id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.660 Rolnummer: A. 229649/VII-40709 Zaak: Arrest 249660 - Milieuheffingen - 01/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-02-12 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-20 00:28 Fiche Arrest nr 249.660 van 1 februari 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuheffingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 249.660 van 1 februari 2021 in de zaak A. 229.649/VII-40.709 In zake : de VENNOOTSCHAP NAAR TURKS RECHT TURISTIK HAVA TASIMACILIK A.S. H.O.D.N. CORENDON AIRLINES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Malherbe kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 65 bus 11 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Benno Simon Friedberg kantoor houdend te 1075 EE Amsterdam aan de Koninginneweg 160 tegen : het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat François Tulkens kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 1 december 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Milieucollege van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 7 oktober 2019 houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen de alternatieve administratieve geldboete opgelegd door de leidend ambtenaar van Leefmilieu Brussel voor inbreuken op het besluit van 27 mei 1999 betreffende de bestrijding van geluidshinder voortgebracht door luchtverkeer, waarbij de administratieve geldboete wordt bevestigd. VII-40.709-1/15 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 januari 2021. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaten Philippe Malberne, Benno Simon Friedberg, en Niels Bakker, die verschijnen voor de verzoekende partij, en advocaat Laure Proost, die loco advocaat François Tulkens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Op 6 juni 2018 stellen ambtenaren van Leefmilieu Brussel proces-verbaal op ten laste van de verzoekende partij, wegens schending van artikel 20, 4°, van de ordonnantie van 17 juli 1997 „betreffende de strijd tegen geluidshinder in een stedelijke omgeving‟ en niet-naleving van de grenswaarden VII-40.709-2/15 voor het geluid van vliegtuigen, vastgelegd bij artikel 2 van het besluit van 27 mei 1999 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering „betreffende de bestrijding van geluidshinder voortgebracht door het luchtverkeer‟. Er worden zes inbreuken, respectievelijk op 7, 9, 12, 12, 22 en 30 april 2018, vastgesteld op het besluit van 27 mei 1999. De inbreuken worden omstandig omschreven in de meetverslagen die deel uitmaken van de processen-verbaal waarin de gegevens over de meetstations (meetmethode, meetvoorwaarden, kenmerken van meetapparaten) omstandig worden toegelicht. 4. De processen-verbaal worden door Leefmilieu Brussel bezorgd aan de verzoekende partij en aan de Procureur des Konings met aan deze laatste het verzoek Leefmilieu Brussel te informeren over het gevolg dat aan het dossier zal worden gegeven. De Procureur des Konings beslist op 6 augustus 2018 om de vastgestelde inbreuken niet strafrechtelijk te vervolgen en het dossier te bezorgen aan het bestuur dat bevoegd is voor het opleggen van een alternatieve administratieve geldboete. 5. Met een aangetekende brief van 14 februari 2019 informeert Leefmilieu Brussel de verzoekende partij over het feit dat de Procureur des Konings beslist heeft geen strafvervolging in te stellen en haar voornemen om een alternatieve administratieve geldboete op te leggen en nodigt zij de verzoekende partij uit om haar verweer schriftelijk of mondeling voor te leggen. De verzoekende partij deelt bij aangetekende brief van 19 februari 2019 mee dat haar verweer zich richt op “een tweetal hoofdpunten”, meer bepaald dat de gebruikte geluidsmeetpunten “niet in overeenstemming [zijn] met de manier waarop geluid wordt gemeten” en dat zij “zich in alle gevallen gehouden” heeft