 en 4.2.6 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM), van de artikelen 2.2.6 en 2.2.7 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), en van het motiverings-, redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, alsook voert zij “de ontstentenis van de rechtens vereiste juridische en feitelijke grondslag” aan. Zij bekritiseert in essentie het feit dat enkel een screening naar de milieueffecten werd doorgevoerd omdat de bestemmingswijzigingen slechts kleine wijzigingen zouden uitmaken en dat hierbij enkel rekening werd gehouden met het feitelijk gebruik van het gebied en niet met de bestaande juridische bestemmingen. Zo wijst zij er op dat een ‘natuurgebied’ en een ‘zone voor dagrecreatie en sport’ naar ‘agrarisch gebied’ herbestemd worden. Volgens haar kan niet uitgesloten worden dat er negatieve milieueffecten kunnen optreden door de wijziging van de bestemming waar landbouw in principe is uitgesloten (natuurgebied, bosgebied en recreatiegebied) naar een bestemming waar landbouw wel is toegestaan. Ook werd ten onrechte geen rekening gehouden met de positieve impact op het milieu die de gewestplanbestemming ‘natuurgebied’ thans heeft, ondanks het feitelijke gebruik als landbouwgebied. De verzoekende partij besluit dat zodoende niet concreet is aangetoond dat het gewestelijk RUP enkel betrekking heeft op zogezegd kleine wijzigingen die geen aanleiding tot aanzienlijke milieueffecten kunnen geven. Daarnaast voert de verzoekende partij aan dat na de beslissing van de dienst Mer nog wezenlijke wijzigingen aan het gewestelijk RUP werden doorgevoerd, door onder meer de inplanting van windturbines te verbieden, X-17.353-9/24 terwijl de milieueffecten van deze essentiële wijziging niet werden beoordeeld. Zij stelt dat hoe dan ook geen rekening werd gehouden met de milieueffecten om windturbines al dan niet toe te laten in het plangebied. Verder wordt de voormelde bestemmingswijziging in het bestreden besluit doorgevoerd om reden van de nabijheid van speciale beschermingszones (hierna: SBZ’s), maar wordt niet concreet gemotiveerd waarom de inplanting van windturbines in het agrarisch gebied (zoals aangeduid op het grafisch plan van het voorontwerp) enig effect op de SBZ’s zou kunnen hebben, zodat het gewestelijk RUP door een manifest motiveringsgebrek is aangetast. 4.
  29. De verzoekende partij stelt in haar memorie van wederantwoord dat de inrichtings- en bestemmingsvoorschriften binnen het plangebied wel degelijk gewijzigd worden, zo niet diende er geen gewestelijk RUP te worden opgemaakt. Derhalve dienden alle mogelijke effecten van het volledige plangebied onderzocht te worden, waarbij onder meer de planopties van andere deelgebieden op haar projectgebied in rekening dienden te worden gebracht. Zij stelt verder dat een gedeelte van het projectgebied op het grondgebied van de gemeente Lokeren overeenkomstig het gewestplan als ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’ bestemd was, zodat op deze percelen de inplanting van windturbines op grond van artikel 4.4.1 VCRO kon worden vergund. De percelen op het grondgebied van de gemeente Lochristi waren voornamelijk bestemd als ‘agrarische landschappelijke waardevolle zone’ door het APA en worden thans als ‘bouwvrij agrarisch gebied’ bestemd. De verzoekende partij meent dat deze voorschriften niet identiek zijn, zodat de bestemmingswijzigingen dienden onderzocht te worden, hetgeen niet is gebeurd. De bewering van de verwerende partij dat bij de milieueffectbeoordeling voor wat haar projectgebied betreft met de juiste (juridische) referentietoestand rekening is gehouden, doet geen afbreuk aan het feit dat dit voor verschillende andere onderdelen van het plangebied manifest niet gebeurde. De milieueffecten van deze planwijzigingen op onder meer haar X-17.353-10/24 projectgebied, werden niet onderzocht, minstens niet op een juiste en zorgvuldige wijze. De verzoekende partij meent dat zij wel degelijk belang heeft bij deze kritiek. In het tegenovergestelde geval zouden enkel natuurbeschermende personen kunnen aanvoeren dat de beoordeling van de milieueffecten van een plan aanzienlijke negatieve effecten kan hebben. Een dergelijke stringente interpretatie zou onder meer met het Europeesrechtelijk voorzorgsbeginsel strijden. Tenslotte betoogt de verzoekende partij dat de screeningsnota en de beslissing van de dienst Mer er van uitgaan dat windturbines binnen het projectgebied wel kunnen worden vergund, gelet op artikel 1 van de ontworpen stedenbouwkundige voorschriften. De milieueffecten van de uitsluiting van windturbines werden niet onderzocht. De verzoekende partij merkt nog op dat de verwerende partij niet ontkent dat de uitsluiting van de mogelijkheid om windturbines in te planten tot aanzienlijke milieueffecten kan leiden. 4.
