id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.594 Rolnummer: A. 223779/X-17067 Zaak: Arrest 249594 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 26/01/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-02-09 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-20 00:29 Fiche Arrest nr 249.594 van 26 januari 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 249.594 van 26 januari 2021 in de zaak A. 223.779/X-17.067 In zake :
- Lea CARETTE
- Sonja VAN DE WALLE
- Tom VAN DAMME
- Annelies VAN DAMME
- An-Sofie VAN DAMME bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Donatienne Ryckbost en Emmanuel Ryckbost kantoor houdend te 8400 Oostende E. Beernaertstraat 80 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- de GEMEENTE BEERNEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Rasschaert kantoor houdend te 9420 Erpe-Mere Schoolstraat 20 bij wie woonplaats wordt gekozen
- de PROVINCIE WEST-VLAANDEREN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het verzoekschrift, ingediend op 14 november 2017, strekt tot de nietigverklaring van: a. het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Beernem van 6 juli 2017 houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan „Planologische ruil Oedelem‟, en b. het besluit van de deputatie van de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen van 18 mei 2017 houdende de schorsing van het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Beernem van 23 maart 2017 tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan „Planologische ruil Oedelem‟. X-17.067-1/16 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 240.686 van 8 februari 2018 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De eerste verwerende heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 november
- Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Fitzgerald Temmerman, die loco advocaten Donatienne Ryckbost en Emmanuel Ryckbost verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Karel Verbestel, die loco advocaat Wim Rasschaert verschijnt voor de eerste verwerende partij, en Sacha Debusschere en Sofie Ide, juristen, die verschijnen voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- X-17.067-2/16 III. Feiten
- Verzoekers hebben zakelijke rechten op drie percelen gelegen aan de Kerselaerstraat in de voormalige gemeente Oedelem, die in 1976 is opgenomen in de gemeente Beernem (hierna: verzoekers‟ terrein). Het noordelijke gedeelte van verzoekers‟ terrein is gesitueerd binnen het beheersingsgebied van het bij koninklijk besluit van 5 maart 1973 goedgekeurd bijzonder plan van aanleg “Haverbilken” van de gemeente Oedelem (hierna: het BPA). Gezien vanaf de Kerselaerstraat, voorziet het BPA op verzoekers‟ terrein achtereenvolgens een groenzone, een zone voor open bebouwing en zone voor wegenis. Verzoekers‟ terrein is krachtens het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Brugge-Oostkust grotendeels gelegen in agrarisch gebied en voor de rest in woongebied.
- In 2014 neemt de gemeente Beernem het initiatief voor een voorontwerp van gemeentelijk RUP “Planologische ruil Oedelem”, waardoor twee bij de kern van Oedelem aansluitende woonuitbreidingsgebieden, meer bepaald “Oedelem noord-oost” en “Oedelem zuid-oost”, voor een deel worden omgezet naar woongebied, en in ruil het woongebied “Haverbilken-west” wordt omgezet naar woonreservegebied.
- Met een besluit van 4 november 2014 beslist de dienst Milieueffectrapportage van het Vlaamse Gewest dat het voorgenomen plan geen aanleiding geeft tot aanzienlijke negatieve milieugevolgen en dat de opmaak van een plan-milieueffectrapport niet nodig is.
- Op 1 februari 2016 wordt een plenaire vergadering gehouden omtrent het voorontwerp van gemeentelijk RUP „Planologische ruil Oedelem‟.
- In juli 2016 dienen verzoekers een aanvraag in om hun terrein te verkavelen in drie – van west naar oost achter elkaar gelegen – woonkavels met X-17.067-3/16 ontsluiting via een nieuwe weg die aantakt op de Kerselaerstraat (hierna: verzoekers‟ verkavelingsaanvraag). 8.
- Op 7 juli 2016 stelt de gemeenteraad van de gemeente Beernem het ontwerp van gemeentelijk RUP „Planologische ruil Oedelem‟ voorlopig vast. 8.
- Wat verzoekers‟ terrein betreft, voorziet het ontwerpplan de herbestemming naar zone voor wonen, zone voor openruimtegebied en woonreservegebied.
- Tijdens het openbaar onderzoek dat over het ontwerp van gemeentelijk RUP wordt gehouden, worden acht bezwaarschriften ingediend, waaronder ook door verzoekers.
