id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.631 Rolnummer: A. 225143/VII-40265 Zaak: Arrest 249631 - Milieuvergunningen - 28/01/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-02-09 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-20 00:29 Fiche Arrest nr 249.631 van 28 januari 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 249.631 van 28 januari 2021 in de zaak A. 225.143/VII-40.265 In zake :
- Carlos ENGELS
- Stijn ENGELS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marten De Jaeger kantoor houdend te 9990 Maldegem Westeindestraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 8 mei 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 2 maart 2018 waarbij uitspraak wordt gedaan over de beroepen tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 13 maart 2014 die aan Marc Engels de vergunning verleent voor het verder exploiteren en veranderen van een varkenshouderij, gelegen aan de Kerselarenhoek 8 te Sint-Jan-in-Eremo. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.265-1/14 Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verzoekers hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 december
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Marten De Jaeger, die verschijnt voor de verzoekers en advocaat Samuel Mens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten
- Er wordt vooreerst verwezen naar de feitenuiteenzetting in arrest nr. 239.075 van 14 september
- Na voormeld vernietigingsarrest wordt advies verleend door de afdeling Operationeel Waterbeheer van de Vlaamse Milieumaatschappij op 14 november 2017 (gunstig) en de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -Projecten (hierna: GOP) (Ruimte) op 23 november 2017 (gunstig). De afdeling GOP (Milieu) verleent op 1 december 2017 voorwaardelijk gunstig advies en op 10 januari 2018 voorwaardelijk gunstig aanvullend advies. VII-40.265-2/14 Bij schrijven van 30 november 2017 nodigt de afdeling GOP Milieu de aanvrager en beroepers uit voor de hoorzitting van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie (hierna: GMVC) op 12 december
- Het schrijven gaat vergezeld van “de aanvullende stukken […] die op vraag van GOP Milieu door de exploitant werden aangeleverd”. Eerste verzoeker bevestigt bij aangetekend schrijven van 11 december 2017 de ontvangst op 5 december 2017 van de uitnodiging voor de hoorzitting en van 2 bijlagen, meer bepaald een “voortoets vanwege firma Voeders De Grave per 20/03/2015” en een “geurstudie vanwege bvba studie- en adviesbureau Creafarm per 13/06/2014”. In datzelfde schrijven wijst eerste verzoeker erop dat hij voor het eerst kennis krijgt van de geurstudie van 2014 en dat het door het gegeven tijdsbestek “quasi onmogelijk [is] om nog extern advies ten gronde te bekomen vanwege deskundigen”. Eerste verzoeker schrijft dat hij zich niet kan vrijmaken voor de hoorzitting en formuleert in het schrijven zelf “een aantal schematische opmerkingen [op] deze studies” en meldt nog “relevante evoluties omtrent [de] milieuvergunningsaanvraag” en vraagt deze “mee in overweging” te nemen “bij verdere beoordeling door de beroepsinstantie”. Tweede verzoeker bevestigt bij aangetekend schrijven van 11 december 2017 ontvangst op 8 december 2017 van de uitnodiging voor de hoorzitting. Hij meldt dat het hem “binnen het korte tijdsbestek voorafgaand aan de zitting van de commissie op 12 december” niet mogelijk is “nog omstandige opmerkingen [betreffende] de geurstudie voor te leggen”, merkt op dat de studie “ondertussen dateert van 13/06/2014” en stelt “de vraag in hoeverre