  30. In haar laatste memorie doet de verzoekende partij, wat haar belang bij het middel betreft, gelden dat een gewijzigde beoordeling omtrent de milieueffecten van het plan een invloed op de draagwijdte van de bestreden beslissing kan uitoefenen, en dat de niet-naleving van de plan-MER-plicht haar de waarborg van een doordachte en goed onderbouwde besluitvorming in het kader van de planopmaak ontneemt. Een ruimtelijk uitvoeringsplan is in beginsel ondeelbaar. Voorts betoogt zij dat het niet aan haar staat om het bewijs te leveren dat er effectief aanzienlijke milieueffecten zullen zijn. Ook benadrukt de verzoekende partij dat het ontwerp van het gewestelijk RUP de inplanting van windturbines uitdrukkelijk toeliet. De stroom die door windturbines geleverd wordt, kan op het net gezet worden, en kan lokaal afgenomen worden door bijvoorbeeld een naburige groenteteler. Windturbines kunnen aldus andere vervuilende energiebronnen vervangen. Het uitsluiten van de mogelijkheid om windturbines in te planten “kan dus perfect leiden tot de conclusie dat het plan aanzienlijke milieueffecten veroorzaakt, hetzij binnen het plangebied (doordat bedrijvigheid binnen het plangebied beroep zal moeten doen op al dan niet lokaal X-17.353-11/24 geproduceerde stroom uit andere bronnen die per hypothese niet hernieuwbaar zijn), hetzij in een ruimere omgeving en context”. Beoordeling 5.
  31. Het te dezen toepasselijke artikel 4.2.3, §§ 2 en 3, DABM luidt: “§
  32. Voor een plan of programma, dat overeenkomstig artikel 4.2.1, eerste lid, onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, en dat niet het gebruik bepaalt van een klein gebied op lokaal niveau, noch een kleine wijziging inhoudt, moet een plan-MER worden opgemaakt, wanneer: 1° het plan of programma betrekking heeft op landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme, ruimtelijke ordening of grondgebruik, en het kader vormt voor de toekenning van een vergunning voor een project opgesomd in bijlagen I, II en III van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage; 2° voor een ander plan of programma dan deze vermeld onder 1°, de initiatiefnemer aan de hand van de criteria die worden omschreven in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, niet aantoont dat dit plan of programma geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen betreffende de beoordeling van de aanwezigheid van aanzienlijke milieueffecten. §
  33. Voor een plan of programma, dat overeenkomstig artikel 4.2.1, onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, en dat het gebruik bepaalt van een klein gebied op lokaal niveau of een kleine wijziging inhoudt, moet geen plan-MER worden opgemaakt voor zover de initiatiefnemer aan de hand van de criteria die worden omschreven in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, aantoont dat het plan of programma geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen betreffende de beoordeling van de aanwezigheid van aanzienlijke milieueffecten.” 5.
  34. Om wettig gebruik te kunnen maken van de in artikel 4.2.3, § 3, DABM bedoelde afwijkingsmogelijkheid van de principiële plan-MER-plicht, moet cumulatief aan twee voorwaarden worden voldaan: het plan of programma moet het gebruik bepalen van een klein gebied op lokaal niveau of een kleine wijziging inhouden en de initiatiefnemer moet aantonen dat het plan of programma geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. X-17.353-12/24 5.
