← België

Arrest 249580 - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 25/01/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.580 Rolnummer: A. 231652/IX-9755 Zaak: Arrest 249580 - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 25/01/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-02-08 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-20 00:29 Fiche Arrest nr 249.580 van 25 januari 2021 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 249.580 van 25 januari 2021 in de zaak A. 231.652/IX-9755 In zake: de CVBA SABAM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Pieter-Bram Lagae en Walter Van Steenbrugge kantoor houdend te 9030 Mariakerke Durmstraat 29 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nicolas Bonbled, Thomas Eyskens en Sebastiaan De Meue kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 1 september 2020, strekt tot de schor- sing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring van: “l) Artikel 7 […] en artikel 8 […] van het Ministerieel besluit van 22 augustus 2020 houdende wijziging van het Ministerieel Besluit van 30 juni 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken; 2) Artikel 8 […] van het Ministerieel Besluit van 28 juli 2020 houdende wijziging van het Ministerieel Besluit van 30 juni 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavims COVID-19 te beperken; 3) Artikel 6 […] en artikel 7 […] van het Ministerieel Besluit van 24 juli 2020 houdende wijziging van het Ministerieel Besluit van 30 juni 2020 houdende IX-9755-1/4 dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken; 4) Artikel 11 § 5, eerste en tweede lid, artikel 12 en artikel 13 van het Ministerieel Besluit van 30 juni 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken.” II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Inge Vos heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 januari
  3. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Eerste auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  4. III. Verzoek tot afstand
  5. Met een brief van 6 januari 2021 meldt de verzoekende partij “afstand te doen van het geding cfr. artikel 59 van het Algemeen Procedurere- glement”. IX-9755-2/4 Alsdan kan, gelet op artikel 30, § 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de Raad van State in één en hetzelfde arrest uitspraak doen over de vordering tot schorsing en over het verzoekschrift tot nietigverklaring zonder dat de voortzetting van de procedure gevorderd kan worden, en is het recht dat daarmee verband houdt niet verschuldigd. IV. Kosten
  6. Verzoekster “[wijst] op het feit dat hun verzoeken doelloos zijn geworden door een opvolgend ministerieel besluit van 28 oktober 2020, zoals gewijzigd bij ministerieel besluit van 1 november 2020”. Zij meent “dat het daardoor onbillijk en kennelijk onredelijk zou zijn hen te veroordelen tot de rechtsplegingsvergoeding” en vraagt haar “dan ook niet te veroordelen tot de rechtsplegingsvergoeding, minstens deze te willen beperken tot het minimumbe- drag van 140,00 [euro]”.
  7. Een verzoekende partij die afstand doet, wordt in regel gelijk- gesteld met de in het ongelijk gestelde partij, wat de rechtsplegingsvergoeding betreft. Voor zover verzoekster in de huidige zaak vraagt af te wijken van de regel, mist haar argument feitelijke grondslag. Het door haar bestreden ministerieel besluit is niet ingetrokken, maar opgeheven en vervangen, zodat haar annulatieberoep niet om die reden “doelloos” wordt. De latere wijzigingen zijn het gevolg van de evolutie van de pandemie en houden geenszins een erkenning in zijdens de verwerende partij van de beweerde onwettigheid. Op het verzoek om geen rechtsplegingsvergoeding toe te kennen of deze te verminderen, kan dan ook niet worden ingegaan. IX-9755-3/4 BESLISSING
  8. De Raad van State verleent akte van de afstand van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring.
  9. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de ver- werende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig januari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9755-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.580 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.