id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.733 Rolnummer: A. 226284/XIV-37826 Zaak: Arrest 249733 - Politie (federale reglementen) - 05/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-02-16 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 00:30 Fiche Arrest nr 249.733 van 5 februari 2021 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie (federale reglementen) Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 249.733 van 5 februari 2021 in de zaak A. 226.284/XIV-37.826 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5395 BOORTMEERBEEK-HAACHT- KEERBERGEN die woonplaats kiest bij advocaat Gitte Laenen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 27 september 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het politiecollege van de lokale politiezone Boortmeerbeek-Haacht-Keerbergen van 31 augustus 2018 waarbij aan verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam is opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-37.826-1/11 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 november
- Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bryan Geerts, die loco advocaat Pascal Lahousse verschijnt voor verzoeker, en advocaat Chloé Van Landeghem, die loco advocaat Gitte Laenen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is eerste commissaris van politie bij de lokale politiezone Boortmeerbeek-Haacht-Keerbergen (PZ 5395). 3.
- Met het inleidend verslag van 16 juli 2018 stelt de tuchtoverheid voor om verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam op te leggen. In dit verslag wordt een uiteenzetting gegeven van de feiten, de omstandigheden en de gevolgen ervan, van de datum van kennisneming van de feiten, van het vaststaan, de kwalificatie en de toerekening ervan. Tevens bevat het een voorstel tot lichte tuchtstraf, met name de hiervoor reeds aangehaalde tuchtstraf. XIV-37.826-2/11 3.
- Op 16 augustus 2018 dient verzoeker zijn verweerschrift in. 3.
- Op 27 augustus 2018 wordt verzoeker gehoord door het politiecollege. Uit de notulen van die vergadering blijkt dat de raadsman van verzoeker twee elementen wil ontwikkelen, zijnde het element “verjaring” en het element “grond van de zaak”. Ook blijkt uit die notulen dat op voorstel van de politiesecretaris, het politiecollege verzoekt het element “verjaring” in een schriftelijke nota neer te leggen, waarop wordt ingegaan. In de notulen is deze nota integraal opgenomen. Tot slot is in de notulen gesteld dat “het politiecollege verklaart de aangehaalde argumenten grondig na te zullen kijken.” 3.
- De tuchtoverheid legt op 30 augustus 2018 aan verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam op. Dit is de bestreden beslissing. 3.
- Op 31 augustus 2018 neemt verzoeker kennis van de nota nr. Vertr. 5395/2018/001 van 31 augustus 2018, met als onderwerp: “Tucht- kennisgeving van lichte tuchtstraf (HTO).” Die luidt: “[…]
- Uiteenzetting van de feiten, omstandigheden en gevolgen 2.1 Uiteenzetting van de feiten en omstandigheden Op zondag 31/12/2017 is er zwaar noodweer in de regio Keerbergen-Tremelo. Op diverse plaatsen is er sprake van stormschade. In de Oude Putsebaan (ter hoogte van huisnummer […]) te Keerbergen dreigen takken op de rijbaan te vallen. De brandweer wordt ingelicht. Een politieploeg -bestaande uit Inspecteurs van Politie [X.] en [Y.]