  35. Te dezen is van de principiële plan-MER-plicht afgeweken omdat de bestemmingswijzigingen die het gewestelijk RUP doorvoert als “kleine wijzigingen” worden beschouwd. In de toelichtingsnota bij het gewestelijk RUP wordt in dit verband het volgende gesteld: “Het voorgenomen plan is in hoofdzaak gericht op het behoud van de onbebouwde open ruimte voor de essentiële functies landbouw, natuur en bos en het behoud van landschaps- en erfgoedwaarden. […] Het voorgenomen plan zal ▪ grotendeels de bestemming in de huidige plannen van aanleg hernemen, of ▪ de bestemming volgens de huidige plannen van aanleg wijzigen. Deze wijzigingen kunnen echter gezien worden als een ‘kleine wijziging’ in de zin van art. 4.2.3 § 2 van het DABM. Voor de gebieden waarvoor de bestemming in de huidige plannen van aanleg hernomen zal worden, gaat het om volgende zaken: ▪ Een deel van de agrarische gebieden die in het ruimtelijk uitvoeringsplan opgenomen worden, hebben thans deze bestemming reeds in de bestaande plannen van aanleg. Voor deze gebieden wijzigt de bestemming niet en zijn er bijgevolg geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten ten opzichte van het niet uitvoeren van het plan (het zgn. 0-alternatief). ▪ Een deel van de natuurgebieden die in het ruimtelijk uitvoeringsplan opgenomen worden, hebben op de bestaande plannen van aanleg reeds een bestemming natuurgebied. Voor deze gebieden wijzigt de bestemming niet en zijn er bijgevolg geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten ten opzichte van het niet uitvoeren van het plan (het zgn. 0-alternatief). ▪ Een deel van de gebieden die in het ruimtelijk uitvoeringsplan opgenomen worden als ‘gemengd openruimtegebied met cultuurhistorische waarde’ zijn op de bestaande plannen van aanleg reeds bestemd als ‘parkgebied’. Voor deze gebieden wijzigt de bestemming ten gronde niet en zijn er bijgevolg geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten ten opzichte van het niet uitvoeren van het plan (het zgn. 0- alternatief). ▪ De gebieden die in het ruimtelijk uitvoeringsplan als recreatiegebied opgenomen worden hebben op de bestaande plannen van aanleg reeds de bestemming recreatiegebied. Voor deze gebieden wijzigt de bestemming niet en zijn er bijgevolg geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten ten opzichte van het niet uitvoeren van het plan (het zgn. 0-alternatief). Voor de gebieden waarvoor de bestemming gewijzigd zal worden, gaat het om een ‘kleine wijziging’ en gaat het om volgende zaken: ▪ wijzigingen tussen openruimtebestemmingen zoals natuurgebied, (landschappelijk waardevol) agrarisch gebied, bouwvrij agrarisch gebied, agrarisch gebied met overdruk natuurverweving, gemengd openruimtegebied (met cultuurhistorische waarde), bosgebied, parkgebied,… ▪ de herbestemmingen van gebied voor dagrecreatie of gebied voor verblijfsrecreatie naar gemengd openruimtegebied met cultuurhistorische X-17.353-13/24 waarde. Deze wijzigingen zijn gebaseerd op het behoud van de openruimte en de bestaande landschappelijke kenmerken van de gebieden, afgestemd op de bestaande recreatieve functie; ▪ de herbestemmingen van recreatiegebied naar natuurgebied en agrarisch gebied. Deze wijzigingen zijn gebaseerd op de bestaande ecologische of landbouwkundige waarden van de zones en hun ligging in valleigebied. De zones bestemd naar natuurgebied hebben reeds een bestaande en te versterken rol in de natuur(kern)gebieden van de Moervaartvallei en vallei van de Zuidlede; ▪ de herbestemming van woongebied met landelijk karakter naar landelijk woongebied met cultuurhistorische waarde. Deze wijziging gaat uit van de bestaande bescherming van het gebied als beschermd stads- of dorpsgezicht en het behoud van de aanwezige cultuurhistorische en landschappelijke waarden; ▪ de herbestemming van gebied voor openbaar nut en gemeenschapsvoorzieningen naar agrarisch gebied. Deze wijzigingen zijn gebaseerd op de landbouwkundige waarde van de gebieden in de huidige agrarische structuur van het gebied. De gebieden zijn niet ontwikkeld als gebieden voor openbaar nut of gemeenschapsvoorzieningen; ▪ De bestemming van landschappelijk waardevol agrarisch gebied naar gemengd openruimtegebied. Deze wijziging is gebaseerd op de bestaande situatie en het huidig ruimtelijk functioneren van de zone in de Moervaartvallei. Het gebied heeft geen functie in de agrarische structuur in de vallei. ▪ De herbestemming van (landschappelijk waardevol) agrarisch gebied naar recreatiegebied. Deze wijziging is gebaseerd op de bestaande situatie en het huidig ruimtelijk functioneren van deze site in de vallei. Het gebied vervult geen rol binnen de agrarische structuur. Voor de planonderdelen die beschouwd kunnen worden als een ‘kleine wijziging’ zullen de mogelijke milieueffecten op planniveau in wat volgt onderzocht worden. Per type van bestemmingswijziging wordt de relevantie van de verschillende milieudisciplines nagegaan.” 5.
