id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.659 Rolnummer: A. 230758/VII-40822 Zaak: Arrest 249659 - Milieuvergunningen - 01/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-10-17 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-20 00:29 Fiche Arrest nr 249.659 van 1 februari 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Bevolen bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 249.659 van 1 februari 2021 in de zaak A. 230.758/VII-40.822 In zake: 1. Philippe VAN HYFTE 2. Marleen CLAEYS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Ghysels en Yves Sacreas kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Karel Van Alsenoy kantoor houdend te 1000 Brussel A. Dansaertstraat 92 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 6 mei 2020, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 5 maart 2020 waarbij het bestuurlijk beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen van 3 februari 2014, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de bvba Hof ter Lint voor het verder exploiteren en veranderen van een inpakstation voor eieren, gelegen aan de Daalstraat 121 te Grimbergen (Beigem), gedeeltelijk wordt ingewilligd. VII-40.822-1/36 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 december 2020. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Yves Sacreas, die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Karel Van Alsenoy, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De bvba Hof ter Lint exploiteert aan de Daalstraat 121 te Grimbergen een bedrijf waar eieren worden gesorteerd en ingepakt. De inrichting is volgens het geldende gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse deels gelegen in woongebied (eerste 50 meter vanaf de rooilijn van de straat) en deels in agrarisch gebied. Bij besluit van 28 juni 1994 heeft het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen een milieuvergunning verleend die als basis dient voor de exploitatie. Deze vergunning werd verleend voor een termijn VII-40.822-2/36 van twintig jaar. Op stedenbouwkundig vlak dient te worden vermeld dat met een besluit van 25 november 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen een stedenbouwkundige vergunning werd verleend voor het afbreken van de bestaande woning, de uitbreiding van de bestaande loods en de nieuwbouw van burelen met conciërgewoning. Deze vergunning werd door de Raad van State vernietigd bij arrest nr. 191.453 van 16 maart 2009 op grond van het motief dat “het geheel van vrijstaande, residentiële woningen, aan beide zijden van de Daalstraat, ook op het rechts aanpalende perceel, die de directe kenmerkende onmiddellijke omgeving van de vergunde inrichting uitmaken, nergens in de beoordeling van de aanvraag met betrekking tot de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving worden betrokken”. Ingevolge de indiening van een nieuwe vergunningsaanvraag, beslist de verwerende partij op 14 oktober 2010 om een stedenbouwkundige vergunning te verlenen voor de regularisatie van de afbraak van een bestaande woning, de uitbreiding van de bestaande loodsen en de nieuwbouw van burelen met conciërgewoning. Met zijn arrest nr. A/2013/0487 van 15 juli 2014 vernietigt de Raad voor Vergunningsbetwistingen deze vergunning wegens een niet-afdoende motivering met betrekking tot de verenigbaarheid van de inrichting met de onmiddellijke omgeving. De verwerende partij heeft op 27 november 2014 opnieuw de gevraagde stedenbouwkundige vergunning verleend. 3.2. Op 18 oktober 2013 dient de bvba Hof ter Lint een milieuvergunningsaanvraag in voor het verder exploiteren en veranderen van haar inrichting. 3.3. Naar aanleiding van deze aanvraag wordt een openbaar onderzoek georganiseerd. Tijdens dit openbaar onderzoek worden vier bezwaarschriften ingediend, waaronder één van de huidige verzoekende partijen. VII-40.822-3/36 3.4. Bij besluit van 3 februari 2014 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen de gevraagde vergunning. 3.5. Op 14 maart 2014 stellen de verzoekende partijen tegen deze beslissing beroep in bij de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. 3.6. Met een besluit van 19 juni 2014 beslist de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant om het beroep niet in te willigen. 3.7. Bij arrest nr. 236.429 van 17 november 2016 vernietigt de Raad van State de op 19 juni 2014 verleende milieuvergunning. 3.8. Ingevolge het vernietigingsarrest wordt de beroepsprocedure tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen van 3 februari 2014 hernomen. 3.9. Met een besluit van 9 maart 2017 willigt de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant het bestuurlijk beroep van de verzoekende partijen niet in. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “Verslag van het onderzoek Het vernietigingsarrest van de Raad van State (nr. 236.429) is gesteund op één middel, nl. het ontbreken van een afdoende motivering omtrent de verenigbaarheid van de inrichting met de onmiddellijke omgeving; temeer omdat de motivering overgenomen was van de stedenbouwkundige vergunning van 14 oktober 2010 voor het slopen van de bestaande woning, de uitbreiding van bestaande loodsen en de nieuwbouw van burelen en een conci[ë]rgewoning (regularisatie) die vernietigd werd door de RvVB op 15 juli 2014. Op 27 november 2014 heeft de deputatie opnieuw de stedenbouwkundige vergunning verleend waartegen opnieuw een verzoek tot vernietiging ingediend werd bij de RvVB. Rekening houdend met het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad van State moet de beslissing van de deputatie over de milieuvergunning een eigen gemotiveerde beoordeling bevatten van de verenigbaarheid van VII-40.822-4/36 de inrichting, waarvoor een vergunning wordt gevraagd, met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De percelen van de inrichting zijn volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij KB van 7 maart 1977, gelegen in woongebied (50 m t.o.v. de voorliggende weg) en voor het overige in agrarisch gebied. Volgens artikel 5 van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen zijn woongebieden bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven. Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving. Volgens artikel 11 van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen zijn Agrarische gebieden bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht op ten minste 300m van een woongebied of op ten minste 100m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 en 100m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden. Binnen een straal van 500 m bevindt zich: Ten noorden: agrarisch gebied; Ten oosten: agrarisch gebied, woongebied, woongebied met landelijk karakter; Ten zuiden: woongebied, agrarisch gebied; Ten westen: agrarisch gebied, woongebied, woonuitbreidingsgebied. De aanvraag is niet gelegen in een algemeen plan van aanleg. De aanvraag is niet gelegen in een bijzonder plan van aanleg. De aanvraag is niet gelegen in een ruimtelijk uitvoeringsplan. Bijgevolg dient de aanvraag te worden getoetst aan de bovenvermelde bepalingen van het gewestplan. Artikel 5.1.0 van het inrichtingsbesluit bepaalt: ‘De woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven. VII-40.822-5/36 Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving’. Krachtens het bepaalde in artikel 5.1.0 van het inrichtingsbesluit kunnen inrichtingen voor handel, dienstverlening, ambacht en klein bedrijf in een woongebied enkel worden toegestaan onder de dubbele voorwaarde dat zij niet wegens de ‘taken’ van bedrijf die zij uitvoeren, om redenen van goede ruimtelijke ordening, in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, m.a.w. dat zij bestaanbaar zijn met de bestemming woongebied, en dat zij verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving. Bij het beoordelen van de bestaanbaarheid met de bestemming woongebied, dient rekening te worden gehouden met de aard en de omvang van de inrichting, waardoor deze laatste inzonderheid om redenen van ruimtelijke ordening niet in het betrokken woongebied kan worden ingeplant, ofwel wegens het intrinsiek hinderlijk of storend karakter van de inrichting, ofwel wegens het bijzonder karakter van het woongebied (bv. louter residentiële villawijk, of woonpark. Bij het beoordelen van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving dient uitgegaan te worden van de specifieke kenmerken van de onmiddellijke omgeving, die voornamelijk afhankelijk zijn van de aard en het gebruik of de bestemming van de in die omgeving bestaande gebouwen of open ruimten, of van de bijzondere bestemming die het bijzonder plan van aanleg van het gebied aan die omgeving heeft gegeven.’ De uitbating van Hof ter Lint omvat geen productieproces. Het betreft hier louter de aanvoer van losse eieren, het verpakken van de eieren ter plaatse en de afvoer naar klanten (grootwarenhuis e.d.). De uitbating is uitsluitend omwille van de opslagcapaciteit van eieren (100 ton) ingedeeld in klasse 2. Alle andere vergunde activiteiten zoals de sorteer- en verpakkingsmachine zijn ingedeeld in klasse 3. De indelingsrubriek 45.4.e.2 voor de opslag van eieren heeft geen bovendrempel voor indeling in klasse 2 ( meer dan 50 ton onbeperkt). De opslag van 100 ton eieren is dus aan de lage kant. Het gaat hier om een kleinschalig bedrijf dat maximaal 15 werknemers tewerk gesteld. Ook het aantal transporten is eerder kleinschalig Het feit dat het gevraagde aantal stalplaatsen voor vrachtwagens en de vermogens van de machines volgens de ‘lijst van de als hinderlijk ingedeelde inrichtingen’ slechts ingedeeld zijn in klasse 3 wijst erop dat deze activiteiten weinig hinderlijk zijn voor de omgeving. Van de loutere opslag van eieren moet op zich ook weinig hinder verwacht worden. Uit de evaluatie van het beroepschrift, het verslag van het onderzoek en de door het college opgelegde bijzondere vergunningsvoorwaarden blijkt dat de mogelijke hinder voor de omgeving tot een aanvaardbaar niveau beperkt wordt [...]. De omliggende woonzone heeft geen loutere residentiële functie. Het eierinpakbedrijf bestaat sinds halverwege de jaren ‘60 maar is pas op 28 juni 1994 vergund. Sindsdien beschikt het bedrijf steeds over een geactualiseerde milieuvergunning. De eerste stedenbouwkundige vergunning dateert van 19 mei 1967 (voor woning en magazijn). Op de luchtfoto van de jaren ‘70 is te zien dat de percelen links en rechts van de uitbating niet bebouwd zijn (landbouwgrond). De Daalstraat is VII-40.822-6/36 volgens recente luchtfoto’s (Google maps) langs beide zijden nagenoeg volledig dicht gebouwd. Volgens de actuele (21 mei 2014) bedrijvengids van Grimbergen zijn er in de Daalstraat 18 bedrijven en/of handelszaken. Er is hier wel degelijk sprake van gemengde omgeving. Binnen een afstand van 350m van de inrichting zijn aan de Daalstraat naast woningen in open bebouwing, een doe het zelf zaak, een transport en carrosseriebedrijf, een bouwaannemingsbedrijf en een dakwerker. Voor een deel van deze bedrijven is de oppervlakte inname van de gebouwen op het perceel ong. gelijk aan deze van het eierinpakbedrijf. Er is wel degelijk een historisch gegroeide verwevenheid van functies. Verder kon AMV ter plaatse (24.01.2017) vaststellen dat de inrichting verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving: - de voorgevel van het gebouw aan de straatkant heeft geen industrieel karakter; - t.o.v. het links aanpalend perceel is er een beplanting over een breedte van 3 m; - t.o.v. het rechts aanpalend perceel blijft een afstand van 5 m behouden en is er tevens een 3 m hoge haag aanwezig die zorgt voor een visuele afscheiding en buffering tussen het bedrijf en de vrijstaande woning van beroeper. Uit bovenstaande motivering blijkt dat de aanvraag bestaanbaar is met de bestemming woongebied en verenigbaar met de onmiddellijke omgeving, in overeenstemming is met wettelijke bepalingen voor woongebied, alsook met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Dat het Hof ter Lint op planologisch vlak nooit als een ‘probleembedrijf’ beschouwd werd is ook onrechtstreeks te vinden in het feit dat Hof ter Lint BVBA niet opgenomen is in het sectoraal BPA ‘zonevreemde bedrijven’ (aangenomen door gemeenteraad op 19 oktober 2006; MB: 14.12.2006 en 13 juni 2007). Hof ter Lint werd destijds door de gemeente niet opgenomen in het sectoraal BPA ‘zonevreemde bedrijven’ omdat er enkel voor de meest dringende conflicterende bedrijfslocaties een juridisch-planologische oplossing gezocht werd en dat Hof ter Lint op dat ogenblik beschikte over een geldige bouw- én milieuvergunning, waardoor dit niet als een ‘urgent geval’ kon beschouwd worden. Dergelijke bedrijven werden opgenomen in het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Grimbergen voor opmaak van een RUP. De opmaak van een RUP zonevreemde bedrijven (voor Hof ter Lint) is niet opgenomen in het bindend gedeelte van het GRS. Het bedrijf van De Keyser (carrosserie en transport) op ong. 200 m van het Hof ter Lint in de Daalstraat werd wel opgenomen in bovenvermeld BPA”. 