← België

Arrest 249735 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 05/02/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.735 Rolnummer: A. 227777/XIV-38000 Zaak: Arrest 249735 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 05/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-02-17 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 00:30 Fiche Arrest nr 249.735 van 5 februari 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 249.735 van 5 februari 2021 in de zaak A. 227.777/XIV-38.000 In zake : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Carmenta Decordier en Tine Bricout kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Orchideestraat 61A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kris Termonia kantoor houdend te 3800 Sint-Truiden Minderbroedersplein 6 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 2 april 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 217.674 van 28 februari 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 13.360 van 14 juni
  3. XIV-38.000-1/9 De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 januari 2021, om 14 uur. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tine Bricout, die verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Verweerder dient op 13 mei 2016 een aanvraag om machtiging tot verblijf in met toepassing van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet). De verzoekende partij verklaart die aanvraag met een beslissing van 21 september XIV-38.000-2/9 2017 “zonder voorwerp”. Zij neemt dezelfde dag een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten in hoofde van verweerder. Op 23 oktober 2017 stelt verweerder tegen de voornoemde beslissingen een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Met een arrest van 28 februari 2019 vernietigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de voornoemde beslissingen van 21 september
  6. Dit is het bestreden arrest. IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Uiteenzetting van het middel
  7. De verzoekende partij werpt in een enig middel, dat zij herhaalt in de toelichtende memorie, de schending op van de artikelen 1, 8°, 74/11 en 74/12 van de vreemdelingenwet iuncto de artikelen 3.6 en 11 van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 ‘over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven’ (hierna: richtlijn 2008/115). De verzoekende partij voert aan dat volgens het bestreden arrest niet zou blijken uit de vreemdelingenwet dat een vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een inreisverbod geen aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet zou kunnen indienen en ook niet dat dergelijke aanvraag dan zonder voorwerp zou moeten worden verklaard. Nochtans verhindert een niet opgeheven of niet geschorst inreisverbod wel degelijk de toekenning van een machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet. De verzoekende partij merkt op dat de vreemdeling die XIV-38.000-3/9 het voorwerp uitmaakt van een inreisverbod niet kan binnenkomen of verblijven in het Rijk. Op grond van artikel 74/11 van de vreemdelingenwet kan de vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een inreisverbod enkel een asielaanvraag of een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de vreemdelingenwet indienen. Op grond van artikel 74/12 van de vreemdelingenwet kan de betrokken vreemdeling wel een aanvraag tot opheffing of opschorting van het inreisverbod indienen bij de voor zijn woon- of verblijfplaats in het buitenland bevoegde diplomatieke of consulaire post en enkel indien hij schriftelijk het bewijs levert dat hij het Belgische grondgebied heeft verlaten in overeenstemming met de beslissing tot verwijdering. Deze bepalingen vormen de (gedeeltelijke) omzetting van richtlijn 2008/
  8. De verzoekende partij vervolgt dat, zoals herhaaldelijk bevestigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, richtlijn 2008/115 de invoering van een doeltreffend beleid van verwijdering en terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tot doel heeft. Uit de artikelen 3.6, 11.1 en 11.3 van de voornoemde richtlijn volgt dat het verblijf en de binnenkomst worden verboden gedurende de termijn van het inreisverbod en dat de vraag tot opheffing of schorsing van dat verbod wordt onderzocht “op het ogenblik dat de vreemdeling aantoont het grondgebied van de Lidstaten te hebben verlaten” conform de terugkeerbeslissing. Artikel 11.5 van de richtlijn bevat een voorbehoud voor het recht op internationale bescherming doch niet voor andere aanvragen om machtiging tot verblijf. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft deze visie bijgetreden in zijn arrest van 14 september 2017 in de zaak C-184/16, Petrea tegen Griekenland. Tot slot verwijst de verzoekende partij naar ’s Raads arrest nr. 235.344 van 5 juli
  9. XIV-38.000-4/9 Beoordeling
  10. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt dat de vreemdelingenwet niet voorziet dat een aanvraag om machtiging tot verblijf “zonder voorwerp” kan worden verklaard op grond van het motief dat een inreisverbod werd betekend aan de betrokkene. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen mist die motivering “juridische grondslag”.
