id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.685 Rolnummer: A. 232751/IX-9833 Zaak: Arrest 249685 - Toerisme - 02/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-02-04 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-20 00:29 Fiche Arrest nr 249.685 van 2 februari 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Toerisme Beslissing : Bevolen bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 249.685 van 2 februari 2021 in de zaak A. 232.751/IX-9833 In zake: 1. de vzw RECREAD 2. de nv KERLINGA 3. de nv CAMPING VELD EN DUIN 4. de bv FUDEV 5. de nv ZEEWIND bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Serge Carton kantoor houdend te 8000 Brugge Scheepsdalelaan 29 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nicolas Bonbled, Sebastiaan De Meue, Jorien Van Belle en Junior Geysens kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 24 januari 2021, strekt tot de schor- sing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van: “- artikel 6, §1, derde lid, van het Ministerieel Besluit dd. 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het corona-virus Covid-19 te beperken, gewijzigd door artikel 4 van het Ministerieel Besluit van 1 november 2020 houdende wijziging van het M.B. van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het co- ronavirus Covid-19 te beperken - Artikel 28 van voormeld Ministerieel Besluit dd. 28 oktober 2020, ge- wijzigd door artikel 13 van het Ministerieel Besluit van 28 november 2020 IX-9833-1/29 houdende wijziging van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus Covid-19 te beperken, gewijzigd door Artikel 9 van het Ministerieel Be- sluit van 12 januari 2021 houdende wijziging van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus Covid-19 te beperken - Artikel 13 van het Ministerieel Besluit van 28 november 2020 houdende wijziging van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus Covid-19 te beperken - Artikel 9 van het Ministerieel Besluit van 12 januari 2021 houdende wijziging van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus Covid-19 te beperken.” De verzoekende partijen vragen de Raad van State, onderge- schikt aan hun vordering tot schorsing, om bij wijze van voorlopige maatregel: “te bevelen dat verwerende partij, binnen [vijf] dagen na uitspraak van het arrest, artikel 6, § 1, derde lid, van het Ministerieel Besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het co- ronavirus Covid-19 te beperken, zoals gewijzigd door artikel 4 van het Ministerieel Besluit van 1 november 2020 […] dient te vervangen door maatregelen die de uitbating van vakantieparken, bungalowparken en campings niet onevenredig beperken en die er voor zorgen dat ook ver- zoekende partijen en in het algemeen alle vakantieparken, bungalowparken en campings open kunnen blijven.” II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 februari 2021, om 10.30 uur. IX-9833-2/29 Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Serge Carton, die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaten Jorien Van Belle en Sebastiaan De Meue, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Achtergrond 3.1. De voorbije maanden heeft de verwerende partij maatregelen getroffen om de bevolking te behoeden voor de verspreiding van het coronavirus Sars-CoV-2 en om de ziekte tegen te gaan die wordt veroorzaakt door dit virus, Covid-19. Omdat fysieke nabijheid tussen personen een grote aanstoker is van de overdracht van het virus, hebben veel maatregelen betrekking op het maximaal uitsluiten van (het risico
- op)zulke contacten. Hierdoor worden diverse plaatsen en vormen van menselijke interactie, zoals sectoren van het economisch leven en van de vrijetijdsbesteding, getroffen door meer of minder ingrijpende regels, gaande tot de verplichte sluiting van handelszaken, het stilleggen van be- paalde activiteiten of verplaatsingsverboden. Naargelang de mate waarin het virus zich verspreidt of onder controle lijkt, de besmettingsgraad, de belasting van de ziekenhuizen en andere parameters – zoals de nieuwste wetenschappelijke in- zichten omtrent het virus – ziet de verwerende partij zich verplicht om haar beleid met regelmaat aan te passen. IX-9833-3/29 De huidige betwisting heeft betrekking op maatregelen voor de logiesverstrekkende ondernemingen. 3.2. Bij artikel 6 van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 „houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus Co- vid-19 te beperken‟ (“covidbesluit”) worden “inrichtingen die behoren tot de ho- recasector en andere eet- en drankgelegenheden” verplicht te sluiten, “behalve voor het aanbieden en leveren van afhaalmaaltijden en niet-alcoholische dranken om mee te nemen tot ten laatste 22.00 uur”; afhaalmaaltijden “mogen samen worden aangeboden en/of geleverd met alcoholische dranken tot 20.00 uur”. Tegelijk wordt echter in een uitzondering voorzien voor “alle logiesvormen, met inbegrip van hun restaurant maar met uitzondering van hun andere drankgelegenheden, en dit uitsluitend voor de gasten die er verblijven”. De logiesverstrekkers mogen dus, mits naleven van de aangehaalde beperking, open- blijven. Het is een tijdelijke regeling; het covidbesluit is luidens artikel 28 van toepassing tot 19 november 2020. 3.3. Bij ministerieel besluit van 1 november 2020 wordt artikel 6 van het covidbesluit vervangen. Het luidt dan, voor zoveel als van belang voor deze zaak: “§ 1. De inrichtingen die behoren tot de horecasector en andere eet- en drankgelegenheden zijn gesloten, behalve voor het aanbieden en leveren van afhaalmaaltijden en niet-alcoholische dranken om mee te nemen tot ten laatste 22.00 uur. Afhaalmaaltijden mogen samen worden aangeboden en/of geleverd met alcoholische dranken tot 20.00 uur. In afwijking van het eerste lid mogen de volgende inrichtingen openblij- ven: 1° alle logiesvormen, met uitsluiting van hun restaurant, drankgelegenhe- den en andere gemeenschappelijke faciliteiten; […] In afwijking van het tweede lid, 1° zijn de vakantieparken, bungalowpar- ken en campings gesloten voor het publiek vanaf 3 november 2020, met uitzondering van de vakantieverblijven, bungalows, chalets en kampeer- IX-9833-4/29 voorzieningen die dienen voor het gebruik door de eigenaar en/of diens huishouden, of door een huishouden dat er zijn gewoonlijke verblijfplaats heeft, en enkel voor dit gebruik. § 2. Voor de horeca-activiteiten die door dit besluit worden toegelaten, gelden bij het ontvangen van klanten minstens de volgende specifieke modaliteiten, onverminderd artikel 5: […].” Artikel 1, 10° tot 12°, van het covidbesluit, zoals gewijzigd, leert wat moet worden begrepen onder enkele specifieke logiesvormen: “10° „vakantiepark‟: het geheel van vakantieverblijven aangeboden in de toeristische sector; 11° „bungalowpark‟: het geheel van bungalows en/of chalets in een aan- gelegde omgeving en aangeboden in de toeristische sector; 12° „camping‟: een terrein met voorzieningen om te kamperen, aangeboden in de toeristische sector.” Ook artikel 28 van het covidbesluit wordt vervangen. De maat- regelen zijn nu van kracht tot 13 december 2020. 