- De gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening van de gemeente Beernem (hierna: de Gecoro) verleent op 17 januari 2017 een voorwaardelijk gunstig advies over het ontwerp van gemeentelijk RUP. Wat verzoekers‟ bezwaren betreft, adviseert zij om deze te verwerpen.
- Met een besluit van 23 maart 2017 stelt de gemeenteraad van de gemeente Beernem het gemeentelijk RUP definitief vast. Er wordt niets gewijzigd ten opzichte van wat in randnummer 8.2 is vermeld.
- Met het tweede bestreden besluit van 18 mei 2017 schorst de deputatie van de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen het gemeentelijk RUP, om reden dat het RUP ter hoogte van verzoekers‟ percelen zorgt voor “een verlinting van de Kerselaerstraat, die met het geldende BPA niet mogelijk was, waardoor dit strijdig is met de hogere structuurplannen”. 13.
- Met het eerste bestreden besluit van 6 juli 2017 stelt de gemeenteraad van de gemeente Beernem het gemeentelijk RUP een tweede maal vast. X-17.067-4/16 13.
- Een in de toelichtingsnota bij het definitief vastgestelde gemeentelijk RUP opgenomen visieschets doet er van blijken dat er drie – van noord naar zuid naast elkaar gelegen – woningen gebouwd kunnen worden op verzoekers‟ terrein. Zoals blijkt uit het op 6 juli 2017 vastgestelde artikel 1.2.1, “specifieke inrichting deelzone A”, dienen de laatstgenoemde woningen gericht te worden naar het aan de oostkant gelegen woonreservegebied. In afwachting van de aanleg van dit woonreservegebied kunnen de woningen tijdelijk via de Kerselaerstraat ontsluiten. Ter verduidelijking wordt hierna een uittreksel uit de toelichtingsnota weergegeven, waarop benaderende aanduidingen zijn aangebracht. IV. Onderzoek van de middelen A. Het eerste middel Uiteenzetting van het middel 14.
- Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: het Eerste Aanvullend Protocol) “in combinatie met” artikel 16 van X-17.067-5/16 de Grondwet “door een onrechtmatige aantasting of beperking van het eigendomsrecht”, van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “inzonderheid” het evenredigheids- en proportionaliteits-, het redelijkheids-, het zorgvuldigheids-, het rechtszekerheids-, het gelijkheids- en het motiveringsbeginsel, en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ (hierna: de formelemotiveringswet). 14.
- Verzoekers voeren aan dat hun terrein door het bestreden gemeentelijk RUP op een onevenredige wijze wordt getroffen. Ten onrechte is beweerd dat het bestreden RUP geen planschade zou veroorzaken, terwijl een deel van verzoekers‟ terrein van woongebied naar woonuitbreidingsgebied wordt gewijzigd en een ander deel openruimtegebied wordt in plaats van woongebied. Hun terrein wordt planologisch derhalve gedegradeerd, zonder enige financiële compensatie, wat een de facto onteigening inhoudt. Het RUP bevat dienaangaande geen enkele concrete afweging, wat nochtans behoorde nu verzoekers‟ terrein in het kader van een generatieoverschrijdend familieproject bedoeld was om elk van de drie kleinkinderen toe te laten aldaar een woning te bouwen. Verzoekers menen dat hun zwaar financieel verlies tot 2,5 miljoen euro kan oplopen.
- In hun memorie van wederantwoord hernemen verzoekers het in het verzoekschrift aangevoerde middel, zonder in te gaan op het verweer van de verwerende partijen.
- In hun laatste memorie stellen verzoekers dat de schending van het rechtszekerheidsbeginsel duidelijk blijkt uit het feit dat het BPA, waarin als ontsluitingsweg de Kerselaerstraat is voorzien, hen gedurende jaren heeft verzekerd dat hun terrein kon worden ontwikkeld als bouwgrond. Beoordeling
- Vooreerst moet met de eerste verwerende partij worden vastgesteld dat het bestreden gemeentelijk RUP geen bestuurshandeling met een individuele strekking betreft, en bijgevolg buiten het toepassingsgebied van de X-17.067-6/16 formelemotiveringswet valt. In zoverre de schending van die wet wordt aangevoerd, is het middel onontvankelijk.