aan de haar opgedragen vliegroute en alle haar opgedragen “(vlieg)instructies [heeft] opgevolgd en correct [heeft] uitgevoerd” zodat zij niet kan beboet worden “wegens vermeende overtreding van de geluidsnormen”. De verzoekende partij stelt nog dat in de beroepen beslissing van Leefmilieu Brussel VII-40.709-3/15 “niet of nauwelijks overwegingen worden gewijd aan de vraag of en zo nee, waarom deze verdedigingsmiddelen niet opgaan”. Zij argumenteert nog aan de hand van een milieu effectenstudie van begin 2019 van Envisa over de meetpunten en de locaties van de meetpunten. Zij stelt dat het huidige boetebeleid in strijd is met de Europese regelgeving. Zij vraagt nog “in de gelegenheid te worden gesteld om op de ingediende verdedigingsmiddelen te worden gehoord”. De verzoekende partij wordt op 2 april 2019 gehoord door Leefmilieu Brussel. Een door de verzoekende partij mede-ondertekend proces-verbaal van verhoor wordt opgesteld. De verzoekende partij geeft daarin te kennen dat de overtredingen beperkt zijn en dat zij van mening is dat er geen juridische basis is voor het opleggen van een boete. Daarnaast stelt de verzoekende partij in haar schriftelijke “spreekaantekeningen hoorzitting” het teleurstellend te vinden “dat de beslissingen van Leefmilieu Brussel standaardbeslissingen zijn waarin op geen enkele wijze wordt ingegaan door de door Corendon Airlines aangevoerde verweren en op geen enkele wijze wordt gemotiveerd waarom deze verweren niet opgaan”. Zij haalt een milieu effecten studie van Envisa aan waaruit blijkt “dat de plaatsing en het gebruik van de meetpunten arbitrair is, veelal politiek gekleurd en zonder deugdelijke - internationaal gangbaar en geaccepteerde - basis” en “geen juridisch houdbaar draagvlak kan vormen voor het opleggen van boetes”. Zij stelt dat het “gehele systeem” neerkomt “op een feitelijke lawaaigerelateerde operationele beperking” en in strijd is “met het huidige Europees recht”. Zij besluit dat “het huidige stelsel omtrent de meetpunten van geluidsoverlast, het karakter van het boeteregime, de onmogelijkheid om binnen de geluidsnormen te blijven en de feitelijke operationele beperking die Corendon ondervindt ten aanzien van de luchthaven Brussel ertoe leiden dat haar geen boetes kunnen c.q. behoren te worden opgelegd”. 6. Met een beslissing van 16 mei 2019 legt de leidend ambtenaar van Leefmilieu Brussel een administratieve geldboete van 2.835 euro op aan de verzoekende partij met -samengevat- de overwegingen dat: - de meetmethode, de meetvoorwaarden en de kenmerken van meetapparaten conform zijn aan de geldende wetgeving, - de betrouwbaarheid van de meting op realistische wijze is gegarandeerd, VII-40.709-4/15 - inbreuken op de geluidsnormen niet veroorzaakt worden door het naleven van de vliegroutes, procedures en instructies van de overheden maar door het gedrag van de piloten, - de studie van Envisa geen elementen aantoont “dat de wetgeving omtrent geluidshinder voortgebracht door het luchtverkeer in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en haar toepassing, in casu, ongeldig zou maken”, - de inbreuken vaststaan, het bedrag van de alternatieve administratieve geldboete gerechtvaardigd en passend is. 7. Bij aangetekend schrijven van 9 juli 2019 stelt de verzoekende partij bij het Milieucollege administratief beroep in tegen deze beslissing. Zij stelt daarin dat haar verdediging zich richt op “een tweetal hoofdpunten”: - de gebruikte meetpunten zijn niet in overeenstemming met de manier waarop geluid wordt gemeten, - door zich te houden aan de opgedragen vliegroutes en (vlieg)instructies kan het niet zijn dat “aan haar een boete kan worden opgelegd wegens vermeende overtreding van de geluidsnormen”. De verzoekende partij stelt nog dat in de beroepen beslissing van Leefmilieu Brussel “niet of nauwelijks overwegingen worden gewijd aan de vraag of en zo nee, waarom