3.4. Bij ministerieel besluit van 28 november 2020 wordt voormeld artikel 28 opnieuw vervangen. De maatregelen van het covidbesluit zijn van kracht tot 15 januari 2021. 3.5. Bij ministerieel besluit van 12 januari 2021 verlengt de minister, door middel van een wijziging van artikel 28 van het covidbesluit, de maatregelen tot 1 maart 2021. 3.6. Eerste verzoekster is een beroepsorganisatie van zelfstandige ondernemers actief in de sector van de openluchtrecreatieve verblijfsrecreatie in Vlaanderen. De andere verzoeksters zijn ondernemingen, actief in de sector – de tweede, derde en vierde verzoekster inzonderheid als uitbater van kampeerterrei- nen. IX-9833-5/29 IV. Ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing a. Ontvankelijkheid ratione temporis Exceptie 4. De verwerende partij werpt op dat de vordering, gericht tegen artikel 6, § 1, derde lid, van het covidbesluit laattijdig is. Dit betekent volgens haar ook dat verzoeksters geen ontvanke- lijke wettigheidskritiek kunnen uitoefenen op de inhoud van deze bepaling. Het loutere feit dat zij ook de verlenging van die maatregelen bestrijden, leidt volgens de verwerende partij niet tot een ander besluit. De verwerende partij ziet zich gesterkt in deze zienswijze door volgende overweging van het Grondwettelijk Hof in zijn arrest 13/2018 van 7 februari 2018: “Het Grondwettelijk Hof is van oordeel dat wanneer een wetgever in nieuwe wetgeving een oude bepaling overneemt en zich op die wijze de inhoud ervan toe-eigent, tegen de overgenomen bepaling een beroep kan worden ingesteld binnen zes maanden na de bekendmaking ervan. Wan- neer de wetgever zich evenwel beperkt tot een louter legistieke of taal- kundige ingreep of tot een coördinatie van bestaande bepalingen, wordt hij niet geacht opnieuw te legifereren en zijn de grieven ratione temporis on- ontvankelijk in zoverre zij in werkelijkheid tegen de voorheen reeds be- staande bepalingen zijn gericht.” Artikel 6, § 1, derde lid, van het covidbesluit is niet meer ge- wijzigd sinds 1 november 2020. Er is dus geen sprake van een “overname” van een bepaling in de zin van deze rechtspraak. Beoordeling 5. Verzoeksters hebben de ministeriële besluiten van 28 oktober 2020, 1 november 2020 en 28 november 2020 niet met een beroep tot nietigver- klaring aangevochten. IX-9833-6/29 Zoals ook blijkt uit artikel 17, § 4, derde lid, RvS-Wet is een binnen de verjaringstermijn ingediend verzoekschrift tot nietigverklaring, waarin middelen worden aangevoerd die eventueel de schorsing of andere voorlopige maatregelen kunnen rechtvaardigen, noodzakelijk opdat laatstgenoemde maatre- gelen bevolen kunnen worden. De verjaringstermijn om van die ministeriële besluiten de nie- tigverklaring te vragen, lijkt op het ogenblik waarop verzoeksters huidige vorde- ring instellen, verstreken te zijn. Aangezien de vordering tot schorsing of tot het opleggen van andere voorlopige maatregelen een accessorium is van het annula- tieberoep, is ook de vordering in die mate, zo lijkt, laattijdig. In die mate is de exceptie, die desnoods ambtshalve wordt uit- gebreid tot alle voormelde ministeriële besluiten, voldoende ernstig om ze reeds in de huidige stand van het geding aan te nemen. 6. Wat dan weer het ministerieel besluit van 12 januari 2021 betreft, mist de exceptie ernst aangezien de huidige zaak binnen twee weken na de be- kendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad van dezelfde dag is ingeleid: dit is binnen de verjaringstermijn. In die mate is de exceptie ratione temporis niet ernstig. Hierna wordt, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, enkel naar voormeld ministerieel besluit van 12 januari 2021 verwezen als “het bestreden besluit”. 7. De Raad van State kan de gevolgtrekking over de ontvanke- lijkheid van de wettigheidskritiek op de inhoud van het covidbesluit, die de ver- werende partij uit haar exceptie afleidt, niet bijvallen. IX-9833-7/29 De verwerende partij heeft bij het covidbesluit initieel beper- kingen opgelegd aan het maatschappelijk leven die luidens het besluit zelf beperkt zijn in tijd. Om hen moverende redenen hebben verzoeksters geoordeeld dit besluit gedurende de vooropgestelde periode te kunnen ondergaan. Het ministerieel besluit van 12 januari 2021 lijkt méér dan een “louter legistieke of taalkundige ingreep” en al zeker geen “coördinatie van be- staande bepalingen” waarover het Grondwettelijk Hof zich uitsprak in zijn arrest van 7 februari 2018. Het valt op het eerste gezicht integendeel te vergelijken met de situatie waarbij de verwerende partij “een oude bepaling overneemt en zich op die wijze de inhoud ervan toe-eigent”. Het ministerieel besluit van 12 januari 2021 is op te vatten, zo lijkt, als een nieuwe wilsuiting van de verwerende partij om de coronamaatregelen uit het covidbesluit te hernemen. Zij kon dit doen door de inhoud van het tijdelijke covidbesluit in een nieuw besluit volledig te hernemen, maar zij koos voor de wetgevingstechniek van de aanpassing van het artikel dat de toepassing in tijd bepaalt. In wezen komt dit echter evenzogoed neer op een nieuwe, ook inhoude- lijke wilsuiting om de maatregelen die zijn opgenomen in het covidbesluit opnieuw op te leggen, ditmaal tot 1 maart 2021. Des te meer blijkt dit het geval, nu het ministerieel besluit van 12 januari 2021 tot stand is gekomen na een nieuwe be- oordeling van de evolutie van de coronastatistieken en de adviezen die de minister daarover kreeg van haar experts en het ook inhoudelijke wijzigingen van het co- vidbesluit bevat. Wat artikel 9 van het ministerieel besluit van 12 januari 2021 betreft en