  36. Gelet op het voormelde, wordt wel degelijk gemotiveerd in welke zin het plan een “kleine wijziging” inhoudt, zoals bedoeld in artikel 4.2.3, § 3, DABM. De verzoekende partij brengt hier niets concreets tegen in. Wel bekritiseert zij de conclusie van de MER-screening dat het gewestelijk RUP geen aanzienlijke milieueffecten tot gevolg zal hebben. 5.
  37. Bij de beoordeling van de milieueffecten van een ruimtelijk uitvoeringsplan moet, uit het oogpunt van die milieueffecten, voor elke zone van het plan in de eerste plaats de vergelijking worden gemaakt tussen de verordenende voorschriften van het bestaande plan en die van het voorgenomen plan (de planologische toets). De huidige feitelijke bestemming van het gebied is X-17.353-14/24 bij deze planologische toets niet relevant. Wanneer uit de voornoemde planologische toets blijkt dat er zich inzake milieueffecten een relevante wijziging voordoet, moet deze wijziging bij het onderzoek worden betrokken. Voor het uitvoeren van een volledig en zorgvuldig effectenonderzoek kan de voornoemde planologische toets echter niet volstaan wanneer de betrokken percelen zich vanuit milieuoogpunt in een bijzondere feitelijke situatie bevinden, zoals bij de vastgestelde aanwezigheid van waardevolle natuurelementen. In dat geval moet ook worden nagegaan of er, gelet op die bestaande feitelijke toestand, milieueffecten kunnen zijn bij de realisatie van het voorgenomen plan (de feitelijke toets). 5.
  38. De verzoekende partij uit in het middel in essentie kritiek op het onderzoek naar de mogelijke milieueffecten voor wat de wijziging van de bestemmingen ‘natuurgebied’, ‘bosgebied’ en ‘dagrecreatie en sport’ naar de bestemming ‘landbouwgebied’ betreft, en voor wat de wijziging van de bestemming ‘natuurgebied’ naar ‘bouwvrij agrarisch gebied’ betreft. Volgens de verzoekende partij zou met betrekking tot de voormelde bestemmingswijzigingen geen planologische toets zijn doorgevoerd. Meer bepaald werd volgens haar “géén rekening [...] gehouden met de juiste referentietoestand, met name de juridische bestemming van deze gronden overeenkomstig het gewestplan”. 5.
  39. Wat het projectgebied van de verzoekende partij betreft, moet worden vastgesteld dat het gewestelijk RUP dit gebied niet tot ‘landbouwgebied’ “herbestemt”, aangezien het gebied reeds onder de gelding van het APA een agrarische bestemming had. Ter hoogte van het projectgebied van de verzoekende partij gelden, zoals gezien, voor een klein deel de stedenbouwkundige voorschriften van artikel 17 ‘agrarische zone type 2’ en voor het grootste deel de stedenbouwkundige voorschriften van artikel 18 ‘agrarische landschappelijke waardevolle zone’ (zie randnummer 3.3). De plannende overheid stelt op goede gronden dat in zulk geval de bestemming niet wijzigt en er bijgevolg binnen de planologische toets geen aanzienlijke milieueffecten te X-17.353-15/24 verwachten zijn. Minstens toont de verzoekende partij in haar verzoekschrift het tegendeel niet aan. 5.