deze verdedigingsmiddelen niet opgaan”. Zij argumenteert nog aan de hand van een milieu effectenstudie van begin 2019 van Envisa over de meetpunten en de locaties van de meetpunten. Zij stelt dat het huidige boetebeleid in strijd is met de Europese regelgeving. Zij besluit “dat de aan haar opgelegde boetes niet in stand kunnen blijven” en verzoekt haar geen boete op te leggen. VII-40.709-5/15 Tijdens de zitting van 30 september 2019 maakt de verzoekende partij een aanvullende nota over. 8. Bij besluit van 7 oktober 2019 bevestigt het Milieucollege de beslissing van Leefmilieu Brussel van 16 mei 2019. Dit is de bestreden beslissing waarin de grieven van de verzoekende partij gesteund op “wettig bevel en onoverwinnelijke dwaling” (2.1), “ENVISA studie met betrekking tot de meetpunten” (2.2) en “ENVISA studie met betrekking tot de wetgeving inzake geluidshinder” (2.3) met redenen worden afgewezen: “(2.1) […] Het besluit van 27 mei 1999 voert immissienormen in. Dit zijn normen waarbij de band tussen de oorzaak en het gevolg per definitie een marge aan moeilijk in te schatten factoren inhoudt. De verzoekster toont niet aan dat zij onmogelijk de gestelde normen kan naleven. Zoals ook het Hof van Beroep van Brussel in zijn arrest van 9 juni 2005 en de Raad van State nog recent in haar arrest nr. 241.598 van 24 mei 2018 opmerkten, stelt het Milieucollege vast dat andere vliegtuigen die de Brussel-Nationaal Luchthaven aandoen de gewestelijke geluidsnormen wel naleven. De verzoekster voert in haar beroepsverzoekschrift voor het Milieucollege geen concrete argumenten aan die aanleiding zouden moeten geven tot rechtvaardiging. In dit geval bewijst zij niet dat de vliegroutes, -procedures en -instructies van de Belgische Staat, BAC en SKEYES de overschrijding door haar vliegtuigen begaan onafwendbaar maakte, noch dat zij als verzachtende omstandigheid zouden moeten worden aangenomen. Evenmin voert zij ten aanzien van de overtredingen concreet enige noodtoestand of wettig verzet aan. Het middel is derhalve ongegrond. (2.2) […] In eerste instantie past het er op te wijzen dat het eerste hoofdstuk van de studie door ENVISA waarnaar de verzoekster verwijst niet definitief werd opgeleverd, noch gevalideerd. De website van de FOD Mobilitieit vermeldt: „Het eerste verslag van de door de minister van Mobiliteit, François Bellot, bestelde milieueffectstudie over de problematiek van de geluidshinder ingevolge de exploitatie van de luchthaven werd aan de overheid bezorgd. Dit verslag slaat op de eerste fase van de studie, die erop gericht is de huidige toestand in kaart te brengen om de activiteit van de luchthaven (in zijn heel) en de toepassing van alle luchtvaartvoorschriften en -procedures (veiligheidsmaatregelen, exploitatiebeperkende maatregelen, vliegroutes en VII-40.709-6/15 gebruiksvoorwaarden ervan, windnormen, …) op een wetenschappelijk onderbouwde, onafhankelijke en transparantie wijze te objectiveren tegenover de geluidshinder die eruit voortvloeit. Een tweede fase loopt momenteel en moet alternatieve oplossingen voorleggen die kunnen leiden tot een afzwakking van de geluidshinder. Deze tweede fase kan er ook voor zorgen dat de vaststellingen uit de eerste fase evolueren, waardoor deze vaststellingen in dit stadium als voorlopig moeten worden beschouwd. In deze eerste fase heeft het studiebureau Envisa de gehoorde verklaringen en standpunten van de stakeholders verwerkt op grond van zijn ervaring en van zijn wetenschappelijke deskundigheid. Er waren ontmoetingen met een breed panel van actoren in dit dossier (verenigingen van buurtbewoners, Brussels Airport Company, Belgocontrol, luchtvaartmaatschappijen, Gewesten, administraties, …).