aangezien die bepaling de toepassing van artikel 6, § 1, derde lid, van het covidbesluit in de tijd verlengt, mist de exceptie in zoverre ernst. Het moet ver- zoeksters op het eerste gezicht dan ook toegelaten worden, om in hun vordering tegen voormeld ministerieel besluit van 12 januari 2021 de wettigheidskritiek te betrekken die zij hebben op artikel 6 van het covidbesluit, zoals gewijzigd bij ministerieel besluit van 1 november 2020. IX-9833-8/29 b. Ontvankelijkheid ratione materiae - ondeelbaarheid Exceptie 8. Volgens de verwerende partij bevat het covidbesluit “ondeelba- re” delen. De Raad van State is onbevoegd om in te grijpen in “ondeelbare delen” van het covidbesluit, waarvan de bepalingen “in hun geheel het gezochte even- wicht in het bestrijdings- en versoepelingsbeleid van de federale overheid vorm- geven”. Het gegeven dat de minister zelf bijwijlen puntsgewijze wijzigingen aan het covidbesluit doorvoert, leidt er niet toe dat ook de Raad van State dit zou vermogen te doen. Het covidbesluit is met inbegrip van zijn wijzigingen ondeel- baar “in de mate dat dit het resultaat vormt van de […] evenwichtsoefening en appreciatie van de vereisten van het algemeen belang in crisistijd”. Ook artikel 6 van het covidbesluit is onlosmakelijk verbonden met de andere bepalingen van hetzelfde besluit, die samen tot doel hebben de verspreiding van het virus te voorkomen. Verzoeksters bestrijden volgens de verwerende partij niet het ondeelbare geheel vervat in het ministerieel besluit van 28 oktober 2020, zodat de vordering onontvankelijk dient te worden bevonden. De verwerende partij verwijst onder meer naar ‟s Raads arresten nrs 247.710 en 247.714 van 4 juni 2020. Beoordeling 9. Verzoeksters vorderen nog ontvankelijk de schorsing van “[a]rtikel 9 van het Ministerieel Besluit van 12 januari 2021 houdende wijziging van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus Covid-19 te beperken”. IX-9833-9/29 Dit artikel verlengt de toepassing van het gehele covidbesluit. Nietigverklaring, casu quo schorsing van de tenuitvoerlegging van dit artikel, zou tot gevolg hebben dat het covidbesluit, met inbegrip van al zijn wijzigingen, slechts geldt tot 15 januari 2021. De exceptie mist op het eerste gezicht feitelijke grondslag en is dus niet ernstig. 10. Slechts ten overvloede bedenkt de Raad van State het volgende. De zienswijze van de verwerende partij vertrekt van een schijnbaar correcte toe- passing van de theorie van de zogenaamde ondeelbare reglementaire akte. In de concrete omstandigheden, waarbij de verwerende partij opteert voor de techniek van opeenvolgende en partiële aanpassingen van een reglementair besluit, heeft dit evenwel tot gevolg dat eenieder die zich gegriefd weet door navolgende wijzi- gingen aan de coronamaatregelen die zijn aangenomen nadat de verjaringstermijn van het initiële besluit is verstreken, de toegang tot de rechter definitief versperd zou zien omdat hij nu eenmaal niet meer de nietigverklaring van het gehele besluit kán vorderen. Het is een zienswijze die de Raad van State thans niet nader moet onderzoeken en beoordelen, maar die alvast op gespannen voet zou staan met de rechtsbescherming van de burger, die hem ook door internationale verdragen wordt gewaarborgd. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 11. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min- stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood- zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. IX-9833-10/29 VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de verwerende partij 12. Volgens de verwerende partij hebben verzoeksters niet diligent gehandeld. Ook lijden zij volgens de verwerende partij geen ernstig finan- cieel nadeel. Eerste verzoekster legt daaromtrent geen stukken neer. Wat de andere verzoeksters argumenteren, is volgens de verwerende partij niet overtuigend “om te besluiten dat hun activiteiten op een definitieve wijze in gevaar worden gebracht of dat ze een belangrijk deel van hun activiteiten zullen moeten stopzetten of dat ze na de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen op een faillissement afste- venen of dat het voortbestaan van hun onderneming ernstig in het gedrang wordt gebracht”. Zij laten na hun beschikbare financiële middelen te bewijzen. Tweede verzoekster legt slechts gegevens voor van één van haar vier vestigingseenheden, waarvoor zij slechts een minimaal omzetverlies heeft geleden in 2020 vergeleken met 2019. Haar hoogseizoen is in de zomermaanden te situeren. Haar beweerde uitgaven zijn ongeloofwaardig. Ook het beweerde omzetverlies van derde ver- zoekster wordt betwist. Zij heeft immers andere activiteiten, die niet door het covidbesluit zijn getroffen. Vierde verzoekster brengt geen concreet cijfermateri- aal bij dat haar beweerd dramatische omzetverliezen bewijst. Ook voor haar zijn de zomermaanden het hoogseizoen. Haar recurrente kosten worden niet aangetoond. Al deze kritiek kan worden herhaald voor vijfde verzoekster. Zelfs indien het beweerde financiële nadeel ingevolge de be- streden bepaling voor waar zou kunnen worden aangenomen, zijn er van over- heidswege voldoende initiatieven genomen om de financiële gevolgen die voort- vloeien uit de coronacrisis en de bestrijding daarvan te milderen en compenseren. De verwerende partij geeft een overzicht van deze flankerende steunmaatregelen. IX-9833-11/29 Beoordeling 13. De huidige vordering is binnen twee weken na de bekendmaking van het bestreden besluit in het Belgisch Staatsblad van dezelfde dag ingeleid: dit is niet enkel binnen de verjaringstermijn, maar ook voldoende diligent. 