dergelijke studie nog representatief kan zijn, als beoordelingsgrond qua impact op omgeving, bij huidige heropstart van de procedure”. Tweede verzoeker besluit dat hij zich waarschijnlijk niet zal kunnen vrijmaken om persoonlijk aanwezig te zijn op de hoorzitting. Op de hoorzitting van 12 december 2017 hoort de GMVC de aanvrager en besluit zij “het dossier te verdagen naar een volgende GMVC zodanig dat de exploitant kan reageren op het schrijven van beroepers van 11 december 2017 en zodanig dat de beroepers een nieuwe kans krijgen om toch op de hoorzitting aanwezig te zijn”. Bij schrijven van “9/11/2017” nodigt de GOP Milieu de aanvrager en de beroepers uit voor de hoorzitting van 11 januari
- Eerste verzoeker bevestigt bij aangetekend schrijven van 8 januari 2018 de VII-40.265-3/14 ontvangst op 22 december 2017 van de uitnodiging voor de hoorzitting. Hij verwijst tevens naar zijn opmerkingen die hij bij schrijven van 11 december 2017 heeft geformuleerd over de geurstudie van
- Bij e-mailbericht van 9 januari 2018 stuurt de afdeling GOP Milieu aan de beroepers 14 “bijkomende documenten […] die door de exploitant werden aangeleverd”. Op de hoorzitting van 11 januari 2018 hoort de GMVC de exploitant en de beroepers Carlos Engels en Monica De Windt die een nota overhandigen aan de GMVC die volgende verklaring van laatstgenoemden optekent: “dezelfde opmerkingen als deze uit het ingediende beroepsschrift gelden nog steeds; er zijn enkele wijzigingen gebeurd in het dossier; in december 2017 hebben de beroepers de aanvullende geurstudie ontvangen; een tweede aanvullende geurstudie werd eveneens verkregen op 9 januari 2018; de beroepsindieners hebben deze nog niet kunnen doornemen”. De GMVC verleent op 11 januari 2018 een voorwaardelijk gunstig advies. Wat betreft de geurhinder overweegt de GMVC samengevat: - de inrichting is deels “in woongebied met landschappelijk karakter […] en deels in landschappelijk waardevol agrarisch gebied” gelegen; - een woongebied met landelijk karakter wordt niet beschouwd als hindergevoelig bij de bepaling van de afstandsregels; - geen van de 6 stallen zijn ammoniakemissiearm gebouwd en er zijn in de aanvraag “geen wijziging aan de stallen of aan de stalindeling voorzien”; - de inrichting is gedeeltelijk gelegen in en omringd door tamelijk dicht bebouwd woongebied met landelijk karakter; - de geuremissies liggen, ook na de daling in de aanvullende geurstudie van 13 juni 2014 door toepassing van “de standaard maatregelenpakket uit de omzendbrief LNE 2012/1” in de stallen 1 en 3 en de uitrusting van stal 4 met een combiwasser, “nog aan de hoge kant”; als de twee oudste stallen (stal 2 en 3) “ook met een combiwasser of een gelijkwaardig systeem zouden worden uitgerust, een geurreductie wordt gehaald van 70% bij stallen 2, 3 en 4”; de exploitant acht deze aanpassingen aan stallen 2 en 3 technisch niet mogelijk, stelt dat de enige oplossing een herlokalisatie van deze dierplaatsen of het vervangen van stallen 2 en 3 door VII-40.265-4/14 ammoniakemissiearme stallen is en stelt hiervoor een termijn voorop gelijklopend met de basisvergunning omwille van economische haalbaarheid; de vergunning voor de exploitatie van stallen 2 en 3 zal dus niet worden verleend voor een termijn van 20 jaar maar voor een termijn tot en met 31 december 2023 overeenkomstig de termijn van de lopende vergunning; het bestreden besluit zal in deze zin worden aangepast; de exploitant zal de ventilatoren, die momenteel niet frequentie gestuurd zijn, niet meer herstellen bij defect maar vervangen door frequentie gestuurde ventilatoren, de