id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.734 Rolnummer: A. 227669/XIV-37973 Zaak: Arrest 249734 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 05/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-02-17 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-20 00:52 Fiche Arrest nr 249.734 van 5 februari 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 249.734 van 5 februari 2021 in de zaak A. 227.669/XIV-37.973 In zake : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Carmenta Decordier en Tine Bricout kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Orchideestraat 61A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hajarpi Chatchatrian kantoor houdend te 8000 Brugge Langestraat 46/1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 20 maart 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 216.863 van 14 februari 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 13.286 van 26 april
- XIV-38.973-1/10 Verweerder heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 december 2020, om 14.45 uur. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tine Bricout, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Tina Kiwakana, die loco advocaat Hajarpi Chatchatrian verschijnt voor verweerder, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, behoudens wat de kosten betreft. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verweerder dient op 17 februari 2016 een (achtste) aanvraag om machtiging tot verblijf in met toepassing van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet). De verwerende partij verklaart die aanvraag met een beslissing van 14 juni 2016 “zonder voorwerp”. XIV-38.973-2/10 Op 22 juli 2016 stelt verweerder tegen de voornoemde beslissing een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Met een arrest van 14 februari 2019 vernietigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de voornoemde beslissing van 14 juni
- Dit is het bestreden arrest. IV. Onderzoek van de middelen Tweede middel Standpunten van de partijen
- De verzoekende partij werpt in een tweede middel de schending op van de artikelen 1, 8°, 74/11 en 74/12 van de vreemdelingenwet iuncto de artikelen 3.6 en 11 van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 ‘over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven’ (hierna: richtlijn 2008/115). De verzoekende partij voert aan dat volgens het bestreden arrest niet zou blijken uit de vreemdelingenwet dat een vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een inreisverbod geen aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet zou kunnen indienen en ook niet dat dergelijke aanvraag dan zonder voorwerp zou moeten worden verklaard. Nochtans verhindert een niet opgeheven of niet geschorst inreisverbod wel degelijk de toekenning van een machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet. De verzoekende partij merkt op dat de vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een inreisverbod niet kan binnenkomen of verblijven in het Rijk. Op grond van artikel 74/11 van de vreemdelingenwet kan de vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een inreisverbod enkel een asielaanvraag of een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de vreemdelingenwet indienen. Op grond van artikel 74/12 van de vreemdelingenwet XIV-38.973-3/10 kan de betrokken vreemdeling wel een aanvraag tot opheffing of opschorting van het inreisverbod indienen bij de voor zijn woon- of verblijfplaats in het buitenland bevoegde diplomatieke of consulaire post en enkel indien hij schriftelijk het bewijs levert dat hij het Belgische grondgebied heeft verlaten in overeenstemming met de beslissing tot verwijdering. Deze bepalingen vormen de (gedeeltelijke) omzetting van richtlijn 2008/
- De verzoekende partij vervolgt dat, zoals herhaaldelijk bevestigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, richtlijn 2008/115 de invoering van een doeltreffend beleid van verwijdering en terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tot doel heeft. Uit de artikelen 3.6, 11.1 en 11.3 van de voornoemde richtlijn volgt dat het verblijf en de binnenkomst worden verboden gedurende de termijn van het inreisverbod en dat de vraag tot opheffing of schorsing van dat verbod wordt onderzocht “op het ogenblik dat de vreemdeling aantoont het grondgebied van de Lidstaten te hebben verlaten” conform de terugkeerbeslissing. Artikel 11.5 van de richtlijn bevat een voorbehoud voor het recht op internationale bescherming doch niet voor andere aanvragen om machtiging tot verblijf. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft deze visie bijgetreden in zijn arrest van 14 september 2017 in de zaak C-184/16, Petrea tegen Griekenland. Tot slot verwijst de verzoekende partij naar ’s Raads arrest nr. 235.344 van 5 juli
- Verweerder stelt in de memorie van antwoord dat de verzoekende partij voorbijgaat aan de duidelijke bewoordingen van artikel 9bis van de vreemdelingenwet, dat geen mogelijkheid voorziet om een aanvraag “zonder voorwerp” te verklaren. Volgens verweerder kan de verzoekende partij zich als overheid niet beroepen op de rechtstreekse werking van richtlijn 2008/115 ten aanzien van een particulier indien zij van mening is dat deze richtlijn niet correct werd omgezet in het Belgische recht. XIV-38.973-4/10