- De Raad van State is verder onbevoegd in zoverre verzoekers hem willen doen vaststellen dat zij recht hebben op planschadevergoeding omdat hun eigendom een waardevermindering zou ondergaan. Een geschil over dergelijk burgerlijk recht behoort immers krachtens artikel 144, eerste lid, van de Grondwet uitsluitend tot de bevoegdheid van de justitiële rechter. 19.
- Uit het bestreden gemeentelijk RUP vloeien voor verzoekers‟ terrein beperkingen voort die rechtens geen onteigening en evenmin eigendomsberoving zijn, doch die wel kunnen worden aangemerkt als een inmenging in het recht op eigendom. Een dergelijke inmenging houdt evenwel niet ipso facto een schending in van de aangevoerde rechtsregels. Zo bepaalt het tweede lid van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol dat het recht op ongestoord genot “op geen enkele wijze” het recht aantast dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met “het algemeen belang”. 19.
- Er moet worden vastgesteld dat verzoekers nalaten om de in de toelichtingsnota bij het definitief vastgestelde gemeentelijk RUP uitgedrukte motieven voor de herbestemming van hun terrein bij hun uiteenzetting te betrekken. In zoverre is het middel niet deugdelijk geadstrueerd. 19.
- Verder dient in herinnering te worden gebracht dat de bij het bestreden gemeentelijk RUP horende toelichtingsnota een visieschets bevat (randnr. 13.2) die – net zoals verzoekers‟ verkavelingsaanvraag (randnr. 7) – de bouw van drie woningen op verzoekers‟ terrein voorziet. 19.
- Plannen van aanleg en ruimtelijke uitvoeringsplannen zijn reglementair van aard en bestuurshandelingen van reglementaire aard kunnen te allen tijde onder de decretaal bepaalde voorwaarden worden opgeheven of gewijzigd. Bestemmingsvoorschriften van een plan van aanleg of een ruimtelijk uitvoeringsplan scheppen voor de betrokken eigenaars geen verworven rechten voor de toekomst. Verzoekers konden er derhalve niet wettig op vertrouwen dat de X-17.067-7/16 op hen toepasselijke planvoorschriften in de toekomst ongewijzigd behouden zouden blijven.
- De conclusie is dat uit hetgeen in het verzoekschrift wordt aangevoerd niet blijkt dat de herbestemming van verzoekers‟ terrein niet in overeenstemming met “het algemeen belang” zou zijn, en dat het bestreden gemeentelijk RUP geen billijk evenwicht tot stand zou brengen tussen de vereisten van het algemeen belang en van de bescherming van het recht van eenieder op het ongestoorde genot van zijn eigendom of de aangevoerde rechtsregels anderszins zou schenden.
- Het eerste middel wordt verworpen. B. Het tweede middel Uiteenzetting van het middel 22.
- Het tweede middel is genomen uit de schending van het provinciaal en het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, van artikel 2.1.2, §§ 2 en 3, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), van artikel 8, §§ 1 en 2, van het decreet van 18 juli 2003 „betreffende het integraal waterbeleid‟, van artikel 2/1 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 juli 2006 „tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstantie en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid‟, van de omzendbrief LNE/2015/2 van 19 mei 2015 „betreffende richtlijnen voor de toepassing van de watertoets voor de vrijwaring van het waterbergend vermogen in signaalgebieden en in effectief overstromingsgevoelige gebieden‟, van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “inzonderheid” het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel, van de formelemotiveringswet en van het verbod op machtsafwending. X-17.067-8/16 22.
