← België

Arrest 249651 - Wapens - 01/02/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.651 Rolnummer: A. 230608/XIV-38320 Zaak: Arrest 249651 - Wapens - 01/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-02-17 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-20 00:28 Fiche Arrest nr 249.651 van 1 februari 2021 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 249.651 van 1 februari 2021 in de zaak A. 230.608/XIV-38.320 In zake: Gus GROSSAR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hans-Kristof Carême kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel Van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 31 maart 2020, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van de minister van justitie van 12 maart 2020 houdende de niet-inwilliging van [het] georganiseerd administratief beroep gericht tegen de beslissingen van de gouverneur van de provincie Limburg van 21 februari 2019 houdende de weigering tot afgifte van de wapenvergunning aan verzoeker voor het bezit van een revolver, merk Smith&Wesson, kaliber .357 Magnum, serienummer […] (eerste bestreden beslissing), en houdende de intrekking van verzoekers recht om wapens voorhanden te hebben (= tweede bestreden beslissing)”. XIV-38.320-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 december 2020, om 15.30 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hans-Kristof Carême, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Michel Van Dievoet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker dient een op 12 april 2018 gedateerde aanvraag in tot het verkrijgen van een vergunning voor een vuurwapen, met name een revolver Smith&Wesson, kaliber .357 Magnum. Als motief voor het voorhanden hebben van het wapen geeft hij op “sportief en recreatief schieten”. XIV-38.320-2/15 3.
  5. Op 21 februari 2019 weigert de gouverneur van de provincie Limburg de gevraagde vergunning tot het voorhanden hebben van het voornoemde vuurwapen. Deze beslissing wordt met een aangetekende brief van 22 februari 2019 betekend aan verzoeker. 3.
  6. Op dezelfde datum beslist de gouverneur van de provincie Limburg verzoekers recht om vuurwapens voorhanden te hebben in te trekken. Met een gewone brief van 22 februari 2019 wordt verzoeker geïnformeerd van het bestaan van deze beslissing. Tevens wordt meegedeeld dat die beslissing aan verzoeker zal worden betekend door de lokale politie. In een ondertekende verklaring, gedateerd op 15 april 2019, verklaart verzoeker dat hij op 15 april 2019 “het afschrift van het besluit van de gouverneur van de provincie Limburg dd. 21/02/2019 heeft ontvangen van INP […] van de lokale politie. Bij dit besluit van de gouverneur van 21/02/2019 wordt het recht tot het bezit van wapens van [verzoeker] ingetrokken”. 3.
  7. Op 1 maart 2019 trekt de vzw Vlaams Schietsportkoepel verzoekers sportschutterslicentie in. 3.
  8. Verzoeker dient op 12 maart 2019 een “verzoekschrift beroep weigering wapenvergunning” in, met als onderwerp “Artikel 30 wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens – administratief beroep weigering wapenvergunning”. Voorts is gesteld wat volgt in dat beroepsschrift: “[…] Mijn cliënt diende een aanvraag in voor het bekomen van een vergunning voor het bezit van een vergunningsplichtig wapen, namelijk een revolver van het merk XIV-38.320-3/15 Smith&Wesson met serienummer […] en kaliber 357 magnum. Op 25 februari 2019 ontving mijn cliënt de beslissing van de gouverneur gedateerd op 21 februari 2019 waarbij zijn aanvraag tot het bekomen van de vergunning wordt geweigerd. Door middel van onderhavig schrijven wens ik dan ook namens cliënt het in artikel 30 van de wapenwet bedoelde administratieve beroep in te dienen tegen deze weigeringsbeslissing. […] Ik dank u om de beslissing van de gouverneur te willen hervormen en cliënt toe te staan om de revolver van het merk Smith & Wesson met serienummer 75569 in zijn bezit te hebben. […].” 3.