exploitant past deze werkwijze reeds toe bij vervanging; dit zal worden opgelegd als bijzondere voorwaarde; - de aanvullende geurstudie van 13 juni 2014 werd opgemaakt door een erkend deskundige geur met behulp van het IFDM-model; - de exploitant heeft een nieuwe geurmodellering laten opmaken naar aanleiding van “de zeer recent in 2017 gelanceerde IMPACT-tool” en de recente opmerkingen van beroepers van 11 december 2017; - uit de berekeningen en uit de bijgevoegde kaarten van de nieuwe geurmodellering “blijkt dat een algemene daling van de geurimmissie wordt bekomen zowel voor scenario 2 ‘toekomstige situatie met combiluchtwasser’ als in scenario 3 ‘toekomstige situatie met stallen 2 en 3 buiten dienst”; dat de scenario’s 2 en 3 vanaf 2024 zelfs cumulatief moeten bekeken worden omdat vanaf 2024 het buiten dienst zetten van de stallen 2 en 3 bovenop de maatregel van de combiwasser komt; dat vanaf 2024 de geuremissie zal dalen tot ongeveer 34.592,82 OUe/s (huidige emissie 83.081 OUe/s)”. De GMVC besluit op basis van deze overwegingen “dat mits het voorzien van een combiluchtwasser op stal 4 en het op termijn (eind 2023) buiten gebruik stellen van stallen 2 en 3 de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt”. De GMVC stelt ten slotte voor om de beroepen deels gegrond te verklaren en het bestreden besluit deels te wijzigen. Zij stelt voor artikel 2 van het bestreden besluit te wijzigen derwijze dat de milieuvergunning wordt verleend voor een termijn van 20 jaar met uitzondering van de exploitatie van stal 2 en stal 3 waarvoor de milieuvergunning wordt verleend “voor een termijn die verstrijkt op 31 december 2023” en aan artikel 3 de bijzondere voorwaarde toe te voegen dat de VII-40.265-5/14 ventilatoren die momenteel niet frequentie gestuurd zijn, bij defect niet meer worden hersteld maar vervangen door frequentie gestuurde ventilatoren.
- De Vlaamse minister neemt op 2 maart 2018 de bestreden beslissing met overname van de overwegingen van de GMVC met betrekking tot de geurhinder van de aangevraagde exploitatie. De beroepen van de verzoekers worden gedeeltelijk gegrond verklaard. Volgende wijzigingen worden aan het bestreden besluit aangebracht: “
- in artikel 1 wordt: ‘Aan de heer Engels Marc, Kerselarenhoek 8 te Sint-Jan-in-Eremo’ vervangen door: ‘Aan de heer Engels Boris, Kerselarenhoek 8A te Sint-Jan-in-Eremo’;
- artikel 2 wordt in zijn geheel vervangen door: ‘De milieuvergunning wordt, uitgezonderd voor de verdere exploitatie van stal 2 (184 ‘andere’ varkens en 143 m³ mestopslag) en stal 3 (920 ‘andere’ varkens en 1.091 m³ mestopslag), verleend voor een termijn van twintig jaar, ingaand op de datum van ondertekening van onderhavig besluit. De milieuvergunning voor de verdere exploitatie van stal 2 (184 ‘andere’ varkens en 143 m³ mestopslag) en stal 3 (920 ‘andere’ varkens en 1.091 m³ mestopslag) wordt verleend voor een termijn die verstrijkt op 31 december 2023.’;
- in artikel 3, §3, punt 11, wordt het volgende geschrapt: ‘- stal 2 (184 ‘andere’ varkens en 143 m³ mestopslag): wordt buiten gebruik gesteld of voorzien van een gelijkwaardig systeem als bij stal 4, binnen een termijn van 10 jaar. - stal 3 (920 ‘andere’ varkens en 1.091 m³ mestopslag): wordt buiten gebruik gesteld of voorzien van een gelijkwaardig systeem als bij stal 4, binnen een termijn van 10 jaar.’;
- aan artikel 3, §3, wordt de volgende bijzondere voorwaarde toegevoegd: ‘
- De ventilatoren die momenteel niet frequentiegestuurd zijn, worden bij defect niet meer hersteld maar vervangen door frequentiegestuurde ventilatoren.’. Art.