- In de memorie van wederantwoord herhaalt de verzoekende partij het middel. Zij benadrukt dat de lidstaten ertoe zijn gehouden hun nationaal recht zoveel mogelijk uit te leggen conform het Unierecht teneinde het daarmee beoogde resultaat te bereiken en aldus te voldoen aan artikel 288 van het verdrag betreffende werking van de Europese Unie. Wanneer het de rechter niet mogelijk is de nationale bepalingen uit te leggen en toe te passen in overeenstemming met het Unierecht, moet hij die nationale bepalingen buiten toepassing laten. De verzoekende partij merkt nog op dat verweerder niet uitsluitend kan verwijzen naar artikel 9bis van de vreemdelingenwet, daar de gevolgen van een inreisverbod op verblijfsrechtelijk vlak worden geregeld in de artikelen 1, 8°, 74/11 en 74/12 van de vreemdelingenwet. Beoordeling
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen citeert in het bestreden arrest eerst zijn met toepassing van artikel 39/73 van de vreemdelingenwet genomen beschikking waarin hij overweegt dat de vreemdelingenwet nergens voorziet dat geen humanitaire aanvraag kan worden ingediend tijdens een illegaal verblijf op het grondgebied en dat de aanvraag om machtiging tot verblijf dus niet zonder voorwerp kon worden verklaard omdat aan huidige verweerder een inreisverbod werd betekend en zonder die aanvraag te beoordelen in het licht van artikel 9bis van de vreemdelingenwet. Verder oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat “het feit dat een vreemdeling onderworpen is aan een inreisverbod […] niet uit[sluit] dat deze vreemdeling zich in buitengewone omstandigheden kan bevinden en dus niet bij machte is om terug te keren naar het land waar zich de Belgische diplomatieke post bevindt waar hij een aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9bis van de vreemdelingenwet kan doen”. Hij stipuleert met verwijzing naar de argumentatie van de huidige verzoekende partij betreffende artikel 1, 8° en 74/12 van de vreemdelingenwet “dat artikel 9bis van de vreemdelingenwet niet voorziet dat personen die onwettig in het Rijk verblijven en aan wie zelfs een inreisverbod werd XIV-38.973-5/10 betekend niet in de mogelijkheid zouden zijn om een verblijfsmachtiging aan te vragen. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan niet worden besloten dat de huidige verzoekende partij “er niet meer toe zou zijn gehouden de door een vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een inreisverbod aangevoerde buitengewone omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 9bis van de vreemdelingenwet, in aanmerking te nemen en dat zij vermag te besluiten dat deze aanvraag zonder voorwerp is”. Bijkomend stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast dat de artikelen 9 en 9bis van de vreemdelingenwet de verwerende partij niet de mogelijkheid bieden om een aanvraag om machtiging tot verblijf “zonder voorwerp” te verklaren.
- In artikel 1, 8°, van de vreemdelingenwet wordt het inreisverbod omschreven als “een beslissing waarbij de toegang tot en het verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor een bepaalde termijn wordt verboden, die kan samengaan met een beslissing tot verwijdering”. Hieruit blijkt reeds dat een inreisverbod ook een verblijfsverbod inhoudt. De artikelen 74/11 en 74/12 van de vreemdelingenwet hebben respectievelijk betrekking op het opleggen dan wel het opheffen op opschorten van een inreisverbod. Ze vormen de omzetting in het Belgische recht van artikel 11 van richtlijn 2008/
- Artikel 74/11, § 3, tweede lid, van de vreemdelingenwet bepaalt dat het inreisverbod niet kan ingaan “tegen de bepalingen betreffende het recht op internationale bescherming, zoals gedefinieerd in de artikelen 9ter, 48/3 en 48/4” van de vreemdelingenwet. Een uitzondering voor artikel 9bis van de vreemdelingenwet of de daarin bedoelde “buitengewone omstandigheden” wordt niet voorzien. Artikel 9bis van de vreemdelingenwet heeft overigens betrekking op een “gewone” machtiging tot verblijf die kan worden toegekend doch niet op een recht op verblijf dat moet worden erkend noch op een vorm van internationale XIV-38.973-6/10 bescherming. De in deze laatste bepaling bedoelde “buitengewone omstandigheden” hebben enkel betrekking op de mogelijkheid de aanvraag in te dienen in België in plaats van via de gewone in artikel 9 van dezelfde wet voorziene procedure. Artikel 74/12 van de vreemdelingenwet voorziet de mogelijkheid voor de vreemdeling om de opheffing of de opschorting van het inreisverbod te vragen om humanitaire redenen, in principe nadat hij het grondgebied vrijwillig heeft verlaten. Artikel 74/14, § 1, derde lid, van de vreemdelingenwet voorziet dan weer de mogelijkheid voor de vreemdeling om een verlenging te vragen van de toegekende termijn om het grondgebied te verlaten “op grond van het bewijs dat de vrijwillige terugkeer niet kan worden gerealiseerd binnen de toegekende termijn”. Op grond van het vierde lid van deze bepaling kan “zo nodig, […] deze termijn worden verlengd om rekening te houden met de specifieke omstandigheden eigen aan zijn situatie, zoals de duur van het verblijf, het bestaan van schoolgaande kinderen, het afronden van de organisatie van het vrijwillig vertrek en andere familiale en sociale banden, indien de onderdaan van een derde land een gemotiveerd verzoek indient bij de minister of diens gemachtigde”. Het aanvragen van een machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9bis van de vreemdelingenwet wordt echter niet vermeld.