3.10. De vergunningsbeslissing van 9 maart 2017 wordt vernietigd bij arrest nr. 245.870 van 24 oktober 2019. De volgende overwegingen liggen aan de basis van dit vernietigingsarrest : VII-40.822-7/36 “[…] Artikel 21, § 2, 2°, van Vlarem I, in de op het geding toepasselijke versie, bepaalt dat het advies van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed, het college van burgemeester en schepenen, de gemeentelijke of provinciale stedenbouwkundige ambtenaar, onder meer ‘een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de inrichting waarvoor een vergunning wordt gevraagd met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening’ moet bevatten. Luidens artikel 25, 2°, van Vlarem I dient ook het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie een ‘gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de inrichting, waarvoor een vergunning wordt gevraagd, met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening’ te bevatten. Uit deze bepalingen volgt dat de vergunningverlenende overheid moet nagaan of de inrichting verenigbaar is met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De beslissing over de milieuvergunningsaanvraag dient in een eigen redengeving aan te geven waarom de inrichting verenigbaar wordt geacht met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Overeenkomstig de vereisten van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet moet de gegeven motivering afdoende zijn. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. Motieven in een vergunningsbeslissing die betrekking hebben op de milieuhygiënische aanvaardbaarheid van de inrichting, tonen niet zonder meer aan dat de inrichting ook uit stedenbouwkundig oogpunt verenigbaar is met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening waarbij in de eerste plaats rekening moet worden gehouden met de ordening in de onmiddellijke omgeving. […] De vergunningverlenende overheid dient bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening in de eerste plaats rekening te houden met de ordening in de onmiddellijke omgeving. Deze beoordeling dient in concreto te geschieden en uit te gaan van de bestaande toestand. Al naar gelang de aard en de omvang van de aanvraag kan ook rekening worden gehouden met de ordening in een ruimere omgeving. Daarbij is de ordening in de ruimere omgeving uiteraard minder doorslaggevend en mag zij er alleszins niet toe leiden dat de ordening in de onmiddellijke omgeving, die de plaatselijke aanleg het meest bepaalt, buiten beschouwing wordt gelaten. […] Om tot het besluit te komen dat de inrichting gelegen is in een ‘gemengde omgeving’ en de ‘omliggende woonzone [...] geen loutere residentiële functie [heeft]’, neemt de verwerende partij andermaal in aanmerking dat ‘[b]innen een afstand van 350 m van de inrichting [...] aan de Daalstraat naast woningen in open bebouwing, een doe het zelf zaak, een transport en carrosseriebedrijf, een bouwaannemingsbedrijf en dakwerker [zijn gelegen]’, zodat er ‘wel degelijk een historisch gegroeide verwevenheid van functies [is]’. […] Uit de door de verzoekende partijen neergelegde stedenbouwkundige nota, opgemaakt door een landmeter-expert, blijkt dat de bestaande VII-40.822-8/36 bebouwing in de onmiddellijke omgeving van de vergunde inrichting, langs beide zijden van de Daalstraat, in hoofdzaak bestaat uit vrijstaande residentiële woningen van het type villa. Uit geen enkel motief van de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij de bestaande residentiële woningbouw, die het meest bepalend is voor de ruimtelijke ordening in de onmiddellijke omgeving van het betrokken bedrijf, bij haar beoordeling heeft betrokken. Het feit dat nadien aan de tussenkomende partij een nieuwe stedenbouwkundige vergunning werd verleend, heeft dit motiveringsgebrek niet verholpen”. 3.11. De beroepsprocedure tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen van 3 februari 2014 wordt andermaal hernomen. 3.12. De Vlaamse Milieumaatschappij brengt op 17 december 2019 een gunstig advies uit. Het advies van de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -Projecten van 23 januari 2020 is voorwaardelijk gunstig. Op 11 februari 2020 stelt de Provinciale Omgevingsvergunningscommissie voor om het beroep deels gegrond te verklaren. 3.13. Op 5 maart 2020 neemt de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant het thans bestreden besluit waarbij het bestuurlijk beroep tegen de vergunningsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen van 3 februari 2014 gedeeltelijk wordt ingewilligd. Het bestreden besluit steunt op de volgende motieven: “In haar arrest van 24 oktober 2019 oordeelt de Raad van State dat in de vergunningsbeslissing van de deputatie van 9 maart 2017 de residentiële woningbouw, die het meest bepalend is voor de ruimtelijke ordening in de onmiddellijke omgeving van het betrokken bedrijf, onvoldoende bij de beoordeling betrokken werd. Het feit dat nadien aan de tussenkomende partij een nieuwe stedenbouwkundige vergunning werd verleend, heeft dit motiveringsgebrek niet verholpen.
- a)Planologisch en toetsing aan de goede ruimtelijke ordening De percelen waarop het eierinpakbedrijf gevestigd is, zijn volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij KB van 7 maart 1977, gelegen in woongebied (50 m ten opzichte van voorliggende weg) en voor het overige in agrarisch gebied. Volgens artikel 5 van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen VII-40.822-9/36 zijn woongebieden bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven. Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving. Volgens artikel 11 van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen zijn Agrarische gebieden bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 en 100 m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden. Binnen een straal van 150 m bevindt zich ten noorden: agrarisch gebied, ten oosten agrarisch gebied, woongebied en woongebied met landelijk karakter, ten zuiden woongebied en agrarisch gebied en ten westen agrarisch gebied, woongebied en woonuitbreidingsgebied. De site is niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of een ruimtelijk uitvoeringsplan. Het goed maakt geen deel uit van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling. Bijgevolg dient de aanvraag te worden getoetst aan de bovenvermelde bepalingen van het gewestplan. Artikel 5.1.0 van het inrichtingsbesluit bepaalt: […]. Krachtens het bepaalde in de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, gewijzigd via omzendbrieven van 25 januari 2002 en 25 oktober 2002, kunnen inrichtingen voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf in een woongebied enkel worden toegestaan onder de dubbele voorwaarde dat zij niet wegens de ‘taken’ van bedrijf die zij uitvoeren, om redenen van goede ruimtelijke ordening, in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, m.a.w. dat zij bestaanbaar zijn met de bestemming woongebied, en dat zij verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving. Bij het beoordelen van de bestaanbaarheid met de bestemming woongebied, dient rekening te worden gehouden met de aard en de omvang van de inrichting, waardoor deze laatste inzonderheid om redenen van ruimtelijke ordening niet in het betrokken woongebied kan worden ingeplant, ofwel wegens het intrinsiek hinderlijk of storend karakter van de inrichting, ofwel wegens het bijzonder karakter van het woongebied (bv. louter residentiële villawijk, of woonpark. Bij het beoordelen van de VII-40.822-10/36 verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving dient uitgegaan te worden van de specifieke kenmerken van de onmiddellijke omgeving, die voornamelijk afhankelijk zijn van de aard en het gebruik of de bestemming van de in die omgeving bestaande gebouwen of open ruimten, of van de bijzondere bestemming die het bijzonder plan van aanleg van het gebied aan die omgeving heeft gegeven. Hof ter Lint is een bestaand en hoofdzakelijk vergund bedrijf dat is opgericht in de jaren ‘60 waarbij toen een stedenbouwkundige vergunning werd verleend voor de oorspronkelijke woning en een deel van het magazijn. Sindsdien zijn er nog verschillende stedenbouwkundige vergunningen en milieuvergunningen verleend voor het eierinpakbedrijf. Het bedrijfsterrein is in volume met de jaren quasi ongewijzigd gebleven zoals anno 1970, ook na de grondige renovatiewerken van 2002. De activiteiten van Hof ter Lint omvatten de aanvoer van losse eieren, het sorteren en verpakken van de eieren ter plaatse en de afvoer naar klanten. De uitbating is uitsluitend omwille van de opslagcapaciteit van eieren (100 ton) ingedeeld in klasse 2. Alle andere vergunde activiteiten zoals de sorteer- en verpakkingsmachine zijn ingedeeld in klasse 3. De indelingsrubriek 45.4.e.2 voor de opslag van eieren heeft geen bovendrempel voor indeling in klasse 2 (meer dan 50 ton onbeperkt). De opslag van 100 ton eieren is dus aan de lage kant. Het gaat hier om een kleinschalig bedrijf dat maximaal 16 werknemers tewerk stelt. Ook het aantal transporten is eerder kleinschalig (minder dan 10 per dag). Het feit dat het gevraagde aantal stalplaatsen voor vrachtwagens en de vermogens van de machines volgens de lijst van de als hinderlijk ingedeelde inrichtingen slechts ingedeeld zijn in klasse 3 wijst erop dat deze activiteiten weinig hinderlijk zijn voor de omgeving. Van de loutere opslag van eieren valt op zich ook weinig hinder te verwachten. Uit de verdere bespreking blijkt genoegzaam dat Hof Ter Lint een relatief kleinschalig bedrijf is waarbij eventuele hinder voor de omgeving tot een aanvaardbaar niveau beperkt kan worden. Hof ter Lint is gelegen in een lint van bebouwing langs de Daalstraat waar zowel woningen als bedrijvigheid naast elkaar of in combinatie terug te vinden zijn. Op basis van de aard en de omvang van het bedrijf, rekening houdend met het intrinsiek hinderlijk karakter en het bijzonder karakter van het woongebied, kan in alle redelijkheid gesteld worden dat de