  9. Met een brief van 10 september 2019 met als onderwerp “wapenvergunning – beroep – afschriften adviezen en hoorrecht – verlenging termijn” deelt de verwerende partij het volgende mee aan de raadsman van verzoeker: “lk verwijs naar uw verzoekschrift tot hoger beroep tegen de beslissing van de gouverneur van Limburg, d.d. 21 februari 2019 houdende de weigering van de aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van een revolver, merk Smith&Wesson, kalíber .357 Magnum, serienummer […] van uw cliënt. In het kader van de behandeling van het beroepsschrift werd advies gevraagd aan de korpschef van de lokale politie en aan de procureur des Konings. Deze adviezen zijn ongunstig. Teneinde u in staat te stellen kennis te nemen van voormelde adviezen, treft u een afschrift in bijlage. Ook wens ik u er op te wijzen dat de gouverneur van Limburg op 21 februari 2019 tevens heeft beslist om het recht van uw cliënt tot het voorhanden hebben van vuurwapens, in te trekken ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. Ingevolge deze beslissing werd de sportschutterslicentie nr. […] van [verzoeker] op 1 maart 2019 ingetrokken. Deze elementen zullen eveneens in de beoordeling van het beroepschrift (de weigering van de wapenvergunning) worden opgenomen. Mag ik u vragen uw verweerschrift uiterlijk op 10 oktober 2019 te willen bezorgen zodat aansluitend een beslissing inzake het beroepschrift kan worden voorbereid. In afwachting hiervan wordt de termijn om het beroepsdossier af te handelen, verlengd met een termijn van zes maanden.” 3.
  10. Met een brief van 8 oktober 2019 deelt verzoeker zijn verweerschrift mee, samen met zijn stukken. Het verweerschrift draagt als opschrift “verweerschrift weigering wapenvergunning en intrekking sportschutterslicentie.” In fine ervan vraagt verzoeker de sportschutterslicentie terug te geven en om hem toe te staan de revolver van het merk Smith&Wesson in zijn bezit te hebben. XIV-38.320-4/15 3.
  11. Op 12 maart 2020 verwerpt de gemachtigde van de minister van Justitie verzoekers beroep tegen de beslissing van 21 februari 2019 van de gouverneur van de provincie Limburg waarbij de aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning voor het bezit van een revolver, merk Smith&Wesson, kaliber .357 Magnum, wordt verworpen. Die beslissing steunt op de volgende motieven: “[…]. 4.
  12. Evaluatie In zijn verzoekschrift tot hoger beroep deelt uw advocaat mee in beroep te gaan tegen de beslissing van de gouverneur waarbij uw aanvraag tot het bekomen van een vergunning wordt geweigerd. Meer bepaald stelt uw advocaat dat hij ‘door middel van onderhavig schrijven namens cliënt het in artikel 30 van de wapenwet bedoelde administratief beroep wenst in te dienen tegen deze weigeringsbeslissing’. Met ‘deze weigeringsbeslissing’ verwijst hij naar ‘de beslissing van de gouverneur gedateerd op 21 februari 2019 waarbij uw aanvraag tot het bekomen van de vergunning wordt geweigerd’. Uw advocaat citeerde eerder in het verzoekschrift volgende aanvraag: ‘mijn cent diende een aanvraag in tot het bekomen van een vergunning voor het bezit van een vergunningsplichtig wapen, namelijk een revolver van het merk Smith&Wesson met serienummer […] en kaliber 357 magnum’. Op grond hiervan moet worden vastgesteld dat u beroep indient tegen de beslissing van de gouverneur van Limburg d.d. 21 februari 2019 houdende de weigering van uw vergunningsaanvraag voor het bezit van voormelde revolver. Uit het dossier blijkt dat de gouverneur op 21 februari 2019 tevens uw recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens heeft ingetrokken. Hierop heeft de gemachtigde schietsportfederatie vervolgens uw sportschutterslicentie ingetrokken. U heeft geen beroep tegen ingediend tegen de intrekking van uw recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens. De federale wapendienst heeft uw advocaat in haar aangetekend schrijven van 10 september 2019 gewezen op deze intrekkingsbeslissingen, die hun weerslag hebben op uw aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van voormeld vuurwapen. De voorwaarden voor het verkrijgen van een voorafgaande vergunning voor het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig vuurwapen worden opgesomd in de wapenwet. Meer bepaald bepaalt artikel 11, §3 van de wapenwet dat deze vergunning slechts wordt verleend aan personen die