  40. Wat verzoeksters kritiek op het onderzoek naar de mogelijke milieueffecten van de – buiten het projectgebied van de verzoekende partij doorgevoerde – bestemmingswijzigingen van ‘natuurgebied’, ‘bosgebied’ en ‘dagrecreatie en sport’ naar ‘landbouwgebied’ of ‘bouwvrij agrarisch gebied’ betreft, moet vooreerst worden vastgesteld dat de verzoekende partij zich in haar verzoekschrift op een specifiek belang beroept, dat erin bestaat dat zij “een windturbineproject [wenst] te ontwikkelen in een deel van het gebied dat wordt afgebakend door het bestreden [gewestelijk RUP]”. Zij wil dat er “windturbines worden ingeplant in het zuidelijk gedeelte van het plangebied” en verzet er zich tegen dat het projectgebied in het definitief vastgestelde gewestelijk RUP bestemd wordt als “bouwvrij agrarisch gebied” waarbinnen haar project “geen doorgang meer [kan] vinden”. In het licht daarvan heeft de verzoekende partij geen belang bij haar kritiek dat niet de mogelijke milieueffecten onderzocht zijn van de bestemmingswijzigingen van natuurgebied, bosgebied en recreatiegebied naar landbouwgebied. De desbetreffende ontvankelijkheidsexceptie van de verwerende partij is gegrond. Daarenboven gaat verzoekster in haar verzoekschrift voorbij aan meerdere passages uit de toelichtingsnota, die wel degelijk op de planologische toets van de geviseerde bestemmingswijzigingen betrekking hebben. Zo bijvoorbeeld de volgende passage inzake de wijziging van de bestemming ‘natuurgebied’ naar ‘bouwvrij agrarisch gebied’: “H.1 Binnen de bestemming natuurgebied zijn alle handelingen gericht op het behoud en de ontwikkeling van natuur en bos toegelaten. Agrarische activiteiten zijn enkel mogelijk voor zover het geen vergunningplichtige of van vergunning vrijgestelde handelingen zijn en binnen de randvoorwaarden vanuit de sectorale regelgeving (i.c. mestdecreet, natuurdecreet, bosdecreet). In bouwvrij agrarisch gebied kunnen alle handelingen in functie van beroepslandbouw, met uitzondering van het oprichten van landbouwbedrijfsgebouwen, toegelaten worden. H.2 Zowel binnen natuurgebied als bouwvrij agrarisch gebied geldt een bouwverbod, zodat de stedenbouwkundige mogelijkheden op vlak van het oprichten van gebouwen niet wijzigen. De belangrijkste wijziging vloeit X-17.353-16/24 voort uit het mestdecreet en het natuurdecreet dat in agrarisch gebied ruimere mogelijkheden biedt op vlak van bemesting en vergunningsplichtige en toelaatbare vegetatiewijzigingen. [...].” Verder haalt de verzoekende partij zelf passages uit de toelichtingsnota aan die de planologische toets betreffen. Met betrekking tot de voormelde bestemmingswijziging bijvoorbeeld: “Binnen natuurgebied geldt in regel een beperkte mogelijkheid tot bemesten (2 GVE/ha), maar het mestdecreet omvat een reeks wat uitzonderings- en overgangsbepalingen voor o.m. akkerbouwpercelen waardoor de facto de algemene bemestingsnorm van toepassing is in zeer grote delen van het gebied. Daardoor kan gesteld worden dat de bestemmingswijziging géén significant negatieve effecten kan hebben voor de discipline ‘grond- en oppervlaktewater’ en de discipline ‘fauna en flora’ t.o.v. de huidige juridische referentietoestand waarbij voor grote delen een ontheffing van het bemestingsverbod van toepassing is.” 5.
  41. De verzoekende partij overtuigt er niet van dat geen afdoende vergelijking tussen de verordenende voorschriften van het bestaande plan en die van het bestreden gewestelijk RUP zou zijn gebeurd, laat staan dat uit die planologische toets relevante wijzigingen hadden moeten blijken die ten onrechte niet bij het onderzoek betrokken zouden zijn geweest. 5.
  42. Verzoeksters betoog dat er na het openbaar onderzoek een essentiële wijziging met betrekking tot haar projectgebied werd doorgevoerd, kan evenmin bijval vinden, nu de plannende overheid reeds ten tijde van het voorontwerp van gewestelijk RUP uitdrukkelijk heeft aangegeven dat de voorschriften van (onder meer) de artikelen 17 en 18 van het APA dienen behouden te blijven. De verzoekende partij stelt in haar verzoekschrift zelf dat de inplanting van windturbines in haar projectzone met deze bepalingen niet verenigbaar is. Zo bekeken komen de stedenbouwkundige voorschriften van het gewestelijk RUP neer op een bevestiging van het APA. 5.