aanvraag bestaanbaar is met de bestemming van woongebied. Aan de straatkant werd door Hof Ter Lint nieuwe bebouwing opgetrokken na afbraak van de vroegere woning en garage. De voortuinstrook is in twee delen opgesplitst met een beperkt niveauverschil. Het gebouw wordt vanaf de straatkant gekenmerkt door beperkt verschillende inkomhoogtes, een beperkte verspringing in kroonlijsthoogte en een bleke gevelsteen met blauwe afwerking van ramen, deuren en poorten. Er zijn twee bouwlagen opgetrokken onder een zadeldak. Op de eerste verdieping bevindt zich woonruimte. Het gebouw vooraan staat ingeplant op ongeveer 3 meter van de linker en op ongeveer 5 meter van de rechter perceelsgrens. Achter de nieuwbouw aan de straatkant is een loods opgetrokken die aansluit bij oudere loodsen achteraan op de site. Het eerste deel van de loods is uitgevoerd in dezelfde bleke gevelsteen en afgewerkt met een plat dak en VII-40.822-11/36 vergelijkbare kroonlijsthoogte met het gebouw aan de straatkant. Het tweede deel van de loods heeft wanden opgetrokken uit cellenbeton met beige kleur. De loods werd gebouwd tot aan de linker perceelsgrens. Aan de rechter kant blijft de onbebouwde strook van ongeveer 5 meter ter hoogte van de perceelsgrens van de bezwaarindiener ongewijzigd behouden. Vanaf de straatkant kan een garage, een inkom en een sectionaalpoort onderscheiden worden. Deze sectionaalpoort is wat afmetingen betreft vergelijkbaar met een poort waarin een camper gestald kan worden. Vanaf de voorgevel bevinden zich in de gebouwen achtereenvolgens een garage, een berging, de ontvangstruimte, een bureau, sanitair en de refter, de laadkade, de opslag van verpakte en onverpakte eieren, de opslag van verpakking, de opslag van de trays, de technische opslag en de laadplaatsen voor het lossen van eieren. Tijdens de hoorzitting werd door de exploitant bevestigd dat zo’n 4 aanleveringen en 4 vertrekken per dag gebeuren. Het leveren van materiaal en het lossen van de onverpakte eieren gebeurt via de bouwvrije strook aan de achterzijde van het bedrijf. Het ophalen van de verpakte eieren gebeurt door vrachtwagens die hun lading aan de laadkade aan de straatkant van de site ophalen. De verschillende laadkades zijn een rechtstreeks gevolg van het naleven van Europese regelgeving inzake voedselveiligheid en hygiëne. De woning op het westelijk aanpalende perceel is vrijstaand, heeft twee bouwlagen, een kroonlijsthoogte die vergelijkbaar is met de gebouwen van Hof Ter Lint en een zadeldak. Deze woning is opgetrokken in een lichte gevelsteen. Langs de oostelijke perceelsgrens van het bedrijf bevindt zich een lagere haag op grondgebied van de exploitant en een dichte, hogere haag die de tuin van de rechter woning begrenst. Op deze manier worden de gebouwen van de exploitant voor het grootste gedeelte visueel onttrokken aan het zicht van de rechter buren. Ook deze woning is opgetrokken in een lichte gevelsteen, heeft twee bouwlagen en een zadeldak en een beperkt hogere kroonlijsthoogte in vergelijking met de gebouwen van Hof Ter Lint. Het meest nieuwe deel van de bedrijfsgebouwen sluit wat betreft ontwerp en gerealiseerd volume aan bij de gebouwen op de onmiddellijk aanpalende percelen. Enkel de stedenbouwkundige vergunning voor dit meest nieuwe deel van de bedrijfsgebouwen (aan de straatkant) wordt nog betwist. Het achterste deel van de gebouwen is stedenbouwkundig vergund. Aan de overzijde van de Daalstraat bevinden zich vrijstaande woningen met één of anderhalve bouwlaag met een zadeldak en een nok loodrecht op de straat. Hoewel deze woningen een andere inplantingsrichting hebben en een wat kleiner volume in vergelijking met de gebouwen aan de overzijde van de straat, is de typologie van de woningen vergelijkbaar. Volgens de bepaling van artikel 5.1.0 kunnen handel en bedrijvigheid worden ingeplant in een woongebied voor zover deze functies om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd. Niettegenstaande geoordeeld kan worden dat residentiële woningbouw het meest bepalend is voor de ruimtelijke ordening in de onmiddellijke omgeving van het bedrijf, kan het voorkomen van handel en bedrijvigheid in de Daalstraat niet ontkend worden. Binnen een straal van 100 m van Hof Ter Lint bevinden zich immers 7 ondernemingen (onder meer een garage, inrichting voor verwarming, sanitair, ventilatie en elektriciteit, een VII-40.822-12/36 consultancy bureau, een juwelier en een installateur van lamellen vloeren en alarminstallaties). Binnen een straal van 200 m bevinden zich bijkomend nog eens 7 ondernemingen (onder meer een groothandel in groenten en fruit, arbeidsbureau en een inrichting voor loodgieterswerk, verwarming en dakbedekking). Verderop, binnen op een afstand van maximaal 300 m zijn in de Daalstraat nog 6 bedrijfszetels te identificeren waaronder een groothandel in auto’s, een transportbedrijf, een garage en een aannemer voor opritten en tuinaanleg. Voornoemde bedrijvigheid zal onmiskenbaar bijkomende activiteit inclusief vervoersbewegingen in de Daalstraat teweegbrengen. De principiële inpasbaarheid van het bedrijf in woongebied stoelt onder meer op de historische groei van het bedrijf op de betrokken locatie, de betrokken oppervlakte die rechtstreeks gerelateerd is met de reglementering die betrekking heeft op risicobeheersing bij voedselveiligheid, de ook historisch aanwezige bedrijvigheid op relatief kleine afstand van de betreffende inrichting en de natuurlijke wijze waarop de verwevenheid van residentiële woongelegenheid en bedrijvigheid in de Daalstraat is ontstaan. Zoals in dit onderdeel en uit de verdere bespreking blijkt, past het bedrijf zich voldoende in het straatbeeld. Het bedrijf heeft de uitstraling van een woning en wat specifieke kenmerken betreft is het vergelijkbaar met flankerende woningen en de woningen in de onmiddellijke omgeving. Zowel de inplanting, keuze van de gevelsteen, de twee volumes met een kleine verspringing van de kroonlijsthoogte, de twee bouwlagen met een zadeldak in pannen en de afstand tot de perceelsgrenzen onderbouwen deze stelling. In alle redelijkheid kan worden aangenomen dat de aard en het gebruik van de gebouwen geen bron vormen van onaanvaardbare hinder. Een garagepoort met een omvang die toelaat een camper of vrachtwagen binnen te parkeren, het achteruitrijden op een oprit, het uitvoeren van minder dan 10 vervoersbewegingen per dag in combinatie met hinder van activiteiten die beperkt kan worden tot een aanvaardbaar niveau, kunnen bezwaarlijk grondslag vormen voor het afzonderen van het bedrijf in een daartoe aangewezen gebied. De aanvraag is dan ook verenigbaar met de specifieke kenmerken van de onmiddellijke omgeving, de aard en het gebruik van gebouwen en open ruimtes. Dat Hof ter Lint op planologisch vlak nooit als een probleembedrijf beschouwd werd is ook onrechtstreeks af te leiden uit het feit dat Hof ter Lint bvba niet opgenomen is in het sectoraal BPA ‘zonevreemde bedrijven’ (aangenomen door gemeenteraad op 19 oktober 2006; MB: 14.12.2006 en 13 juni 2007). Hof ter Lint werd destijds door de gemeente niet opgenomen in dit BPA ‘zonevreemde bedrijven’ omdat er enkel voor de meest dringende conflicterende bedrijfslocaties een juridisch-planologische oplossing gezocht werd. Hof ter Lint beschikte op dat ogenblik over een geldige bouw- én milieuvergunning, waardoor dit niet als een ‘urgent geval’ beschouwd werd. De gevraagde uitbreiding is niet van die aard dat deze onaanvaardbare hinder zou teweegbrengen waardoor het wel aangewezen zou zijn om Hof ter Lint op te nemen bij de opmaak van een RUP. Tenslotte kan worden opgemerkt dat er binnen de Vlarem-reglementering geen verbods- noch afstandsbepalingen zijn opgenomen betreffende de ingedeelde inrichtingen en activiteiten die het voorwerp zijn van de voorliggende aanvraag. […] VII-40.822-13/36
- l)Overige bezwaren/aanspraken beroepschrift - de bedrijfsactiviteiten achteraan zoals aangevraagd kunnen niet vergund worden aangezien de verharding en achterliggende parking niet vergund zijn. De stedenbouwkundige vergunning voor de regularisatie van de verharding van het achterliggend gedeelte werd in laatste administratieve aanleg geweigerd door de deputatie op 3 december 2015. Op deze zone gebeuren echter geen Vlaremplichtige activiteiten. De opslag van afvalstoffen in functie van regelmatige afvoer, valt onder de uitzonderingsbepaling van rubriek 2. Een stalplaats voor personenwagens is niet ingedeeld. Een bijzondere vergunningsvoorwaarde wordt opgelegd zodat het duidelijk is dat op het stedenbouwkundig onvergunde gedeelte (verharding achteraan het perceel) geen meldings- en/of vergunningsplichtige activiteiten mogen uitgevoerd worden. Zo mogen er geen vrachtwagens gestald worden. - In de praktijk worden ook andere zuivelproducten dan eieren gesorteerd en gedistribueerd. In de vergunning wordt echter enkel de exploitatie van een sorteerinrichting voor eieren vermeld. Naast eieren mogen ook andere zuivelproducten gedistribueerd worden. Deze activiteit zit vervat in rubriek 45.6 van de Vlarem indelingslijst. - bij het verlenen van de vergunning werd geen rekening gehouden met de beperkingen die opgelegd werden in het arrest van het Hof van Beroep Het Hof van Beroep heeft inderdaad beperkingen opgelegd aan de uitbating, maar deze bleven slechts van kracht tot een nieuwe milieuvergunning door de bevoegde overheid aan de exploitant werd verleend en ten laatste tot 28 juni 2014. Door het naleven van de algemene, de sectorale en de bijzondere vergunningsvoorwaarde kan in alle redelijkheid gesteld worden dat eventuele hinder voor de omgeving beperkt kan worden tot een aanvaardbaar niveau. De overwegingen in acht genomen komt de aanvraag in aanmerking voor vergunning, om volgende redenen: - de inrichting is wat betreft de activiteiten en op basis van de aard en omvang van het bedrijf en rekening houdend met de specifieke kenmerken van de onmiddellijke omgeving, planologisch verenigbaar met de bestemming volgens het gewestplan; - hoewel de woningen flankerend aan het bedrijf van residentiële aard zijn, vinden ook ondernemingen en handelsactiviteiten plaats in de Daalstraat; - het uitvoeren van de maatregelen zoals voorgesteld in de hemelwaterstudie die door de exploitant werd opgemaakt en goedgekeurd door de gemeente, volstaat om het risico op eventuele wateroverlast afdoende te beperken; - het lozingsdebiet aan bedrijfsafvalwater is eerder beperkt en wordt naar de gemengde riolering van de Daalstraat geleid; - alle door de inrichting geproduceerde afval wordt opgehaald door erkende en vergunde inzamelaars, afvalstoffenhandelaars ) of -makelaars; - gelet op de conformiteit met Vlarem II en de recente attesten met groene besluitcode, kunnen de opslagtank voor stookolie, de opslagtank voor diesel en de bijhorende verdeelinstallatie zonder onaanvaardbaar risico op bodem- en grondwaterverontreiniging vergund worden; - het aantal transporten per dag is relatief laag (gemiddeld 4 aanleveringen en 4 vertrekken per werkdag). De discussie over het aantal transportbewegingen kan ondervangen worden door het opnemen in de vergunning van een VII-40.822-14/36 bijzondere voorwaarde tot het bijhouden van een logboek van het aantal transporten per dag, waarbij het logboek ter inzage gehouden wordt van de bevoegde toezichthouder; - door de lokale politie werden nooit ongevallen of klachten over verkeersonveiligheid of parkeerproblemen geregistreerd die het gevolg zijn van de bedrijfsactiviteiten van Hof Ter Lint; - de diverse maatregelen om geluidshinder naar de omgeving