← België

Arrest 249593 - Onteigeningen - 26/01/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.593 Rolnummer: A. 225927/X-17297 Zaak: Arrest 249593 - Onteigeningen - 26/01/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-02-09 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-20 00:28 Fiche Arrest nr 249.593 van 26 januari 2021 Overheidsopdrachten en openbare werken - Onteigeningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 249.593 van 26 januari 2021 in de zaak A. 225.927/X-17.297 In zake : Walter VAN AUTGAERDEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat John Toury kantoor houdend te 1800 Vilvoorde Jean Baptiste Nowélei 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :

  1. het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen
  2. de INTERCOMMUNALE GRONDBELEID EN EXPANSIE ANTWERPEN (IGEAN) -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingediend op 14 augustus 2018, strekt tot de nietigverklaring van “het Besluit van de Vlaamse minister van binnenlands bestuur, inburgering, wonen, gelijke kansen en armoedebestrijding dd. 8 juni 2018 waarbij Igean gemachtigd wordt om tot onteigening over te gaan van een onroerend goed gelegen te Niel, Antwerpsestraat 47 alsook tegen het Besluit van de Raad van Bestuur van Igean dd. 7 juni 2017”. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De eerste verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. X-17.297-1/7 Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De eerste verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 november
  5. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Angelique Van de Meirsshe, die loco advocaat Tom De Sutter verschijnt voor de eerste verwerende partij, is gehoord. Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Rechtsmacht 3.
  7. Luidens artikel 14, § 1, van de Raad van State-wet, doet de Raad van State uitspraak over de beroepen tot nietigverklaring “[i]ndien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege wordt toegekend”. 3.
  8. Krachtens de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 „betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte‟ (hierna: de wet van 26 juli 1962) heeft de vrederechter, wanneer de onteigenende overheid de vordering tot onteigening bij hem heeft ingeleid, als opdracht de voor de onteigening vereiste besluiten van die overheid zowel op hun interne als op hun externe wettigheid te toetsen. Die bevoegdheid van de gewone rechter sluit de bevoegdheid van de Raad van State uit om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring van die handelingen; de X-17.297-2/7 bevoegdheidsuitsluiting geldt vanaf de dagvaarding om voor de gewone rechter te verschijnen en ten aanzien van de personen die tot die procedure toegang hebben. Ze geldt ook voor het beroep tot nietigverklaring dat al bij de Raad van State was ingesteld vooraleer de vrederechter werd geadieerd.
  9. Verzoeker wijst er op dat te dezen de zaak voor het vredegerecht Boom werd ingeleid “om op 24 september 2020 te pleiten over de onteigening van zijn eigendom”. 5.
  10. Verzoeker werpt in zijn laatste memorie op dat de in randnummer 3.2 aangehaalde – op de rechtspraak van de Raad van State gestoelde – zienswijze, een onverantwoorde discriminatie inhoudt tussen, enerzijds, de betrokken eigenaars en, anderzijds, de gewone derden die eveneens een belang hebben in de onteigeningsprocedure. Hij meent dat deze laatsten over een grotere rechtsbescherming beschikken. Verder meent verzoeker dat hij tegen zijn wil wordt afgetrokken van de Raad van State, hetgeen hij in strijd acht met artikel 13 van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Hij verzet zich tegen deze aftrekking. Hij meent dat, “[z]oals algemeen bekend”, de betrokken eigenaars bij de Raad van State over een efficiëntere en meer gegarandeerde rechtsbescherming beschikken dan dit bij de vrederechter het geval is. 5.
  11. “Gelet op de discriminatie of ongelijke behandeling waaraan verzoeker meent te worden onderworpen”, meent verzoeker dat het stellen van de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof “aan de orde is”: “Worden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet op zichzelf genomen en in samenhang gelezen met de artikelen 13, 16 en 160 Grondwet, de artikelen 6, paragraaf 1 en 14 van het EVRM en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM geschonden door de artikelen 3, 6, 7 en 16, tweede lid, van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigeningen ten algemene nutte, alsook door de artikelen 14 en 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, in zoverre de onteigenden en de belanghebbende derden bedoeld in artikel 6 van voormelde wet van 26 juli 1962 geen rechtstreeks beroep hebben tegen het onteigeningsbesluit of hun rechtstreeks ingesteld beroep bij de Raad van State komt te vervallen eens de onteigenaar voor de Vrederechter gedagvaard heeft, niettegenstaande dit rechtstreeks beroep dat X-17.297-3/7 beperkt is tot het debat over de wettigheid van het onteigeningsbesluit hen wordt gegarandeerd door artikel 13 Grondwet, artikel 6, paragraaf 1, van het EVRM en de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State aan alle recht- zoekenden een rechtstreeks beroep openstellen tegen onwettige overheidsbesluiten, zodat de onteigenden door het instellen van de gerechtelijke onteigeningsprocedure aldus worden afgetrokken van de hun door de (Grond)wet toegekende rechter, hetgeen niet het geval is voor de gewone belanghebbende derden?” 5.