- In zijn arrest van 26 juli 2017 in de zaak C-225/16, Ouhrami tegen Nederland, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat een eventueel inreisverbod een middel vormt “om de doeltreffendheid van het terugkeerbeleid van de Unie te vergroten, door te waarborgen dat gedurende een bepaalde periode na de verwijdering van een illegaal verblijvende derdelander, deze persoon niet legaal zal kunnen terugkomen op het grondgebied van de lidstaten” en dat aan deze doelstelling “afbreuk [zou] worden gedaan indien de weigering van een dergelijke derdelander om gevolg te geven aan de terugkeerverplichting en mee te werken in het kader van een verwijderingsprocedure hem in staat zou stellen zich geheel of ten dele te onttrekken aan de rechtsgevolgen van een inreisverbod, wat het geval zou zijn XIV-38.973-7/10 indien het tijdvak waarin een dergelijk inreisverbod geldt, gedurende deze procedure zou kunnen ingaan of verstrijken”. Verder heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie in antwoord op een prejudiciële vraag in zijn arrest van 8 mei 2018 in de zaak C-82/16, K.A. en anderen tegen België, gesteld dat richtlijn 2008/115, met name de artikelen 5 en 11 ervan, “aldus [moet] worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een praktijk van een lidstaat die inhoudt dat hij een verblijfsaanvraag met het oog op gezinshereniging die op zijn grondgebied is ingediend door een derdelander, familielid van een Unieburger die de nationaliteit van die lidstaat bezit en zijn recht op vrij verkeer nooit heeft uitgeoefend, niet in aanmerking neemt op de enkele grond dat deze derdelander de toegang tot het grondgebied is verboden”. Vermits het Hof deze praktijk in principe toelaat voor aanvragen met betrekking tot het recht op gezinshereniging, is ze a fortiori toegelaten voor aanvragen om machtiging tot verblijf, zoals te dezen het geval is. Waar het Hof in dit laatste arrest wel onderzoekt of artikel 20 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zich verzet tegen die praktijk en aanneemt dat dit in bepaalde gevallen wel het geval kan zijn, moet worden opgemerkt dat het enkel ging om aanvragen tot gezinshereniging met een burger van de Unie wiens rechten in het gedrang zouden komen. Te dezen betreft het echter geen aanvraag tot gezinshereniging, noch een andere aanvraag waarop het recht van de Unie van toepassing zou zijn, zodat de beoordeling dienaangaande niet relevant is voor de huidige zaak.
- Uit het voorgaande volgt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de in het huidige middel aangehaalde bepalingen heeft geschonden door te oordelen dat de verwerende partij ertoe was gehouden de aanvraag om machtiging tot verblijf die tot het bestreden arrest heeft geleid in aanmerking te nemen niettegenstaande het aan huidige verweerder opgelegde inreisverbod. XIV-38.973-8/10 De vraag of in de aanvankelijk bestreden beslissing kon worden gesteld dat de aanvraag ingevolge het bestaande inreisverbod “zonder voorwerp” was, doet geen afbreuk aan de voorgaande vaststellingen en kan de strekking van het bestreden arrest dus niet hebben beïnvloed.
- Het tweede middel is gegrond en deze vaststelling volstaat voor de cassatie van het bestreden arrest. V. Begroting van de rechtsplegingsvergoeding
- In het verzoekschrift tot cassatie en de memorie van wederantwoord vraagt de verzoekende partij verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, waaronder een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 700 euro. Verweerder genoot echter kosteloze rechtsbijstand voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en dit voordeel is hem ook voor de Raad van State toegekend. Vermits verweerder als in het ongelijk gestelde partij tweedelijns juridische bijstand geniet en de verzoekende partij geen kennelijk onredelijke situatie aantoont, dient de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te worden herleid tot 140 euro. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het arrest nr. 216.863 van 14 februari 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
- Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. XIV-38.973-9/10
- De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
- Verweerder wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf februari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.973-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.734 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div