id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.667 Rolnummer: A. 224832/VII-40238 Zaak: Arrest 249667 - Milieuvergunningen - 01/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-02-12 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-20 00:28 Fiche Arrest nr 249.667 van 1 februari 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 249.667 van 1 februari 2021 in de zaak A. 224.832/VII-40.238 In zake : de GEMEENTE KINROOI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Andy Beelen kantoor houdend te 3740 Bilzen Grensstraat 4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 9600 Ronse Grote Markt 33 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de BVBA DIEBEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Chris Schijns kantoor houdend te 3600 Genk Grotestraat 122 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 21 maart 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 18 januari 2018 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 19 juli 2017, houdende weigering van de milieuvergunning aan de bvba Dieben voor het veranderen van een vergund legkippenbedrijf door wijziging (voornamelijk van het ammoniakemissiearme stalsysteem), gelegen aan de Hofstraat 3b te Kinrooi, VII-40.238-1/30 gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en een milieuvergunning wordt verleend. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De bvba Dieben heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 25 april 2018. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 januari 2021. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Andy Beelen, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Filip Vincke, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Chris Schijns, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-40.238-2/30 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De tussenkomende partij baat sinds 2010 een legkippenbedrijf uit voor 87.360 dieren aan de Hofstraat 3b te Kinrooi. De inrichting omvat tevens een mestdrooginstallatie, de opslag van 56 m³ reinigingswater, twee maal 30 m³ droge mest en de productie van 36 ton eieren, en een grondwaterwinning van 40 m³ per dag en 7.900 m³ per jaar op 30 meter diepte. Op de site bevinden zich een kippenstal, een droogloods, een eierlokaal en een weeglokaal. 3.2. Omdat de inrichting niet volledig in overeenstemming met de basismilieuvergunning en de stedenbouwkundige vergunning blijkt te zijn uitgevoerd stelt de Inspectie RWO Limburg meerdere processen-verbaal op en wordt een eerste bestuurlijke maatregel opgelegd door de milieu-inspectie. 3.3. Op 27 december 2016 dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kinrooi een aanvraag in tot het regulariseren van een kippenstal, droogloods en eierlokaal. Bij besluit van 8 mei 2017 weigert dit college de gevraagde stedenbouwkundige vergunning. De tussenkomende partij stelt tegen deze beslissing een bestuurlijk beroep in bij de deputatie van de provincieraad van Limburg. Bij brief van 15 september 2017 trekt zij dit beroep in. 3.4. Op 3 februari 2017 dient de tussenkomende partij bij de deputatie van de provincieraad van Limburg een aanvraag in tot wijziging van de milieuvergunning. De aanvraag betreft de regularisatie van het VII-40.238-3/30 ammoniakemissiearme systeem P-3.5 naar P-3.4, de plaatsing van biologische luchtwassers, en de regularisatie van het ventilatiesysteem (lengteventilatie in plaats van kokers in de nok), van lucht-uitlaatbakken en van de mestdroogloods. 3.5. De aanvraag wordt aan een openbaar onderzoek onderworpen van 16 maart 2017 tot 17 april 2017. Er worden 32 identieke bezwaarschriften ingediend. 3.6. De dienst Milieuvergunningen - Limburg van de Afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -Projecten geeft op 26 april 2017 een gunstig advies over de aanvraag. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kinrooi adviseert ongunstig op 28 april 2017. De Provinciale Milieuvergunningscommissie brengt op 8 mei 2017 een unaniem gunstig advies uit. 3.7. Op 27 juni 2017 legt de milieu-inspectie aan de tussenkomende partij opnieuw een bestuurlijke maatregel op, die wordt bevestigd door de Vlaamse minister. Aan de tussenkomende partij wordt “het bevel gegeven de exploitatie van het leghennenbedrijf stop te zetten”, wat inhoudt dat “in de stal die momenteel leeg is, geen pluimvee mag geplaatst worden”. Om deze bestuurlijke maatregel te laten opheffen moet de tussenkomende partij aan enkele voorwaarden voldoen: zij moet “over een milieu- en stedenbouwkundige vergunning of een omgevingsvergunning” beschikken, zij moet er daarnaast voor zorgen dat de “reële bedrijfssituatie […] overeenstemt met de milieu- en stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning en het daarbij horende plan” en voorts moeten “[a]lle maatregelen genomen zijn om het ammoniakemissiearme stalsysteem te exploiteren zoals vastgelegd in het Ministerieel Besluit Amonniakemissiearme stalsystemen van 19 maart 2004 en in de bekomen milieu- of omgevingsvergunning”. VII-40.238-4/30 3.8. De deputatie van de provincieraad van Limburg weigert op 19 juli 2017 de gevraagde wijziging van de milieuvergunning. Tegen deze beslissing stelt de tussenkomende partij bestuurlijk beroep in. 3.9. Op 18 oktober 2017 adviseert de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -Projecten (Milieu) van het departement Omgeving voorwaardelijk gunstig. De afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -Projecten (Ruimte) van het departement Omgeving adviseert op 23 oktober 2017 eveneens voorwaardelijk gunstig. Op 24 oktober 2017 verleent ook de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie een voorwaardelijk gunstig advies. 3.10. Met een besluit van 18 januari 2018 verklaart de minister het beroep van de tussenkomende partij ontvankelijk en gegrond. Het besluit van 19 juli 2017 van de deputatie van de provincieraad van Limburg wordt opgeheven en de gevraagde vergunning wordt verleend. Dit is het bestreden besluit, dat onder meer als volgt luidt: “Overwegende dat het een bestaand pluimveebedrijf betreft, vergund voor het stallen van 87.360 legkippen in één stal met een ammoniakemissiearm systeem (P-3.5 „Verrijkte kooi met mestbandbeluchting en droogtunnel‟), de opslag van 56 m³ reinigingswater en twee maal 30 m³ droge mest, de opslag van 36 ton eieren en een grondwaterwinning met een debiet van 7.900 m³ per jaar; Overwegende dat in onderhavige aanvraag de volgende wijzigingen worden gevraagd: - de wijziging (regularisatie) van het ammoniakemissiearm systeem van P-3.5 naar P-3.4; - de plaatsing van biologische luchtwassers; - de wijziging (regularisatie) van het ventilatiesysteem, namelijk lengteventilatie in plaats van kokers in de nok; - de plaatsing van lucht-uitlaatbakken (regularisatie); - de wijziging (regularisatie) van de mestdroogloods; - de uitbreiding met een brandstofverdeelinstallatie, een transformator van 250 kVA, een noodstroomgroep van 80 kW, een koelinstallatie van 4 kW en de opslag van 1,68 ton mazout; dat er geen uitbreiding van het aantal dieren of van de grondwaterwinning wordt aangevraagd; Overwegende dat volgens de informatie van de gemeente Kinrooi de hinder VII-40.238-5/30 voor de omwonenden, met betrekking tot geur en stof, reeds begon bij de opening van de stallen in 2012; dat de gemeente in 2013 de afdeling Milieu-inspectie heeft gecontacteerd die uiteindelijk een proces-verbaal van stopzetting van de activiteiten heeft uitgebracht; dat één van de belangrijkste redenen voor het proces-verbaal, naast de geur- en stofhinder, het niet volgens de milieuvergunning exploiteren is (onder meer ander stalsysteem); dat er sinds mei 2017 geen kippen meer geëxploiteerd worden; dat er eveneens bouwovertredingen werden begaan; dat onder andere de stal, de betonvloer op het buitenterrein, de mestopslagplaats en het eierlokaal groter gebouwd werden dan opgenomen in de stedenbouwkundige vergunning; Overwegende dat het bedrijf tussen 2011 en 2015 reeds een aantal maatregelen heeft genomen; dat een vernevelingsinstallatie