← België

Arrest 249591 - Niet begeleide minderjarigen - 25/01/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.591 Rolnummer: A. 230451/XIV-38307 Zaak: Arrest 249591 - Niet begeleide minderjarigen - 25/01/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-02-08 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-20 00:28 Fiche Arrest nr 249.591 van 25 januari 2021 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 249.591van 25 januari 2021 in de zaak A. 230.451/XIV-38.307 In zake: Jawad HUSSAINI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Louise Zwart kantoor houdend te 1060 Brussel Roemeniëstraat 26 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefaan Verbouwe en Rutger Robijns kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Verzoeker dient met een enig verzoekschrift op 3 april 2020 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 27 februari 2020 waarbij wordt vastgesteld dat verzoeker “niet voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 „Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen‟, van de programmawet van 24 december 2002”, waardoor zijn plaatsing onder de hoede door de dienst Voogdij van rechtswege vervalt op de datum van de kennisgeving van de bestreden beslissing. XIV-38.307-1/9 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 december 2020, om 15 uur. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Daan Lernout, die loco advocaat Louise Zwart verschijnt voor verzoeker, en advocaat Rutger Robijns, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. XIV-38.307-2/9 III. Feiten
  4. Verzoeker komt België binnen en hij dient op 22 oktober 2019 een verzoek om internationale bescherming in. Hij verklaart alsdan van Afghaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 30 juni
  5. Verzoeker wordt onder de hoede geplaatst van de dienst Voogdij doch de dienst Vreemdelingenzaken uit op 27 januari 2020 twijfels over de leeftijd van betrokkene. In het Militair Hospitaal Koningin Astrid te Neder-Over-Heembeek ondergaat verzoeker op 24 februari 2020 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker ouder dan 18 jaar is. Op 27 februari 2020 beslist de dienst Voogdij dat verzoeker “niet voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 „Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen‟ van de programmawet van 24 december
  6. Bijgevolg vervalt de plaatsing onder de hoede en de voogdij uitgevoerd door Mijnheer Martin Youri Sylvain DELLOYE van Jongeheer Jawad HUSSAINI van rechtswege op de datum van de kennisgeving van deze beslissing.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Uiteenzetting van het middel
  7. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen‟ (hierna: de wet van 29 juli 1991), van de artikelen 3 en 7 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002 XIV-38.307-3/9 (hierna: de voogdijwet), van “het algemeen beginsel van voorzichtigheid” en van “het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, van redelijkheid en zorgvuldigheid”. In een eerste middelonderdeel voert verzoeker aan dat naar luid van artikel 7, § 3, van de voogdijwet ingeval van twijfel over de uitslag van het medisch onderzoek, rekening wordt gehouden met de jongste leeftijd. Volgens verzoeker zijn de op hem uitgevoerde onderzoeken, te weten een radiografie van de tanden, een radiografie van de sleutelbeenderen en een hand-polsradiografie, “zowel wetenschappelijk als politiek gezien twijfelachtig en dubieus” om een leeftijd te schatten. Hij citeert daartoe een bijdrage uit een juridisch tijdschrift en hij wijst op een zaak die hangend is voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Verzoeker laat gelden dat inhoudelijk twijfel bestaat over de uitgevoerde medische tests waar te dezen de hand-polsradiografie een leeftijd aangeeft van “minstens 18 jaar” zonder standaarddeviatie, de radiografie van de sleutelbeenderen een leeftijd aangeeft van “20 jaar” met een standaarddeviatie van ongeveer twee jaar en het orthopantomogram een leeftijd aangeeft van 20,62 jaar met een standaarddeviatie van 1,49 jaar. Volgens verzoeker geeft de verwerende partij in de bestreden beslissing niet aan waarom zij van mening is dat verzoeker een minimumleeftijd heeft van 20,62 jaar met een standaarddeviatie van 1,49 jaar, terwijl de medische tests aantonen dat het niet zo is. De verwerende partij zou ook een mathematische fout begaan door aan te geven dat de in acht te nemen leeftijd 20,62 jaar is terwijl dit enkel het resultaat is van het orthopantomogram. Daarom acht verzoeker de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, artikel 7, § 3, van de voogdijwet en de aangehaalde beginselen van behoorlijk bestuur geschonden. In een tweede middelonderdeel voert verzoeker aan dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 zijn geschonden omdat het medisch verslag hem niet tegelijk met de bestreden beslissing ter kennis werd gesteld. XIV-38.307-4/9 In een derde middelonderdeel voert verzoeker aan dat het medisch rapport enkel door een radioloog maar niet door een tandarts is ondertekend. Het is verzoeker dus niet mogelijk te weten wie de leeftijdsschatting heeft uitgevoerd en of de medische tests wel door een arts zijn uitgevoerd. Hij acht zodoende de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 geschonden. In een vierde middelonderdeel voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing voor hem moeilijk te begrijpen is. Hij kan moeilijk vatten dat de Belgische Staat plots twijfelt aan zijn leeftijd terwijl er geen sprake was van twijfel bij het invullen van de fiche niet-begeleide minderjarige. Daarom past het volgens hem de bestreden beslissing te vernietigen. Beoordeling