14. Misschien stevenen de tweede tot vijfde verzoekster nog niet dadelijk af op een faillissement. Feit is wel dat zij, de eerste lockdownperiode inbegrepen, ge- durende maanden hun normale activiteiten hebben moeten terugschroeven of zelfs stopzetten, minder of geen omzet boekten en geen inkomen of winst konden rea- liseren. Daartegenover staan aanzienlijke afbetalingsverplichtingen aan hun bankrelatie voor de investeringen die zij hebben gedaan en andere, niet-indrukbare vaste kosten zoals voor verwarming, verzekering, onderhoud of belastingen. Verzoeksters geven hiervan een becijfering waarbij zij ook rekening hebben ge- houden met de overheidspremies. De concrete cijfermatige uiteenzetting die tweede, derde en vierde verzoekster in het inleidend verzoekschrift geven en de stukken die zij ter ondersteuning hiervan voorleggen, overtuigen de Raad van State ervan dat zij een financieel nadeel ondergaan met een impact die hen in going concern problemen dreigt te brengen, zodat zij mogen nastreven om dit nadeel af te wenden middels de procedure van de uiterst dringende noodzakelijkheid. De eerste schorsingsvoorwaarde is alleszins in hoofde van tweede tot vierde verzoekster vervuld, zodat niet moet worden onderzocht of ook de argumenten van eerste en vijfde verzoekster overtuigen. IX-9833-12/29 VII. Ernst van het eerste middel Standpunt van de partijen 15. Het eerste middel is onder meer geput uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van de materiëlemotiveringsplicht als al- gemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Verzoeksters wijzen op het verschil in behandeling tussen de verschillende logiesvormen en, wat de vakantieparken, bungalowparken en cam- pings betreft, het verschil in behandeling naargelang de voorzieningen dienen voor gebruik door “de eigenaar en/of diens huishouden” (hierna gemakshalve: eige- naars) of “een huishouden dat er zijn gewoonlijke verblijfplaats heeft” (hierna gemakshalve: verblijfplaatshouders), en anderen. Zij zetten uiteen dat voor het gemaakte onderscheid geen enkele motivering of verantwoording wordt gegeven. Het eerstgenoemde verschil is volgens hen ook niet redelijker- wijze verantwoord: “Met deze afwijking op de algemene regel […] wordt een onderscheid geïnstalleerd tussen personen die zich in een gelijke situatie bevinden, zonder dat dit onderscheid redelijk verantwoord is. Het valt niet redelij- kerwijze te verantwoorden waarom bvb verhuurders van appartementen in appartementsgebouwen aan de kust hun appartementen wel mogen ver- huren terwijl verhuurders van vakantiewoningen in een vakantiepark dit niet zouden mogen. Gelet op het feit dat de maatregel in kwestie genomen werd om de verspreiding van het coronavirus Covid-19 te beperken, bieden de professionele verhuurders van vakantiewoningen in vakantieparken dezelfde garanties als de verhuurder van het appartement, meer nog, kun- nen zelfs meer garanties bieden, nu de verhuurders en de huurders zich in een appartementsgebouw dienen te begeven, een gezamenlijke lift dienen te nemen, …, terwijl in het vakantiepark elke huurder over een eigen, af- zonderlijke vakantiewoning beschikt zonder dat hij hierbij met iemand in contact dient te komen. Dit klemt des te meer voor de zelfvoorzienende toeristische verhuureenheden (vakantieparken die individueel bereikbaar zijn zonder tussenkomst van receptie of sleuteloverdracht, m.a.w. con- IX-9833-13/29 tactloze toegang tot de woning via een pincode die de huurders via email of telefonisch bezorgd worden, zoals bvb. tweede verzoekende partij).” Het verschil tussen enerzijds eigenaars/verblijfplaatshouders en anderzijds anderen schendt eveneens het gelijkheidsbeginsel: “Het tegenhouden van de verspreiding van het Covid19-virus verantwoordt niet dat het niet zou toegestaan zijn om om de zoveel weken, dagen,..., andere huurders in een vakantiewoning te laten verblijven, terwijl dit bij- voorbeeld wel toegestaan wordt in een appartementsgebouw waarbinnen zich verschillende appartementen bevinden die in het kader van vakantie- verhuur verhuurd worden en waar zich ook appartementen met vaste be- woners (eigenaars, woninghuur) bevinden. Dit is wel toegestaan, waar dergelijk scenario in een vakantiepark dan weer niet toegelaten is. Meer nog, het scenario in het vakantiepark biedt grotere waarborgen naar be- perking van de verspreiding van het Covid19-virus toe, nu geen apparte- mentsgebouw dient betreden te worden, geen gemeenschappelijke ruimtes dienen betreden te worden, geen gezamenlijke lift dient genomen te wor- den, … Ook voor dit gemaakte onderscheid wordt geen verantwoording gegeven. Dit gemaakte onderscheid is bijgevolg evenzeer onvoldoende pertinent, noch wordt deze redelijkerwijze verantwoord.” Verzoeksters merken op dat ook zij de beperkende maatregelen die aan de andere logiesvormen zijn opgelegd kunnen naleven. Verzoeksters stellen vast dat de juridische en feitelijke overwe- gingen die aan het besluit ten grondslag liggen om niet alle logies open te houden en te besluiten om in afwijking hiervan de vakantieparken, bungalowparken en campings gesloten te houden – met uitzondering van de vakantieverblijven, bun- galows, chalets en kampeervoorzieningen die dienen voor eigenaars of verblijf- plaatshouders, en enkel voor dit gebruik – in de door hen bestreden besluiten niet terug te vinden zijn. Daarnaast gaan verzoeksters uitgebreid in op de “interpretatie” die de Vlaamse Gemeenschap blijkens haar website geeft aan de bestreden maat- regelen en waarin zij ook ongelijkheden bespeuren. IX-9833-14/29 16. In haar nota met opmerkingen stelt de verwerende partij dat de bestreden maatregel steunt op een wettelijke grondslag en een legitieme doelstel- ling van algemeen belang nastreeft. Volgens de verwerende partij vormen de inrichtingen van ver- zoeksters en hotels en andere logiesvormen geen vergelijkbare categorieën. Reeds sinds het ministerieel besluit van 18 maart 2020 wordt gewerkt met een lijst van diensten of bedrijven die essentieel worden geacht en die hun activiteiten kunnen voortzetten, mits bepaalde veiligheidsregels in acht worden genomen. Van bij aanvang werden de hotels opgenomen in deze lijst, vanuit de overweging dat de mogelijkheid tot logement beantwoordt aan een maatschappelijke nood. De va- kantieparken, bungalowparken en campings hebben een uitsluitend recreatief karakter en beantwoorden dus minder aan die maatschappelijke nood. De verwerende partij herinnert eraan dat zij bij de keuze van de maatregelen beschikt over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Rekening hou- dend met de politiebevoegdheden van de minister en de zeer bijzondere feitelijke situatie van de gezondheidscrisis, dient de “opportuniteitscontrole” van de Raad van State zich te beperken tot “de manifest onredelijke maatregelen”, aldus de verwerende partij. De opgelegde sluiting van de vakantieparken, bungalowparken en campings kadert in een breed pakket aan maatregelen, zoals verplicht tele- thuiswerk, verbod op huis-aan-huis en leurdersactiviteiten en teambuildings met fysieke aanwezigheid, sluiting voor het publiek