voldoen aan de volgende voorwaarden: - meerderjarig zijn (artikel 11, §3, 10 wapenwet); - niet als dader of medeplichtige zijn veroordeeld tot een correctionele geldboete van meer dan vijfhonderd euro, een correctionele hoofdstraf onder elektronisch toezicht of een correctionele hoofdgevangenisstraf of een criminele straf wegens een van de misdrijven bedoeld in artikel 5, §4, 2° (artikel 11, §3, 2° wapenwet); - niet zijn veroordeeld tot een van de straffen of het voorwerp zijn geweest van een van de beslissingen bedoeld in artikel 5, §4, 10, 10/1 en 4° (artikel 11, §3, 3° wapenwet); - niet het voorwerp zijn van een lopende schorsing en niet het voorwerp geweest zijn van een intrekking met nog actuele redenen, van een vergunning tot het voorhanden XIV-38.320-5/15 hebben van of het dragen van een wapen (artikel 11, §3, 50 wapenwet); - een medisch attest voorleggen dat bevestigt dat de aanvrager in staat is een wapen te manipuleren zonder gevaar voor zichzelf of voor anderen (artikel 11, §3, 6° wapenwet); - slagen voor een proef betreffende de kennis van de toepasselijke regelgeving en het hanteren van een vuurwapen, waarvan de modaliteiten worden bepaald door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit (artikel 11, §3, 70 wapenwet); - geen meerderjarige persoon samenwonend met de aanvrager verzet zich tegen de aanvraag (artikel 11, §3, 8° wapenwet); - een wettige reden opgeven voor de verwerving en het voorhanden hebben van het betrokken wapen en de munitie. Het type wapen moet overeenstemmen met de reden waarvoor het gevraagd wordt (artikel 11, §3, 9° wapenwet). U roept als wettige reden het sportief en recreatief schieten in. Ingevolge de beslissing van de gouverneur van 21 februari 2019 houdende de intrekking van uw recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens, werd uw sportschutterslicentie door de betrokken schietsportfederatie (Vlaamse Schietsportkoepel) op 1 maart 2019 ingetrokken. Artikel 11, §2, 2° van het Decreet van 11 mei 2007 houdende het statuut van de sportschutter bepaalt immers dat de sportschutterslicentie wordt ingetrokken indien het recht om een wapen voorhanden te hebben van de sportschutter wordt ingetrokken overeenkomstig de wapenwet. Het niet langer voorhanden hebben van een sportschutterslicentie heeft gevolgen wat betreft het voldoen aan de voorwaarden voorzien in artikel 11, §3 van de wapenwet. Indien u immers geen houder meer bent van een sportschutterslicentie, dan bent u niet langer vrijgesteld van de theoretische en de praktische hanteringsproef (en evenmin van het medisch attest). Verder dient u opnieuw een wettige reden aan te tonen. In het beroepschrift worden deze stukken niet bijgebracht. Het dossier bevat geen bewijs van slagen voor de proeven. Evenmin wordt opnieuw een wettige reden ingeroepen, vermits de wettige reden sportschieten - aan te tonen aan de hand van een geldige sportschutterslicentie - niet langer van toepassing kan zijn. Integendeel, uw advocaat voegt een afschrift bij van een reeds ingetrokken sportschutterslicentie (uw sportschutterslicentie werd bij beslissing van 1 maart 2019 ingetrokken terwijl het verzoekschrift dateert van 12 maart 2019). Op grond hiervan kan dan ook niet anders dan besloten worden dat u niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden voorzien in artikel 11, §3 van de wapenwet. Uw aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning voor voormeld vuurwapen moet bijgevolg worden geweigerd. In het aanvullend verweerschrift van 9 oktober 2019 vraagt uw advocaat om u - naast de wapenvergunning van de revolver - tevens de sportschutterslicentie te willen afleveren. Artikel 2, 18° van de wapenwet bepaalt dat een sportschutterslicentie een document is dat het recht verleent om de schietsport te beoefenen en dat is afgeleverd door of namens de gemeenschapsoverheden bevoegd voor sport, of een gelijkwaardig document afgeleverd in een andere lidstaat van de Europese Unie of een door de minister van Justitie erkend document afgeleverd in een andere staat. De sportschutterslicentie wordt verleend door een door de Vlaamse Regering gemachtigde schietsportfederatie (artikel 9, §1 van het Decreet van 11 mei 2007 houdende het statuut van de sportschutter). Hieruit volgt dat de federale wapendienst niet bevoegd is om u een sportschutterslicentie af te leveren (of terug te geven).