werd geplaatst ter hoogte van de uitgaande lucht; dat eveneens een tijd werd overgegaan tot het stilleggen van de droogtunnel met rechtstreekse afvoer van mest; dat deze maatregelen niet het gewenste resultaat hadden; Overwegende dat de exploitant met onderhavige aanvraag enerzijds de inrichting wil regulariseren en anderzijds wil tegemoet komen aan de geur- en stofklachten; dat als bijkomende maatregel de uitgaande stallucht zal gezuiverd worden via biologische luchtwasserspakketten; dat een eerdere aanvraag tot wijziging van de milieuvergunning werd geweigerd omwille van het feit dat de inplanting en de dimensies van de voorziene luchtwasserspakketten niet bestaanbaar zijn met de goede ruimtelijke ordening en met zijn omgeving en dus stedenbouwkundig niet vergunbaar werden geacht; dat in de beroepsprocedure bij de bevoegde minister de ruimtelijke inplanting en de dimensionering van de luchtwasser weliswaar werden aangepast (en stedenbouwkundig gunstig geadviseerd), maar dat door de minister werd geoordeeld dat de kleinere dimensionering van de geplande luchtwasser geen garantie bood dat de stof-, ammoniak- en geuremissies voldoende onder controle konden gehouden worden; Overwegende dat in onderhavige milieuvergunningsaanvraag de luchtwassers compacter worden voorzien en ingeplant worden op een afstand van minimum 3 m van de perceelgrens (tegenover 1 m van de perceelgrens in het vorige dossier); dat de bouwvergunningsaanvraag voor de regularisatie van de gebouwen en de bouw van de biologische luchtwassers werd ingediend op 14 juni 2016; dat de vergunning voor de bouw van de luchtwassers werd verleend op 24 oktober 2016, maar werd geweigerd voor de regularisatie van de gebouwen op basis van een negatief brandweeradvies; dat een nieuwe bouwvergunningsaanvraag, opgesteld op basis van een overleg met de brandweer op 6 december 2016, werd ingediend op 26 december 2016; Overwegende dat de dieren gehouden worden in twee tegen elkaar gebouwde stallen waarbij de kippen in verrijkte kooien gehuisvest worden; dat de dieren gedurende een legperiode van 405 dagen op het bedrijf blijven, waarna ze worden afgevoerd; dat er na het verwijderen van de dieren een periode van drie weken leegstand is, waarbij de stallen gereinigd en ontsmet worden; dat men de dieren na de eerste legperiode van 405 dagen gedurende 21 dagen kan laten ruien, om daarna een tweede legperiode (iets minder lang) aan te vatten; dat er per legcyclus ongeveer 26.208.000 eieren worden geproduceerd; dat het aantal eieren in de tweede legcyclus ongeveer 35% lager ligt dan de eerste; VII-40.238-6/30 Overwegende dat de mest van de legkippen via mestbanden uit de stallen wordt gehaald en voor nabehandeling naar de mestdrooginstallatie, opgesteld in de loods naast de stallen, wordt geleid; dat de mest wordt ingedroogd tot een drogestofgehalte van minimum 70% (tussen 70% en 90% drogestofgehalte) en vervolgens wordt opgeslagen in de mestloods; dat om de vijf dagen een volle container mest wordt geladen; dat het laden gebeurt in de loods met gesloten deuren (om stofhinder te vermijden); dat de dieren krachtvoeder en CCM krijgen en onbeperkt over vers drinkwater beschikken; Overwegende dat de voornaamste emissies bij de exploitatie van een pluimveebedrijf de ammoniak-, geur- en stofemissies zijn; Overwegende dat de 87.360 legkippen worden gehouden in twee stallen voor elk 43.680 legkippen, uitgerust volgens ammoniakemissiearm systeem P-3.4 in plaats van in een stal uitgevoerd met het ammoniakemissiearm systeem P-3.5 („Verrijkte kooi met mestbandbeluchting en droogtunnel‟), zoals vergund in 2011; Overwegende dat de stallen worden voorzien van nageschakelde technieken, namelijk een mestdrooginstallatie en een biologische luchtwasser; dat de mestdrooginstallatie zorgt voor een snelle indroging van de mest naar een drogestofgehalte van minimum 70%; dat na het indrogen van de mest deze nagenoeg geurloos wordt; dat de droge mest wordt opgeslagen in de daarvoor voorziene gesloten mestloods; dat de stallucht en de lucht afkomstig van de mestdrooginstallatie via biologische wassers zal gezuiverd worden; dat de geplande biologische luchtwassers op de Nederlandse Rav-lijst opgenomen zijn als systeem BWL.11v1; dat voor het voorgestelde systeem een geurverwijderingsrendement van 45%, een stofverwijderingsrendement van 75% en een NH3-verwijderingsrendement van 70% in rekening gebracht wordt op deze lijst; dat de mestdrooginstallatie voorzien zal worden van een overkapping aangesloten op de luchtwasser zodat de lucht via de wasser moet passeren; dat dit reeds werd opgelegd in een bijzondere voorwaarde in de basisvergunning van 31 maart 2011; dat in hetzelfde besluit wordt opgelegd dat de transportbanden die mest van de stal naar de droogtunnel brengen, zich volledig binnen moeten bevinden; Overwegende dat de ventilatoren op het uiteinde van de twee stallen (ten westen van het bedrijf) momenteel aangesloten zijn op luchtuitlaatbakken om de uitstoot van de lucht tot op een halve meter boven de nok van de stal te krijgen; dat deze luchtuitlaatbakken aan de bovenzijde zullen afgesloten worden zodat er via deze uitlaatbakken geen lucht meer zal geëmitteerd worden; dat deze uitlaatbakken zullen dienst doen als drukkamer; dat de lucht van deze koker via een watergordijn naar de luchtwasser wordt geleid; dat dit watergordijn ervoor zorgt dat het stof grotendeels uit de lucht verdwijnt, zodat het luchtwasserspakket niet dicht zal slibben; dat de te verwijderen geurcomponenten in de luchtstroom worden opgenomen in het waswater en worden afgebroken door de bacteriën die zich hebben vastgezet op het waspakket; dat het belangrijk is dat de verblijftijd van de lucht voldoende groot is; dat hiervoor de dimensionering van de luchtwasser belangrijk is; dat het luchtbehandelingssysteem bestaat uit twee waspakketten per stal en één waspakket na de mestdrooginstallatie; dat de lucht de wasser verlaat op een hoogte van ongeveer 3,10 m boven het maaiveld voor wat betreft de waspakketten achter de stal; dat de VII-40.238-7/30 minimumventilatie die door de droogtunnel gaat, via een luchtwasser op een hoogte van ongeveer 9 m wordt geëmitteerd; Overwegende dat de capaciteit van de luchtwasser, geïnstalleerd na de drooginstallatie, groter (3,9 m³ per uur) is dan de gemiddelde ventilatie (2,9 m³ per uur, gebaseerd op gegevens 2015); dat dit de werking van de wasser ten goede zal komen, aangezien de verblijftijd van de lucht (in dit geval de meest verontreinigde lucht) in het waspakket langer zal zijn dan voorgeschreven; dat het ventilatiedebiet afhankelijk is van de staltemperatuur, die dan weer gerelateerd is aan de omgevingstemperatuur; dat de minimumventilatie (in dit geval 1,7 m³ per dier per uur) over de mestdroogtunnel gaat; dat bij hogere temperaturen een deel van de ventilatielucht rechtstreeks vanuit de stal geëmitteerd wordt; dat bij extreem hoge temperaturen (enkele uren per jaar) de minimumventilatie kan opgedreven worden tot 2,5 m³ per dierplaats per jaar; dat op basis van de ventilatie- en temperatuurgegevens van 2015, met een totale ventilatie geraamd op 25.628 m³ per dier per jaar of een gemiddelde ventilatie van 2,92 m³ per dier per uur, naar schatting 14.892 m³ per dierplaats per jaar doorheen de droogtunnel wordt geleid (58%) en 10.736 m³ per dierplaats per jaar rechtstreeks vanuit de stal wordt geëmitteerd (42%); Overwegende dat voor het onderhoud van de luchtwasser de registratieapparatuur is voorzien van een online monitoringsysteem, waarbij indien nodig de toezichthouder een inlogcode kan ontvangen om te allen tijde de werking van het systeem te kunnen controleren; dat het systeem beschikt over een automatische reiniging; dat het filterpakket minimaal éénmaal per zes maanden zal gereinigd worden volgens de voorschriften van de installateur; dat deze reiniging wordt bijgehouden in een logboek; dat in het logboek volgende zaken worden opgenomen: controles, onderhoud, storingen, spuiwaterdebiet en spuiwateranalyse; Overwegende dat op basis van het aantal waarderingspunten en