id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.700 Rolnummer: A. 231076/XIV-38393 Zaak: Arrest 249700 - Varia (economische zaken) - 02/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-02-16 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-20 00:29 Fiche Arrest nr 249.700 van 2 februari 2021 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 249.700 van 2 februari 2021 in de zaak A. 231.076/XIV-38.393 In zake:
- de REGIONALE MAATSCHAPPIJ VAN ONDERLINGE BIJSTAND VAN DE SOCIALISTISCHE MUTUALITEITEN VOOR HET TWEETALIGE GEBIED BRUSSEL HOOFDSTAD
- la SOCIÉTÉ MUTUALISTE RÉGIONALE DES MUTUALITÉS SOCIALISTES – SOLIDARIS POUR LA RÉGION WALLONNE
- de MAATSCHAPPIJ VAN ONDERLINGE BIJSTAND “DE ZORGKAS VAN DE SOCIALISTISCHE MUTUALITEITEN”
- la SOCIÉTÉ MUTUALISTE RÉGIONALE DES MUTUALITÉS LIBRES POUR LA RÉGION WALLONNE
- de REGIONALE MAATSCHAPPIJ VAN ONDERLINGE BIJSTAND VAN DE ONAFHANKELIJKE ZIEKENFONDSEN VOOR HET GEBIED BRUSSEL-HOOFDSTAD
- de MAATSCHAPPIJ VAN ONDERLINGE BIJSTAND “ZORGKAS VAN DE ONAFHANKELIJKE ZIEKENFONDSEN”
- de MAATSCHAPPIJ VAN ONDERLINGE BIJSTAND “NEUTRALE ZORGKAS VLAANDEREN”
- la SOCIÉTÉ MUTUALISTE RÉGIONALE DE L UNION NATIONALE DES MUTUALITÉS NEUTRES POUR LA RÉGIONWALLONNE
- de REGIONALE MAATSCHAPPIJ VAN ONDERLINGE BIJSTAND VAN DE LANDSBOND VAN DE NEUTRALEZIEKENFONDSEN VOOR HET BRUSSELS GEWEST
- de REGIONALE MAATSCHAPPIJ VAN ONDERLINGE BIJSTAND VAN DE CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN VOOR HET TWEETALIG GEBIED BRUSSEL-HOOFDSTAD
- de MAATSCHAPPIJ VAN ONDERLINGE BIJSTAND CM – ZORGKAS VLAANDEREN
- la SOCIÉTÉ MUTUALISTE RÉGIONALE DES MUTUALITÉS CHRÉTIENNE POUR LA RÉGION WALLONNE
- de MAATSCHAPPIJ VAN DE ONDERLINGE BIJSTAND VAN DE LANDSBOND VAN DE LIBERALE XIV-38.393-1/7 MUTUALITEITENVOOR HET TWEETALIGE GEBIED BRUSSEL-HOOFDSTAD
- la SOCIÉTÉ MUTUALISTE RÉGIONALE DE L UNION NATIONALE DES MUTUALITÉS LIBÉRALES POUR LA RÉGIONWALLONNE
- de MAATSCHAPPIJ VAN ONDERLINGE BIJSTAND “ZORGKAS VAN DE LIBERALE MUTUALITEITEN” bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jens Debièvre en Felix Feyt, kantoor houdend te 1000 Brussel, Havenlaan 86c/113b bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het INSTITUUT VOOR DE NATIONALE REKENINGEN (INR), bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean-François De Bock, kantoor houdend te 1180 Brussel, Bosveldweg 70 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 19 juni 2020, strekt tot de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van onbekende datum van het INR, waarbij verzoekende partijen worden gekwalificeerd als institutionele eenheden onder de sector S.1312 ‘Deelstaatoverheid (m.u.v. sociale zekerheid)’, zoals bedoeld in de ESR-Verordening.” II. Verloop van de rechtspleging
- Eerste auditeur Inge Vos heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en over de vordering tot XIV-38.393-2/7 schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. Per e-mail van 22 januari 2021 en in samenspraak met de auditeur-verslaggever, heeft de kamervoorzitter van de XIVe kamer aan de partijen voorgesteld om de zaak te behandelen zonder openbare terechtzitting, voor zover zij daarmee akkoord gaan. De partijen hebben met dat voorstel ingestemd. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Toepassing kortedebattenprocedure
- Met een beslissing van 28 september 2020 heeft de raad van bestuur van het Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR) de bestreden beslissing van de raad van bestuur van het INR van 15 april 2020, waarbij de zorgkassen en de gewestelijke mutualiteiten worden geklasseerd in de overheidssector (S.1312), ingetrokken. Het voorliggende beroep is derhalve zonder voorwerp geworden. Het dient te worden verworpen. De intrekking van de bestreden beslissing heeft eveneens tot gevolg dat de vordering tot schorsing van de bestreden beslissing evenmin nog een voorwerp heeft. Ze dient evenzeer te worden verworpen.