  13. Beslissing: Op basis van voornoemde elementen wordt uw aanvraag tot het verkrijgen van een XIV-38.320-6/15 vergunning tot het voorhanden hebben van een revolver, merk Smith&Wesson, kaliber .357 magnum, serienummer […], geweigerd. Uw beroep tegen de beslissing d.d. 21 februari 2019 van de provinciegouvemeur van Limburg (referentie: 2018N004690) houdende de weigering van de aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning voor het bezit van het volgende vuurwapen: een revolver, merk Smith&Wesson, kaliber .357 Magnum, serienummer […] wordt verworpen.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Toepassing van de kortedebattenprocedure A. Voorwerp van de bestreden beslissing Standpunt van verzoeker
  14. Onder het kopje “de feiten” zet verzoeker in het verzoekschrift uiteen dat “op 12 maart 2019” de minister van Justitie het georganiseerd administratief beroep en dienvolgens de aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van een revolver, merk Smith&Wesson, kaliber .357 Magnum, heeft geweigerd, zijnde volgens verzoeker “de eerste bestreden beslissing”. Meteen wordt “”minstens impliciet maar absoluut zeker verzoekers georganiseerd administratief beroep gericht tegen de beslissing van de gouverneur van 21 februari 2019 houdende de intrekking van verzoekers recht om wapens voorhanden te hebben, niet ingewilligd.” Dit is, volgens verzoeker, “de tweede bestreden beslissing.” Onder het kopje “uitputten van het georganiseerd administratief beroep/ de tweede bestreden beslissing” zet verzoeker in het verzoekschrift uiteen dat de verwerende partij ten onrechte de zaken voorstelt alsof verzoeker geen georganiseerd administratief beroep zou hebben ingesteld tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Limburg van 21 februari 2019 houdende de intrekking van verzoekers recht om wapens voorhanden te hebben. Vooreerst stelt verzoeker dat hem bij gewoon schrijven van 21 februari 2019 - ontvangst op ongekende datum - werd meegedeeld dat de gouverneur op 21 februari 2019 heeft XIV-38.320-7/15 beslist het recht tot het bezit van vuurwapen(s) in te trekken en waarin werd aangekondigd dat die beslissing hem zal worden betekend door de lokale politie en waarin de beroepsmogelijkheid bij de Federale Wapendienst werd gemeld. Verzoeker stelt, “voor zover aan verzoeker gekend, […] er hem geen beslissing door de lokale politie [werd] betekend”. Voorts is het voor hem een raadsel waarom de gouverneur heeft gekozen voor de opmaak van twee afzonderlijke beslissingen en voor de verzending ervan op afzonderlijke en onderscheiden wijze, stellende dat op die wijze de gouverneur “de grootst mogelijke verwarring” sticht. Volgens verzoeker heeft hij, per aangetekend schrijven van verzoekers toenmalige raadsman van 12 maart 2019, het georganiseerd administratief beroep ingesteld tegen de beide beslissingen van de gouverneur. Hij stelt dat de verwerende partij ten onrechte in de bestreden beslissing het georganiseerd administratief beroep kwalificeert als zijnde ingesteld tegen enkel de beslissing van de gouverneur van 21 februari 2019 houdende de weigering tot afgifte van een wapenvergunning voor een revolver en dus niet tegen de beslissing van de gouverneur van 21 februari 2019 houdende de intrekking van verzoekers recht om wapens voorhanden te hebben. Beide beslissingen - op dezelfde datum genomen, gesteund op hetzelfde advies van de politie van 18 oktober 2018, dezelfde