het aantal stuks gevogelte dat in de inrichting wordt gehouden, de vereiste afstand tot de geurhindergevoelige gebieden kan berekend worden; dat met een puntentotaal van 190 en de 87.360 dieren die in de inrichting worden gehouden, een minimale afstand van 300 m ten opzichte van de geurhindergevoelige gebieden vereist is; dat het meest nabijgelegen geurhindergevoelige gebied een woonuitbreidingsgebied is op 549 m afstand; dat er bijgevolg voldaan wordt aan de afstandsregels; Overwegende dat zowel voor het huidige vergunde stalsysteem (P-3.5) als voor het nieuwe aangevraagde stalsysteem (P-3.4) eenzelfde geuremissiecijfer wordt gehanteerd in het MER-richtlijnenboek Landbouwdieren, met name 0,35 OUe/s; dat in het MER-richtlijnen-boek wordt gesteld dat de bijkomende geurhinder voor mestbewerking (onder andere een mestdrooginstallatie) kwantitatief moet ingeschat worden; dat in het project-MER (LNE/MER/PR0480/10), uitgevoerd in het kader van de vergunningsaanvraag van de basisvergunning van 31 maart 2011, een inschatting werd gemaakt voor de mestdroger; dat onderhavige aanvraag eveneens een geurstudie bevat met een vergelijking tussen de bestaande en de toekomstige situatie (met biologische luchtwasser met een geurreductie van 45%); dat in deze laatste geurstudie geen bijkomende geurimpact vanuit de mestdrooginstallatie werd berekend; dat de erkende deskundige Lucht, deeldomein geur, die de studie heeft opgesteld, dit als volgt motiveert: „het VII-40.238-8/30 emissiecijfer in het project-MER van 2010 heeft geen duidelijke bronvermelding en is niet gekend als gangbaar emissiecijfer; bij contact met ILVO met de vraag of er een bijkomende geuremissie in rekening gebracht moet worden voor de droogtunnel, wordt door ILVO verwezen naar de lijst met geactualiseerde emissiefactoren voor ammoniak, geur en fijn stof (bijlage bij het Richtlijnenboek Landbouwdieren); dit document bevat geen afzonderlijk emissiecijfer voor een droogtunnel; in de lijst hebben alle kooi-stalsystemen voor leghennen zowel met als zonder droogtunnel eenzelfde geuremissiecijfer (0,35 OUe/s)‟; Overwegende dat beide stalsystemen inderdaad eenzelfde geuremissiecijfer hebben volgens voormelde lijst; dat het aangewezen is om ook voor de mestdrooginstallatie de geurimpact te berekenen aangezien dit een belangrijke geurbron is; dat uit het rapport „fijnstofemissie uit stallen‟ (leghennen in stallen met droogtunnel, herziene versie mei 2013 van Wageningen UR Livestock Research, Nederland) blijkt dat de geuremissie van een AEA systeem P-3.4 in combinatie met een droogtunnel 0,41 OUe/s bedraagt; dat rekening houdende met deze cijfers de geuremissie van de inrichting in het worst-case scenario in totaal 33.721 OUe/s bedraagt; dat in onderstaande tabel een overzicht van deze berekening wordt weergegeven: gebouw # dieren ventilatie (%) Geuremissiefactor totaal (OUe/
- s)(OUe/
- s)Stal 1 + stal 2 87.360 40 0,35 21.490,56 Droogtunnel 60 0,41 12.230,4 Som 33.720,96 Overwegende dat als nageschakelde techniek biologische luchtwassers worden voorzien op de uitlaten van de stallen en op de uitlaat van de mestdrooginstallatie; dat de luchtwassers niet worden aangevraagd als systeem S-1 van de Vlaamse lijst met AEA-stalsystemen; dat de stallen immers al beschikken over een ammoniakemissiearm systeem van de AEA-lijst, met name het P-3.4 systeem; Overwegende dat door het installeren van de biologische wassers de geuremissie kan worden gereduceerd tot ongeveer 20.232,6 OUe/s (gerekend met 40%); dat deze nageschakelde techniek zorgt voor een geurreductie ten opzichte van de huidig vergunde toestand; Overwegende dat bijkomend ter beperking van de verspreiding van geur, naast de biologische luchtwasser, nog de volgende maatregelen worden genomen: - toepassen van de toepasselijke maatregelen die beschreven zijn in Omzendbrief LNE 2012/1 van 29 juni 2012 betreffende de milderende maatregelen voor geuremissies die afkomstig zijn van bestaande varkens- en pluimveestallen in Vlaanderen, namelijk: o A-P1 Optimaliseren van het ventilatiesysteem; o A-P2 Intensief en regelmatig reinigen van de stal; o A-P5 Drinkwaterverlies beperken (door gebruik van drinkwaternippels); o A-P6 Frequente afvoer van mest naar gesloten opslag; o B1 Kadaverkoeling; - het gebruik van tweefasig voeder; - het gebruik van een gesloten mestloods; Overwegende dat ter hoogte van de inrichting volgens de gegevens van de Vlaamse Milieumaatschappij de jaargemiddelde PM10 concentratie VII-40.238-9/30 26 μg/m³ bedraagt; dat de exploitatie bijgevolg niet is gelegen in een hotspotzone (PM10 > 36 μg/m³); dat dit lager is dan de statistische jaargemiddelde concentratie van 31 μg/m³ (afgeleid van de Europese daggrenswaarde van 50 μg/m³), waardoor er geen verhoogde aandacht vereist is; dat de daggrenswaarde van 50 μg/m³ die maximaal 35 keer per jaar overschreden mag worden, immers overeenkomt met een gemiddelde jaargrenswaarde van 31 μg/m³; Overwegende dat in het kader van een gecoördineerde aanpak van de fijn stof problematiek door de afdeling Milieuvergunningen een lijst werd opgesteld van sectoren waar fijn stof een probleem zou kunnen vormen; dat onder andere de sector „veeteelt‟ op deze lijst terug te vinden is; dat er stofemissie aanwezig is in de pluimveestallen; Overwegende dat ter beperking van de verspreiding van stof de volgende maatregelen worden genomen: - bij het vullen van de voedersilo‟s gebruikt men stofzakken; - het voeder wordt gestockeerd in polyester silo‟s; via een gesloten voederlijn wordt het voeder gelijkmatig verdeeld over de stal; - onderzoek heeft uitgewezen dat door het gebruik van een mestdrooginstallatie de emissie van fijn stof beduidend lager ligt dan bij stallen zonder mestdroger (ongeveer 70%); het stof afkomstig van de dieren (pluimen, huidschilfers, mest- en voerdeeltjes) wordt deels afgevangen door de lucht doorheen de mestlagen te blazen; - een groenscherm: het bedrijf heeft op dit moment een nagenoeg volledig volgroeid groenscherm; alleen in de noordoostelijke hoek van het bedrijf is er een recente aanplant die de nodige opvolging vereist; Overwegende dat de emissie van fijn stof (PM10) voor een verrijkte kooi met geforceerde mestbandbeluchting 0,005 kg per dier per jaar bedraagt; dat de droogtunnel volgens het rapport „fijnstofemissie uit stalle‟ een positief effect heeft op de stofemissie zodat na de droogtunnel de stofemissie 0,0039 kg per dier per jaar bedraagt; dat, zonder rekening te houden met de biologische luchtwasser, een totale emissie van PM10 van 379,1 kg wordt verwacht; dat in onderstaande tabel een overzicht van deze berekening wordt weergegeven: gebouw # dieren ventilatie (%) PM10 stofemissiefactor totaal (kg/dier/jaar) (kg/jaar) Stal 1 + stal 2 87.360 40 0,005 174,7 Droogtunnel 60 0,0039 204,4 Som 379,1 Overwegende dat voor de geplande biologische luchtwasser, overeenkomstig de Vlaamse lijst met geactualiseerde emissiefactoren, een reductiepercentage van 60% kan in rekening worden gebracht en 75% volgens de Nederlandse Rav-lijst; dat de stofemissie bijgevolg wordt beperkt tot 151,64 kg per jaar (indien gerekend wordt met 60% reductie); dat de stofemissie ten gevolge van de aangevraagde milderende maatregelen sterk afneemt ten opzichte van de huidig vergunde situatie en tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt; Overwegende dat de inrichting is gelegen op ongeveer 495 meter van het Vogelrichtlijngebied V21 en op ongeveer 1.560 meter van het Habitatrichtlijngebied H30; dat dit Habitatrichtlijngebied „Uiterwaarden langs de Limburgse Maas en Vijverbroek‟ volgens de habitatkaart volgende VII-40.238-10/30 loofboshabitats bevat: - 9120: Atlantische zoutminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei (Quercion robori-petraeae of Ilici-Fagenion); - 91E0: Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (Alno-Padion, Alnion incanae, Salicion albae); Overwegende dat de ammoniakemissie voor een verrijkte kooi met geforceerde mestbandbeluchting 0,01 kg NH3 per dier per jaar bedraagt; dat de droogtunnel volgens het rapport „fijnstofemissie