  43. Nu niet blijkt dat de bestemmingsvoorschriften van het APA, die de plannende overheid ten tijde van het (voor)ontwerp van het gewestelijk RUP met betrekking tot verzoeksters projectgebied uitdrukkelijk heeft willen X-17.353-17/24 behouden, de inplanting van de kwestieuze windturbines toelieten, kan verzoekster er niet van overtuigen dat de screeningsnota, de dienst Mer of het bestreden besluit de milieueffecten wegens het niet-toelaten van deze turbines dienden te onderzoeken. 5.
  44. Waar de verzoekende partij voor het eerst in haar memorie van wederantwoord aanvoert dat windturbines op het grondgebied van de gemeente Lokeren conform het gewestplan wel konden worden vergund, en dat artikel 2 van de stedenbouwkundige voorschriften ten aanzien van de stedenbouwkundige voorschriften van artikel 18 van het APA “bestemmingswijzigingen” bevat die niet werden onderzocht, is dit laattijdig en is het middel onontvankelijk. 5.
  45. Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 6.
  46. De verzoekende partij roept in een tweede middel de schending in van de artikelen 1.1.4, 2.2.6 en 2.2.7 VCRO, van het gelijkheidsbeginsel en het motiverings-, redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, alsook voert zij “de ontstentenis van de rechtens vereiste juridische en feitelijke grondslag” aan. 6.1.
  47. In een eerste middelonderdeel betoogt de verzoekende partij dat in het bestreden besluit niet op een redelijke en zorgvuldige wijze wordt gemotiveerd waarom het gebied dat volgens het voorontwerp van het gewestelijk RUP als ‘agrarisch gebied’ wordt bestemd, finaal als ‘bouwvrij agrarisch gebied’ wordt herbestemd. Deze beleidskeuze is niet tot stand gekomen op grond van een zorgvuldige afweging van alle belangen overeenkomstig artikel 1.1.4 VCRO. De herbestemming naar ‘bouwvrij agrarisch gebied’ wordt verantwoord door de zogenaamde schoonheidswaarde van het gebied, terwijl niet X-17.353-18/24 nader wordt gemotiveerd waarom dit gebied over enige schoonheidswaarde zou beschikken en dit uit geen enkel stuk blijkt. De verzoekende partij argumenteert dat dit gebied wordt doorkruist door twee grootschalige hoogspanningslijnen (150 kV en 380 kV) die als markant aanwezige lijninfrastructuur in het landschap moeten aangemerkt worden, zodat het landschap allerminst als open of ongeschonden kan worden beschouwd. In het gebied komen ook (gewest)wegen, zonevreemde bewoning en serrecomplexen voor, die evenmin tot de schoonheidswaarde van het landschap bijdragen. Verder ziet de verzoekende partij niet in waarom de inplanting van windturbines wegens de nabijheid van SBZ’s zou moeten verboden worden. Er wordt niet aangetoond dat de oprichting en exploitatie van windturbines enig negatief effect op de SBZ’s zouden kunnen hebben. Tenslotte merkt de verzoekende partij nog op dat het bestreden besluit ten onrechte doet uitschijnen dat de oprichting van windturbines nog wel mogelijk zou zijn in het plangebied, met name in de andere gebieden die nog steeds als ‘agrarisch gebied’ zijn bestemd. Het gaat te dezen om restpercelen waarop geen optimale inplanting van windturbines mogelijk is. Het bestreden besluit toont niet aan dat deze percelen voor de inplanting van windturbines in aanmerking komen. De verzoekende partij meent voorts dat niet concreet wordt gemotiveerd waarom bepaalde percelen als ‘bouwvrij agrarisch gebied’ worden bestemd en andere percelen niet. Voor dit onderscheid is geen enkele redelijke verantwoording voorhanden. De opgegeven motieven zijn kennelijk onredelijk en onvoldoende om de beleidskeuze te kunnen schragen en bovendien feitelijk onjuist. 6.1.