‟. Het meetnet van NMT‟s in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft niet als doelstelling om metingen voor geluidscertificatie te verrichten, maar wel om de reële hinder van vliegtuiglawaai voor de bevolking voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te meten en desgevallend te sanctioneren. De locatie en de inplanting van NMT‟s zijn conform het besluit van 21 november 2002. Het past ook erop te wijzen dat de stelling uit het ENVISA rapport dat de selectie van NMT‟s „politiek‟ zou zijn gebeurd […] betrekking heeft op de plaatsing van NMT‟s in de onmiddellijke omgeving van de Brussel-Nationaal Luchthaven in het kader van „geluidscontrole en trajectbehoud‟ (NTK), en niet op het meetnet in het kader van de bescherming van de bevolking tegen geluidsoverlast veroorzaakt door vliegtuigen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het middel is derhalve ongegrond (2.3) […] Het is correct dat de bevoegdheid inzake de bescherming van het leefmilieu in België door de grondwetgever en de bijzondere wetgever werd gedelegeerd aan de gewesten. Het is vanuit deze bevoegdheid dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest haar regelgeving inzake de bestrijding van de geluidshinder, voortgebracht door het luchtverkeer, heeft uitgevaardigd met als bedoeling de hinder voor de Brusselse bevolking te beperken. Deze normen werden gebaseerd op studiewerk en op de aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) ter zake, aanbevelingen die recent nog door de WGO werden aangescherpt. Het komt het Milieucollege, in haar hoedanigheid van administratief rechtscollege, niet toe de institutionele indeling van het federale België en de bevoegdheidsverdelende regels, noch de wettelijke bepalingen te beoordelen waarvan het geacht wordt de uitvoering te doen naleven. De EU verordening waarnaar de verzoekster verwijst (Verordening (EU) Nr. 598/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014) heeft geen terugwerkende kracht en dus ook geen uitwerking op de Brusselse regelgeving waarvan sprake. Artikel 14 van dezelfde verordening stelt ten andere expliciet: „Geluidsgerelateerde exploitatiebeperkingen die werden ingevoerd vóór 13 juni 2016 blijven geldig totdat de bevoegde instanties besluiten deze te herzien overeenkomstig deze verordening.‟ In de mate dat de verzoekster de wettigheid van de in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in voege zijnde regelgeving inzake geluidshinder VII-40.709-7/15 veroorzaakt door vliegtuigen en de juridische basis die zij vormt om boetes op te leggen betwist, komt dit erop neer dat aan het Milieucollege wordt gevraagd toepassing te maken van artikel 159 van de Grondwet. Het Milieucollege is echter een administratief rechtscollege. Het komt het Milieucollege in deze hoedanigheid niet toe te oordelen over de wettigheid of toepasbaarheid van de regelgeving waarvan het wordt geacht de naleving te beoordelen. Het middel is derhalve ongegrond”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunten van de partijen 9. De verwerende partij stelt in de memorie van antwoord dat “beide middelen onontvankelijk” zijn, wat ertoe leidt dat het beroep zelf onontvankelijk is. Zij zet uiteen dat het eerste middel waarin de “schending van rechten/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich meebrengt” wordt aangevoerd, niet voldoet aan de vereiste van een voldoende duidelijke omschrijving van de geschonden rechtsregel en bijgevolg onontvankelijk is. Zij werpt om dezelfde reden de onontvankelijkheid op van het tweede middel waarin de schending wordt aangevoerd “van rechten/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich meebrengt” en van “de Europese Regelgeving”. Zij voegt toe dat in “zoverre de verzoekende partij zou wensen te verwijzen naar Verordening (EU) nr. 598/2014 […] haar grief evenmin duidelijk [is], vermits de verzoekende partij in haar middel niet naar een specifieke bepaling ervan verwijst. De verzoekende partij geeft niet aan welke bepaling(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.