- Het auditoraat heeft terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen. IV. De rechtsplegingsvergoeding XIV-38.393-3/7 Standpunt van de partijen
- In het verzoekschrift vragen de verzoekende partijen om “gelet op het aantal verzoekende partijen” en in overeenstemming met artikel 30/1, §2, derde lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een dubbele rechtsplegingsvergoeding o.g.v. het basisbedrag van 700 euro, verhoogd met 20 percent conform art. 67, §2 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling). Aldus verzoeken zij de verwerende partij te veroordelen tot een rechtsplegingsvergoeding van 1680 euro. De verwerende partij stelt in hoofdorde dat slechts een enkele rechtsplegingsvergoeding is verschuldigd en dat deze op 140 euro moet worden bepaald. In ondergeschikte orde doet zij gelden dat, indien een dubbele rechtsplegingsvergoeding wordt toegekend, deze een verdubbeling inhoudt van het verlaagde bedrag van 140 euro. Ter adstructie van het standpunt dat de verlaagde rechtsplegingsvergoeding van 140 euro moet worden toegekend, doet de verwerende partij gelden dat gelet op de intrekking van de bestreden beslissing, het verloop van de procedure aanzienlijk werd vereenvoudigd. Op het indienen van een verzoekschrift na, werd geen enkele procedurele handeling gesteld. Beoordeling
- Er is te dezen grond om overeenkomstig artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de verzoekende partijen een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen nu die door de intrekking van de bestreden beslissing door de verwerende partij als de in het gelijk gestelde partijen dienen te worden beschouwd.
- Anders dan de verzoekende partijen het zien, vormt het aantal verzoekende partijen op zich geen reden tot het toekennen van een dubbele rechtsplegingsvergoeding. Artikel 30/1, § 2, derde lid, van de gecoördineerde XIV-38.393-4/7 wetten op de Raad van State kent geen recht toe op een dubbele rechtsplegingsvergoeding in geval van meerdere verzoekende partijen, doch bepaalt het maximaal bedrag van de rechtsplegingsvergoeding dat in dat geval kan worden toegekend. Overeenkomstig hetgeen de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in zijn arrest nr. é.611 van 26 januari 2016 (punt 6) heeft geoordeeld, wordt ook in casu vastgesteld dat het door de verzoekende partijen gezamenlijk aangespannen beroep slechts een en hetzelfde geschil betreft, zodat hen slechts één rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is. Aan de verzoekende partijen is slechts één rechtsplegingsvergoeding verschuldigd.
- Wat de begroting van de omvang van de rechtsplegings-vergoeding betreft, somt artikel 30/1, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de criteria op waarmee de Raad van State rekening houdt om al dan niet af te wijken van het toe te kennen basisbedrag. Deze opsomming is limitatief zodat de Raad van State niet op andere gronden mag afwijken van het basisbedrag. Waar de verwerende partij ter motivering van het verminderen van het basisbedrag de vroegtijdige beëindiging van de procedure aanvoert, moet worden vastgesteld dat de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoet- koming is, ongeacht de duur van de procedure. De (proces)houding van de verwerende partij en het enkele feit dat de bestreden beslissing door haar is ingetrokken, vormen geen afdoende reden opdat aan de verzoekende partijen niet de basisrechtsplegingsvergoeding zou moeten worden toegekend om forfaitair tegemoet te gekomen in de kosten en honoraria van de advocaat. XIV-38.393-5/7
- Wat het verzoek van de verzoekende partijen betreft tot verhoging overeenkomstig artikel 67, § 2, eerste lid, van de algemene procedureregeling van het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding met een bedrag dat overeenstemt met 20 percent van dit bedrag, als het beroep tot nietigverklaring gepaard gaat met een vordering tot schorsing, volgt uit het laatste lid van diezelfde paragraaf dat die verhoging niet is verschuldigd wanneer het beroep tot nietigverklaring doelloos is of dat het slechts korte debatten vereist, wat in deze het geval is. Er is dus geen reden om aan de verwerende partij een hoger bedrag op te leggen dan het basisbedrag van 700 euro.
- Aan de verzoekende partijen wordt een rechtsplegings- vergoeding van 700 euro toegekend. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 3000 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen. XIV-38.393-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee februari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.393-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.700 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.