  48. In een tweede middelonderdeel betoogt de verzoekende partij dat niet duidelijk wordt gemotiveerd dat de gemeente Lochristi een advies omtrent de doorgevoerde bestemmingswijziging heeft uitgebracht, zodat niet vaststaat dat aan de voorwaarde van artikel 2.2.7, § 7, tweede lid, VCRO is voldaan. Evenmin wordt gemotiveerd dat de gemeente Lochristi uitdrukkelijk zou hebben gevraagd om de inplanting van windturbines te verbieden, zodat hierdoor evenmin vaststaat dat aan de voormelde decretale voorwaarde is voldaan. Voorts X-17.353-19/24 laat artikel 2.2.7, § 7, tweede lid, VCRO niet toe dat nog essentiële wijzigingen aan het gewestelijk RUP worden aangebracht. Het verbod om windturbines in te planten betreft een essentiële wijziging, temeer daar de doorgevoerde wijziging tot gevolg heeft dat het inplanten van windturbines op het ganse grondgebied van de gemeente Lochristi niet meer mogelijk is. Zodoende zijn het openbaar onderzoek en verzoeksters bezwaarrechten ernstig aangetast. 6.2.
  49. De verzoekende partij stelt in haar memorie van wederantwoord, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat niet gemotiveerd wordt waarom de ‘agrarische landschappelijke waardevolle zone’ uit het APA als bouwvrij kan aanzien worden, nu de oprichting van bepaalde constructies onder gelding van het APA mogelijk zijn. Verder merkt zij op dat het bestreden besluit niet alle ‘agrarische landschappelijke waardevolle zones’ naar ‘bouwvrij agrarisch gebied’ omzet. Ook doet de verzoekende partij gelden dat een RUP een toekomstgericht karakter heeft, zodat de planopties van dat plan moeten worden gemotiveerd, zelfs indien zij een loutere bevestiging van een vroegere bestemming uitmaken. Zij herhaalt dat uit het bestreden besluit niet blijkt waarom haar projectgebied enige landschappelijke waarde zou hebben en dat de nabijheid van SBZ’s geen reden is om de herbestemming ervan te verantwoorden. De restpercelen die door het gewestelijk RUP als ‘agrarisch gebied’ worden bestemd zijn volgens haar veel dichter bij Natura 2000-gebieden gelegen. 6.2.
  50. Met betrekking tot het tweede middelonderdeel stelt de verzoekende partij dat het argument dat het definitief vastgestelde gewestelijk RUP zogezegd opnieuw aansluiting bij de oorspronkelijke bestemming zoekt, geen afbreuk doet aan de vaststelling dat aan het voorontwerp essentiële wijzigingen werden aangebracht. Zij houdt vol dat de omzetting naar ‘bouwvrij agrarisch gebied’ wel degelijk een essentiële wijziging van het voorontwerp betreft omdat de oprichting van windturbines principieel en definitief uitgesloten wordt. 6.3.
  51. In haar laatste memorie doet de verzoekende partij, wat het eerste middelonderdeel betreft, nog gelden dat hoogspanningsleidingen en X-17.353-20/24 lijninfrastructuren volgens de Vlaamse beleidsrichtlijnen aanknopingspunten bij uitstek zijn voor de inplanting van windturbines, en herhaalt zij dat de restpercelen die door het gewestelijk RUP als ‘agrarisch gebied’ worden bestemd veel dichter bij Natura 2000-gebieden gelegen zijn. 6.3.
  52. Wat het tweede middelonderdeel betreft, stelt de verzoekende partij dat artikel 2.2.7, § 7, tweede lid, VCRO, “uiteraard wel vereist” dat de planwijziging “gevraagd” wordt door een betrokken partij. Bij de interpretatie van de voormelde bepaling “dient rekening gehouden te worden met de bepalingen van het Verdrag van Aarhus, inzonderheid de artikelen 7 en 8 van het verdrag”. Indien de planopmakende overheid na het openbaar onderzoek quasi onbeperkt wijzigingen zou kunnen aanbrengen aan het ontwerp, dan worden de inspraakmogelijkheden “volkomen uitgehold”. Beoordeling 7.1.
  53. Gelet op het gestelde onder randnummer 5.10 kan verzoeksters standpunt dat er van een essentiële wijziging van de stedenbouwkundige voorschriften sprake is, geen bijval vinden. 7.1.