- Verzoekers wijzen er op dat in het provinciaal ruimtelijk structuurplan voor de provincie West-Vlaanderen (PRS) toetsingscriteria zijn opgenomen die moeten worden nageleefd bij een planologische ruil zoals die wordt doorgevoerd met het bestreden gemeentelijk RUP. Een eerste criterium van het PRS is dat het nieuwe woongebied minder landschappelijk of natuurlijk waardevol gebied aantast en niet watergevoelig is. In de ruil voor het gebied Haverbilken wordt echter het gebied “Oedelem noord-oost” betrokken dat volgens verzoekers een privé-park omvat waar voortaan een dertiental woongelegenheden kunnen worden voorzien. Het gaat om het enige groengebied in het centrum van Oedelem. Voorts wordt in de ruiloperatie ook het gebied “Oedelem zuid-oost” betrokken, dat echter op het ogenblik van de vaststelling van het voorontwerp van het gemeentelijk RUP als een watergevoelig signaalgebied werd aangeduid. Verzoekers noemen het volslagen onbegrijpelijk dat daaraan in het bestreden gemeentelijk RUP geen aandacht wordt besteed. Verzoekers vervolgen dat het PRS daarnaast een planologische ruil toelaat wanneer de ontwikkeling van een bepaald woon(uitbreidings)gebied niet evident is, bijvoorbeeld om reden van een moeilijke ontsluiting. De verwerende partij beroept zich daarop in haar eigen gemeentelijk ruimtelijk structuurplan (GRS) dat bepaalt dat dit laatste het geval is in het gebied “Haverbilken”, maar volgens verzoekers is in het GRS nergens aangegeven dat de ontsluiting langs de Kerselaerstraat niet langer gewenst zou zijn. Verzoekers menen dat de ontsluiting van minstens een deel van het gebied “Haverbilken” langs de Kerselaerstraat zeer evident is, nu die straat reeds eeuwenoud is en altijd werd gezien als ontsluitingsweg voor het betrokken woongebied. Ook in het BPA werd niet voor niets wél de ontsluiting van het gebied via de Kerselaerstraat opgenomen. Ook ligt er ter plaatse al riolering. Nog voeren verzoekers aan dat het GRS in zeer duidelijke termen een prioritaire verdichting van een deel van de wijk “Haverbilken” vooropstelt. De omvorming van de zone “Oedelem noord-oost” gebeurt slechts ten voordele van één enkele eigenaar. De opwaardering van de zone “Oedelem zuid-oost” zou anderzijds kaderen in de op stapel staande uitbreiding van de gemeenteschool met inbegrip van de aanleg van een parking, X-17.067-9/16 hetgeen echter nergens wordt onderbouwd. Waar verzoekers volgens het bestreden gemeentelijk RUP ruimte voor drie te bouwen woningen wordt toegemeten, menen zij dat zulks veel te eng is bemeten en dat die woningen aanzienlijk kleiner zullen uitvallen dan hetgeen oorspronkelijk bedoeld was en ook duidelijk veel te dicht bij elkaar staan. Dat slechts een zogenaamde tijdelijke ontsluiting tot de Kerselaerstraat zou kunnen worden genomen strookt volgens verzoekers ook niet met het karakter van die straat als toegangsweg tot de dorpskern en met de vaststelling dat langs die straat nog toegangen bestaan en werden toegestaan tot woonpercelen. Tot slot stellen verzoekers te hebben vernomen dat snel tot realisatie van het bestreden gemeentelijk RUP zal worden overgegaan en dat zij door een projectontwikkelaar werden aangeschreven en onder druk gezet om hun terrein te verkopen.
- In hun memorie van wederantwoord stellen verzoekers dat het helemaal niet zeker is dat er geen waterproblemen kunnen zijn op terreinen die volgens het bestreden gemeentelijk RUP voor woningbouw bestemd zijn. Verder wordt wel degelijk een waardevol deel van het parkgebied opgeofferd aan bebouwing.
- In hun laatste memorie schrijven verzoekers dat de in de toelichtingsnota bij het bestreden gemeentelijk RUP aangehaalde obstakels in verband met de Kerselaerstraat, meer bepaald dat ze opgenomen is in de inventaris van het bouwkundig erfgoed en dat ze gekenmerkt wordt door een smal rijprofiel en een moeilijk berijdbare ondergrond (kasseien), alleszins kunnen worden geremedieerd door de straat indien nodig opnieuw aan te leggen. Beoordeling
- In zoverre de schending wordt aangevoerd van de formelemotiveringswet is het middel onontvankelijk om de in randnummer 17 aangehaalde reden. X-17.067-10/16
- De beoordeling van opportuniteitskritiek behoort niet tot de bevoegdheid van de Raad van State, die een wettigheidsrechter is. In de uitoefening van zijn wettigheidscontrole mag de Raad van State zich niet in de plaats stellen van de plannende overheid, die bij het vaststellen van een ruimtelijk uitvoeringsplan beschikt over een ruime discretionaire bevoegdheid. De Raad van State is als rechter van de wettigheid wel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de plannende overheid is uitgegaan van werkelijk bestaande en relevante feitelijke gegevens die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld, of hij die correct en met een zorgvuldige afweging van alle in het geding betrokken belangen heeft beoordeeld en of hij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot zijn besluit is kunnen komen.