te beperken, al uitgevoerd door de exploitant of opgelegd als bijzondere vergunningsvoorwaarden, volstaan om aan te nemen dat er geen aanleiding is om te verwachten dat onaanvaardbare geluidshinder veroorzaakt zal worden na verandering van de inrichting; - de voorbije jaren werd door de milieudienst van de gemeente, met uitzondering van de bezwaarschriften naar aanleiding van een vergunningsaanvraag, nooit een klacht geregistreerd over geur-, lawaai- of welke hinder dan ook; - uit de bij de aanvraag gevoegde projectscreening kan geconcludeerd worden dat met het voorliggend project geen significante negatieve milieueffecten te verwachten zijn voor mens en milieu en geen project-MER dient te worden opgemaakt; - in het meest recente arrest van de Raad van State worden geen middelen aangehaald waardoor de milieutechnische aanvaardbaarheid van de inrichting, mits het respecteren van algemene, sectorale en bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden in twijfel getrokken wordt; - globaal kan gesteld worden dat de risico’s voor de externe veiligheid de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie bij naleving van de opgelegde exploitatievoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen beperkt worden; - aangezien het verzoek tot het verlenen van de vergunning voor onbepaalde duur niet vervat zat in de aanvraag of openbaar onderzoek, wordt de termijn van de vergunning beperkt tot 20 jaar”. IV. Onderzoek van de vordering 4. Krachtens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VII-40.822-15/36 A. Ernst van de middelen Eerste middel Standpunt van de partijen 5. In het eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 21, § 2, 2°, en 25, 2°, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), het materiëlemotiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel: “[d]oordat het bestreden besluit besluit tot de bestaanbaarheid met de bestemming van woongebied, de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving en de overeenstemming met de wettelijke bepalingen voor woongebieden alsook met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Dat het bestreden besluit stelt dat het vernietigingsarrest van de Raad van State van 24 oktober 2019, nr. 245.870 is gesteund op het ontbreken van een afdoende motivering omtrent de verenigbaarheid van de inrichting met de onmiddellijke omgeving; dat het bestreden besluit stelt dat een nieuwe stedenbouwkundige vergunning werd verleend, die aan dit motiveringsgebrek niet verholpen heeft. Dat volgens het bestreden besluit de inrichting volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij KB van 7 maart 1977, is gelegen in woongebied (50 meter ten opzichte van de voorliggende weg) en voor het overige in agrarisch gebied. Dat het bestreden besluit vervolgens de inhoud van het bestemmingsvoorschrift van toepassing in de woongebieden en de agrarische gebieden zoals dat respectievelijk vervat ligt in de artikelen 5 en 11 van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen weergeeft en stelt dat de aanvraag getoetst moet worden aan de bepalingen van het gewestplan daar zij niet gelegen is in een algemeen of bijzonder plan van aanleg en evenmin in een ruimtelijk uitvoeringsplan. Dat het bestreden besluit besluit tot de verenigbaarheid met de planbestemming en de goede ruimtelijke ordening op grond van de volgende overwegingen: […]. Dat het bestreden besluit dus uitdrukkelijk stelt dat de omliggende woonzone geen residentiële functie heeft maar dat het gaat om een gemengde omgeving waar er een verwevenheid van functies is. Dat daartoe verwezen wordt naar de bedrijven waarvan zowel de Raad van State in arresten van 16 maart VII-40.822-16/36 2009, nr. 191.453, van 17 november 2016, nr. 236.429 en van 24 oktober 2019, nr. 245.870 als de Raad voor Vergunningsbetwistingen in arresten van 15 juli 2014, nr. A/2013/0487 en 18 februari 2020, nr. A/1920/0585 reeds stelden dat zij niet tot de onmiddellijke omgeving behoren en niet tot gevolg hebben dat de in de onmiddellijke omgeving aanwezige bebouwing zijn residentieel karakter verliest. Dat de feitelijke beschrijving van de onmiddellijke omgeving door het bestreden besluit zich beperkt tot de aanpalende woningen en de tegenoverliggende woningen, zonder aan te geven welke tegenoverliggende woningen ze beschrijft, en zonder de rest van de onmiddellijke omgeving feitelijk te beschrijven. Dat het bestreden besluit inzake de gevolgen van het aangevraagde voor geluid en trillingen onder andere het volgende stelt: […]. Dat het bestreden besluit inzake mobiliteit en verkeersveiligheid onder andere het volgende stelt: […]. [t]erwijl […] Artikel 21, § 2, 2°, van het Besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaamse Reglement betreffende de Milieuvergunning […] bepaalt dat het advies van het agentschap Ruimte en Erfgoed, het college van burgemeester en schepenen, de gemeentelijke of provinciale stedenbouwkundige ambtenaar of de afdeling bevoegd voor het stedenbouwkundig beleid, onder meer een ‘gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de inrichting waarvoor een vergunning wordt gevraagd met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening’ moet bevatten. Dat luidens artikel 25, 2°, van Vlarem I ook het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie een ‘gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de inrichting, waarvoor een vergunning wordt gevraagd, met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening’ dient te bevatten. Dat uit deze bepalingen volgt dat de vergunningverlenende overheid moet nagaan of de inrichting verenigbaar is met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De beslissing over de milieuvergunningsaanvraag dient in een eigen redengeving aan te geven waarom de inrichting verenigbaar wordt geacht met de goede plaatselijke ordening.[…] Dat op grond van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 houdende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen de gegeven motivering tevens afdoende moet zijn. Dat de artikelen 21, § 2, 2° en 25, 2°, Vlarem I dan ook een afdoende stedenbouwkundige toetsing van de milieuvergunningsaanvraag vereisen die moet worden onderscheiden van de beoordeling van de vergunningsaanvraag uit milieuhygiënisch standpunt. Dat motieven in een vergunningsbeslissing die betrekking hebben op de milieuhygiënische aanvaardbaarheid van de inrichting niet zonder meer aantonen dat de inrichting ook vanuit stedenbouwkundig oogpunt verenigbaar is met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening waarbij in de eerste plaats rekening dient te worden gehouden met de ordening in de onmiddellijke omgeving.[…] VII-40.822-17/36 […] Dat het bestreden besluit inderdaad een beoordeling bevat van datgene wat vereist is vanuit milieuhygiënisch standpunt, met name overwegingen over afvalwater, afvalstoffen, geluid en trillingen,.... Dat inzake geluid en trillingen, wat een criterium van beoordeling is vanuit zowel milieuhygiënisch standpunt als vanuit het oogpunt van de goede ruimtelijke ordening (hinderaspecten), het bestreden besluit het volgende stelt: […]. Dat het bestreden besluit niet aangeeft: - Wanneer en voor welke duurtijd deze plaatsbezoeken plaatsvonden; - In welke omstandigheden deze plaatsbezoeken plaatsvonden; - In welke mate objectieve geluidsmetingen plaatsvonden dan wel enig materiaal dat toelaat dergelijke objectieve metingen te doen, gebruikt werd; Dat vooreerst de vergelijking met de landbouwers niet opgaat, aangezien deze landbouwers slechts enkele keren per jaar hun velden moeten bereiken (om te planten, besproeien en oogsten), terwijl de bedrijfsvoering van het Hof ter Lint een constante, dagelijkse impact heeft die niet vergelijkbaar is. Dat het bestreden besluit niets stelt inzake geuroverlast, hoewel er geuroverlast is ingevolge de activiteiten van Hof ter Lint wegens het vrachtwagenverkeer en occasioneel ook wegens de aanwezigheid van rotte eieren. Verzoekende partijen wierpen dit argument van geuroverlast reeds op in hun beroepschrift d.d. 14 maart 2014.[…] Dat alleen al de beoordeling op grond van deze criteria, die dus zowel vanuit milieuhygiënisch standpunt als vanuit het oogpunt van de goede ruimtelijke ordening (hinderaspecten) relevant zijn, niet zorgvuldig is gebeurd, minstens de motivering ter zake niet afdoende is. […] Dat inzake de ordening in de onmiddellijke omgeving het bestreden besluit stelt dat de omliggende omgeving niet louter residentieel is maar dat het aangevraagde gelegen is ‘in een lint van bebouwing langs de Daalstraat waar zowel woningen als bedrijvigheid naast elkaar of in combinatie terug te vinden zijn.’ Dat het bestreden besluit deze onmiddellijke omgeving met name als volgt omschrijft: […]. Dat het bestreden besluit zich net zoals de eerdere besluiten van de deputatie Vlaams-Brabant van 19 juni 2014 en 9 maart 2017, die respectievelijk werden vernietigd door de Raad van State middels arresten van 17 november 2016[…] en 24 oktober 2019[…], steunt op dezelfde bedrijfsexploitaties om te stellen dat het gaat om een gemengde omgeving met een verwevenheid aan functies. Dat de Raad van State, met verwijzing naar het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen nr. A/2013/0487 van 15 juli 2014 waarmee de stedenbouwkundige vergunning van 14 oktober 2010 wordt vernietigd, reeds stelde dat deze verschillende bedrijven op een afstand liggen van ongeveer 350m en niet meer tot de onmiddellijke omgeving kunnen worden gerekend. Dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen in dit arrest van 15 juli 2014 het volgende stelde […]: ‘De bestaande bebouwing in de onmiddellijke omgeving van het perceel waarop de bestreden beslissing betrekking heeft, bestaat voornamelijk, zo blijkt uit de gegevens van het dossier uit vrijstaande eengezinswoningen aan VII-40.822-18/36 beide kanten van de Daalstraat. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt niet waarom de vergunde uitbreiding verenigbaar met de concrete, door residentiële bebouwing gekenmerkte ruimtelijke ordening in de onmiddellijke omgeving wordt bevonden. De summiere algemene overwegingen dat het gebouw zo is opgevat, dat ‘de architectuur en het gabariet voldoende inpassen binnen het aanwezige straatbeeld’, dat de keuze van gevelsteen, de twee volumes met een kleine verspringing van kroonlijsthoogte en de twee bouwlagen met een zadeldak in pannen, (...) binnen de directe omgeving (passen)’ en dat ‘het karakter en de verschijningsvorm van het nieuwe gebouw (...) (aan)sluiten (...) binnen de rest van de gebouwen in de straat’ volstaan in dat opzicht niet. Die overwegingen worden niet door een concrete beschrijving van de in de onmiddellijke omgeving bestaande residentiële bebouwing ondersteund.’[…] Inzake de bedrijfsexploitaties waarnaar wordt verwezen in de stedenbouwkundige vergunning van 14 oktober 2010 en waarnaar in het thans bestreden besluit opnieuw wordt verwezen stelde de Raad voor Vergunningsbetwistingen het volgende: ‘De verschillende bedrijven waarnaar verwerende partij in de bestreden beslissing verwijst, liggen blijkbaar op een afstand van ‘ongeveer 350m’ van het perceel in kwestie en kunnen niet meer tot de onmiddellijke omgeving worden gerekend. De aanwezigheid van die bedrijven betekent niet dat de woningbouw aan weerszijden van de Daalstraat zijn residentieel karakter verliest.’ Dat ook het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen nr. A/1920/0585 van 18 februari 2020 tot eenzelfde vaststelling kwam: ‘Uit de in aanmerking genomen omgevingsreferenties werd er afgeleid dat de verwerende partij een ruime perimeter gehanteerd heeft om op het vlak van de aard en het gebruik van de bestemming van de in de omgeving bestaande gebouwen tot de verenigbaarheid van de aanvraag met de onmiddellijke omgeving te besluiten en de ruimere omgeving heeft laten primeren.’[…] Dat deze onmiddellijke omgeving wordt gekenmerkt door residentiële bebouwing, waarvan het residentieel karakter door de betreffende bedrijfsexploitaties niet verloren gaat. […] Dat de Raad van State middels zijn arrest nr. 236.429 van 17 november 2016 op dezelfde wijze heeft geoordeeld aangaande deze bedrijfsexploitaties in de mate dat daarnaar wordt verwezen in het milieuvergunningsbesluit van de deputatie Vlaams-Brabant van 19 juni 2014 en daarover met name het volgende heeft gesteld: […] Dat de Raad van State middels zijn arrest nr. 245.870 van 24 oktober 2019 op dezelfde wijze heeft geoordeeld aangaande deze bedrijfsexploitaties in de mate dat daarnaar wordt verwezen in het milieuvergunningsbesluit van de deputatie Vlaams-Brabant van 9 maart 2017 en daarover met name het volgende heeft gesteld: […] […] De bedrijfsexploitaties waarnaar nu in het bestreden besluit opnieuw wordt verwezen behoren dan ook niet tot de onmiddellijke omgeving van de aanvraag en zijn ook niet vergelijkbaar met de exploitatie waarop het VII-40.822-19/36 bestreden besluit betrekking heeft. Het betreft dan ook dezelfde bedrijfsexploitaties als waarvan zowel de Raad van State als de Raad voor Vergunningsbetwistingen herhaaldelijk oordeelden dat zij niet behoren tot de onmiddellijke omgeving: - Het garage-carrosseriebedrijf waarnaar verwezen wordt is 245 meter verder gelegen naar het oosten en behoort zeker niet meer tot de onmiddellijke omgeving van de bedrijfsexploitatie. Bovendien brengt het geen transportbewegingen van vrachtwagens met zich mee die van aard vergelijkbaar zijn met de transportbewegingen die worden teweeggebracht door Hof ter Lint. - Hetzelfde geldt voor de speciaalzaak in huishoudapparaten en toestellen in combinatie met een doe-het-zelf zaak die reeds gelegen zijn op 350 meter van het goed in kwestie en die evenmin vergelijkbaar zijn met de bedrijfsexploitatie in kwestie. - Ook de aannemer die gelegen is op meer dan 200 meter ten oosten is in grootte niet vergelijkbaar met Hof ter Lint en brengt geen transportbewegingen met zich mee die vergelijkbaar zijn met de transportbewegingen die worden gegenereerd door Hof ter Lint. - Hetzelfde geldt ook voor het consultancybureau (160 meter naar het oosten) de juwelier (schuin tegenover de locatie van het aangevraagde) en de installateur van lamellen vloeren en alarminstallaties (76 meter naar het westen): deze zijn niet vergelijkbaar met Hof ter Lint. Het eigene aan Hof ter Lint is dan ook dat producten worden aangevoerd, vervolgens worden verwerkt, en daarna getransporteerd worden. Deze transportbewegingen zijn dan ook aanzienlijk en niet vergelijkbaar met die van de in het bestreden besluit vernoemde bedrijven. Het probleem met de BVBA Hof ter Lint houdt dan ook vooral verband met de schaal en omvang van de exploitatie waarmee de betreffende bedrijfsexploitaties niet vergelijkbaar zijn. Het volstaat niet van al deze bedrijfsexploitaties op te sommen zonder na te gaan of zij van dezelfde schaal en omvang zijn en zonder na te gaan of de activiteiten even omvangrijk zijn. Daartoe had men kunnen nagaan wat het aantal werknemers is, de terreinbezetting, het aantal transportbewegingen. Dat is allemaal niet onderzocht. Velen van voornoemde bedrijven zijn kleine, niet-vergelijkbare zaken, noch in omvang noch in verkeersbewegingen. De vraag kan gesteld worden in welke mate deze bedrijven daar werkelijk hun activiteiten uitvoeren dan wel gevestigd zijn in de woning van de zaakvoerder: de onmiddellijke omgeving heeft immers een residentieel karakter. De mogelijks vergelijkbare ondernemingen waarnaar het bestreden besluit verwijst betreffen dan ook een verder op gelegen kleine groep van ondernemingen die geconcentreerd gevestigd zijn langs de Daalstraat, liggende naast elkaar of in de onmiddellijke omgeving van elkaar, en zijn dus niet vermengd met de vrijstaande eengezinswoningen rond het Hof ter Lint. Er is dan ook geen enkele band tussen deze groep van ondernemingen en het voorwerp van de aanvraag dat middels het deputatiebesluit werd goedgekeurd […]. Velen van de bedrijven waarnaar het bestreden besluit verwijst zijn bovendien niet identificeerbaar door de vaagheid waarmee zij omschreven worden, wat enige beoordeling van hun vergelijkbaarheid met Hof ter Lint moeilijk maakt. VII-40.822-20/36 Verder afgelegen handels- of nijverheidsactiviteiten die verenigbaar zouden kunnen zijn met woongebied en waarvan de activiteit zich mogelijkerwijze kan integreren in een residentiële omgeving kunnen dan ook niet rechtvaardigen dan men geen rekening moet houden met de residentiële aard van de onmiddellijk naast gelegen gebouwen. Het bestreden besluit laat dan ook volledig na om de bestaande vrijstaande ééngezinswoningen gelegen aan weerszijden en de overkant van de aanvraag en die de direct kenmerkende onmiddellijke omgeving van de aanvraag uitmaken in de beoordeling te betrekken en verwijst enkel naar de verderop gelegen bedrijfsexploitaties. […] Dat de Raad van State reeds eerder, met name in arrest nr. 191.453 van 16 maart 2009 met betrekking tot de nu in het bestreden besluit aangehaalde overwegingen aangaande de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving tot dezelfde beoordeling kwam: [….] Ook in het arrest nr. 245.870 van 24 oktober 2019 stelt de Raad van State nadrukkelijk: […] Het is dus het geheel van vrijstaande, residentiële woningen aan beide zijden van de Daalstraat, ook op het rechts aanpalende perceel, die in de beoordeling inzake de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving betrokken moeten worden. Het bestreden besluit verwijst aldus ten onrechte naar de verderop gelegen bedrijfsexploitaties. […] Dat het bestreden besluit de vrijstaande woningen in de onmiddellijke omgeving als volgt omschrijft: […]. Het bestreden besluit stelt dat de achterbouw van het Hof ter Lint niet zichtbaar is wegens de hagen, en het volume daarvan dan ook geen probleem vormt bij de inpasbaarheid. Het bestreden besluit gaat eraan voorbij dat dit volume wel moet meegerekend worden vanuit het standpunt van verzoekende partijen, aangezien zij deze achterbouw wel kunnen zien vanuit hun huis: de hagen zijn immers niet hoog noch dik genoeg (al zeker niet in de bladloze seizoenen) om de bedrijfsvoering geheel aan het zicht te onttrekken. Deze achterbouw maakt ook deel uit van de exploitatie die in zijn geheel hinder veroorzaakt. Het bestreden besluit geeft een beschrijving van de gebouwen aan de overkant van de Daalstraat, zeggende dat deze een andere richting qua inplanting en een kleiner volume hebben, maar toch een gelijkaardige typologie zouden bezitten. Gelet op de omvang van de gebouwen van Hof ter Lint is deze korte verwijzing naar een ‘een wat kleiner volume’ niet afdoende. Het gebouw van Hof ter Lint is industrieel van omvang en kan dan ook in niets vergeleken worden met de omliggende ééngezinswoningen […]. De facade van het gebouw is zo opgevat dat er aan de linkerzijde een conciërgewoning is met burelen en aan de rechterzijde een grote garagepoort is die is voorzien voor het binnenrijden van twee vrachtwagens. De samenstelling en de vormgeving van de voorgevel staan dan ook in schril contrast met de bouwstijlen van de omringende residentiële woningen waar aan de voorzijde in elk geval nergens zulk een grote garagepoort kan worden aangetroffen. VII-40.822-21/36 Noch de kroonlijsthoogtes, noch het materiaalgebruik van de vrijstaande huizen aan de overkant van de Daalstraat worden opgesomd of vergeleken met de bedrijfsgebouwen van Hof ter Lint. […] Bovendien zijn een aantal in het bestreden besluit gedane vaststellingen inzake de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving ook onjuist en geven zij dus geen correct beeld van de werkelijkheid. Zo bedraagt de bouwvrije zijdelingse strook aan de kant van verzoekende partijen (het rechts aanpalende perceel) geen 5 meter maar amper 4,4 meter die achteraan versmalt tot zelfs maar 3,75 meter. Overigens wordt deze zogenaamd bouwvrije zone gebruikt voor de doorgang van vrachtwagens naar de achteraan gelegen laad- en loskades toe en is er dus geen enkele buffering voorzien ten aanzien van het perceel van verzoekende partijen […]. De drie meter hoge haag is overigens door verzoekende partijen zelf aangebracht en is onvoldoende dichtgegroeid om visueel contact te vermijden. In elk geval is zij niet van aard om te dienen als buffer wat betreft lawaai- en geurhinder. […] Dat inzake mobiliteit en verkeersveiligheid, wat een beoordelingscriterium is in het kader van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving en de goede ruimtelijke ordening, het bestreden besluit nog het volgende stelt: […]. Dat het bestreden besluit toegeeft dat er geen objectieve cijfers over de verkeersbewegingen bestaan door een voorwaarde op te leggen om een logboek met het aantal verkeersbewegingen bij te houden. Dat het bestreden besluit opnieuw niet aangeeft: - Wanneer en voor welke duurtijd deze plaatsbezoeken plaatsvonden; - In welke omstandigheden deze plaatsbezoeken plaatsvonden; - In welke mate het oordeel dat de straat verkeersveilig is wordt ondersteund door rapporten, foto’s, filmpjes, en dergelijke. Dit terwijl verzoekende partijen het bewijs van verkeersonveiligheid wel aandragen onder de vorm van een fotoreportage. […] Dat het bestreden besluit stelt dat het manoeuvreren beperkt is in de tijd, zonder aan te geven hoe lang deze beperkte tijd dan wel zou zijn. Dat het bestreden besluit niet ontkent dat de volledige breedte van de Daalstraat gebruikt wordt bij het manoeuvreren. Dat het bestreden besluit de vergelijking maakt met de mogelijkheid voor andere voertuigen in de Daalstraat om achterwaarts op te rijden. Zoals hieronder nog uitvoerig wordt toegelicht, kent de onmiddellijke omgeving van de Daalstraat een fundamenteel ander karakter dan Hof ter Lint, nl. een residentieel karakter, wat niet dezelfde vervoersbewegingen met zich meebrengt, nl. grote vrachtwagens die meerdere malen op een dag de gehele Daalstraat blokkeren door te manoeuvreren. Het achterwaarts inrijden van een personenwagen door gebruik te maken van de rijweg kan dan ook niet vergeleken worden met de maneuvers die een vrachtwagen (met oplegger) dient uit te voeren op de openbare weg om zo achterwaarts binnen te rijden. Dat er bij de politie en gemeente geen klachten daarover bekend zijn, betekent ook niet dat er sprake is van een verkeersveilige situatie. […] Dat de overwegingen waarop het milieuvergunningsbesluit steunt ter motivering van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving en de goede ruimtelijke ordening dan ook niet voldoende draagkrachtig zijn nu niet VII-40.822-22/36 alleen verwezen wordt naar de verderop gelegen bedrijfsexploitaties die aan de woningbouw die in de onmiddellijke omgeving is gelegen zijn residentieel karakter niet ontnemen maar tevens wordt nagelaten het geheel van vrijstaande, residentiële woningen aan beide zijden van de Daalstraat, die de direct kenmerkende onmiddellijke omgeving van de vergunde inrichting uitmaken, aan de hand van een voldoende concrete omschrijving in de beoordeling inzake de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving te betrekken. Dat ook de in het bestreden besluit vervatte beoordeling inzake hinderaspecten met betrekking tot geluid, geurhinder, mobiliteit en verkeersveiligheid en de motivering ter zake om te besluiten tot de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving en de goede ruimtelijke ordening niet afdoende is. Dat het bestreden besluit dan ook de artikelen 21, § 2, 2° en 25, 2°, van het Besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaamse Reglement betreffende de Milieuvergunning (Vlarem I) in samenhang genomen met de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 houdende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen schendt. Dat door de omliggende residentiële bebouwing niet aan de hand van een voldoende concrete omschrijving in haar beoordeling te betrekken en de door de bedrijfsexploitatie gegenereerde hinder niet op afdoende wijze te onderzoeken de deputatie tevens onzorgvuldig heeft gehandeld waardoor tevens het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur wordt geschonden. Zodat het bestreden besluit de artikelen 21, § 2, 2° en 25, 2°, van het Besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaamse Reglement betreffende de Milieuvergunning in samenhang genomen met de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 houdende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur schendt”. 