  12. Verzoeker doet in zijn laatste memorie nog gelden dat het feit dat de Raad van State in de materie van het onteigeningsrecht slechts over een residuaire bevoegdheid zou beschikken “niet als argument [kan] worden weerhouden gezien dit des te meer de ongelijkheid in het licht stelt tussen enerzijds de derden belanghebbenden en anderzijds de betrokken eigenaars”. Volgens hem dient “in het licht van artikel 6 EVRM alsook [van artikel] 13 Grondwet te worden vastgesteld dat de rechter die in een zaak als eerste gevat wordt, als bevoegde rechter voor de beoordeling van de zaak dient te worden beschouwd”. “Het voormelde” geldt volgens verzoeker des te meer “nu in het nieuwe Vlaamse Onteigeningsdecreet zelfs geen rechtsgrond valt terug te vinden op basis waarvan de Raad voor Vergunningsbetwistingen […] zich onbevoegd zou moeten verklaren voor de verdere behandeling van de ingeleide procedure”. Voorts is van een residuaire bevoegdheid van de Raad van State volgens verzoeker geen sprake meer “en dit des te meer na wijziging van de artikelen 144 GW en 11bis wet Raad van State”. “Tot slot” benadrukt verzoeker dat “van een gelijkwaardige rechtsbescherming van de betrokken onteigende tussen enerzijds een procedure voor de Raad van State en anderzijds een procedure voor de Vrederechter geen sprake is”. Alleen al maar de snelheid waarmee een procedure voor het vredegerecht wordt gevoerd alsook het verschil tussen de beoordeling van een zaak door een niet-gespecialiseerde alleenzetelende rechter ten opzichte van de beoordeling door een kamer met drie gespecialiseerde staatsraden en het gegeven van de aanwezigheid van een auditoraat, tonen duidelijk aan dat verzoeker belangrijke waarborgen verliest wanneer de Raad van State zich zonder rechtsmacht verklaart. X-17.297-4/7 Beoordeling 6.
  13. Wat verzoekers betoog betreffende de vermeende mindere rechtsbescherming voor de vrederechter betreft, kan verwezen worden naar de arresten van het Grondwettelijk Hof nrs. 57/92 van 14 juli 1992, 80/92 van 23 december 1992, 75/93 van 27 oktober 1993 en 68/2002 van 28 maart 2002, waarin het Grondwettelijk Hof oordeelt dat: “[k]rachtens artikel 107 van de Grondwet […] de aan de gewone rechter toegekende bevoegdheid [geldt] om na te gaan of de bij de wet voorgeschreven vormvereisten in acht zijn genomen, voor alle externe en interne onwettigheden. Zijn de aan de enen en de anderen geboden procedures weliswaar verschillend, de wettigheidstoetsing die zij organiseren is gelijkwaardig.” 6.
  14. In het licht van de gelijkwaardigheid van de door de vrederechter geboden rechtsbescherming, zoals die uit de voormelde rechtspraak blijkt, is verzoekers standpunt dat hij van de “gespecialiseerde rechter” wordt afgetrokken en een schending van artikel 13 van de Grondwet en artikel 6 EVRM voorligt indien de Raad van State zich zonder rechtsmacht verklaart, te verwerpen. 6.
  15. De door verzoeker voorgestelde prejudiciële vraag (randnr. 5.2) gaat uit van de ongelijkwaardigheid van de door de vrederechter geboden rechtsbescherming. Dit uitgangspunt is verkeerd, zoals blijkt uit de onder randnummer 6.1 vermelde rechtspraak. De gesuggereerde vraag wordt dan ook niet aan het Grondwettelijk Hof gesteld. 6.
  16. Voorts vermag verzoekers betoog dat hij ingevolge “de wijziging van de artikelen 144 GW en artikel 11bis [van de] wet op de Raad van State” “bij een onwettig verklaarde bestuurshandeling […] rechtstreeks [voor de] Raad van State een vordering tot schadevergoeding [kan] instellen” – wat hij niet heeft gedaan – aan het gebrek aan rechtsmacht van de Raad van State om van huidig beroep kennis te nemen geen afbreuk te doen. X-17.297-5/7 6.
  17. Verzoekers betoog dat “in het nieuwe Vlaamse Onteigeningsdecreet zelfs geen rechtsgrond valt terug te vinden op basis waarvan de Raad voor Vergunningsbetwistingen […] zich onbevoegd zou moeten verklaren voor de verdere behandeling van de ingeleide procedure” mist ter zake van de bevoegdheid van de Raad van State pertinentie.
  18. Uit een en ander volgt dat de Raad van State zonder rechtsmacht is, zodat het voorliggende beroep moet worden verworpen. IV. Kosten
  19. In de gegeven omstandigheden is er reden om de kosten, inbegrepen het betalen van een rechtsplegingsvergoeding, ten laste van de verwerende partijen te leggen. BESLISSING
  20. De Raad van State verwerpt het beroep.
  21. De verwerende partijen worden elk voor de helft verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. X-17.297-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig januari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.297-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.593 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.