  54. Het feit dat de verzoekende partij de schoonheidswaarde van het agrarische gebied anders beoordeelt dan de plannende overheid, doet voorts nog niet tot de onwettigheid van het gewestelijk RUP besluiten. Dit geldt te dezen nog meer nu het projectgebied van de verzoekende partij reeds onder het APA als waardevolle zone werd aangewezen en de kwestieuze bestemming in het advies van de gemeente Lochristi steun vindt. Voor het eerst in de memorie van wederantwoord, en derhalve op laattijdige en onontvankelijke wijze, betrekt de verzoekende partij het antwoord van de plannende overheid op het advies van de gemeente Lochristi bij haar kritiek en betwist zij dat de ‘agrarische landschappelijke waardevolle zone’ uit het APA als “bouwvrij” aanzien kan worden. X-17.353-21/24 7.1.
  55. De verzoekende partij betwist in haar verzoekschrift de nabijheid van de SBZ’s niet. Zij maakt er evenmin in aannemelijk dat de nabijheid van de SBZ’s niet mede als grondslag voor de geviseerde bestemming van haar projectgebied kon dienen. In zoverre de verzoekende partij eerst in haar memorie van wederantwoord aanvoert dat de restpercelen die door het gewestelijk RUP als ‘agrarisch gebied’ worden bestemd veel dichter bij Natura 2000-gebieden gelegen zijn en dat de bestreden beslissing op dit punt tegenstrijdig gemotiveerd is, is haar betoog laattijdig en is het middel onontvankelijk. 7.1.
  56. Een schending van artikel 1.1.4 VCRO wordt evenmin aangetoond. De verzoekende partij beperkt zich op dit punt in haar verzoekschrift immers tot het louter poneren dat “deze beleidskeuze niet tot stand is gekomen op grond van een zorgvuldige afweging van alle belangen overeenkomstig artikel 1.1.4 VCRO”. 7.1.
  57. De geviseerde bestemming van verzoeksters projectgebied vindt afdoende steun in de motieven inzake de schoonheidswaarde van het gebied en de nabijheid van de SBZ’s. Haar kritiek op de overweging in het bestreden besluit dat het oprichten van windturbines elders binnen agrarisch gebied mogelijk zou zijn, betreft een overtollig motief, en kan niet tot de vernietiging leiden. 7.1.
  58. Het eerste middelonderdeel wordt verworpen. 7.2.1 Het te dezen toepasselijke artikel 2.2.10, § 5, derde lid, voorheen artikel 2.2.7, § 7, tweede lid, VCRO bepaalt: “Bij de definitieve vaststelling van het plan kunnen ten opzichte van het voorlopig vastgestelde plan alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de adviezen, opmerkingen en bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek geformuleerd zijn.” X-17.353-22/24 7.2.
  59. De verzoekende partij houdt voor dat “niet duidelijk wordt gemotiveerd dat de gemeente Lochristi dienaangaande een advies heeft uitgebracht, zodat niet vaststaat dat überhaupt is voldaan aan de voorwaarde van artikel 2.2.7, § 7, tweede lid VCRO om een planwijziging door te voeren bij de definitieve vaststelling van het [gewestelijk RUP]”. 7.2.
  60. Vooreerst moet worden vastgesteld dat het bestreden besluit zowel de inhoud van het advies van de gemeente Lochristi als het standpunt van de plannende overheid hierover vermeldt (zie randnummer 3.9). Vermeld wordt dat de gemeente Lochristi heeft voorgesteld om de zones die in het APA als ‘agrarische landschappelijke waardevolle zones’ bestemd zijn, op te nemen als ‘bouwvrij agrarisch gebied’, met behoud van de mogelijkheid voor het uitbreiden van bestaande landbouwbedrijven zoals in de overgangsbepalingen van het APA aangegeven is. Gezien het voormelde overtuigt de verzoekende partij er niet van dat de geviseerde planwijziging niet “voortvloeit uit” of “gebaseerd is op” het advies van die gemeente, zoals vereist door de onder randnummer 7.2.1 vermelde decretale bepaling. 7.2.
  61. Het tweede middelonderdeel is ongegrond. 7.
  62. Het middel wordt in zijn geheel verworpen.
  63. Het beroep moet hoe dan ook als ongegrond verworpen worden. BESLISSING
  64. De Raad van State verwerpt het beroep.
  65. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verwerende partij. X-17.353-23/24 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig januari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.353-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.573 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.