- De overige bepalingen van het bestreden besluit worden bevestigd”. VII-40.265-6/14 IV. Onderzoek van de middelen Eerste en vierde middel samengenomen Standpunt van de partijen
- De verzoekers voeren in het eerste middel de schending aan “van het rechterlijk gezag van gewijsde als algemeen rechtsbeginsel” en het gelijkheidsbeginsel vervat in artikel 11 van de Grondwet omdat de verwerende partij nalaat, voorafgaand aan de bestreden beslissing, om onder meer “de repliek van aanvrager tijdens de hoorzitting per 12/12/2017 aan verzoekende partijen kenbaar te maken”, waardoor “een identieke onwettelijkheid [wordt] herhaald zoals die heeft aanleiding gegeven tot eerdere nietigverklaring van voorgaand ministerieel besluit […]. Bovendien werden deze bevindingen en repliek gebruikt als nieuw positief element ter beslissing”. Zij lichten verder onder meer toe dat zij “systematisch te weinig tijd kregen om vooropgestelde hoorzittingen in te plannen en hun argumentatie ten gronde te kunnen voorbereiden”. Zij besluiten dat de Vlaamse minister in het bestreden besluit “de onzorgvuldigheid qua gelijke behandeling van de aanvrager en andere partijen feitelijk heeft herhaald en derwijze het vernietigingsarrest dd. 14/09/2017 […] heeft geschonden en miskend door opnieuw [en] op identieke wijze dergelijke onwettigheid te herhalen als die welke de vernietiging heeft bepaald”. In een vierde middel voeren zij de schending aan van de motiveringsplicht. In het tweede middelonderdeel lichten zij toe dat het bestreden besluit “enerzijds melding maakt van een per 9/01/2018 ingediende aangepaste en verbeterde geurstudie maar dat anderzijds de implicatie naar omgeving volgens het overeenkomstige significantiekader niet eens wordt vermeld ter motivatie van [de] bestreden beslissing” en hierdoor “ontbreekt in deze een van de belangrijkste motieven ter evaluatie van dergelijke vergunningsaanvragen”. Zij stellen “dat het resultaat qua geurbelasting van de studie uit 2014 niet representatief was, gezien de foutieve input van een belangrijk aantal basisgegevens in het IFDP-model. Dat derhalve het bijbehorende significantiekader eveneens foutief is, zodat er geen correcte evaluatie van de hinder naar omgeving mogelijk was. Doordat de studie VII-40.265-7/14 uit 2018 komt tot een andere geurbelasting en doordat bovendien de geurcontouren verschillen, zal ook het aantal woningen in betrokken zones verschillen. Zo is het verschil binnen de zone met meest negatieve impact (contour groter dan 10 Oeu/m³) verhoudingsgewijs nog aanzienlijker, omdat er tussen 2014 en 2018 een tiental nieuwe woningen bijkwamen in [de] onmiddellijke nabijheid van het bedrijf. De actuele impact qua aantal woningen in de meest negatieve zone was bij goedkeuring [van het] bestreden besluit niet gekend om reden dat in de studie uit 2018 gewoonweg geen enkel significantiekader is vermeld. Het is dan ook zeer de vraag op basis van welk motief de beroepsinstantie de representatieve hinder naar de woonomgeving kon evalueren? Nochtans vormt normalerwijze de implementatie van resultaten van de geurstudie op de woonomgeving, aan de hand van het significantiekader, een structureel element ter overweging en evaluatie bij besluitvorming inzake dergelijke vergunningsaanvragen”. Zij besluit dat de bestreden beslissing “werd genomen zonder motief overeenkomstig enig significantiekader” waardoor “ook geen afdoende evaluatie [is] gebeurd van de actuele hinder naar de directe woonomgeving”.