van ondernemingen die goederen aanbieden aan consumenten. Die maatregelen zijn er essentieel op gericht om het aantal sociale contacten drastisch te beperken. Zoals blijkt uit de aanhef van het ministerieel besluit van 1 november 2020, vormen bijeenkomsten in besloten of overdekte plaatsen, maar ook in openlucht, nog steeds een specifieke bedreiging voor de volksgezondheid. De betrokken maatregel beoogt niet alleen om verza- melingen van grote groepen personen aan en in de voormelde parken te voorko- IX-9833-15/29 men, maar tevens om het aantal verplaatsingen te beperken, wat eveneens een doeltreffende maatregel is tegen de verspreiding van Covid-19. Verzoeksters betwisten als dusdanig niet dat een dergelijke slui- ting het aantal sociale contacten reduceert en dat een reductie van het aantal sociale contacten bijdraagt tot de beheersing en indijking van de epidemie. De juistheid van deze materiële motieven wordt niet betwist door verzoeksters. Er hoeft dan ook geen bewijs voor te liggen dat het “verhuren van vakantiewoningen in een vakantiepark een groter risico aan verspreiding van het Covid19-virus met zich meebrengt dan het verhuren van een hotelkamer, een kamer binnen een B&B, een appartement in een appartementsgebouw, een plaats op een camping of op een camperterrein”. Verzoeksters betwisten voorts niet dat hotels in redelijkheid tot de noodzakelijke bedrijven en diensten kunnen worden gerekend. De vakantie- parken, bungalowparken en campings hebben een uitsluitend recreatief karakter en beantwoorden dus minder aan de maatschappelijke nood aan logement. Ter reali- satie van de doelstelling om het aantal sociale contacten drastisch te beperken, is het niet onredelijk om daarbij een onderscheid te maken tussen ondernemingen die hoofdzakelijk een “niet-essentiële” dienstverlening aanbieden en ondernemingen die “noodzakelijke” diensten aanbieden. Het vermeende onderscheid in behande- ling is dan ook in elk geval redelijk verantwoord. Wat specifiek de vakantieparken, bungalowparken en campings betreft – die gekenmerkt worden door hun besloten karakter en een mogelijke verzameling van grote groepen personen – heeft de verwerende partij geoordeeld dat deze inrichtingen een bijzonder gezondheidsrisico vormen, gelet op het feit dat zij van aard zijn om grote groepen personen, van verschillende leeftijden en van verschillende risicogroepen, bij elkaar te brengen. Dit blijkt tevens uit het feit dat de “alleenstaande vakantieverblijven”, blijkens de nota aan de ministerraad van 1 november 2020, worden beschouwd als hotels en dus geopend mogen blijven. Zoals blijkt uit de notificatie van 30 oktober 2020 aan het overlegcomité, ligt de IX-9833-16/29 focus van de maatregelen op sectoren, activiteiten en situaties waar veel mensen op één plaats samenkomen. Ook in de aanhef van het ministerieel besluit van 1 no- vember 2020 wordt dezelfde bezorgdheid geuit. Doordat het risico bestaat dat grote groepen personen bijeenkomen op plaatsen zoals de “sea cottages” van tweede en vijfde verzoekster, met verschillende sociale interacties tot gevolg, heeft de verwerende partij besloten om dergelijke inrichtingen te sluiten. Ook in de huidige stand van zaken is het nog steeds noodzakelijk om het aantal sociale contacten drastisch te beperken en het aantal verplaatsingen te reduceren. Zowel uit de nota van het regeringscommissariaat Corona van 6 januari 2021 aan het overlegcomité als uit de epidemiologische update van de RAG van 6 januari 2021 blijkt immers dat het nog steeds onontbeerlijk is om de bestaande maatregelen, waaronder de sluiting van de vakantieparken, bungalow- parken en campings, te handhaven. Dit geldt in het bijzonder gelet op de nieuwe Sars-CoV-2-varianten die thans circuleren in het land. In het kader daarvan heeft de verwerende partij het bovendien recent noodzakelijk geacht om een verbod op niet-essentiële reizen in te voeren, waaruit de ernst van de situatie blijkt en der- halve de noodzaak om het aantal sociale contacten in te perken. De bewering dat de gezondheidsrisico‟s geringer zouden zijn in de inrichtingen van verzoeksters en er ook om die reden sprake zou zijn van een ongelijke behandeling, wordt op geen enkele manier concreet aangetoond. Inte- gendeel, het concept „vakantieparken, bungalowparken en campings‟ kenmerkt zich erdoor dat verschillende faciliteiten in de regel worden gedeeld door meerdere personen. Niet zelden worden immers sanitaire voorzieningen, speelpleinen voor kinderen of wassalons gemeenschappelijk gebruikt. Dit is bijvoorbeeld het geval voor de vestigingseenheid „Camping Veld en Duin‟ van derde verzoekster. Bo- vendien maken verzoeksters ten onrechte abstractie van mogelijke incidentele sociale contacten, zoals tijdens verplaatsingen of ten gevolge van congestie van personen aan de in- en uitgangen van de betrokken parken. IX-9833-17/29 Volgens de aangevochten maatregel zijn de vakantieparken, bungalowparken en campings gesloten voor het publiek vanaf 3 november 2020, met uitzondering van de vakantieverblijven, bungalows, chalets en kampeervoor- zieningen die dienen voor het gebruik door de eigenaar of de verblijfplaatshouder, en enkel voor dit gebruik. De verwerende partij ziet niet in op welke manier een ongelijke behandeling in het leven wordt geroepen. Enkel de eigenaars of hun huishouden alsook een huishouden dat er zijn gewoonlijke verblijfplaats heeft, kunnen toegang hebben tot de vakantieparken, bungalowparken en campings. De vermelding “en enkel voor dit gebruik” impliceert precies dat er geen verhuring kan zijn. Er is dan ook hoegenaamd geen sprake van een ongelijke behandeling. De verwerende partij verwijst nog naar de wijze waarop de mi- nister zich voor haar besluitvorming laat omringen “door verschillende deskun- digen, waaronder de Regeringscommissaris Corona, de RAG, Celeval (thans de Gems)”. De te nemen maatregelen worden onderworpen aan voorafgaande be- sprekingen in het overlegcomité. Uit de verschillende stappen van dit besluitvor- mingsproces blijkt dat de maatregelen slechts zijn genomen na een zorgvuldig feitelijk onderzoek en dat ze aan een zorgvuldige belangenafweging worden on- derworpen. Daarbij, zo merkt de verwerende partij op, blijkt uit het advies van Celeval van 29 oktober 2020 dat onder de experts onder meer de volgende maatregelen overwogen werden: “Alle sociale contacten