motieven en dezelfde rechtsgrond, m.n. artikel 11, §1 van de wapenwet, en allebei met dezelfde referte - zijn nochtans één en ondeelbaar. In de memorie van wederantwoord voegt verzoeker er, in repliek op het antwoord op het enige middel, aan toe dat de kennisgeving op 22 februari 2019 van de beslissing tot de intrekking van het recht tot het voorhanden hebben van een wapenvergunning, het instellen op 12 maart 2019 van het georganiseerd administratief beroep vooraf ging. Voorts onderstreept verzoeker zijn argument dat de beide beslissingen van de gouverneur één en ondeelbaar zijn. Tot slot beklemtoont verzoeker dat uit het beroepsschrift blijkt dat niet alleen de verweving tussen de weigering van een wapenvergunning en de intrekking van verzoekers recht om wapens voorhanden te hebben vaststaat, maar ook dat verzoeker de intrekking van verzoekers recht om wapens voorhanden te hebben, wel degelijk heeft aangevochten. XIV-38.320-8/15 Beoordeling
  15. Formeel is het beroep tot nietigverklaring gericht tegen “de beslissing van de minister van justitie van 12 maart 2020 houdende de niet-inwilliging van verzoekers georganiseerd administratief beroep gericht tegen de beslissingen van de gouverneur van de provincie Limburg van 21 februari 2019 houdende de weigering tot afgifte van de wapenvergunning aan verzoeker voor het bezit van een revolver, merk Smith&Wesson, kaliber .357 Magnum, serienummer […] (eerste bestreden beslissing), en houdende de intrekking van verzoekers recht om wapens voorhanden te hebben (= tweede bestreden beslissing).” Verzoeker plaatst zich op het standpunt dat in de bestreden beslissing uitspraak in administratief beroep wordt gedaan over twee beslissingen van de gouverneur van de provincie Limburg van 21 februari 2019, met name enerzijds de beslissing houdende de weigering van de aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van een revolver, merk Smith&Wesson, kaliber .357 Magnum (beslissing hiervoor vermeld onder punt 3.2) en anderzijds, “minstens impliciet maar absoluut zeker” de beslissing tot intrekking van verzoekers recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens (beslissing hiervoor vermeld onder punt 3.3).
  16. Dat standpunt wordt niet bijgetreden. Uit het beroepsschrift van 12 maart 2019 waarmee het georganiseerd administratief beroep werd ingesteld (zie supra, punt 3.5) blijkt immers dat dit enkel is gericht tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Limburg van 21 februari 2019 houdende de weigering van de aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van een revolver, merk Smith&Wesson, kaliber .357 Magnum (beslissing hiervoor vermeld onder punt 3.2). Voorts kan in het beroepsschrift niet worden gelezen dat verzoeker eveneens “het wapenbezit in het algemeen” tot het voorwerp van zijn XIV-38.320-9/15 administratief beroep heeft gemaakt. Evenmin blijkt uit het hiervoor (zie supra, punt 3.7) aangehaalde verweerschrift van 8 oktober 2019 dat het administratief beroep ook de beslissing tot intrekking van het recht om vuurwapens voorhanden te hebben omvat. Anders dan hoe verzoeker het ziet, heeft het door hem ingeleide administratief beroep waarover de bestreden beslissing uitspraak doet, expliciet noch impliciet tot voorwerp de tweede beslissing van de gouverneur van 21 februari 2019 waarbij verzoekers recht om vuurwapens voorhanden te hebben werd ingetrokken (beslissing hiervoor vermeld onder punt 3.3).