- De verwerende partij repliceert onder meer dat het “kennelijk ongepast [is] te beweren dat er in casu sprake zou zijn van een ongelijke behandeling” nu de verzoekers werden uitgenodigd op de hoorzitting van 12 december 2017 en dat een nieuwe hoorzitting werd georganiseerd op 11 januari 2018 waarop zowel de exploitant als de beroepers gehoord werden. Er is geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel of het recht van verdediging “wanneer aan de beroepsindieners geen mogelijkheid wordt geboden om kennis te nemen van hetgeen de exploitant heeft verklaard ten aanzien van de gewestelijke milieuvergunningscommissie”. De aanvullende geurstudie van 13 juni 2014 en de aanvullende geurmodellering van 9 januari 2018 werden overgemaakt aan de beroepsindieners. De verzoekers hadden dan ook kennis van alle nieuwe en aanvullende overtuigingsstukken en de daarmee verband houdende verklaringen van de exploitant. Zij zijn op de hoogte van alle stukken en verklaringen die als een nieuw en positief element te beschouwen zijn. De gemaakte onregelmatigheden werden met de bestreden beslissing wel degelijk hersteld. De verwerende partij heeft “zonder twijfel zorgvuldig gehandeld”. VII-40.265-8/14 Met betrekking tot het vierde middel repliceert zij onder meer dat het bestreden besluit wel degelijk rekening heeft gehouden met de door eerste verzoeker aangehaalde argumenten in zijn schrijven van 11 december
- Er werd bovendien een aanvullende geurmodellering opgesteld die op 9 januari 2018 aan de afdeling GOP (Milieu) en aan de beroepsindieners werd bezorgd. De verzoekers menen volstrekt ten onrechte dat deze studie van 2014 niet representatief of waarheidsgetrouw zou zijn. Zij brengen bovendien geen enkel materieel bewijs naar voor waaruit zou blijken dat de resultaten van het gevoerde onderzoek niet zouden kloppen. Zij steunen louter op eigen beweringen om hieruit af te leiden dat de uitgevoerde studie niet waarheidsgetrouw zou zijn. De zorgvuldigheidsplicht legt aan de verwerende partij geen verplichting op om zelf een deskundige aan te stellen om de studie opgesteld door de erkend milieudeskundige te controleren op waarheidsgetrouwheid. Wat betreft het tweede middelonderdeel antwoordt zij dat zij zich ertoe kan “beperken te verwijzen naar uitgebrachte adviezen, die zij tot de hare maakt, in de mate dat deze niet onwettig zijn of kennelijk onredelijk, ze afdoende gemotiveerd zijn ter verantwoording van de genomen beslissing en ze daarenboven ter kennis zijn gebracht aan de betrokkene”. Zij is dan ook “niet tekort geschoten in haar verplichtingen. Zij kon volledig rechtsgeldig verwijzen naar de resultaten van de geurstudie van 9 januari 2018 zonder de motivering van de studie te moeten overnemen in de bestreden beslissing. De verwerende partij heeft op basis daarvan geoordeeld dat de hinder voor mens en milieu tot het aanvaardbare te beperken zijn”.
- De verzoekers wederantwoorden op het vierde middel onder meer dat de verwerende partij de eerste studie niet op waarheidsgetrouwheid heeft gecontroleerd en dat naar aanleiding van hun opmerkingen de exploitant een nieuwe studie bestelde die de eerste corrigeert. In het bestreden besluit is wel degelijk een significantiekader overgenomen uit een studie, dat gebaseerd is op de foutieve gegevens van de eerste studie, terwijl de tweede studie een aantal puntbronnen en de hoogte ervan corrigeerde en ook de eerder toegepaste reducties elimineerde. VII-40.265-9/14
- De verwerende partij stelt in de laatste memorie dat de geurstudie van 9 januari 2018, op basis van de IMPACT-tool, zowel de meetresultaten als een weergave op foto van de geurimpact van de betrokken inrichting op de onmiddellijke omgeving laat zien en dat zowel de GMVC in haar advies als de verwerende partij in de bestreden beslissing zijn ingegaan op deze laatste studie en haar hebben beoordeeld en dat op een afdoende wijze is ingegaan op de bezwaren en de daaropvolgende geurstudie in de bestreden beslissing. Beoordeling