  8. Naar luid van artikel 7, §1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat, blijkt geen schending van een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek. Verzoeker weidt uit over de (on)betrouwbaarheid van medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling en verwijst in het bijzonder naar een standpunt in de rechtsleer en een zaak die hangende is voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Hij beperkt zich tot algemene kritiek doch hij toont niet aan dat het medisch onderzoek te dezen ondeskundig, onbetrouwbaar of niet correct is. Zo blijkt dat de arts eventuele afwijkingen ten gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd XIV-38.307-5/9 van 18 jaar heeft bereikt. Het medisch verslag bevat een uitgebreide uiteenzetting betreffende de gebruikte methodologie. Verzoeker ontkracht aldus niet dat het medisch onderzoek met de vereiste deskundigheid is gebeurd en dat de arts bij de beoordeling van de objectieve gegevens die hem voorlagen, rekening heeft gehouden met alle gegevens die in de huidige stand van de wetenschap gemeenzaam worden aanvaard. Uit het verslag van het medisch onderzoek blijkt dat de arts zich steunt op een drieledig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie is derhalve ook bepalend voor de in het voornoemde artikel 7, § 3, bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. Te dezen wordt in de eindconclusie van het medisch onderzoek besloten tot een leeftijd van “ouder dan 18 jaar, waarbij 20,6 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar een goede schatting is”. Anders dan verzoeker voorhoudt, valt niet in te zien waarom deze conclusie in strijd zou zijn met de resultaten van de afzonderlijke onderzoeken. Zo wordt met betrekking tot de handpols-radiografie aangegeven dat er “een volledige fusie is van de distale diaphyse en epiphyse van de radius, wat overeenkomt met een volwassen skelettale leeftijd” en dat op basis daarvan de skelettale leeftijd kan worden geschat “op minstens 18 jaar”. Uit de beide andere onderzoeken blijkt geen leeftijd, jonger dan 18 jaar. Anders dan verzoeker voorhoudt, wordt niet enkel het resultaat van het orthopantomogram in aanmerking genomen voor de eindconclusie: die eindconclusie is immers “20,6 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar” terwijl het resultaat van het orthopatomogram 20,62 jaar met een standaarddeviatie van 1,49 jaar is. Verzoeker brengt geen concrete en wetenschappelijk onderbouwde XIV-38.307-6/9 elementen aan waaruit kan blijken dat die eindconclusie, na een weging van de verschillende onderzoeksresultaten, willekeurig, foutief of onbetrouwbaar zou zijn. Het eerste middelonderdeel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.
  9. Verzoeker blijkt kennis te hebben van het medisch verslag vermits hij er een kopie van voegt bij het verzoekschrift tot nietigverklaring en hij gedetailleerde kritiek geeft op de inhoud ervan. Hij heeft wat dat betreft derhalve geen belang bij het inroepen van een mogelijke schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli
  10. Hoe dan ook is de bestreden beslissing, wat het medisch onderzoek betreft, formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de bestreden beslissing wordt vermeld. Te dezen geeft de bestreden beslissing de conclusie van dat onderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker meer dan 18 jaar oud is. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. Het tweede middelonderdeel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.
  11. Uit het medisch verslag blijkt dat de onderzoeken zijn uitgevoerd door dokter C.L., radioloog. Verzoeker maakt geenszins aannemelijk dat een radioloog aan de hand van een orthopantomogram niet zou kunnen vaststellen dat verzoekers leeftijd volgens de gebruikte schaal zou overeenstemmen met een ontwikkelingsstadium dat beantwoordt aan een leeftijd van tenminste 20,62 jaar en een standaarddeviatie van 1,49 jaar en dat een radioloog dit resultaat niet zou kunnen interpreteren in het licht van een meervoudige test. XIV-38.307-7/9 Het derde middelonderdeel is ongegrond.
  12. Enkel met de kritiek dat de bestreden beslissing “moeilijk te begrijpen” is, toont verzoeker geen onwettigheid ervan aan, a fortiori niet nu zijn overige kritiek in het middel, voor zover ontvankelijk, ongegrond is bevonden, in het bijzonder wat de formele motivering van de bestreden beslissing betreft. Hoewel een motivering omtrent de reden voor twijfel aan de door verzoeker opgegeven leeftijd strikt genomen niet nodig is, wordt in de bestreden beslissing duidelijk vermeld dat de dienst Vreemdelingenzaken op 27 januari 2020 heeft meegedeeld dat verzoeker in Griekenland is gekend onder een andere naam en als zijnde geboren op 3 december 2001 en dat de dienst Vreemdelingenzaken dezelfde dag twijfel omtrent verzoekers leeftijd heeft geuit. Het vierde middelonderdeel is niet-ontvankelijk, minstens ongegrond. V. Over de vordering tot schorsing
  13. Deze zaak vereist slechts korte debatten zodat er grond is om toepassing te maken van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟. Er is bijgevolg geen grond meer om de vordering tot schorsing verder te onderzoeken. BESLISSING
  14. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
  15. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing. XIV-38.307-8/9
  16. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig januari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, waarnemend voorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.307-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.591 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.