uit stallen‟ een bijkomende ammoniakemissie van 0,002 kg per dier per jaar veroorzaakt; dat, zonder rekening te houden met de biologische luchtwasser, een totale ammoniakemissie van 978,4 kg per jaar wordt verwacht; dat in onderstaande tabel een overzicht van deze berekening wordt weergegeven: gebouw # dieren ventilatie (%) NH3-emissiefactor totaal (kg/dier/jaar) (kg/jaar) Stal 1 + stal 2 87.360 40 0,01 349,4 Droogtunnel 60 0,012 629 Som 978,4 Overwegende dat voor de geplande biologische luchtwasser, overeenkomstig de Vlaamse lijst met geactualiseerde emissiefactoren en de Nederlandse Rav-lijst, een reductiepercentage van 70% kan in rekening worden gebracht; dat de ammoniakemissie bijgevolg wordt beperkt tot 293,5 kg per jaar; dat dit een reductie betreft ten opzichte van de huidig vergunde situatie; Overwegende dat in het aanvraagdossier de verzurende en vermestende depositiecontouren van 3%, 5%, 10% en 50% van de kritische lasten werden berekend; dat de depositiecontouren niet overlappen en zelfs op ruime afstand blijven van het dichtstbijzijnde Habitatrichtlijngebied H30; dat de vermestende en verzurende effecten van de ammoniakemissie bijgevolg aanvaardbaar zijn; Overwegende dat het ANB in zijn advies van 27 maart 2017 stelt dat de bestaande natuurwaarden niet worden geschaad; dat er geen significante negatieve effecten verwacht worden voor de SBZ ten gevolge van deze exploitatie; Overwegende dat de weigering van de milieuvergunning is gebaseerd op mogelijke effecten van de pluimveehouderij op de gezondheid van de omwonenden; dat deze bezorgdheid voortkomt uit de studie „Veehouderij en gezondheid omwonenden‟ van 2016, uitgevoerd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Nederland, in samenwerking met de Universiteit Utrecht, Wageningen UR en het NIVEL; dat in deze studie werd onderzocht wat het gezondheidseffect is van intensieve veehouderijen op de omwonenden; Overwegende dat uit de studie een aantal positieve en een aantal negatieve gezondheidseffecten naar voor komen; dat aangetoond is dat mensen die rondom veehouderijen wonen, minder astma en allergieën hebben; dat dicht bij veehouderijen minder mensen wonen met COPD, een chronische ziekte aan de longen; dat daar tegenover staat dat de mensen in deze omgeving die wel COPD hebben, daar vaker en/of ernstigere complicaties van hebben; dat er verder een verband werd gevonden tussen wonen nabij veehouderijen en een verlaagde longfunctie; dat dit waarschijnlijk wordt veroorzaakt door stoffen die afkomstig zijn van de veehouderij; dat niet alleen wonen dichtbij VII-40.238-11/30 veel veehouderijen zorgt voor een lagere longfunctie; dat de longfunctie in het hele onderzoeksgebied lager is op momenten dat de concentratie van ammoniak (een stof die afkomstig is van mest) in de lucht hoog is; dat deze effecten vergelijkbaar zijn met de schadelijke gezondheidseffecten van verkeer in een stad; dat de onderzoekers vonden dat er meer longontstekingen in het onderzoeksgebied voorkomen dan in de rest van het land, een verschil dat na de Q-koorts epidemie van 2007-2010 wel kleiner is geworden; dat één van de symptomen van de Q-koorts longontsteking is; dat er een verband werd gevonden tussen pluimveehouderijen binnen 1 kilometer afstand van de woning en een licht verhoogde kans op longontsteking; dat het onduidelijk is of de extra longontstekingen in dit onderzoeksgebied worden veroorzaakt door specifieke ziekteverwekkers die van dieren afkomstig zijn (zoönoseverwekkers) of dat mensen gevoeliger voor longontsteking worden door de blootstelling aan stoffen die veehouderijbedrijven uitstoten, zoals fijn stof, endotoxines (onderdelen van micro-organismen) en ammoniak; dat in het onderzoek ook is gekeken of bepaalde zoönoseverwekkers vaker voorkomen in de omgeving van veehouderijen ten opzichte van de rest van het land; dat dit niet het geval is bij het hepatitis E-virus, de bacterie Clostridium difficile en ESBL-producerende bacteriën; dat het wel lijkt dat mensen iets vaker drager zijn van de veegerelateerde MRSA-bacterie; dat het nog onduidelijk is of deze verhoging komt door de uitstoot vanuit veehouderijen; Overwegende dat voormelde studie werd uitgevoerd in Nederland in een dichtbevolkt gebied met veel veehouderijen (het oosten van Noord-Brabant en het noorden van Limburg); dat onderhavig bedrijf niet is gelegen in een cluster van veeteeltbedrijven; dat de onderzoeksresultaten bijgevolg niet één op één kunnen geëxtrapoleerd worden naar de locatie waar onderhavige aanvraag is gelegen; dat in de studie bovendien gesteld wordt dat de resultaten van het onderzoek tot vragen leiden waarvoor verder onderzoek noodzakelijk is; Overwegende dat bovendien doorgedreven milderende maatregelen worden genomen om de stof- en NH3-emissie te reduceren; dat stof wordt gereduceerd door het drogen van de mest en het voorzien van de luchtwassers; dat NH3 wordt gereduceerd door het gebruik van het AEA-stalsysteem, de luchtwasser en meerfasevoeder; […] Overwegende dat de aanvraag in overeenstemming is met de bestemming en de planologische voorschriften; Overwegende dat voor de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening wordt verwezen naar de beginselen zoals voorzien in artikel 4.3.1, §2, van de VCRO; dat op ongeveer 175 m ten noorden van de inrichting een woonlint ligt met landelijk karakter aan de Heesstraat; dat er iets meer naar het oosten, aan de overkant van de voorliggende Breeërsteenweg, een uitgebouwde verkaveling ligt van zes vrijstaande woningen; dat er langs de Hofstraat en de Bijhoevenweg een verspreide bebouwing van velerlei aard is, deels zonevreemd, deels landbouwgericht; Overwegende dat het bedrijf uitsluitend bereikbaar is via de Hofstraat; dat de Hofstraat een smalle gemeenteweg is van ongeveer 5 m breed; dat er momenteel jaarlijks 376 transporten plaatsvinden; dat dit neerkomt op ongeveer zeven transporten per week; dat het transport verloopt via de VII-40.238-12/30 Hofstraat en na ongeveer 200 m overgaat naar de Breeërsteenweg; dat deze steenweg bestaat uit twee rijvakken; dat de mobiliteitsimpact tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt; Overwegende dat de stallen een lengte hebben van 38,80 m en een breedte van 84,30 m met een kroonlijsthoogte van 6,61 m; dat het volume van de stallen daardoor 20.209 m³ is; dat het eierlokaal een lengte heeft van 17,78 m en een breedte van 26,10 m in het westen en 30,51 m in het oosten en een kroonlijsthoogte van 4,48 m; dat de mestdroogloods een lengte heeft van 57,75 m en een breedte van 11,83 m; dat de vergunde luchtwassers worden opgesteld in de mestdroogloods en aan de achterzijde van de legkippenstallen (op een afstand van minimum 3 m van de perceelgrens); dat uit het dossier blijkt dat een derde mestsilo werd geplaatst ten westen van de inrichting, evenwijdig met de stallen; Overwegende dat de stallen, de mestdroogloods en de silo‟s niet zichtbaar zijn vanuit de Breeërsteenweg door de aanwezigheid van bomen en struiken ten zuiden van de inrichting; dat het eierlokaal wel zichtbaar is vanuit de Breeërsteenweg; dat voor de woningen, gelegen in de Heesstraat, de mestdroogloods en de stallen wel zichtbaar zijn; dat uit het dossier blijkt dat ten noorden van de inrichting een groenscherm zal worden aangeplant om het bedrijf te laten integreren in de omgeving (dit werd deels gerealiseerd); dat gevraagd wordt om voor de aanplanting te werken met een combinatie van hoogstammen en laag struikgewas”. De gevraagde vergunning wordt verleend onder de volgende bijzondere voorwaarden: “- het biologisch luchtwassysteem (BWL.11v1, zoals opgenomen in de Nederlandse Rav-lijst) wordt geïmplementeerd; de uitvoering en het gebruik van het luchtwassysteem gebeurt volledig conform BWL.11v1 (met onder meer registratieapparatuur om te allen tijde de werking van het systeem te kunnen controleren, een urenteller, een watermeter, een halfjaarlijkse monstername van het spuiwater, een logboek waarin metingen, onderhoud, analyseresultaten van het waswater en storingen bijgehouden worden, een onderhoudscontract