  17. Verzoekers argumenten leiden niet tot een andere conclusie. In de mate dat verzoeker doet gelden dat beide beslissingen van de gouverneur “één en ondeelbaar” zijn, blijkt - los van de vaststelling dat alvast de weigering van de aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van de voormelde revolver steunt op artikel 11 van de wapenwet en de intrekking tot het voorhanden hebben van vuurwapens op artikel 13 van de wapenwet - hoe dan ook dat verzoeker hieraan zelf is voorbijgegaan door, als dominus litis, zijn administratief beroep uitdrukkelijk zelf te hebben beperkt tot de voornoemde weigering van de aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning. In de mate dat verzoeker doet gelden dat het voor hem een raadsel is waarom de gouverneur koos voor de opmaak van twee verschillende beslissingen en verzendingswijzen, doet zulks geen afbreuk aan de eis om voorafgaand het georganiseerd administratief beroep uit te putten. De niet-onderbouwde stelling dat op die wijze de gouverneur de groots mogelijke verwarring zou stichten, doet hieraan geen afbreuk nu verzoeker niet betoogt noch aantoont dat er daardoor sprake is van dwaling. XIV-38.320-10/15 Tot slot gaat verzoeker er ten onrechte van uit dat de tweede beslissing van de gouverneur waarbij zijn recht om vuurwapens voorhanden te hebben is ingetrokken, niet werd betekend: uit de voorgaande feitenanalyse blijkt dat zulks op 15 april 2019 in personam gebeurde (zie supra, punt 3.3).
  18. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoekers standpunt dat de bestreden beslissing mede tot voorwerp heeft het administratief beroep gericht tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Limburg van 21 februari 2019 waarbij verzoekers recht om vuurwapens voorhanden te hebben wordt ingetrokken - door verzoeker de tweede bestreden beslissing genoemd - geen steun vindt in het dossier. Anders dan hoe verzoeker het ziet, blijkt derhalve uit de bestreden beslissing niet dat hij, “minstens impliciet maar absoluut zeker” het door artikel 30 van de wapenwet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld tegen de voornoemde intrekkingsbeslissing.
  19. De bestreden beslissing heeft derhalve enkel tot voorwerp de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 12 maart 2020 inzake het administratief beroep van verzoeker tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Limburg van 21 februari 2019 houdende de weigering van de aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van een revolver, merk Smith&Wesson, kaliber .357 Magnum (beslissing hiervoor vermeld onder punt 3.2). Het voorliggende beroep wordt hierna vanuit dit nader omschreven voorwerp onderzocht. XIV-38.320-11/15 B. Exceptie inzake het belang bij het beroep De exceptie
  20. Ambtshalve komt het auditoraat in zijn onderzoek van de zaak tot de conclusie dat, doordat bij beslissing van de gouverneur van de provincie Limburg van 21 februari 2019 verzoekers recht om vuurwapens voorhanden te werd ingetrokken, verzoeker niet voldoet aan de voorwaarde opgelegd door artikel 11, § 3, eerste lid, 5° van de wapenwet. Aldus levert de vernietiging van de door verzoeker aldus genoemde, eerste betreden beslissing, hem geen voordeel op, aangezien de verwerende partij in de gegeven omstandigheden niet anders kan dan de gevraagde vergunning weigeren. Verzoeker van zijn kant, zet zich in wezen op het hiervoor onjuist bevonden standpunt dat het voorwerp van de bestreden beslissing dubbel is, zodat hij belang heeft bij het beroep. Beoordeling
  21. Een nietigverklaring is een bijzondere vorm van rechtsherstel die erin bestaat de bestreden rechtshandeling retroactief uit het rechtsverkeer te doen verdwijnen, wat de overheid er in bepaalde gevallen toe moet, minstens kan, aanzetten om een nieuwe beslissing te nemen.