- komt als eerste ter plaatse, gevolgd door een brandweerteam bestaande uit de brandweermannen [Z] en [ZZ]. Grote takken lagen op de openbare weg, andere dreigden te vallen. Na overleg tussen politie en brandweer gaan de politiemensen over tot lokale verkeersregeling terwijl de brandweermensen -met hun ladderwagen op de rijbaan- de takken afzagen en verwijderen. De politiemensen laten beurtelings het verkeer door. Op een bepaald moment komt u, in burgerkledij, aangereden met uw persoonlijk voertuig. U was op weg van uw privaat adres […] naar een veiligheidsrondgang op de markt te Haacht. U zegt dat u [X.] met de handen in de zakken zag staan (zonder hoofddeksel ‘scheepje’). Omdat die niet reageerde, reed u tot bij hem. Na een laconiek antwoord bent u uitgestapt en begaf u zich naar de brandweerman die de kraan bediende. Die zou ‘OK’ gezegd hebben om te passeren en u bent dan doorgereden. Anderzijds is er de versie van beide politiemensen en beide brandweermannen: u kwam aangereden en mocht van niemand doorrijden, maar u deed dit toch. De brandweerwagen is dan van kant gewisseld. Korte tijd later kwam u uit de richting van Haacht, nu rijdende in de richting Keerbergen. Volgens u was u XIV-37.826-3/11 ontevreden over de interventie (reeds een uur aan de gang, geen signalisatie, ...). U heeft uw auto aan de kant gezet en bent naar inspecteur [Y.] gegaan om uw grieven kenbaar te maken. U heeft met de brandweerman gesproken en met inspecteur [X.]. De brandweermannen hebben het over een respectloze man die zich ergerde omdat de weg niet vrij was. Voor inspecteur [Y.] kwam u intimiderend over en moest ze verschil maken tussen u ‘de commissaris’ en de rest. Voor inspecteur [X.] kwam uw houding over als tamelijk dreigend. Bij einde van hun dienst heeft de ploeg [X]-[Y] hun fiche (interventiefiche […]) aangevuld zoals ze dit ervaren hebben. U heeft nog dezelfde dag, bij aanvang van uw ordedienst, kennis genomen van de interventiefiche […]. U heeft dan ‘de volgens u subjectieve vaststellingen’ van [X]-[Y] gelezen en voelde zich belasterd. U heeft passages verwijderd en vervangen door uw eigen ‘bewoordingen’. U staaft dit door te zeggen dat dit ‘interne zaken’ waren. 2.2 Uiteenzetting van de gevolgen Ingevolge stormweer worden brandweer en politie opgeroepen voor een gevaarlijke toestand te Keerbergen, Oude Putsebaan. Politie en brandweer zorgen ter plaatse voor de nodige veiligheid. U komt in burgerkledij met uw burgervoertuig aangereden en dient te stoppen voor de werkzaamheden. Er ontstaat ter plaatse een incident. Op zijn minst is er sprake van een ernstig meningsverschil omdat u niet mag doorrijden. Na uw 'interventie' rijdt u door, volgens u omdat u mocht, volgens de vier andere niet. Enige tijd later komt u opnieuw aangereden, nu vanuit de andere richting. U stopt en gaat de eerste inspecteur ‘de levieten lezen’. U gaat dan ook terug naar de werkzaamheden van de brandweermensen en naar de tweede inspecteur. Deze vier mensen zijn niet te spreken over uw geagiteerde en arrogante manier van handelen. Bij einde dienst vullen de interventie-inspecteurs hun fiche aan ([…]). Ze verhalen hun ervaringen met u. Bij aanvang van uwdienst, dezelfde avond nog, verwijdert u de vaststellingen en vat u ze zeer beknopt samen. Van uw handelingen is totaal geen sprake meer. Op 31/12/2017 om 20:50 uur is geschreven: ‘commentaar inzake disciplinaire issues werd verwijderd door [verzoeker] en opgeslagen voor latere afhandeling. De interventiefiches zijn niet het medium voor subjectief relaas’.
- Datum van kennisneming van de feiten De feiten bedoeld in punt 2 werden mij ter kennis gebracht op datum van zeven mei tweeduizend achttien (07/05/2018). Deze datum is de datum die in aanmerking moet worden genomen voor het bepalen van de verjaringstermijn van de kennisgeving van dit inleidend verslag.
- Elementen betreffende de verjaring Het inleidend verslag bedoeld in punt 1.9 werd u betekend op datum van zeventien augustus tweeduizend achttien (17/08/2018). Deze datum is de datum die in aanmerking moet worden genomen voor het bepalen van de verjaringstermijn van deze kennisgeving van de straf.
- Vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten Gelet op de feitelijke elementen vervat in het dossier, 5.1 meen ik dat de feiten vaststaan, gezien het grondige vooronderzoek. 5.2 meen ik dat deze feiten u kunnen worden toegerekend doordat er meerdere getuigenverklaringen uw gedragingen bevestigen. Daarnaast is het niet geoorloofd dat u zelf een fiche aanpast waarin u persoonlijk vernoemd wordt. U bent tevens officier van gerechtelijke politie, wat de ernst van de feiten nog verzwaard. Een officier van gerechtelijke politie dient steeds van onbesproken gedrag en integer te zijn, en heeft een duidelijke voorbeeldfunctie naar de bevolking toe. Dergelijke gedragingen brengen de waardigheid van het ambt in het gedrang. In mijn hoedanigheid van gewone tuchtoverheid keur ik de door u gestelde XIV-37.826-4/11 handelingen formeel af. 5.3 meen ik dat deze feiten de volgende tuchtvergrijpen uitmaken: Art. 130 WGP ‘Het statuut van de politieambtenaren waarborgt hun integriteit. De politieambtenaren moeten elk misbruik bij hun optreden uitsluiten. Het is de personeelsleden verboden, zelfs buiten hun functies, maar uit dien hoofde, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenpersonen, giften,beloningen of welke voordelen ook te vragen, te eisen of aan te nemen.’ Art. 132 WGP ‘Het personeelslid vermijdt elke gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die het vervullen van de ambtsplichten in de weg kan staan of met de waardigheid van het ambt strijdig is. De politieambtenaren moeten eerbied tonen voor het Staatshoofd, de andere gestelde mach ten en de overheidsinstellingen.’ VPunt 14, §§ 1-2 van de Deontologische code ‘De professionele relaties tussen de personeelsleden zijn gebaseerd op onder meer wederzijds respect, solidariteit, ploeggeest, zelfdiscipline, loyauteit en billijkheid, en dit onafhankelijk van het ambt, de taak, de graad, het actuele statuut of het statuut van oorsprong, van het zogenaamde ras, de huidskleur, de afstamming, de nationale herkomst, het geslacht of de seksuele geaardheid, de burgerlijke stand, de geboorte, het patrimonium, de leeftijd, de taal, de religieuze of filosofische overtuigingen, de gezondheid, de handicap of de fysieke kenmerken. De personeelsleden onthouden zich van elke uiting van elitarisme of van het in diskrediet brengen van een dienst, een kader, een graad, een ambt of een persoon.’ Punt 26, §§ 1, 4 & 5 van de Deontologische code ‘De personeelsleden moeten elk misbruik bij hun optreden uitsluiten, Zelfs buiten de uitoefening van hun ambt maken de personeelsleden geen gebruik van hun hoedanigheid om aan hun verantwoordelijkheid te ontsnappen wanneer ze een fout hebben begaan. De personeelsleden maken geen misbruik van hun bevoegdheden, alsook van de middelen en faciliteiten die aan hun ambt zijn verbonden. Aldus verschaffen zij noch zichzelf noch derden voordelen die ze zonder dit misbruikniet of niet in dezelfde mate zouden hebben bekomen en berokkenen ze evenmin derden zelfs eventuele nadelen.’
- Beslissing Gelet op de bepalingen van de wet van 13 mei 1999, inzonderheid op de artikelen 2, 3, 4, 37; Gelet op de analyse van uw tuchtdossier waarvan u een kopie hebt ontvangen op 10 augustus 2018; Gelet op de analyse van uw verweerschrift, op datum van 16 augustus 2018; Gelet op de nota voor het politiecollege naar aanleiding van de zitting van 27 augustus 2018; Bevestigd de gewone tuchtoverheid het voorstel van gewone tuchtstraf d.d.16 juli 2018; In mijn hoedanigheid van gewone tuchtoverheid (politiecollege) leggen wij u, voor de feiten vervat in punt 2, de blaam ais tuchtstraf op.” Dit stuk wordt hierna “de kennisgeving” genoemd. XIV-37.826-5/11 IV. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de partijen
- Verzoeker voert in het tweede middel in het verzoekschrift onder meer de schending aan van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 27 juli 1991) en van artikel 37, derde lid, van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet). Hij stelt wat de schending van artikel 37, tweede lid, van de tuchtwet betreft, dat de verwerende partij op geen enkel moment heeft geantwoord op zijn argumentatie inzake de verjaring van de tuchtvordering en dat hij op geen enkel moment antwoord heeft gekregen op de vraag hoe en wanneer het politiecollege kennis heeft gekregen van het feit dat er op 4 januari 2018 een proces-verbaal lastens hem was opgesteld. Ook heeft hij geen antwoord gekregen op zijn stelling dat het politiecollege reeds vanaf 4 januari 2018 kennis had van