dienen sterk gereduceerd te worden in de periode van 1 tot en met 14 november. Er is geen consensus over hoe deze con- tacten best beperkt worden; - door het verbieden van alle niet-essentiële verplaatsingen en het sluiten van de niet-essentiële winkels - en/of door het instellen van een perimeter van 5 of 10 kilometer (zoals in Frankrijk).” Hoewel daarover geen consensus was bij de experts van Celeval, werd de invoering van een verbod op niet-essentiële verplaatsingen wel degelijk overwogen, samen met de sluiting van de niet-essentiële winkels, alsook de mo- IX-9833-18/29 gelijke invoering van een “perimeter”. Dit illustreert niet alleen de ernst van de toenmalige toestand, maar ook dat de bestreden maatregelen minder verregaand zijn dan wat toen alvast door bepaalde experts werd voorgesteld. In de aanhef van het ministerieel besluit van 1 november 2020 wordt ten slotte verwezen naar de vroegere adviezen van Gees en Celeval, zodat deze volgens de verwerende partij eveneens tot de materiële motivering kunnen worden gerekend. In deze adviezen werd reeds eerder gewezen op de noodzake- lijkheid van deze maatregelen wanneer de epidemiologische toestand ernstig is, waarbij er bij de versoepelingen op werd gewezen dat steeds de noodzakelijkheid kon blijken om strengere maatregelen aan te nemen. Uit het geheel van de advie- zen, waarnaar wordt verwezen in de besluitvorming en waarop deze steunt, en de verwijzingen naar de collegiale besprekingen in de uitgebreide Nationale Veilig- heidsraad, het overlegcomité en de ministerraad, blijkt een constante belangen- afweging op grond van de beschikbare wetenschappelijke kennis, waarbij het belang van de volksgezondheid afgewogen wordt tegen de maatschappelijke en economische gevolgen van de bestrijdingsmaatregelen, waaronder de weerslag op de individuele rechten. Zoals steeds worden ook in het voorliggende geval de maatregelen opgelegd voor een korte duur en na evaluatie aangepast dan wel verlengd. De huidige epidemiologische toestand van het land, waarbij de “tweede golf” nog steeds niet afgelopen is, noopt vooralsnog tot een verlenging van de maatregelen. Verschillende “niet-essentiële” inrichtingen zijn thans nog steeds gesloten. Beoordeling 17. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. IX-9833-19/29 Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld, rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen. Het gelijkheidsbe- ginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenre- digheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. 18. Het loutere feit dat een verschil in behandeling reeds in een vroegere regel was vervat, volstaat niet om de nieuwe regel te verantwoorden in het licht van het gelijkheidsbeginsel. 19. Verzoeksters bestrijden niet de wettelijke grondslag van de be- streden maatregel. Zij betwisten evenmin dat die maatregel een wettig doel na- streeft door de verspreiding van het virus te willen beperken. Deze aspecten van de toets aan het gelijkheidsbeginsel zijn bijgevolg niet in het debat betrokken en worden door de Raad niet onderzocht. Wat de verwerende partij er nog over schrijft in haar nota is niet dienstig. 20. Met de eis om een verschil in behandeling in redelijkheid te kunnen verantwoorden, kan de materiëlemotiveringsplicht in verband worden gebracht. Die verplichting houdt in dat het bestreden besluit moet worden gedragen door rechtens verantwoorde motieven. Hiervoor dient in de eerste plaats te worden gekeken naar de motieven verstrekt in de beslissing zelf en daarnaast mag ook rekening worden gehouden met de motieven die kunnen worden afgeleid uit het dossier dat ten tijde van de besluitvorming voorlag. 21. De Raad van State doet geen “opportuniteitscontrole”, maar een legaliteitscontrole. De verwerende partij moet de Raad van State niet overtuigen van haar discretionaire beoordelingsruimte om tot beleidsvorming te komen bij de bestrijding van de pandemie. Haar beleidsvorming is inderdaad ook in ruime mate geflankeerd door wetenschappelijke adviezen van experts. De minister laat haar IX-9833-20/29 besluiten ook voorafgaan door overleg met de andere politieke verantwoordelijken van het land, de gewesten en de gemeenschappen. Aan de minister kan op het eerste gezicht niet worden verweten dat zij onzorgvuldig optreedt in de huidige crisissituatie. 22. De Raad is het met de verwerende partij ook eens dat een me- dedeling op de website van Toerisme Vlaanderen die een bepaalde interpretatie zou bevatten van het vermelde artikel 6, § 1, van het covidbesluit niet onder haar verantwoordelijkheid valt – ongeacht of deze interpretatie correct of verkeerd is – en bijgevolg de schending van het gelijkheidsbeginsel of van de materiëlemotive- ringsplicht door de verwerende partij niet kan aantonen. 23. Die vaststellingen kunnen echter niet wegnemen dat er een mi- nimaal aannemelijke verantwoording moet bestaan voor het verschil in behande- ling dat verzoeksters aankaarten, eensdeels tussen verblijfsparken die moeten sluiten en andere logiesvormen die mogen openblijven en anderdeels tussen ter- beschikkingstelling aan eigenaars/verblijfplaatshouders en aan anderen. Volgens de initiële tekst van artikel 6 van het covidbesluit waren alle logiesvormen toegelaten en werden ze bijgevolg niet verschillend behandeld. Indien de verwerende partij nadien meent dat logiesverstrekkende ondernemingen in het algemeen gasten mogen ontvangen, dan mogen verzoeksters zich terecht afvragen waarom dat niet meer voor hen geldt. Indien zij dan ook nog eens vast- stellen dat voor hun vorm van logies toch toelating wordt gegeven om open te blijven, mits de bewoner ervan eigenaar of verblijfplaatshouder is, dan mogen zij terecht vragen wat dit bijkomend onderscheid verantwoordt. Dat verzoeksters niet betwisten dat een sluiting van onderne- mingen in de toeristische sector het aantal sociale contacten reduceert en dat een reductie van het aantal sociale contacten bijdraagt tot de beheersing en indijking van de epidemie, ontneemt hen niet het recht om, behoudens redelijke verant- woording, gelijk te worden behandeld als andere logiesvormen aan wie het niet- IX-9833-21/29 temin wel toegelaten is om open te blijven, des te meer als die logiesvormen in dezelfde mate zorgen voor hoogrisicocontact en voor vermijdbare verplaatsingen. 