en een adviescontract); - het biologisch luchtwassysteem heeft een ammoniakverwijderingsrendement van minimaal 70%, een geurverwijderingsrendement van minstens 45% en een stofverwijderingsrendement van minstens 75%; - het logboek en een beoordeling van het jaarlijks technisch onderhoud liggen ter inzage voor de toezichthouder; - vóór de luchtwassers bevindt er zich een watergordijn waardoor er voldoende stof uit de aangevoerde lucht wordt gehaald om de werking van de luchtwasser te garanderen; - de poorten van de mestloods zijn gesloten met uitzondering van de momenten waarop vrachtwagens of materialen worden binnen of buiten gereden of gebracht; tijdens het laden van de mest zijn de poorten gesloten; - het groenscherm ten noorden van de inrichting wordt verder gerealiseerd met een combinatie van hoogstammen en laag struikgewas”. VII-40.238-13/30 IV. Ontvankelijkheid v an het beroep Standpunt van de tussenkomende partij 4. De tussenkomende partij werpt op “dat het ingediende verzoekschrift tot nietigverklaring onontvankelijk is wegens het voeren van een kennelijk onredelijk beleid inzake milieu- en ruimtelijke ordening”. Zij betoogt dat er weliswaar in het verleden door haar voorgangers een bouwovertreding werd begaan door niet te bouwen volgens de plannen, maar dat deze overtredingen momenteel niet van aard zijn dat er niet kan worden voldaan aan de wettelijke voorschriften. De tussenkomende partij had in dit verband een aanvraag tot regularisatie ingediend, maar de verzoekende partij heeft de gevraagde stedenbouwkundige vergunning geweigerd. Op die manier zou zij het voorliggende dossier en het dossier met betrekking tot de opgelegde bestuurlijke maatregel “een handje geholpen” hebben . De verzoekende partij stelt volgens haar alles in het werk om de exploitatie van de tussenkomende partij stop te zetten. Beoordeling 5. Een gemeente beschikt in beginsel over het vereiste belang om een beroep tot nietigverklaring in te dienen tegen een milieuvergunning die werd verleend voor een hinderlijke inrichting op haar grondgebied. Te dezen is de vergunde inrichting gelegen op het grondgebied van de gemeente Kinrooi. De tussenkomende partij maakt haar bewering dat er sprake zou zijn van een “kennelijk onredelijk beleid” niet met concrete gegevens aannemelijk. De exceptie wordt verworpen. VII-40.238-14/30 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de verzoekende partij 6. In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 4.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijk Ordening (hierna: VCRO), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), en van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële- en formelemotiveringsplicht. Volgens de verzoekende partij wordt in de bestreden beslissing ten onrechte gesteld dat het beroep tegen de weigeringsbeslissing van 8 mei 2017 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kinrooi over de aanvraag tot regularisatie van de kippenstal en het eierlokaal nog lopende is. Het ingestelde beroep werd immers door de tussenkomende partij op 15 september 2017, ruim vóór de bestreden beslissing, ingetrokken. De verwerende partij heeft zich derhalve volgens haar niet vergewist van de actuele toestand. Bovendien zou de bestreden beslissing aldus afwijken van een definitieve, voorgaande beslissing, zodat een verstrengde onderzoeks- en motiveringsplicht geldt. Verder bevat de bestreden beslissing geen motivering over de schaal, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, terwijl ook hier nochtans een verstrengde motiveringsplicht geldt, gelet op het wederrechtelijk karakter van de situatie. Voorts is volgens de verzoekende partij de motivering omtrent de goede ruimtelijke ordening ontoereikend. Zo is de Breeërsteenweg ten zuiden van de betrokken inrichting gelegen en kan het groenscherm, aan de noordzijde van de inrichting, derhalve niet verhelpen aan de visueel-vormelijke onaanvaardbaarheid van het eierlokaal. Wat betreft de afstand tussen de inrichting en de woningen in de onmiddellijke omgeving ervan, wordt in het bestreden besluit voorbijgegaan aan negen woningen en één ander gebouw, die zich binnen een straal van 100 meter van de betrokken inrichting bevinden. VII-40.238-15/30 7. De tussenkomende partij betwist het belang van de verzoekende partij bij het middel in de mate dat deze zich baseert op de procedure om een stedenbouwkundige vergunning te verkrijgen. De verzoekende partij verliest volgens haar het onderscheid uit het oog tussen de milieuvergunning en de stedenbouwkundige vergunning. De stedenbouwkundige procedure maakt niet het voorwerp uit van de bestreden beslissing, zodat het betoog van de verzoekende partij niet relevant is. Voorts “stelt zich de vraag naar de relevantie inzake het vermeend niet antwoorden op de motieven in de stedenbouwkundige weigeringsbeslissing” van 8 mei 2017. Er kan volgens haar, gelet op de uiteenzetting van het middel, bezwaarlijk een schending van de formelemotiveringsplicht worden weerhouden. 8. In haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij toe dat niet enkel de planologische verenigbaarheid van de inrichting moet worden onderzocht maar dat daarentegen rekening moet worden gehouden met de criteria vermeld in artikel 4.3.1, § 2, VCRO, zoals overigens ook in het bestreden besluit zelf wordt aangegeven. In het bestreden besluit wordt niet vermeld dat de feitelijke toestand grotendeels wederrechtelijk is, dat zij het voorwerp uitmaakt van een herstelvordering van de stedenbouwkundig inspecteur en dat in dit verband ook een definitieve weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kinrooi is tussengekomen. In de bestreden beslissing worden de negen nabijgelegen woningen weliswaar vermeld, maar zij worden niet opnieuw betrokken in de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening. De stelling dat die woningen niet relevant zijn omdat zij in agrarisch gebied gelegen zijn, kan niet worden bijgetreden. De beoordeling van de verenigbaarheid met de goede plaatselijke ordening geldt immers ongeacht de bestemmingszone. VII-40.238-16/30 9. In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij in antwoord op het auditoraatsverslag toe dat zij het niet eens is met de stelling als zou de concrete inhoud en motivering irrelevant zijn, voorzien in de stedenbouwkundige weigering tot regularisatie van 8 mei 2017, en aldus ook de inhoud van de processen-verbaal en van de herstelvordering ingesteld door de stedenbouwkundig inspecteur op 22 maart 2017, die een eensluidend advies verkreeg van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid. Zij is het bijgevolg ook niet eens met het gevolg dat hieraan impliciet wordt gekoppeld als zou de verwerende partij zich hiervan ook geen rekenschap hebben moeten geven of als zou de verwerende partij ook geen ruimere motivering ten aanzien van de onverenigbaarheid van de plaatselijke toestand met de goede ruimtelijke ordening hebben dienen te verschaffen. In dat verband haalt zij onder meer uitdrukkelijke verwijzingen aan naar die processen-verbaal, naar de herstelvordering en naar het eensluidend advies van de Hoge Raad in de weigering van de regularisatie van 8 mei 2017. Het arrest van de Raad van State nr. 187.906 van 13 november 2008 waarvan sprake in het auditoraatsverslag, is volgens haar geenszins van aard om te concluderen dat de stedenbouwkundige toetsing en die vereiste motivering ten aanzien van de eerdere afwijkende -andersluidende documenten- te dezen afwezig zou mogen blijven omdat de bestreden beslissing over de milieuvergunning werd voorafgegaan door een stedenbouwkundige weigering. Het voormelde arrest gaat volgens haar immers over een beslissing tot niet-ontvankelijk verklaren van een milieuvergunningsaanvraag wegens gebrek aan bewijs van de beschikkingsrechten over de gronden die het voorwerp van de aanvraag uitmaken, en dus over “iets volkomen anders”. Zij vervolgt dat in arrest van de Raad nr. 223.643 van 30 mei 2013 trouwens expliciet wordt bevestigd dat de bevoegde overheid in haar beslissing over de milieuvergunningsaanvraag, ook na een stedenbouwkundige weigering, wel degelijk de stedenbouwkundige toetsing dient uit te voeren. De aspecten schaal, ruimtegebruik en bouwdichtheid zijn volgens de verzoekende partij wel degelijk relevant, terwijl de bestreden beslissing deze veelal louter beschrijvend behandelt. VII-40.238-17/30 Beoordeling 10. Bij de beoordeling van een milieuvergunningsaanvraag moet de overheid de regels inzake ruimtelijke ordening betrekken. Het gegrond bevinden van het middel kan leiden tot het onwettig bevinden van de bestreden vergunning zodat de inrichting niet zou kunnen worden geëxploiteerd. Dit is het doel dat de verzoekende partij met haar annulatieberoep nastreeft. Zij heeft dan ook belang bij het middel. 