- Met de verwerende partijen moet worden vastgesteld dat de toelichtingsnota bij het bestreden gemeentelijk RUP een uitvoerige motivering bevat waarom tot de planologische ruil wordt overgegaan, met toepassing van de principes die terug te vinden zijn in het PRS en het GRS (hierna: de in de toelichtingsnota opgenomen motivering). Zo wordt onder meer de concrete toepassing toegelicht van de in het GRS vervatte richtinggevende principes voor de planologisch gewenste ruil van, enerzijds, het gebied “Haverbilken-west” en, anderzijds, de gebieden “Oedelem noord-oost” en “Oedelem zuid-oost” en worden de redenen opgesomd waarom de Kerselaerstraat ongeschikt is als ontsluitingsweg voor de ontwikkeling van het gebied “Haverbilken-west”, zijnde onder meer dat ze opgenomen is in de inventaris van het bouwkundig erfgoed en dat ze gekenmerkt wordt door een smal rijprofiel en een moeilijk berijdbare ondergrond (kasseien). Wat het gebied “Oedelem noord-oost” betreft moet worden vastgesteld dat volgens de stedenbouwkundige voorschriften de deelzone B als park moet worden behouden en “niet bebouwbaar” is. Anders dan verzoekers blijkbaar menen, leidt het enkele feit dat het bestreden gemeentelijk RUP daarnaast bebouwing toestaat in wat zij “een privé-park” noemen, niet tot de onwettigheid van dit RUP. Verder wijst de eerste verwerende partij er in haar memorie van antwoord terecht op dat zij bij de vaststelling van het voorontwerp van het X-17.067-11/16 gemeentelijk RUP enkel heeft vastgesteld dat de waterproblematiek voor het gebied “Oedelem zuid-oost” nader onderzoek vergde. Verzoekers laten na de stelling van de verwerende partij dat dit nader onderzoek uitgewezen heeft dat het betrokken gebied niet watergevoelig is, te bekritiseren.
- Zoals terecht werd vastgesteld in het auditoraatsverslag, bevat het verzoekschrift als dusdanig geen rechtstreekse kritiek op de in de toelichtingsnota opgenomen motivering, maar vertrekken verzoekers vanuit een eigen redengeving om het bestreden gemeentelijk RUP te bekritiseren. In zoverre is het middel niet deugdelijk geadstrueerd. De in de laatste memorie van verzoekers aangevoerde argumentatie in verband met de in de toelichtingsnota opgenomen motivering (randnr. 24) is laattijdig en bijgevolg onontvankelijk.
- Gezien het voormelde, kunnen noch de bedenkingen van verzoekers dat de drie woningen op hun terrein te klein zullen zijn en te dicht bij elkaar zullen staan en dat een projectontwikkelaar druk op hen heeft uitgeoefend, noch de niet concreet gestaafde bewering dat het bestreden gemeentelijk RUP de belangen van één eigenaar zou dienen, tot de nietigverklaring van het bestreden gemeentelijk RUP leiden.
- De conclusie is dat uit hetgeen verzoekers aanvoeren niet blijkt dat de aangevoerde rechtsregels geschonden zouden zijn.
- Het tweede middel wordt verworpen. C. Het derde middel Uiteenzetting van het middel 32.
- Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 2.2.2, § 1, 7°, 2.6.1 en 2.6.2 VCRO, van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “inzonderheid” het zorgvuldigheids- en het X-17.067-12/16 motiveringsbeginsel, en van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet. 32.
- Verzoekers voeren aan dat er ten onrechte geen register is opgesteld van de percelen waarvoor een bestemmingswijziging wordt doorgevoerd die aanleiding kan geven tot een planschadevergoeding. Verzoekers‟ terrein ondergaat immers een aanzienlijke waardevermindering, zodat zij wel degelijk in aanmerking komen voor de toekenning van een planschadevergoeding.
- In hun memorie wederantwoord wijzen verzoekers er op dat het BPA bevestigd is door een besluit van de Vlaamse regering van 23 februari
- Beoordeling
- In zoverre de schending wordt aangevoerd van de formelemotiveringswet is het middel onontvankelijk om de in randnummer 17 aangehaalde reden.