de beweerde feiten. Verzoeker stelt dat hij het politiecollege op de hoorzitting van 27 augustus 2018 met deze vragen en vaststellingen confronteerde - en dat die nadien op verzoek van het politiecollege schriftelijk werden bezorgd aan dit laatste -maar het politiecollege bleef evenwel een antwoord schuldig en liet na deze vragen en vaststellingen inzake de verjaring te beantwoorden in de bestreden beslissing. De bestreden beslissing geeft niet aan waarom de vordering niet verjaard zou zijn. De eenvoudige vermelding dat de feiten op 7 mei 2018 ter kennis werden gebracht van het politiecollege volstaat niet als antwoord op de vragen en vaststellingen van verzoeker inzake de verjaring. Inzake de schending van de wet van 29 juli 1991 doet verzoeker gelden dat de bestreden beslissing op geen enkele wijze een duidelijke, concrete, nauwkeurige en draagkrachtige motivering bevat met betrekking tot de vragen en vaststellingen van verzoeker inzake de verjaring. Zijn vraag hoe en wanneer het politiecollege kennis heeft gekregen van het feit dat er op 4 januari 2018 lastens hem een proces-verbaal werd opgesteld, werd nooit beantwoord. De eenvoudige vermelding dat het politiecollege op 7 mei 2018 kennis kreeg van de feiten volstaat ter zake niet. XIV-37.826-6/11
- De verwerende partij stelt in de memorie van antwoord vooreerst vast dat verzoeker geen gebrek aanhaalt in de vermelding van de juridische en feitelijke overwegingen die aan de basis liggen van de beslissing, maar dat hij enkel stelt dat het voor hem cruciaal is dat de verwerende partij antwoord geeft op de opgeworpen middelen in zijn verdediging aangezien deze betrekking hebben op de verjaring van de tuchtvordering. De verwerende partij wijst er vervolgens op dat de formelemotiveringsplicht niet betekent dat de overheid alle bezwaren die betrokkene tegen de beslissing aanvoert in haar besluitvorming moet betrekken. Volgens haar moet de tuchtoverheid in de motivering aantonen dat zij alle elementen in overweging heeft genomen en rekening heeft gehouden met het verweer. Vervolgens doet de verwerende partij gelden dat te dezen het politiecollege in de bestreden beslissing absoluut aan deze vereisten heeft voldaan door expliciet te duiden dat de argumentatie over de verjaring in het bijzonder werd onderzocht, maar dat werd vastgesteld dat de datum van kennisneming van de feiten zich op 7 mei 2018 situeert. Volgens de verwerende partij worden in de beslissing van 30 augustus 2018, waarnaar expliciet wordt verwezen in de kennisgeving van 31 augustus 2018 en waarvan verzoeker onmiskenbaar kennis heeft genomen, wel degelijk de overwegingen geduid waarop het politiecollege zich heeft gebaseerd voor het opleggen van de thans bestreden tuchtstraf. Ook in de kennisgeving van de lichte tuchtstraf van 31 augustus 2018 werd aan verzoeker uiteengezet op grond van welke feiten aan hem de lichte tuchtstaf van de blaam werd opgelegd. In haar laatste memorie blijft de verwerende partij bij haar standpunt in de memorie van antwoord dat verzoeker onmiskenbaar kennis heeft genomen van de beslissing van 30 augustus 2018 waarnaar expliciet wordt verwezen in de kennisgeving van 31 augustus
- In deze beslissing worden wel degelijk de overwegingen geduid waarop het politiecollege zich steunde voor het opleggen van de thans bestreden tuchtstraf. Eveneens blijft zij bij haar standpunt XIV-37.826-7/11 dat ook in de kennisgeving van de tuchtstraf van 31 augustus 2018 is uiteengezet waarom de feiten een tuchtinbreuk uitmaken en de opgelegde straf rechtvaardigen, alsook dat aan de voorwaarden van de formelemotiveringsplicht is voldaan. Beoordeling
- Het voorliggende onderzoek beperkt zich tot de schending van de wet van 29 juli 1991 en van artikel 37, derde lid, van de tuchtwet.
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Hoewel de formelemotiveringsplicht de tuchtoverheid er niet toe verplicht uitdrukkelijk te antwoorden op alle door de politieambtenaar tijdens de tuchtprocedure opgeworpen argumenten, moet uit haar beslissing wel kunnen worden opgemaakt dat het verweer van de politieambtenaar daadwerkelijk in de besluitvorming is betrokken. Hieruit volgt dat de tuchtoverheid niet uitvoerig moet antwoorden op elk van deze argumenten. Wel moet impliciet of expliciet blijken dat de argumentatie van de betrokkene in de besluitvorming werd betrokken en moet hieruit minstens impliciet kunnen worden afgeleid waarom de argumenten in het algemeen niet werden aanvaard. XIV-37.826-8/11
- Artikel 37 van de tuchtwet luidt: “Art.