11. Het betoog van de verzoekende partij dat de bestreden beslissing niet deugdelijk is gemotiveerd omdat ten onrechte wordt vermeld dat de procedure omtrent de stedenbouwkundige vergunning nog lopende was, terwijl in werkelijkheid de tussenkomende partij reeds afstand had gedaan van haar administratief beroep, is te dezen niet relevant. De milieuvergunning, wordt overeenkomstig artikel 5, § 2, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, hoe dan ook geschorst zolang de stedenbouwkundige vergunning niet definitief is verleend. Het aangevoerde gebrek in de motivering is dan ook niet van aard de draagwijdte van de bestreden beslissing te beïnvloeden. De kritiek in de laatste memorie van de verzoekende partij doet hieraan niets af. Bovendien steunt de bestreden beslissing op een eigen stedenbouwkundige beoordeling, zodat het argument van de verzoekende partij over de “afwijking van een voorgaande beslissing” evenmin kan worden bijgevallen. 12. Bij de beoordeling van een milieuvergunningsaanvraag beperkt het onderzoek naar de stedenbouwkundige verenigbaarheid van de inrichting zich niet enkel tot een toetsing aan de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan. De vergunningverlenende overheid moet ook aandacht hebben voor de verenigbaarheid met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De beslissing over de milieuvergunningsaanvraag dient in een eigen redengeving aan te geven waarom de inrichting verenigbaar wordt geacht met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening, Daarbij moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met de ordening in de onmiddellijke omgeving. VII-40.238-18/30 Artikel 4.3.1, § 2, 1°, VCRO luidt: “De overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening wordt beoordeeld met inachtneming van volgende beginselen: 1°het aangevraagde wordt, voor zover noodzakelijk of relevant, beoordeeld aan de hand van aandachtspunten en criteria die betrekking hebben op de functionele inpasbaarheid, de mobiliteitsimpact, de schaal, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, visueel-vormelijke elementen, cultuurhistorische aspecten en het bodemreliëf, en op hinderaspecten, gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen, in het bijzonder met inachtneming van de doelstellingen van artikel 1.1.4”. Uit deze bepaling volgt dat de “overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening” wordt beoordeeld met inachtneming van de beginselen die in § 2 zijn opgenomen, “dat de decreetgever indiciën aangeeft met betrekking tot de toetsing aan de goede ruimtelijke ordening” en “dat deze aandachtspunten en criteria slechts „voor zover noodzakelijk en relevant‟ in rekening moeten worden gebracht, d.w.z. als er een „wettelijke‟ (in ruime zin) verplichting of een klare aanleiding is om deze punten in rekening te brengen”. De verzoekende partij gaat er dus ten onrechte van uit dat de overheid elk aspect van de goede ruimtelijke ordening zoals vermeld in artikel 3.1, § 2, VCRO, al dan niet afzonderlijk, in haar beoordeling dient te betrekken. Zij maakt evenmin aannemelijk dat er te dezen een “wettelijke verplichting” of een “klare aanleiding” bestond om deze punten in rekening te brengen. In het bestreden besluit wordt gesteld dat het eierlokaal “zichtbaar” is vanuit de Breeërsteenweg. Ten onrechte stelt de verzoekende partij het zichtbaar zijn van dit gebouw gelijk met de “visueel-vormelijke onaanvaardbaarheid” ervan. Het is niet omdat een gebouw zichtbaar is, dat het per definitie onaanvaardbaar is op visueel vlak. Een en ander hangt immers af van de concrete situatie ter plaatse. Te dezen vindt de vergunningverlenende overheid het niet onaanvaardbaar dat het eierlokaal zichtbaar is vanuit de Breeërsteenweg, ermee rekening houdende dat “de stallen, de mestdroogloods en de silo‟s niet zichtbaar zijn vanuit de Breeërsteenweg door de aanwezigheid van bomen en VII-40.238-19/30 struiken ten zuiden van de inrichting”. Voorts blijkt de overweging omtrent het groenscherm aan de noordzijde van de inrichting, anders dan de verzoekende partij doet uitschijnen, niet op het eierlokaal te kunnen worden betrokken. Die overweging heeft veeleer betrekking op de eraan voorafgaande zinsnede dat “voor de woningen, gelegen in de Heesstraat, de mestdroogloods en de stallen wel zichtbaar zijn”, vermits de Heesstraat, anders dan de Breeërsteenweg, wel ten noorden van de betrokken inrichting ligt. Ten slotte heeft de verwerende partij wel degelijk de meest nabije bebouwing, gelegen op minder dan 100 meter van de perceelgrenzen van de betrokken inrichting, in haar beoordeling betrokken. Bij de situering van de betrokken inrichting wordt in het bestreden besluit overwogen “dat er zich binnen een straal van 100 m, gemeten vanaf de perceelgrenzen, negen woningen en een gebouw ander dan een woning bevinden (allen in agrarisch gebied)” en “dat de dichtste woning op ongeveer 30 m van de perceelgrens ten westen van de inrichting ligt”. Bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening wordt de betrokken inrichting mede gesitueerd ten overstaan van de “uitgebouwde verkaveling […] van zes vrijstaande woningen” gelegen “aan de overkant van de voorliggende Breeërsteenweg” en van de bebouwing “langs de Hofstraat”, die ten westen van de betrokken inrichting ligt. Het niet opnieuw expliciet vermelden van de concrete afstand van de bebouwing in de meest onmiddellijke omgeving, waaronder zes woningen aan de overzijde van de voorliggende straat, kan te dezen dan ook niet tot de conclusie leiden dat de verwerende partij “de kortere afstand van minder dan 100m” niet in haar beoordeling heeft betrokken. Het eerste middel is niet gegrond. VII-40.238-20/30 B. Tweede middel Standpunt van de verzoekende partij 13. In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de materiële- en formelemotiveringsplicht. De verzoekende partij betoogt dat de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing geen rekening heeft gehouden met een eerdere weigering van de milieuvergunning op 20 juni 2016 en met de bevestiging van het bevel tot stopzetting van de exploitatie in september 2017. Waar de verwerende partij voorheen van oordeel was dat het risico voor stof- en geurhinder de weigering van de milieuvergunning en het bevel tot stopzetting van de exploitatie konden verantwoorden, geeft zij volgens de verzoekende partij thans toe dat dit risico niet is verdwenen, maar verleent zij toch de gevraagde vergunning, zonder daarbij te voorzien in voorwaarden die de vereiste garanties bieden. Daarnaast zou zich een risico op gezondheidsproblemen voor de omwonenden manifesteren als nieuw en bijkomend risico gerelateerd aan de betrokken inrichting. Wat specifiek de geurhinder betreft, bekritiseert de verzoekende partij het ontbreken van het luchtdicht maken van de mestopslagplaats als exploitatievoorwaarde, waardoor de geurhinder zich volgens haar zal blijven manifesteren. Met betrekking tot het risico op gezondheidsproblemen voor omwonenden stelt de verzoekende partij vooreerst dat dit risico naar aanleiding van de vorige aanvraag nog niet gekend was. Thans had de deputatie dit risico evenwel als bijkomend argument weerhouden. Daarbij werd eveneens verwezen naar een Nederlandse studie, waarover in de bestreden beslissing wordt overwogen dat de conclusies ervan niet één op één geëxtrapoleerd kunnen worden naar de locatie van de inrichting van de tussenkomende partij. De verwerende partij zou te dezen evenwel geen rekening houden met de concrete gezondheidsklachten van de omwonenden. De noodzaak van verder onderzoek over deze studie impliceert dat de resultaten ervan niet als onvoldoende relevant mogen worden afgedaan. Verder blijkt uit niets dat de milderende maatregelen van aard zijn om te verhelpen aan de gezondheidsklachten van de omwonenden. Ten VII-40.238-21/30 slotte zou het drogen van mest, in tegenstelling tot wat in de bestreden beslissing wordt gesteld, niet tot een reductie van de stofemissie leiden. 