  22. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). XIV-38.320-12/15 Een verzoeker beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient hij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling hem een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, Van Dooren). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). Het staat aan de Raad van State te oordelen of verzoeker die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat de belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt 4.3; EHRM 17 juli 2018, Vermeulen t. België, punten 42 e.v.).
  23. Om als toereikend te worden beschouwd, moet het belang onder meer rechtstreeks zijn en verzoeker een voordeel verschaffen dat voldoende direct verband houdt met de finaliteit van een nietigverklaring, namelijk het doen verdwijnen van de bestreden rechtshandeling uit de rechtsorde.
  24. Op grond van artikel 11, § 3, eerste lid, 5° van de wapenwet, wordt een vergunning tot het voorhanden hebben van vuurwapens geweigerd aan inzonderheid personen die het voorwerp zijn van een intrekking met nog actuele redenen, van een vergunning tot het voorhanden hebben van of het dragen van een wapen. Dit is een vaststaand gegeven dat derhalve krachtens de wapenwet het voorhanden hebben van wapens door de aanvrager uitsluit. Na het bestaan van een dergelijke intrekking met nog actuele redenen te hebben vastgesteld, moet de minister van Justitie of diens gemachtigde derhalve de aanvraag afwijzen omdat de aanvrager de gestelde voorwaarde niet vervult. De minister van Justitie of diens gemachtigde beschikt in deze niet over enige discretionaire bevoegdheid. XIV-38.320-13/15 Uit de gegevens van de zaak blijkt dat het recht van verzoeker om wapens voorhanden te hebben, is ingetrokken bij beslissing van de gouverneur van 21 februari
  25. Niet blijkt dat verzoeker (tijdig) het georganiseerd administratief beroep voorgeschreven in artikel 30 van de wapenwet heeft ingesteld tegen die intrekkingsbeslissing. Hieruit volgt dat die beslissing definitief is. Voorts blijkt niet dat verzoeker houder is van een geldige sportschutterslicentie of gelijkwaardig stuk. Verzoeker voert evenmin aan, ook niet ter terechtzitting, dat de definitieve intrekking van het recht om wapens voorhanden te hebben, niet op nog actuele redenen steunt. Op grond van wat voorafgaat, kan aan verzoeker derhalve geen vergunning worden toegekend tot het voorhanden hebben van vergunningsplichtige vuurwapens. Verzoekers aanvraag tot het voorhanden hebben van het vergunningsplichtige wapen moet immers worden geweigerd zolang de voornoemde intrekkingsbeslissing van 21 februari 2019 met nog actuele redenen in zijn hoofde geldt. Hieruit volgt dat bij een gebeurlijke vernietiging door de Raad van State van de bestreden beslissing waarbij zijn aanvraag werd geweigerd tot het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van een revolver, merk Smith&Wesson, kaliber .357 magnum, de verwerende partij om dezelfde reden de voorliggende aanvraag opnieuw zal moeten weigeren. Verzoeker heeft aldus bij vernietiging van de bestreden beslissing geen uitzicht op een voor hem gunstiger beslissing. De vernietiging van de bestreden beslissing verschaft verzoeker te dezen dan ook geen bijkomend direct en persoonlijk voordeel, hoe miniem ook. Verzoeker beschikt bijgevolg reeds van bij het inleiden van het voorliggende beroep niet over het rechtens vereiste belang bij het beroep gericht tegen de beslissing tot weigering van de aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning voor het voorhanden hebben van de voornoemde revolver.
  26. De ambtshalve exceptie is in de aangegeven mate gegrond. XIV-38.320-14/15 C. Conclusie
  27. Het beroep is niet ontvankelijk.
  28. Het auditoraat heeft terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen. BESLISSING
  29. De Raad van State verwerpt het beroep.
  30. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een februari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.320-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.651 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.