- Op grond van het volledige dossier en het verweer, deelt de gewone tuchtoverheid, bij afgifte tegen ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief, aan het betrokken personeelslid de uitspraak mee. De uitspraak kan ofwel zijn dat zij beslist heeft geen tuchtstraf op te leggen, ofwel dat zij beslist heeft de zaak aanhangig te maken bij de hogere tuchtoverheid, ofwel dat zij beslist heeft één van de lichte tuchtstraffen op te leggen. De uitspraak wordt uiterlijk vijftien dagen na het einde van de in artikel 35 bedoelde termijn van dertig dagen, meegedeeld aan het betrokken personeelslid. Indien geen uitspraak wordt gedaan binnen de in het eerste lid bedoelde termijn van vijftien dagen, in voorkomend geval, verlengd met de noodzakelijke termijn om artikel 36 toe te passen dan wordt de gewone tuchtoverheid geacht af te zien van vervolging voor de feiten die de betrokkene ten laste worden gelegd. De in het eerste lid bedoelde beslissingen van de gewone tuchtoverheid worden formeel gemotiveerd en onverwijld schriftelijk ter kennis gebracht van de hogere tuchtoverheid.” Het derde lid van deze bepaling stelt een formelemotiveringsplicht in voor de in het eerste lid ervan opgesomde beslissingen waaronder de beslissing om één van de lichte tuchtstraffen op te leggen.
- Te dezen valt de bestreden beslissing wat de plicht tot formele motivering betreft, zowel onder het toepassingsgebied ratione materiae van de wet van 29 juli 1991 als dat van artikel 37, derde lid, van de tuchtwet. De laatstgenoemde bepaling legt evenwel geen strengere motiveringsplicht op dan die vervat in de wet van 29 juli
- In overeenstemming met artikel 6 van de laatstgenoemde wet heeft de in artikel 37, derde lid, van de tuchtwet bepaalde formelemotiveringsplicht derhalve dezelfde draagwijdte als die vervat in de wet van 29 juli
- De aangevoerde schending van de formelemotiveringsplicht wordt vanuit deze interpretatie onderzocht.
- De aan verzoeker ter kennis gebrachte formele motivering is hiervoor weergegeven (supra, punt 3.6.). Uit deze in de kennisgeving vervatte motivering kan expliciet noch impliciet worden opgemaakt dat de verweermiddelen van verzoeker zoals ontwikkeld tijdens het verhoor door het politiecollege (zie supra, punt 3.4.) en die expliciet zijn opgenomen in de notulen XIV-37.826-9/11 van het politiecollege, daadwerkelijk in de besluitvorming werden betrokken, noch kan uit de in de kennisgeving vervatte formele motivering, minstens impliciet, worden afgeleid waarom de argumenten van verzoeker in het algemeen niet werden aanvaard. De gegeven motivering is derhalve niet afdoende. De verwerende partij doet gelden dat het politiecollege in de bestreden beslissing absoluut aan de eis van formele motivering heeft voldaan “door expliciet te duiden dat de argumentatie over de verjaring in het bijzonder werd onderzocht en alsnog werd vastgesteld dat de datum van kennisname van de feiten lastens verzoeker door het politiecollege Boortmeerbeek-Haacht-Keerbergen zich op 7 mei 2018 situeert gelet op het informatieverslag d.d. 7 mei 2018”, waarbij zij verwijst naar de notulen van de vergadering van het politiecollege van 30 augustus
- Anders dan wat de verwerende partij evenwel beweert, blijkt niet uit de gegevens van de zaak dat deze notulen aan verzoeker ter kennis werden gebracht noch dat verzoeker er kennis van had of moest van hebben op het ogenblik van het inleiden van het voorliggende beroep. Evenmin volstaat het enkele feit dat onder de referenties opgenomen in de kennisgeving, wordt verwezen naar die notulen opdat verzoeker kennis ervan heeft of moest hebben, te meer omdat een verzoeker er mag van uitgaan dat bij de kennisgeving van een tuchtstraf hem niet alleen de beslissing ter kennis wordt gebracht, maar ook de motieven ervan, zodat verzoeker met kennis van zaken de wettigheid ervan kan beoordelen. Het standpunt van de verwerende partij dat verzoeker van de notulen “onmiskenbaar kennis [van] heeft genomen” is derhalve onjuist.
- Het tweede middel is in de aangegeven mate gegrond. XIV-37.826-10/11 BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van het politiecollege van de lokale politiezone Boortmeerbeek-Haacht-Keerbergen van 31 augustus 2018 waarbij aan verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam is opgelegd.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf februari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.826-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.733 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div