14. Volgens de verwerende partij beschikt de verzoekende partij waar zij opwerpt dat zich thans een bijkomend probleem manifesteert in de vorm van gezondheidsrisico‟s voor omwonenden, als gemeente niet over de vereiste hoedanigheid of het vereiste belang om op te komen voor de individuele belangen van haar inwoners. 15. In haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij in essentie toe dat het luchtdicht maken van de mestopslagplaats zowel op de informatievergadering, in haar advies van 28 april 2017, als naar aanleiding van de bevestiging van de bestuurlijke maatregel, een belangrijk aandachtspunt bleek zodat daarmee bij het beoordelen van de betrokken aanvraag rekening moest worden gehouden. Ook de geurstudie waarnaar de verwerende partij verwijst houdt er geen rekening mee. In die studie wordt daarentegen als premisse aangenomen dat de loods luchtdicht is en dat er geen ongezuiverde lucht kan ontsnappen, wat niet het geval is. 16. In haar laatste memorie benadrukt de verzoekende partij dat haar premisse dat de minister eerder een fundamenteel ander standpunt heeft ingenomen ten aanzien van de beslissingen van 20 juni 2016 en september 2017 en dat zij erop gewezen heeft dat zulks zijn impact heeft op de zorgvuldigheids- en de motiveringsplicht van de verwerende partij, “de insteek van het middel vormt”. Wat de geurhinder betreft had de verwerende partij volgens haar geen puur dicretionaire beslissingsbevoegdheid die door kennelijke onredelijkheid begrensd zou worden. De verwerende partij oordeelde in de eerdere beslissingen al tot tweemaal toe dat er een risico op onaanvaardbare geurhinder is. Wat het aspect gezondheid betreft, verwijst het auditoraatsverslag volgens haar ten onrechte naar arrest nr. 183.367 van de Raad van 26 mei 2008, aangezien dit aspect in die zaak niet aan de orde was. Er kan volgens de verzoekende partij niet worden aangenomen dat zijzelf het oorzakelijk VII-40.238-22/30 verband moet aantonen tussen de gezondheidsklachten en de inrichting, aangezien een milieuvergunningsbeslissing een risicobeslissing is, waarbij het volstaat een risico aannemelijk te maken. Beoordeling 17. De vergunningverlenende overheid moet zich uitspreken over de milieuvergunningsaanvraag zoals die haar door de initiatiefnemer van het project wordt voorgelegd. Het feit dat in het verleden een vergunning werd geweigerd of aan een exploitant van de inrichting een bestuurlijke maatregel werd opgelegd, impliceert niet dat elke latere aanvraag met betrekking tot die inrichting ook moet worden geweigerd. Elke vergunningsaanvraag moet immers op haar eigen verdiensten worden beoordeeld, in het licht van de actueel geldende technische normen, mogelijkheden en inzichten. Uit de motieven in het bestreden besluit blijkt afdoende waarom de vergunningverlenende overheid thans van oordeel is dat de geur- en stofhinder afkomstig van de betrokken inrichting tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt en de gevraagde vergunning kan worden verleend. Deze motieven worden door de verzoekende partij niet betwist. Het gegeven dat dit oordeel anders luidt dan vroegere beslissingen of de beslissing genomen in eerste aanleg, maakt op zich geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel uit. Wat betreft de geurhinder komt het betoog van de verzoekende partij neer op kritiek op de opgelegde bijzondere voorwaarde in verband met de luchtwassers en op het ontbreken van een bijzondere voorwaarde met betrekking tot het luchtdicht maken van de mestopslagplaats. Het behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de vergunningverlenende overheid om te bepalen welke bijkomende maatregelen moeten worden opgelegd om de geur- en stofhinder van de betrokken inrichting te beperken. Het betoog van de verzoekende partij aangaande de geurhinder betreft veeleer de opportuniteit en doeltreffendheid van de opgelegde bijzondere voorwaarden. Die beoordeling is zaak van de vergunningverlenende overheid, die in dit domein over een ruime discretionaire VII-40.238-23/30 bevoegdheid beschikt. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat deze beoordeling de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat. 18. Het feit dat de minister in graad van bestuurlijk beroep de gezondheidsproblematiek anders beoordeelt dan de deputatie in eerste aanleg, maakt op zich evenmin een schending uit van het zorgvuldigheidsbeginsel. Uit de overwegingen van het bestreden besluit blijkt dat de overheid kennis heeft genomen van de Nederlandse studie betreffende de gezondheidsproblematiek en dat zij van oordeel is dat “de onderzoeksresultaten […] niet één op één kunnen geëxtrapoleerd worden naar de locatie waar onderhavige aanvraag is gelegen”, omdat de studie werd uitgevoerd “in een dichtbevolkt gebied met veel veehouderijen”, terwijl de betrokken inrichting “niet is gelegen in een cluster van veeteeltbedrijven” en er bovendien “doorgedreven milderende maatregelen worden genomen om de stof- en NH3-emissie te reduceren”. In het licht van die gegevens was zij er niet toe gehouden zich verder te informeren over de specifieke gezondheidsklachten van de omwonenden om deze uitdrukkelijk in haar beoordeling te betrekken. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat de gezondheidsklachten aan de betrokken inrichting zijn toe te schrijven. Haar verwijzing naar de gezondheidsdossiers is niet pertinent, aangezien in het advies van het college van burgemeester en schepenen wordt gesteld dat de geraadpleegde specialisten “geen onmiddellijke verklaring” hebben voor de problemen met de luchtwegen. De bewering dat niet blijkt dat de milderende maatregelen “van aard zouden zijn om […] aan de gezondheidsklachten van de omwonenden […] te verhelpen”, gaat voorbij aan de uitgebreide, technisch onderbouwde motivering in het bestreden besluit waarin de reductie van geur-, stof- en ammoniakemissies wordt vastgesteld, en waarvan de onjuistheid of onredelijkheid niet worden aangetoond. VII-40.238-24/30 Wat de stofhinder betreft gaat de verzoekende partij uit van reeds “gedroogde” mest, terwijl in de bestreden beslissing wordt gesteld dat de stofuitstoot wordt gereduceerd door “het drogen van de mest”, hetgeen wijst op het actieve proces van de droogtunnel. In dat verband wordt in de bestreden beslissing overigens overwogen dat “de droogtunnel volgens het rapport „fijnstofemissie uit stallen‟ een positief effect heeft op de stofemissie zodat na de droogtunnel de stofemissie 0,0039 kg per dier per jaar bedraagt; dat, zonder rekening te houden met de biologische luchtwasser, een totale emissie van PM10 van 379,1 kg wordt verwacht; […] dat voor de geplande biologische luchtwasser, overeenkomstig de Vlaamse lijst met geactualiseerde emissiefactoren, een reductiepercentage van 60% kan in rekening worden gebracht en 75% volgens de Nederlandse Rav-lijst; dat de stofemissie bijgevolg wordt beperkt tot 151,64 kg per jaar (indien gerekend wordt met 60% reductie); dat de stofemissie ten gevolge van de aangevraagde milderende maatregelen sterk afneemt ten opzichte van de huidig vergunde situatie en tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt”. Deze overweging wordt door de verzoekende partij niet betwist. De verzoekende partij maakt geen schending van de aangehaalde bepalingen en beginselen aannemelijk. Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel Standpunt van de verzoekende partij 19. In het derde middel wordt de schending aangevoerd van artikel 4.3.1 VCRO, van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, en van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële- en formelemotiveringsplicht. Naar aanleiding van de aanvraag van de tussenkomende partij tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige (regularisatie)vergunning, had de brandweer een voorwaardelijk gunstig advies uitgebracht waarbij nog diverse eisen werden gesteld. Dit advies was opgenomen in de beslissing van het college VII-40.238-25/30 van burgemeester en schepenen van de gemeente Kinrooi van 8 mei 2017 tot weigering van de (regularisatie)vergunning, waarvan de verwerende partij feitelijke kennis had. Het aspect brandveiligheid moest volgens de verzoekende partij dan ook des te zorgvuldiger worden onderzocht, aangezien bij afwijking van een voorgaand advies een verstrengde motiveringsplicht geldt. Ook de aangevraagde rubrieken hadden de verwerende partij ertoe moeten brengen om voor dit aspect de nodige aandacht te hebben. Uit de bestreden beslissing valt volgens de verzoekende partij evenwel niet te achterhalen waarom de risico‟s voor de externe veiligheid tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt. Er wordt ook geen enkele bijzondere voorwaarde opgelegd aangaande de (brand)veiligheid. 20. In haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij toe dat in de bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt gesteld dat het onderzoek en de toetsing van de veiligheid tot haar taakstelling behoort. Brandveiligheid is een aspect van de veiligheid. Het gegeven dat het advies van de brandweer niet wordt vermeld in artikel 20 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I), doet daaraan geen afbreuk. De verwerende partij had bovendien kennis van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kinrooi van 8 mei 2017, waarin het advies van de brandweer integraal is opgenomen. De bouwovertredingen en de bestuurlijke maatregel vormen volgens de verzoekende partij bovendien bijkomende redenen om aan te nemen dat de brandveiligheid niet de eerste bekommernis was van de tussenkomende partij. Op basis van de administratieve voorgaanden en de diverse stedenbouwkundige en milieurechtelijke inbreuken, had een zorgvuldig handelende overheid volgens haar genoeg redenen om stil te staan bij de brandveiligheid. 21. In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij toe dat de naleving van artikel 4.1.12.1 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna: Vlarem II) niet van dezelfde orde is als de naleving van de vijftien zeer gedetailleerde en concrete voorwaarden uitgeschreven in het advies dat de VII-40.238-26/30 brandweer op 2 febuari 2017 uitbracht en dat in extenso is weergegeven in de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 8 mei 2017, waarvan de verwerende partij kennis had toen zij de bestreden beslissing nam. Dit was volgens de verzoekende partij een probleempunt dat de verwerende partij diende te onderzoeken en waarvoor zij in een passende motivering en voorwaarden diende te voorzien. De verwijzing naar de algemene milieuvoorwaarden waarbij de exploitant zelf behoort te weten dat artikel 4.1.12.1 Vlarem II daar ook onder valt en dat hij dit moet naleven, ontheft de verwerende partij volgens de verzoekende partij geenszins van haar zorgvuldigheids- en motiveringsplicht. Bovendien behelst artikel 4.1.12.1 Vlarem II niet dezelfde zeer gedetailleerde en concrete voorwaarden als deze voorzien in het advies van 2 februari 2017 en het behelst tenslotte in de verhouding tot de brandweer ook slechts de verplichting om de brandweer te raadplegen, hetgeen niet hetzelfde is als de verplichting tot het naleven van de in het advies vermelde voorwaarden. Beoordeling 22. Artikel 5 van het bestreden besluit maakt de milieuvergunning afhankelijk van de volgende voorwaarden: “§1. de algemene en sectorale voorwaarden van titel II van het VLAREM: - algemene milieuvoorwaarden - algemeen; - algemene milieuvoorwaarden - oppervlaktewater; - algemene milieuvoorwaarden - lucht; - algemene milieuvoorwaarden - licht; - brandbare vloeistoffen; - brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen; - dieren; - elektriciteit; - opslag van gevaarlijke producten - algemene bepalingen; - opslag van gevaarlijke producten - gevaarlijke vaste stoffen en vloeistoffen - algemene bepalingen; - opslag van gevaarlijke producten - gevaarlijke vaste stoffen en vloeistoffen - opslag van gevaarlijke vloeistoffen in bovengrondse houders; - dierlijke mest; - voedingsnijverheid en -handel - algemene bepalingen”. VII-40.238-27/30 Onder “algemene milieuvoorwaarden - algemeen” bij de vermelde “algemene en sectorale voorwaarden van titel II van het VLAREM”, valt ook artikel 4.1.12.1, dat de exploitant onder meer verplicht om te voorzien in de nodige brandpreventiemaatregelen. Daarbij bepaalt de exploitant zelf de organisatie van de brandbestrijding, de brandbestrijdingsmiddelen en de capaciteit voor de opvang van verontreinigd bluswater volgens een code van goede praktijk, en raadpleegt hij de bevoegde brandweer. Het gegeven dat de verwerende partij die bepaling bij de toepasselijke voorwaarden in het dictum van het bestreden besluit opneemt, hoewel zij reeds van rechtswege van toepassing is, duidt erop dat zij zich wel degelijk rekenschap heeft gegeven van de brandveiligheidsproblematiek, maar daarbij van oordeel was dat op dit punt geen problemen te verwachten waren en zich ook geen bijkomende, bijzondere voorwaarden opdrongen. 23. Artikel 30bis, § 1, eerste lid, Vlarem I, luidt: “Een vergunning kan worden verleend wanneer deze voorwaarden bevat welke garanderen dat de inrichting voldoet aan de eisen die door dit reglement en titel II van het VLAREM zijn gesteld. De vergunning wordt geweigerd wanneer dat niet het geval is”. Bij het verlenen van een milieuvergunning volstaat het dat de voor de hand liggende probleempunten en de bezwaren die in de loop van het openbaar onderzoek en in eventuele administratieve beroepen worden aangebracht, worden onderzocht en gemotiveerd. Te dezen is de brandveiligheid van de exploitatiegebouwen nooit ter discussie gekomen, zodat dit niet als een voor de hand liggend probleempunt moet worden beschouwd en de verwerende partij tot de loutere vaststelling kon komen dat er geen risico‟s voor de externe veiligheid bestaan. Haar vaststelling doet bovendien geen afbreuk aan het voorwaardelijk gunstig advies van de brandweer en wijkt er, anders dan de verzoekende partij het voorstelt, niet van af. Er blijkt overigens des te minder een probleem te bestaan, nu het advies van de bevoegde brandweer gunstig was, zij het onder voorwaarden. Dat de exploitant nog enkele voorwaarden dient te vervullen is eigen aan een VII-40.238-28/30 “voorwaardelijk gunstig” advies en er bestaat geen aanleiding om op voorhand aan te nemen dat de exploitant aan deze plicht of aan de uitvoering van de voorwaarden bij de milieuvergunning zal verzaken. De vastgestelde stedenbouwkundige of milieurechtelijke inbreuken uit het verleden volstaan daartoe niet. Er kan de verwerende partij in de gegeven omstandigheden geen onzorgvuldigheid worden verweten door niet in te gaan op het aspect van de brandveiligheid van de exploitatiegebouwen. Het behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de overheid om te bepalen welke bijkomende maatregelen gebeurlijk moeten worden opgelegd om de brandveiligheid van een inrichting te verzekeren. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat te dezen de beslissing om geen bijkomende vergunningsvoorwaarden in dat verband op te leggen de grenzen van de redelijkheid overschrijdt. Het derde middel is niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-40.238-29/30 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een februari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.238-30/30 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.667 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div