- Met het oog op de gelijke behandeling van de betrokken partijen, moeten in beginsel de andere partijen dan de aanvrager van de vergunning op de hoogte worden gebracht van nieuwe aanvullende overtuigingsstukken en daarmee verband houdende verklaringen van de aanvrager tijdens de hoorzitting en die mede een repliek vormen op de verklaringen en stukken van de andere partijen, ten minste wanneer uit de gegeven omstandigheden blijkt dat de beslissing over de vergunningsaanvraag steunt op die nieuwe aanvullende overtuigingsstukken en daarmee verband houdende verklaringen van de aanvrager en die stukken en verklaringen als een nieuw en positief element worden beschouwd. Dat is te dezen het geval aangezien de bestreden milieuvergunning overweegt, na analyse van de tweede aanvullende geurstudie van de aanvrager, dat de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt mits het voorzien van een combiluchtwasser op stal 4 en het op termijn (eind 2023) buiten gebruik stellen van de stallen 2 en 3 en de vergunningsvoorwaarden in dat licht aanpast. De verzoekers werden weliswaar op 9 januari 2018 op de hoogte gesteld van de op die datum door de exploitant aan de beroepsinstantie bezorgde “aanvullende geurmodellering” met 14 bijlagen, maar zij hebben op de hoorzitting te kennen gegeven dat zij die studie wel ontvangen hebben maar “deze nog niet [hebben] kunnen doornemen”. Het heeft de GMVC niet belet reeds op diezelfde dag een voorwaardelijk gunstig advies te verlenen onder meer wat betreft het onderzoek naar de geurhinder op basis van een analyse van de door de aanvrager bezorgde aanvullende geurmodellering. Daarbij komt dat de bestreden beslissing VII-40.265-10/14 eerst op 2 maart 2018 werd genomen en zulks met letterlijke overname van de overwegingen in dat advies van de GMVC met betrekking tot de geurhinder. Hieruit volgt dat de verwerende partij onzorgvuldig heeft gehandeld in het licht van het gelijk behandelen van de aanvrager en de andere partijen. De samengenomen middelen zijn in die mate gegrond. V. Verzoek tot toepassing van artikel 35/1 van de RvS-wet Standpunt van de verzoekers
- De verzoekers vragen dat de Raad van State zou “verduidelijken welke maatregelen moeten worden genomen om de onwettigheid waarmee de aangevochten beslissing van de Minister is behept, te verhelpen”. Beoordeling
- Artikel 35/1 van de Rvs-wet luidt: “Art. 35/
- Op verzoek van één der partijen, ten laatste in de laatste memorie, verduidelijkt de afdeling bestuursrechtspraak in de motieven van haar arrest houdende nietigverklaring, de maatregelen die moeten worden genomen om de onwettigheid die heeft geleid tot deze nietigverklaring te verhelpen”. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat deze bevoegdheid voortvloeit uit het idee dat, “wanneer te verwachten valt dat een arrest uitvoerings- of interpretatieproblemen dreigt te veroorzaken door de complexiteit van de zaak”, de partijen kunnen vragen “dat in hetzelfde arrest wordt verduidelijkt hoe de tenuitvoerlegging ervan wordt gefaciliteerd”. Deze verduidelijkingen omvatten “de nodige uitleg betreffende de inhoud van het gezag van gewijsde om aan de onregelmatigheden te remediëren die tot de nietigverklaring hebben geleid” (Parl.St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 26). VII-40.265-11/14 De verzoekers maken niet aannemelijk dat te verwachten valt dat het voorliggende arrest uitvoerings- of interpretatieproblemen dreigt te veroorzaken door de complexiteit van de zaak. Het verzoek tot toepassing van artikel 35/1 van de RvS-wet wordt afgewezen. VI. Kosten
- De kosten dienen ten laste van de verwerende partij te worden gelegd. Deze kosten omvatten het rolrecht van 200 euro per verzoekende partij en een bijdrage van 20 euro per verzoekende partij, zoals bepaald bij artikel 66, 6°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof evenwel in het kader van het beroep tot vernietiging van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’ en van de wet van 26 april 2017 ‘houdende de regeling van de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand voor wat de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft’, de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017, zoals het is ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 26 april
- Bijgevolg is er, op grond van de erga omnes en retroactieve werking van het voormelde arrest, aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdrage. VII-40.265-12/14 BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 2 maart 2018 waarbij uitspraak wordt gedaan over de beroepen tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 13 maart 2014 die aan Marc Engels de vergunning verleent voor het verder exploiteren en veranderen van een varkenshouderij, gelegen aan de Kerselarenhoek 8 te Sint-Jan-in-Eremo. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 20 euro.
- De onterecht betaalde bijdrage ten bedrage van 20 euro dient te worden terugbetaald aan de verzoekers. VII-40.265-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig januari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.265-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.631 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div