- De opname in een bij het ruimtelijk uitvoeringsplan gevoegd register van percelen waarvoor de doorgevoerde bestemmingswijziging aanleiding kan geven tot een planschadevergoeding, is niet rechtscheppend. De al dan niet opmaak van zo een register of de al dan niet opname in zo een register is geen noodzakelijke voorwaarde om al dan niet aanspraak te kunnen maken op een planschadevergoeding. Verder is niet de Raad van State, doch wel de justitiële rechter, bevoegd om te oordelen over de vorderingen tot planschadevergoeding. Uit één en ander volgt dat het in het verzoekschrift aangevoerde middel niet tot nietigverklaring van het bestreden gemeentelijk RUP kan leiden.
- Hetgeen verzoekers aanvoeren in hun memorie wederantwoord (randnr. 33) doet geen afbreuk aan de in het vorige randnummer gedane vaststellingen.
- Het derde middel wordt verworpen. X-17.067-13/16 D. Het vierde middel Uiteenzetting van het middel 39.
- In het vierde middel voeren verzoekers de schending aan van de artikelen 2.2.15, 2.2.16 en 2.2.17 VCRO, evenals van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 39.
- Volgens verzoekers heeft de eerste verwerende partij het voorschrift van artikel 2.2.15 VCRO, volgens hetwelk een gemeentelijk RUP “onmiddellijk” na de definitieve vaststelling bezorgd wordt aan de deputatie van de provincieraad, niet nageleefd. De eerste definitieve vaststelling van het bestreden RUP gebeurde immers bij besluit van 23 maart 2017, terwijl de eerste verwerende partij de betekening aan de deputatie pas deed op 25 april
- Volgens verzoekers volgt uit de voormelde laattijdigheid dat ook het tweede bestreden besluit laattijdig is.
- In hun laatste memorie schrijven verzoekers dat de verplichting om “onmiddellijk” te betekenen impliceert dat de betekening “zeker niet na verloop van dagen” mag gebeuren. Beoordeling
- Verzoekers gaan er aan voorbij dat de gemeente redelijkerwijs enige tijd nodig heeft om de notulen van de gemeenteraadszitting waarop het RUP definitief is vastgesteld te laten goedkeuren. Anders dan verzoekers dit zien, sluit de term “onmiddellijk” in het toenmalige artikel 2.2.15 VCRO niet uit dat er meerdere dagen of soms zelfs weken mogen verstrijken tussen de dag van de definitieve vaststelling van het gemeentelijk RUP en de betekening ervan aan de deputatie. Verder is het terecht dat in het auditoraatsverslag is vastgesteld dat het tweede bestreden besluit tijdig – dit is binnen de door het toenmalige artikel 2.2.16, § 1, VCRO voorgeschreven termijn van dertig dagen die ingaat de X-17.067-14/16 dag na de betekening – genomen is. Verzoekers overtuigen er niet van dat de aangevoerde rechtsregels geschonden zouden zijn.
- Het vierde middel wordt verworpen. E. Het vijfde middel Uiteenzetting van het middel 43.
- In het vijfde middel voeren verzoekers de schending aan van artikel 2.2.23, § 3, VCRO, van het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur en van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet. 44.
- Verzoekers betogen dat het bij het bestreden gemeentelijk RUP horende onteigeningsplan is weggelaten bij de – tweede – definitieve vaststelling door het eerste bestreden besluit. Die handelswijze is onwettig daar het door de gemeente opgegeven motief dat de hoogdringendheid van de onteigening niet aangetoond kon worden, niet gebaseerd is op of voortvloeit uit het tweede bestreden besluit van de deputatie. Beoordeling
- Zoals is vastgesteld in het auditoraatsverslag, mist het middel feitelijke grondslag. Het onteigeningsplan is immers reeds weggelaten bij de eerste definitieve vaststelling van het gemeentelijk RUP op 23 maart 2017 (randnr. 11) omdat de hoogdringendheid van de onteigening niet aangetoond kon worden.
- Het vijfde middel wordt verworpen. X-17.067-15/16 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden elk voor een vijfde verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 2000 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de eerste verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig januari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.067-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.594 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.686 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div