6. De verwerende partij merkt in haar nota het volgende op: “Dit is nog steeds hetzelfde middel als in de eerdere procedures. Uit de toelichting van het middel blijkt opnieuw dat dit middel de stedenbouwkundige bezwaren betreft die verzoekende partijen in hun beroepschrift hadden laten gelden en die volgens hen onvoldoende zou zijn. Voor zover als nodig kan hierbij ook reeds naar het eerder verslag van onderzoek verwezen worden en het toen ook reeds uitgebreide gunstige advies dd. 8.4.2014 van de Gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar (verwijzing die ook nu nog steeds nuttig is): […]. Hierin wordt uitvoerig ingegaan op de overeenstemming van de inrichting met de geldende plannen, en afwijkingsbepalingen van de VCRO (waaraan de aanvraag voldoet) en met eveneens een verwijzing naar het inderdaad niet vergund zijn van een (klein) gedeelte van de verharding achteraan die geen deel uitmaakt van de aanvraag. Verder is er […] een overzicht van de historiek en een (gunstige) beoordeling van de goede ruimtelijke ordening. VII-40.822-23/36 Uw Raad vernietigde nochtans deze eerdere beslissing (arrest nr 236.429 dd. 17.11.2016) nu de ‘bestreden beslissing...evenmin een afdoende motivering omtrent de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving zou bevatten.’ Uw Raad vernietigde de nieuwe beslissing eveneens met hoger vermeld arrest nr. 245.870 met verduidelijking dat […]. Dit thans echter ontegensprekelijk wel degelijk het geval: Terzake kan verwezen worden naar: […] De correcte samenvatting van de aanspraken van het beroepsschrift […] en beschrijving van de aanvraag […]; […] Naar het verslag van de hoorzitting […]; […] In het bijzonder naar de bespreking […] in het bestreden besluit […]: […] Verzoekende partijen negeren volledig deze motivering, deze zij weliswaar, doch onvolledig, citeren, die zij vervolgens eenzijdig en foutief interpreteren. Zo wordt in het middel, onjuist, beweerd […] dat in het bestreden besluit zou gesteld worden dat de ‘omliggende woonzone geen residentiële functie heeft’ […] terwijl integendeel uitdrukkelijk gemotiveerd werd ‘...geoordeeld kan worden dat residentiële woningbouw het meest bepalend is voor de ruimtelijke ordening van de onmiddellijke omgeving’. Onbegrijpelijk, en trouwens tegenstrijdig; wordt de kritiek wanneer, nu bij de -correcte- beschrijving van de uitbating en de onmiddellijke omgeving de aanpalende en tegenoverliggende woningen, zou moeten aangegeven worden over welke woningen het zou gaan, terwijl ook de rest van de onmiddellijke omgeving feitelijk beschreven zou moeten worden (terwijl het bestreden besluit wel degelijk ook verwijst naar de binnen een straal van 100m gelegen ondernemingen, wat dus niet zou mogen (!?) . Verzoekende partij[en] verwijzen, op niet pertinente wijze, naar een uitspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 2014, waaruit zij afleiden dat met de bedrijven die op 350m liggen geen rekening zou mogen gehouden worden. Het enige wat zij thans kan inbrengen is dat de overige exploitaties die in de onmiddellijke omgeving liggen ‘niet vergelijkbaar’ zijn, terwijl, met de discretionaire bevoegdheid die de hare is, er in het bestreden besluit hier terecht wél degelijk rekening kan gehouden worden, en correct gemotiveerd wordt dat het ‘voorkomen van handel en bedrijvigheid niet kan ontkend worden’. In strijd met wat verzoekende partijen trachten voor te stellen heeft verwerende partij, zoals blijkt uit het bestreden besluit wel degelijk en op correcte wijze bij haar beoordeling met de verenigbaarheid ‘met de onmiddellijke omgeving’ rekening gehouden. De detailkritiek van verzoekende partijen dat sommige omschrijvingen (cfr ‘een wat kleiner volume’) volgens hen onvoldoende zou zijn, doet hier geen afbreuk aan. Op p.12 van het bestreden besluit wordt een correcte beschrijving gegeven van de uitbating (met verwijzingen naar kroonlijst etc.) die in schril contrast staan met de klakkeloze bewering dat het ‘gebouw van Hof ter Lint industrieel van omvang is’. VII-40.822-24/36 Het is duidelijk dat dit onderdeel van dit middel kennelijk ongegrond en in elk geval niet ernstig kan zijn. In andere onderdelen wordt ook onterechte kritiek uitgeoefend op de motivering van het bestreden besluit met opnieuw een onvolledig citaat van de motivering. Zo vat de motivering inzake ‘geluid en trillingen’ niet aan met de vaststelling dat er niet ontkend kan worden dat er gedurende een beperkte tijd geluid van aan- of wegrijdende vrachtwagens waar te nemen zal zijn (met vervolgens verwijzing naar diverse plaatsbezoeken), terwijl het volledig citaat het volgende is: […]. ‘
- b)Geluid en trillingen De traywasser genereert geluid als gevolg van de spoelactiviteiten van de plastieken eierhouders. Ook de compressor is een geluidsbron. Beide installaties staan binnen opgesteld in een voldoende geïsoleerde ruimte. Het geïsoleerde gebouw met de dikke muren laat amper geluid door. De sectionale poorten met rubberen afdichting op het bodempaneel sluiten het gebouw goed af. De koelcel werkt maar heel sporadisch en enkel bij extreem hoge temperaturen. Op de hoorzitting werd verduidelijkt dat de koelinstallatie ook omwille van economische redenen zo weinig mogelijk wordt aangeschakeld aangezien kunstmatige koeling het bedervingsproces van de eieren eerder stimuleert. Eens de poort gesloten kon ter plaatste nooit storende geluidsuitstraling afkomstig van de activiteiten binnen de inrichting vastgesteld worden door een vertegenwoordiger van de gemeente, van de afdeling GOP-milieu of van de administratie van de vergunning verlenende overheid. Er kan niet ontkend worden dat er gedurende een beperkte tijd geluid van aan- of wegrijdende vrachtwagens waar te nemen zal zijn in de onmiddellijk omgeving van de inrichting. Ter plaatse werd echter bij diverse plaatsbezoeken (vertegenwoordigers van gemeente, AGOP-milieu en administratie van de vergunningverlenende overheid) vastgesteld dat de tijd waarop geluid geproduceerd wordt bij het aanrijden om te laden of te lossen heel beperkt is aangezien het binnenrijden op vlotte wijze gebeurt. Voorafgaand aan het laden wordt de poort automatisch geopend. Vervolgens wordt achteruit binnen gereden tot aan de laadkade, waarna de poort weer sluit. Het aantal transporten per dag is relatief laag (gemiddeld 4 aanleveringen en 4 vertrekken per werkdag). Ten opzichte van de oorspronkelijke aanvraag is het aantal vervoersbewegingen van vertrekkende vrachtwagens gedaald omdat de eieren sindsdien deels worden opgehaald door een extern distributiebedrijf (grotere capaciteit vrachtwagens). Het ophalen van restafval, niet bruikbare eieren en verpakkingsmateriaal gebeurt sinds jaren achteraan de inrichting via de doorgang rechts van het bedrijfsgebouw. Deze naastliggende weg wordt ook door landbouwers gebruikt om de achterliggende velden te bereiken. Het passeren van de grote landbouwmachines voor het bewerken van de akkers zal op zijn minst een gelijkaardige impact hebben op geluidsproductie als de leveringen voor Hof Ter Lint. Door de exploitant werden al diverse maatregelen getroffen om geluidshinder naar de omgeving te reduceren. Hoewel de vrachtwagens VII-40.822-25/36 uitgerust zijn met koeling, wordt die slechts sporadisch aangeschakeld (temperaturen hoger dan 40°C). De door de exploitant aangekochte vrachtwagens zijn voorzien van een oplegger met dempvloeren om de geluidsoverdracht bij het laden en lossen met de heftrucks te reduceren. Het gebouw werd akoestisch geïsoleerd zodat de geluidsuitstraling minimaal is. Door bijkomend volgende bijzondere vergunningsvoorwaarden op te leggen, is er geen aanleiding om aan te nemen dat er [sic] onaanvaardbare geluidshinder door de activiteiten van het bedrijf veroorzaakt zal worden: - rustverstorende werkzaamheden zijn verboden tussen 19 uur en 7 uur en op zon- en feestdagen; - er mag niet geladen of gelost worden vóór 7 uur ‘s morgens; - er mogen geen vrachtwagens gestald worden op de verharding achteraan het perceel; - het lossen van de eieren in bulk en van ander materiaal dient achteraan op het bedrijf te gebeuren en het laden van de verpakte eieren dient altijd vooraan te gebeuren in een afgesloten ruimte; - draaiende motoren van vrachtwagens moeten zoveel mogelijk beperkt worden en enkel indien echt noodzakelijk (heflift) en op het eigen bedrijfsterrein; - in een logboek dient het aantal leverende en vertrekkende vrachtwagens bijgehouden te worden. Dit logboek dient ter beschikking gehouden te worden van de bevoegde toezichthouder. Tenslotte dient opgemerkt dat de gevraagde verandering van de inrichting (lozen bedrijfsafvalwater, opslag gevaarlijke producten in kleine verpakkingen, het stallen van een bijkomende vrachtwagen, regularisatie/uitbreiding van het vermogen van de koelinstallatie en compressor en de vermindering van het vermogen van de sorteer- en verpakkingsmachine van eieren) niet zal leiden tot een merkbare toename van eventuele geluidshinder. De voorbije jaren werd door de milieudienst van de gemeente, tenzij naar aanleiding van een vergunningsaanvraag, nooit een klacht geregistreerd over geluidshinder’. […]. Het is derhalve duidelijk dat de kritiek van verzoekende partijen onterecht is en ook dit onderdeel nooit gegrond kan zijn en zeker niet ernstig”. Beoordeling 7. Artikel 21, § 2, 2°, van Vlarem I, in de op het geding toepasselijke versie, bepaalt dat het advies van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed, het college van burgemeester en schepenen, de gemeentelijke of provinciale stedenbouwkundige ambtenaar, onder meer “een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de inrichting waarvoor een vergunning wordt gevraagd met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening” moet bevatten. Luidens artikel 25, 2°, van Vlarem I dient ook het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie een VII-40.822-26/36 “gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de inrichting, waarvoor een vergunning wordt gevraagd, met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening” te bevatten. Uit deze bepalingen volgt dat de vergunningverlenende overheid moet nagaan of de inrichting verenigbaar is met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De beslissing over de milieuvergunningsaanvraag dient in een eigen redengeving aan te geven waarom de inrichting verenigbaar wordt geacht met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Overeenkomstig de vereisten van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet moet de gegeven motivering afdoende zijn. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. Motieven in een vergunningsbeslissing die betrekking hebben op de milieuhygiënische aanvaardbaarheid van de inrichting, tonen niet zonder meer aan dat de inrichting ook uit stedenbouwkundig oogpunt verenigbaar is met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening waarbij in de eerste plaats rekening moet worden gehouden met de ordening in de onmiddellijke omgeving. 8. De vergunningverlenende overheid dient bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening in de eerste plaats rekening te houden met de ordening in de onmiddellijke omgeving. Deze beoordeling dient in concreto te geschieden en uit te gaan van de bestaande toestand. Al naar gelang de aard en de omvang van de aanvraag kan ook rekening worden gehouden met de ordening in een ruimere omgeving. Daarbij is de ordening in de ruimere omgeving uiteraard minder doorslaggevend en mag zij er alleszins niet toe leiden dat de ordening in de onmiddellijke omgeving, die de plaatselijke aanleg het meest bepaalt, buiten beschouwing wordt gelaten. 9. Blijkens de uitdrukkelijke motivering van de bestreden beslissing is “residentiële woningbouw het meest bepalend [...] voor de ruimtelijke ordening in de onmiddellijke omgeving van het bedrijf”. Vervolgens wordt het meest bepalende “residentiële” kenmerk van de onmiddellijke omgeving VII-40.822-27/36 genuanceerd door de beschouwingen dat “het voorkomen van handel en bedrijvigheid in de Daalstraat niet ontkend [kan] worden”, erop wijzende dat binnen een straal van 100 meter rond de inrichting zeven ondernemingen gelegen zijn, waaronder “een garage, inrichting voor verwarming, sanitair, ventilatie en elektriciteit, een consultancy bureau, een juwelier en een installateur van lamellen vloeren en alarminstallaties”, op een ruimere afstand van 200 meter bijkomend zeven ondernemingen in aanmerking worden genomen waaronder “een groothandel in groenten en fruit, arbeidsbureau[,] een inrichting voor loodgieterswerk, verwarming en dakbedekking” en ten slotte op een afstand van maximaal 300 meter nog zes bedrijfszetels waaronder “een groothandel in auto’s, een transportbedrijf, een garage en een aannemer voor opritten en tuinaanleg”. Uit de aanwezigheid van deze “bedrijvigheid” leidt de verwerende partij af dat er “onmiskenbaar” sprake zal zijn van “bijkomende activiteit inclusief vervoersbewegingen in de Daalstraat”. Voorts maakt de verwerende partij gewag van de “historische groei van het bedrijf op de betrokken locatie” en de “historisch aanwezige bedrijvigheid op relatief kleine afstand van de betreffende inrichting en de natuurlijke wijze waarop de verwevenheid van residentiële woongelegenheid en bedrijvigheid in de Daalstraat is ontstaan”. 10. Op het eerste gezicht volstaat de door de verwerende partij gegeven opsomming van allerhande bedrijvigheden in de door haar aangemerkte “onmiddellijke omgeving”, die bijzonder ruim wordt bemeten, niet om de aangevraagde inrichting verenigbaar te achten met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Uit deze opsomming blijkt immers niet dat het telkens gaat om (zelfstandige) activiteiten die milieuvergunningsplichtig zijn, laat staan dat de hinderlijkheid ervan, ook al zouden zij onderworpen zijn aan de voorafgaande milieuvergunningsplicht, vergelijkbaar is met de verkeers- en geluidshinder die door de vergunde inrichting wordt teweeggebracht. Met die motieven wordt ook niet tegengesproken dat de ruimtelijke ordening in de onmiddellijke omgeving van de inrichting, die het meest bepalend moet zijn voor de beoordeling van de vergunningverlenende overheid, in dit geval gekenmerkt wordt door vrijstaande residentiële woningen van het type villa. 11. Het middel is ernstig. VII-40.822-28/36 B. Spoedeisendheid Standpunt van de partijen 12. De verzoekende partijen staven de spoedeisendheid van de zaak als volgt: “[…] De woning van verzoekende partijen is gelegen vlak naast de exploitatie van de BVBA Hof ter Lint zodat zij rechtstreeks hinder of nadelen kunnen ondervinden van voornoemde bedrijfsexploitatie. De hinder en de nadelen bestaan uit de aanzienlijke transportbewegingen die de bedrijfsexploitatie met zich mee brengt en die bestaan uit het laden en lossen van vrachtwagens vooraan en achteraan, het aan- en afrijden van vrachtwagens, het manoeuvreren van vrachtwagens, het geluid en de uitlaatgassen van draaiende motoren en koelinstallaties van vrachtwagens, het tanken van de vrachtwagens langs de zijweg die loopt langs het perceel van verzoekende partijen en het reinigen van materiaal achteraan met de hogedrukreiniger. Daarnaast is er ook de airconditioning van de koelinstallatie in het gebouw die voor lawaai zorgt. Naast de geluidshinder die door de bedrijfsactiviteiten ontstaat is er tevens de geurhinder en visuele hinder die daarvan het gevolg is en die het wooncomfort sterk aantast. […] Het Hof van Beroep te Brussel heeft in zijn arrest van 21 juni 2016 […], geveld naar aanleiding van de milieustakingsvordering die verzoekende partijen instelden na het schorsingsarrest van de Raad van State nr. 230.720 van 2 april 2015 wegens de exploitatie van BVBA Hof ter Lint zonder geldige milieuvergunning, uitdrukkelijk verwezen naar zijn eerdere arrest van 15 mei 2013 voor wat betreft de ernstige gevolgen die er zijn voor het leefmilieu. Immers werd reeds eerder door het Hof van Beroep te Brussel bij wege van arrest van 15 mei 2013 […] een verbod opgelegd met toepassing van de wet betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu in het kader waarvan het Hof van Beroep een schending van de toen bestaande milieuvergunningstoestand heeft vastgesteld. Het Hof van Beroep te Brussel stelt in zijn arrest van 21 juni 2016 met verwijzing naar zijn eerdere arrest van 15 mei 2013 dan ook het volgende […]: ‘Het hof heeft al in zijn arrest van 15 mei 2013 vastgesteld ‘dat de activiteit van (BVBA Hof ter Lint) en met name door haar laad- en losactiviteiten en samenhangende transportbewegingen door de haast onvermijdelijke geluidsoverlast en luchtvervuiling uit hun aard zelve ernstig belastend kunnen zijn voor de onmiddellijke woon- en leefomgeving’. De constante en ernstige hinder voor de onmiddellijke omgeving werd ook geïllustreerd in de veelvuldige processen-verbaal van de gerechtsdeurwaarder Vercauteren. Concreet gezien wordt deze hinder veroorzaakt door de belangrijke en veelvuldige transportbewegingen die de bedrijfsuitbating met zich meebrengt, het laden en lossen van vrachtwagens, aan- en afrijden of manoeuvreren van voertuigen, bezetting van de openbare weg (de nogal VII-40.822-29/36 smalle Daalstraat), lawaai en uitlaatgassen van draaiende motoren of koelinstallaties, verstoring van het verkeer. Hiermee wordt niet alleen het wooncomfort maar ook de gezondheid en de veiligheid van de omwonenden aangetast.’ […] […] In het arrest van 15 mei 2013 waarnaar het Hof van Beroep middels zijn arrest van 21 juni 2016 verwijst diende het Hof van Beroep te Brussel zich uit te spreken over een vordering die tevens werd ingesteld met toepassing van artikel 1 van de Wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu. Op grond van deze bepaling kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, in graad van beroep het Hof van Beroep, het bestaan vaststellen van een zelfs onder het strafrecht vallende handeling die een kennelijke inbreuk is of een ernstige dreiging vormt voor een inbreuk op één of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu. […] In zijn tussenarrest van 9 mei 2012 […] oordeelde het Hof van Beroep dat de exploitatie van BVBA Hof ter Lint niet conform de toen geldende milieuvergunning was wat een kennelijke inbreuk is op de regels ter bescherming van het leefmilieu met name op artikel 5 van het Milieuvergunningsdecreet en 128 van het Decreet Ruimtelijke Ordening. De initiële milieuvergunning van 28 juni 1994 […] bepaalde immers dat het laden en lossen van vrachtwagens dient te gebeuren in de laadplaats zoals ze is voorzien achteraan in het gebouw op het goedgekeurde bouwplan dd. 15 mei 1975. Op 18 april 1995 […] werd de vergunning gewijzigd in die zin dat het laden ook vooraan kan gebeuren in de afgesloten laadruimte zoals die voorzien was op het goedgekeurde bouwplan van 15 mei 1975. In later verleende stedenbouwkundige vergunningen, met name deze van 25 november 2002 en 14 oktober 2010, werd er echter telkens vergunning verleend voor de aanleg van een laad- én loskade vooraan het gebouw. Het Hof oordeelde dat deze belangrijke wijziging op stedenbouwkundig vlak, die tevens ernstige veranderingen kan teweegbrengen van de exploitatie op het leefmilieu en de woonomgeving en die eveneens de voorwaarden zoals deze inzake het laden en lossen uitdrukkelijk werden bepaald in de milieuvergunning van 28 juni 1994, zoals nadien nog gewijzigd door het besluit van 18 april 1995, tevens op het vlak van de milieuvergunningstoestand uitdrukkelijk aangevraagd en goedgekeurd diende te worden. Het Hof stelde in zijn tussenarrest van 9 mei 2012 dus een kennelijke inbreuk vast inzake één of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu doch stelde dat het op basis van de voorliggende stukken geen duidelijk beeld heeft inzake de hieruit voortvloeiende milieuhinder. Daarom stelde het Hof een plaatsopneming vast op 12 september 2012. Deze plaatsopneming is uiteindelijk geresulteerd in het eindarrest van 15 mei 2013. In dit arrest stelde het Hof van Beroep vast dat de exploitatie van de BVBA Hof ter Lint niet conform is aan de huidige milieuvergunning met name wat betreft haar laad- en losactiviteiten en de bijhorende transportbewegingen en dat afhankelijk van de omstandigheden waarin, de wijze waarop, tijdstip waarop en de frequentie waarmee zij plaatsvinden zij VII-40.822-30/36 van aard zijn ernstige schade te veroorzaken aan de onmiddellijke woon- en leefomgeving. […] Bij eindarrest van 15 mei 2013 van het Hof van Beroep te Brussel werd aan de BVBA Hof ter Lint met betrekking tot de voornoemde exploitatie vanaf de 31e dag volgend op de betekening van het arrest onder verbeurte van een dwangsom van 1.500 Euro per maand het verbod opgelegd om: ‘A. de eigen vrachtwagens of die van derden te laden of te lossen; (
- i)buiten de daarvoor voorziene en deugdelijk afgesloten los- of laadruimte; (
- ii)tijdens de uren dat de nachtrust van de omwonenden kan gestoord worden (van 19:00 uur ‘s avonds tot 7 uur ‘s morgens) evenals tijdens het weekeinde en de officiële feestdagen; (iii) met draaiende motoren. De beperkingen onder (
- ii)en (iii) […] gelden eveneens voor andere activiteiten die buiten de bedrijfsruimte plaatsvinden zoals het bijtanken of reinigen van vrachtwagens. B. meer dan 8 transportbewegingen per week te laten plaatsvinden via de zijweg naar de loskade achteraan het gebouw waarbij het aan- en afrijden van dezelfde vrachtwagen als één transportbeweging wordt beschouwd. C. eigen vrachtwagens of die van derden in afwachting van het lossen of laden laten staan wachten buiten de afgesloten los- of laadruimte; (
- i)op de openbare weg gedurende meer dan 10 minuten; (