24. De stelling dat verzoeksters en andere logiesvormen geen “ver- gelijkbare categorieën” zijn, zoals de verwerende partij beweert, gaat op het eerste gezicht niet op. De verwerende partij plaatst zelf in het covidbesluit eerst alle logiesvormen in één categorie en onderwerpt ze aan éénzelfde regel, om ze dan later verschillend te behandelen. De omstandigheid dat, eensdeels, vakantieparken, bungalowparken en campings en, anderdeels, andere logiesvormen (hotels, motels, B&B‟s, vakantiewoningen, gîtes, vakantieappartementen, airBnB, …) zich in verschillende situaties bevinden, volstaat niet om te besluiten dat die categorieën van logiesvormen niet vergelijkbaar zijn. Ten aanzien van de exceptie van niet-vergelijkbaarheid dient in herinnering te worden gebracht dat verschil en vergelijkbaarheid niet met elkaar mogen worden verward. 25. Uit oogpunt van het gelijkheidsbeginsel is voorts niet de vraag te beantwoorden of de verwerende partij goede redenen heeft om deze sector te sluiten maar wel, nu zij slechts tot een gedeeltelijke sluiting besluit, of het onder- scheid tussen wie open mag blijven en wie niet de toets van het gelijkheidsbeginsel doorstaat. Dat wordt hierna onderzocht. 26. Een formele toelichting, laat staan verantwoording van de restricties voor het aanbieden van logiesvormen, of voor het tussen logiesvormen gemaakte onderscheid, kan in geen enkele considerans van de vier in het voorwerp vermelde ministeriële besluiten worden gelezen. De verwerende partij refereert in haar nota weliswaar aan de passus in de considerans van het ministerieel besluit van 1 november 2020 met betrekking tot “bijeenkomsten in besloten of overdekte plaatsen, maar ook in openlucht”. Die overweging lijkt op het eerste gezicht echter niet dienstig. Ze lijkt IX-9833-22/29 niet een verantwoording te zijn van de onderscheiden regels voor het logies, maar wel voor contacten in winkels en “inrichtingen die behoren tot de culturele, fees- telijke, sportieve, recreatieve en evenementensector”. Dezelfde passus vermeldt nog de noodzaak om contacten te beperken voor de in de huidige zaak nog minder relevante “sportwedstrijden en jeugdactiviteiten” en “huwelijken of begrafenis- sen”. De verantwoording moet dus blijken uit het administratief dos- sier. 27. De verwerende partij legt een nota van 105 bladzijden neer, met een administratief dossier dat uit vier kaften bestaat met samen 137 stukken. In een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid moet een partij enkel datgene aan de rechter voorleggen wat absoluut noodzakelijk is om de zaak prima facie te kunnen beoordelen. In ieder geval moet de verwerende partij, indien zij graag veel stukken produceert, de rechter secuur aangeven waar hij de verantwoording kan lezen in de 137 overtuigingsstukken die zij in het geding brengt. In de korte tijd waarin hij kennis neemt van het geschil mag van de Raad niet worden verwacht dat hij zelf op speurtocht gaat en aldus als het ware zelf het verweer voert tegen het aangevoerde middel. 28. Hierna wordt dan ook enkel rekening gehouden met wat de verwerende partij in de nota expliciet aanvoert als verweer en de overtuigings- stukken die zij er ter ondersteuning van dat verweer dadelijk mee in verband brengt. 29. Volgens de verwerende partij zijn hotels “diensten die noodza- kelijk zijn voor de vitale belangen van de Natie en de behoeften van de bevolking”. Zij merkt op dat zij die hotels heeft opgenomen op een lijst van zulke noodzakelijke diensten. Wat haar drijfveer is om hotels op die lijst op te nemen, expliciteert zij niet in haar nota. Zij schrijft wel dat de logiesvorm die IX-9833-23/29 verzoeksters aanbieden uitsluitend te situeren is in het recreatieve. De Raad van State durft daaruit te begrijpen, mede gelet op wat de verwerende partij op de terechtzitting nog toelicht, dat het openhouden van hotels in het kader van “de vitale belangen” van het land verband houdt met de economische context, zoals de noodzaak om logies aan te bieden aan werknemers die om een of andere reden overnachtingsmogelijkheden zoeken of aan personen die zich moeten isoleren. Indien de verwerende partij vervolgens echter ook de apart- hotels, gîtes, B&B‟s en alleenstaande vakantieverblijven tot de categorie van de hotels rekent, dan ontsnapt de logica hiervan aan de Raad van State. Zoals ver- zoeksters opmerken, bieden zij evengoed – zo niet meer – verblijven aan waar afstand kan worden gehouden en waar mensen niet in één ruimte of één plaats moeten samenkomen. Met andere woorden, indien er volgens de verwerende partij reden is om hotels tot de essentiële diensten te rekenen, dan verzuimt zij voor- alsnog afdoende aan te tonen waarom andere verblijfsvormen die minstens even secuur de sanitaire regels kunnen naleven uitgezonderd moeten worden. Boven- dien zijn hotels en de ermee gelijkgestelde logiesvormen niet beperkt open, in de zin dat zij enkel overnachtingsmogelijkheden mogen geven aan welbepaalde personen die noodzakelijk van hun diensten gebruik moeten kunnen maken om de essentiële diensten van het land draaiende te houden. Die hotels mogen ook zonder meer de toeristische markt bedienen. Daarentegen is het niet uitgesloten dat va- kantieparken, bungalowparken en campings logies aanbieden met een ander dan recreatief oogmerk. Alvast de vermelding van de verblijfplaatshouders wijst daarop. 30. De verwerende partij verwijst naar een aanbeveling van Celeval van 29 oktober 2020. De experts hebben volgens de verwerende partij toen voor- gesteld om strenger op te treden en alle niet-essentiële handelszaken te sluiten. De verwerende partij citeert uit een advies van Celeval dat be- trekking heeft op een vroegere verlenging van het covidbesluit. IX-9833-24/29 Bovendien, in de adviezen van de experts die meer verregaande restricties voorstellen zal dus, zo lijkt, niet de reden terug te vinden zijn waarom de minister nu eenmaal van hun advies is afgeweken en nog minder waarom zij dan een onderscheid heeft gemaakt tussen bepaalde logiesvormen. Het verweer, met referentie aan vroegere arresten van de Raad, dat de minister “op de actuele ad- viezen van deskundigen [mag] vertrouwen [omdat] een andere manier van ver- antwoorde beleidsbepaling niet goed denkbaar is” (RvS, algemene vergadering afdeling Bestuursrechtspraak, nr. 248.780 van 28 oktober 2020), lijkt in de huidige zaak niet dienstig. 