- ii)met draaiende motoren of koelinstallatie; (iii) buiten de uren waarop de laad- en losactiviteit is toegestaan.’ […] Het Hof heeft dienvolgens in zijn arrest van 15 mei 2013 vanaf de 31e dag kalenderdag volgend op de betekening van het arrest onder verbeurte van een dwangsom van 150 Euro met een maximum van 1500 Euro per maand het hoger omschreven verbod opgelegd. Het arrest van het Hof van Beroep van 15 mei 2013 werd op 27 juni 2013 betekend aan BVBA Hof ter Lint. In opeenvolgende processen-verbaal, met name van 23 augustus 2013, 10 oktober 2013, 6 november 2013, 2 december 2013, 31 december 2013 en 13 februari 2014 […] werd door de door verzoekers gelaste gerechtsdeurwaarder vastgesteld dat BVBA Hof ter Lint zich ook niet aan het door het Hof van Beroep uitgesproken dwangsomverbod heeft gehouden. […] Het door het Hof van Beroep uitgesproken dwangsomverbod bleef echter slechts van kracht tot op het ogenblik dat er een nieuwe milieuvergunning zou worden verleend en ten laatste tot 28 juni 2014. De door het college van burgemeester en schepenen dd. 3 februari 2014 afgeleverde milieuvergunning werd bevestigd middels het deputatiebesluit van 19 juni 2014, dat werd vernietigd door de Raad van State middels arrest nr. 236.429 van 17 november 2016, opnieuw werd bevestigd middels het deputatiebesluit van 9 maart 2017, dat ook op zijn beurt werd vernietigd door de Raad van State middels arrest nr. 245.870 van 24 oktober 2019, en opnieuw werd bevestigd door het thans bestreden besluit, dat in graad van laatste administratieve aanleg de nieuwe milieuvergunning heeft verleend. Deze milieuvergunning is klaarblijkelijk onwettig. Bovendien heeft de BVBA Hof ter Lint zich ook in het verleden niet gehouden aan de op dat ogenblik reeds bestaande milieuvergunningstoestand en de voorwaarden die in dat verband door het Hof van Beroep werden opgelegd. VII-40.822-31/36 […] Het Hof van Beroep heeft met zijn dwangsomverbod immers uitdrukking gegeven aan de op dat ogenblik bestaande milieuvergunningstoestand. Het Hof van Beroep stelde in zijn eindarrest immers vast dat: ‘de exploitatie van tweede geïntimeerde niet conform is aan de huidige milieuvergunning met name wat betreft haar laad- en losactiviteiten en de bijhorende transportbewegingen en dat afhankelijk van de omstandigheden waarin, de wijze waarop, tijdstip waarop en de frequentie waarmee zij plaatsvinden van aard zijn ernstige schade te veroorzaken aan de onmiddellijke woon- en leefomgeving.’ Het Hof van Beroep stelde dus vast dat de milieuvergunningsvoorwaarden werden geschonden. In het tussenarrest van 9 mei 2012 verwijst het Hof van Beroep in dat verband uitdrukkelijk naar de initiële milieuvergunning van 28 juni 1994 waaruit het Hof de volgende passage citeert […]: ‘Het laden en lossen van vrachtwagens dient te gebeuren in de laadplaats […] zoals ze voorzien is achteraan in het gebouw, op het goedgekeurde bouwplan dd. 15 mei 1975.’ Het Hof van Beroep verwijst tevens […] naar het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 18 april 1995 dat de initiële milieuvergunning van 28 juni 1994 wijzigde in die zin dat het laden ook vooraan kon gebeuren doch ‘in de afgesloten laadruimte […] zoals die voorzien was op het goedgekeurde bouwplan van 1975.’’ […] De voorwaarde dat het laden en lossen achteraan dient te gebeuren in de laadplaats […] volgens het bouwplan van 15 mei 1975 wordt ook geciteerd in het deputatiebesluit van 24 augustus 1995 dat het beroep van BVBA Hof ter Lint tegen het collegebesluit van 18 april 1995 heeft verworpen. […] De milieuvergunningsvoorwaarden bepaalden dus nadrukkelijk dat laden en lossen enkel in een afgesloten laadruimte mag plaatsvinden. De voorwaarden van de milieuvergunning van 28 juni 1994 worden door het Hof van Beroep overigens ook expliciet weergeven in zijn tussenarrest van 9 mei 2012 […]: ‘De nodige maatregelen dienen getroffen te worden om de buren niet te hinderen door geluids- en reukhinder: Rustverstorende werkzaamheden zijn verboden: 1. Op werkdagen tussen 19:00 en 7 uur 2. op zon- en feestdagen Het laden en lossen van de vrachtwagens dient te gebeuren in de laadplaats zoals ze voorzien is achteraan het gebouw, op het goedgekeurde bouwplan dd. 15 mei 1975. De vrachtwagens dienen stilgelegd, dit om geluidshinder en luchtverontreiniging te beperken en burenhinder te vermijden. De openbare weg mag niet gebruikt worden voor laad- en losactiviteiten.’[…] Het Hof van Beroep heeft dus enkel de voorwaarden tot uitdrukking gebracht zoals die reeds golden op basis van de op dat ogenblik bestaande milieuvergunningstoestand. […] De thans voorliggende milieuvergunning heeft, net zoals dat al het geval was met de milieuvergunningen van 19 juni 2014 en 9 maart 2017 die door de Raad van State werden vernietigd, de voorwaarden evenwel opnieuw VII-40.822-32/36 versoepeld. Zo wordt in de bijzondere voorwaarden van de thans afgeleverde milieuvergunning […] gesteld dat om geluidshinder voor de omwonende te beperken het laden en lossen vooraan steeds dient te gebeuren in de afgesloten laad- en losruimte. Achteraan is er geen afgesloten laad- en losruimte zodat het laden en lossen daar steeds in open lucht dient plaats te vinden en zulks ter hoogte van laad- en loskades die stedenbouwkundig niet naar behoren zijn vergund. Daarvoor wordt in het kader van de thans voorliggende milieuvergunning ook uitdrukkelijk vergunning verleend (zie ook p. 20 van het thans bestreden besluit voor wat betreft de vervanging van de bijzondere vergunningsvoorwaarde als volgt: ‘Om geluidshinder voor de omwonenden te beperken, dient het lossen van de eieren in bulk en van ander materiaal achteraan op het bedrijf te gebeuren en het laden van de verpakte eieren dient altijd vooraan te gebeuren in een afgesloten ruimte’). Om toegang te verkrijgen tot de laad- en loskades die gelegen zijn achteraan de bedrijfsexploitatie dienen de vrachtwagens bovendien gebruik te maken van de zijweg die loopt vlak langs de eigendom met woning en de daarachter gelegen tuin van verzoekende partijen […]. Dit brengt bijkomende hinder teweeg onder de vorm van geluidsoverlast en uitlaatgassen over de ganse lengte van de eigendom van verzoekende partijen. Daarom ook had het Hof van Beroep de transportbewegingen naar achter ook strikt beperkt, met name tot maximaal acht transportbewegingen per week. […] De thans voorliggende milieuvergunningsvoorwaarden voorzien ter zake in geen enkele beperking.-, en stelt enkel: ‘in een logboek dient het aantal leverende en vertrekkende vrachtwagens bijgehouden te worden. Dit logboek dient ter beschikking gehouden te worden van de bevoegde toezichthouder;’ […] Het is dan ook duidelijk dat met de versoepeling van de milieuvergunningsvoorwaarden in de thans voorliggende en bestreden milieuvergunning er opnieuw ernstige hinder en nadelen dreigen te ontstaan voor verzoekende partijen. […] Het arrest van het Hof van Beroep van 15 mei 2013 had hoe dan ook slechts gelding tot op het ogenblik van een nieuwe milieuvergunning. Dat het Hof van Beroep zoals hoger gesteld […] naderhand ook de stopzetting van de exploitatie heeft bevolen één jaar na betekening van dat arrest. Dat deze betekening heeft plaatsgevonden op 7 september 2016 zodat de exploitatie moest stilliggen uiterlijk 6 september 2017 […]. Dat daarna de exploitatie evenwel gewoon is verdergezet waarvan de gerechtsdeurwaarder tijdens de maand april 2018 ook nog enkele vaststellingen heeft gedaan (zie proces-verbaal van vaststelling dd. 19 april 2018, […]). Dat tot op datum van vandaag de bedrijfsexploitatie dan ook gewoon wordt verdergezet niettegenstaande de betekening van talloze dwangsombevelen […]. Verzoekende partijen ondergaan dan ook weldegelijk en nog steeds ernstige nadelen, schade en ongemakken ingevolge de thans afgeleverde milieuvergunning. Dat de milieuvergunning telkens opnieuw wordt verleend door de deputatie Vlaams-Brabant na respectievelijk te zijn geschorst en vernietigd door de Raad van State daaraan dan ook geen afbreuk doet”. 13. In haar nota repliceert de verwerende partij dat de “feitelijke en juridische toestand […] volledig [is] gewijzigd”, dat de exploitatie thans VII-40.822-33/36 plaatsvindt op grond van een melding als klasse 3-inrichting met aangepaste voorwaarden en dat de eventuele schorsing van het bestreden besluit dan ook “zonder enig juridisch gevolg” is. Voorts zet zij uiteen dat de verzoekende partijen de spoedeisendheid van de zaak niet afdoende aantonen, dat de exploitatievoorwaarden niet werden versoepeld maar er enkel sprake is van een “behoorlijk gemotiveerde verduidelijking” en dat de beperkingen die door het Hof van Beroep werden opgelegd slechts van kracht blijven “tot een nieuwe milieuvergunning door de bevoegde overheid aan de exploitant werd verleend en ten laatste tot 28 juni 2014”. Met verwijzing naar de motieven van de bestreden vergunningsbeslissing, besluit de verwerende partij dat de omgevingshinder die door de activiteiten wordt teweeggebracht aanvaardbaar is. Beoordeling 14. Een zaak is spoedeisend, en dus vatbaar voor beoordeling in kort geding, zodra de vrees voor schade van enig belang, of zelfs voor ernstige nadelen, een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt. Bijgevolg mag het kort geding worden gehanteerd wanneer het geschil niet met de gewone procedure binnen de gewenste tijdspanne opgelost kan worden. 15. Zoals reeds werd gesteld in de arresten nr. 230.720 van 2 april 2015 en nr. 241.095 van 22 maart 2018 maken de verzoekende partijen “die vlak naast de inrichting van de [bvba Hof ter Lint] woonachtig zijn, [...] aannemelijk dat de vergunde exploitatie dermate hinderlijk is dat het aangewezen is de zaak in kort geding te beoordelen”. Met het bestreden besluit wordt opnieuw uitspraak gedaan over dezelfde vergunningsaanvraag. Het voorwerp van de verleende milieuvergunning en de eraan verbonden voorwaarden, zijn niet wezenlijk verschillend van de milieuvergunning waarvan de tenuitvoerlegging werd geschorst bij voornoemde arresten. VII-40.822-34/36 16. De verwerende partij brengt geen nieuwe gegevens of elementen bij die van doorslaggevend belang zijn om deze schorsingsvoorwaarde anders te beoordelen. Het feit dat de inrichting actueel zou worden geëxploiteerd als een klasse 3-inrichting, doet in elk geval niet af aan de vaststelling dat het voorwerp van de bestreden vergunningsbeslissing bestaat uit een klasse 2-inrichting waarvan kan worden aangenomen dat ze, gelet op de aard en de omvang van de vergunde activiteiten, meer hinderlijk is voor de omwonenden. Om dezelfde reden gaat het standpunt van de verwerende partij dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing geen juridisch effect zou hebben, niet op. 17. Hieruit volgt dat voldaan is aan de bij artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. BESLISSING 1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 5 maart 2020 waarbij het bestuurlijk beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen van 3 februari 2014, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de bvba Hof ter Lint voor het verder exploiteren en veranderen van een inpakstation voor eieren, gelegen aan de Daalstraat 121 te Grimbergen (Beigem), gedeeltelijk wordt ingewilligd. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. VII-40.822-35/36 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een februari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-40.822-36/36 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.659 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.423 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div