31. Het gevaar dat sanitaire voorzieningen, speelpleinen voor kin- deren of wassalons gemeenschappelijk gebruikt kunnen worden, overtuigt prima facie niet: artikel 6, § 1, tweede lid, van het covidbesluit verbiedt immers hoe dan ook de opening van de “gemeenschappelijke faciliteiten”. Bovendien gelden voor de logies die verzoeksters aanbieden niet minder de regels inzake verbod op samenscholingen of nauw contact als bedoeld in artikel 15 van het covidbesluit. 32. De doelstelling om sociale contacten terug te dringen laat prima facie begrijpen waarom in een uitzondering wordt voorzien voor verblijfplaats- houders. Een huishouden dat in de besproken logies zijn “gewoonlijke verblijf- plaats heeft”, vormt immers niet hetzelfde risico op niet-essentiële mobiliteit en contacten als anderen. 33. De conclusie van wat voorafgaat is, dat de verwerende partij in de huidige stand van de procedure vooralsnog niet erin slaagt, aan te tonen dat zij op het ogenblik van het aannemen van de aangevochten regeling beschikte over hetzij wetenschappelijke adviezen die specifiek ingaan op de thans voorliggende problematiek, hetzij andere, voor haar meer overtuigende of doorwegende rede- nen, desnoods tegen wetenschappelijke adviezen in, om de door haar gemaakte keuzes te verantwoorden. Aldus kan de Raad niet ertoe komen om – al ware het IX-9833-25/29 zeer terughoudend en met respect voor de beleidsruimte van de verwerende partij – de motieven voor het gemaakte onderscheid te beoordelen. 34. Het middel is in de aangegeven mate ernstig. VIII. Belangenafweging Standpunt van de verwerende partij 35. De verwerende partij vraagt dat de Raad van State bij zijn be- oordeling rekening houdt “met de vermoedelijke gevolgen van de schorsing”, en daarbij de afweging maakt “tussen de verschillende belangen inzake, en in het bijzonder de kennelijk nadelige gevolgen voor het openbaar belang in geval van de schorsing, waartegenover bijaldien een beperkt particulier voordeel voor verzoe- kende partijen staat”. Een onmiddellijke, zelfs partiële schorsing dreigt een on- voorspelbare reactie binnen de bevolking teweeg te brengen, met alle risico‟s van dien voor een bijkomende verspreiding van het virus. De verwerende partij wijst erop dat per hypothese niet valt uit te sluiten dat een betere materiële motivering toelaat een gelijkluidend besluit te nemen. Een heropening van de vakantieparken dient daarenboven noodzakelijk gepaard te gaan met maatregelen inzake hygiëne en sociale afstand, waarbij mogelijk ook de betrokken sectorprotocollen zullen moeten worden aan- gepast. Deze maatregelen kunnen evenwel niet zonder meer op zeer korte termijn worden genomen. IX-9833-26/29 Beoordeling 36. Artikel 17, § 2, tweede lid, RvS-wet luidt: “Op verzoek van de verwerende of de tussenkomende partij houdt de af- deling bestuursrechtspraak rekening met de vermoedelijke gevolgen van de schorsing van de tenuitvoerlegging of van de voorlopige maatregelen voor alle belangen die kunnen worden geschonden, alsook met het openbaar belang, en kan ze besluiten de schorsing of voorlopige maatregelen niet te bevelen indien de nadelige gevolgen ervan op een kennelijk onevenredige wijze zwaarder wegen dan de voordelen.” 37. De verwerende partij verzoekt de Raad van State om met de gevreesde gevolgen van een schorsing rekening te houden. De Raad kan de argumenten die de verwerende partij daartoe heeft bijvallen. Er is reden tot belangenafweging. 38. Aangezien de verwerende partij enkel om belangenafweging verzoekt, maar zelf niet toelicht op welke wijze passend rekening kan worden gehouden met zowel de belangen van verzoeksters en het algemeen belang van de volksgezondheid, laat zij het aan de Raad van State over die afweging autonoom te maken. De verwerende partij waarschuwt enkel voor een “onmiddellijke” schor- sing. 39. Naar het oordeel van de Raad van State wordt aan de belangen van verzoeksters voldoende tegemoet gekomen, zonder risico voor de precaire epidemiologische toestand van het land, door de gevraagde schorsing slechts te laten ingaan op 8 februari 2021. Zoals is aangekondigd, zal het overlegcomité eerstdaags de ge- hele gezondheidssituatie opnieuw evalueren, rekening houdend met de laatste stand van kennis over de epidemie. Het is daarbij nog de vraag of op een algemene versoepeling van de maatregelen gehoopt mag worden. Zoals de verwerende partij terecht opmerkt, valt niet uit te sluiten dat de bestreden maatregel behouden blijft IX-9833-27/29 met een beter onderbouwde verantwoording. Het is evenmin uitgesloten dat de opmars van het virus noopt tot nog meer omvattende ingrepen, waardoor de hui- dige discussie achterhaald is. 40. Wat de verwerende partij ook moge opwerpen over het ondeel- baar karakter van het covidbesluit, lijkt het de Raad van State ten minste in het kader van deze belangenafweging passend om de hierna te bevelen schorsing te beperken tot de door verzoeksters aangevochten maatregel inzake hun logies. Op de terechtzitting verklaart de verwerende partij overigens dat haar exceptie zich niet verzet tegen een belangenafweging “op maat”. IX. Vordering tot het bevelen van andere voorlopige maatregelen 41. Op het verzoek tot het bevelen van andere voorlopige maatre- gelen hoeft niet te worden ingegaan. Verzoeksters vroegen dit immers enkel in ondergeschikte orde “[i]ndien de Raad van State […] zou beslissen de schorsing niet te bevelen”. BESLISSING 1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging, vanaf 8 februari 2021, van artikel 9 van het ministerieel besluit van 12 januari 2021 ‘houdende wijziging van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 hou- dende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus Co- vid-19 te beperken’, doch enkel in zoverre die bepaling de toepassing betreft van artikel 6, § 1, derde lid, van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 ‘houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus Covid-19 te beperken’. 2. De Raad van State verwerpt de vordering voor het overige. IX-9833-28/29 3. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk geschorste besluit. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee februari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9833-29/29 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.685 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.041 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div