  11. In artikel 1, 8°, van de vreemdelingenwet wordt het inreisverbod omschreven als “een beslissing waarbij de toegang tot en het verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor een bepaalde termijn wordt verboden, die kan samengaan met een beslissing tot verwijdering”. Hieruit blijkt reeds dat een inreisverbod ook een verblijfsverbod inhoudt. De artikelen 74/11 en 74/12 van de vreemdelingenwet hebben respectievelijk betrekking op het opleggen dan wel het opheffen op opschorten van een inreisverbod. Ze vormen de omzetting in het Belgische recht van artikel 11 van richtlijn 2008/
  12. Artikel 74/11, § 3, tweede lid, van de vreemdelingenwet bepaalt dat het inreisverbod niet kan ingaan “tegen de bepalingen betreffende het recht op internationale bescherming, zoals gedefinieerd in de artikelen 9ter, 48/3 en 48/4” van de vreemdelingenwet. Een uitzondering voor artikel 9bis van de vreemdelingenwet of de daarin bedoelde “buitengewone omstandigheden” wordt niet voorzien. Artikel 9bis van de vreemdelingenwet heeft overigens betrekking op een gewone machtiging tot verblijf die kan worden toegekend doch niet op een recht op verblijf dat moet worden erkend noch op een vorm van internationale bescherming. De in deze laatste bepaling bedoelde “buitengewone omstandigheden” hebben enkel betrekking op de mogelijkheid de aanvraag in te dienen in België in plaats van via de gewone in artikel 9 van dezelfde wet voorziene procedure. XIV-38.000-5/9 Artikel 74/12 van de vreemdelingenwet voorziet de mogelijkheid voor de vreemdeling om de opheffing of de opschorting van het inreisverbod te vragen om humanitaire redenen, in principe nadat hij het grondgebied vrijwillig heeft verlaten. Artikel 74/14, § 1, derde lid, van de vreemdelingenwet voorziet dan weer de mogelijkheid voor de vreemdeling om een verlenging te vragen van de toegekende termijn om het grondgebied te verlaten “op grond van het bewijs dat de vrijwillige terugkeer niet kan worden gerealiseerd binnen de toegekende termijn”. Op grond van het vierde lid van deze bepaling kan “zo nodig, […] deze termijn worden verlengd om rekening te houden met de specifieke omstandigheden eigen aan zijn situatie, zoals de duur van het verblijf, het bestaan van schoolgaande kinderen, het afronden van de organisatie van het vrijwillig vertrek en andere familiale en sociale banden, indien de onderdaan van een derde land een gemotiveerd verzoek indient bij de minister of diens gemachtigde”. Het aanvragen van een machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9bis van de vreemdelingenwet wordt echter niet vermeld.
  13. In zijn arrest van 26 juli 2017 in de zaak C-225/16, Ouhrami tegen Nederland, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat een eventueel inreisverbod een middel vormt “om de doeltreffendheid van het terugkeerbeleid van de Unie te vergroten, door te waarborgen dat gedurende een bepaalde periode na de verwijdering van een illegaal verblijvende derdelander, deze persoon niet legaal zal kunnen terugkomen op het grondgebied van de lidstaten” en dat aan deze doelstelling “afbreuk [zou] worden gedaan indien de weigering van een dergelijke derdelander om gevolg te geven aan de terugkeerverplichting en mee te werken in het kader van een verwijderingsprocedure hem in staat zou stellen zich geheel of ten dele te onttrekken aan de rechtsgevolgen van een inreisverbod, wat het geval zou zijn indien het tijdvak waarin een dergelijk inreisverbod geldt, gedurende deze procedure zou kunnen ingaan of verstrijken”. XIV-38.000-6/9 Verder heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie in antwoord op een prejudiciële vraag in zijn arrest van 8 mei 2018 in de zaak C-82/16, K.A. en anderen tegen België, gesteld dat richtlijn 2008/115, met name de artikelen 5 en 11 ervan, “aldus [moet] worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een praktijk van een lidstaat die inhoudt dat hij een verblijfsaanvraag met het oog op gezinshereniging die op zijn grondgebied is ingediend door een derdelander, familielid van een Unieburger die de nationaliteit van die lidstaat bezit en zijn recht op vrij verkeer nooit heeft uitgeoefend, niet in aanmerking neemt op de enkele grond dat deze derdelander de toegang tot het grondgebied is verboden”. Vermits het Hof deze praktijk in principe toelaat voor aanvragen met betrekking tot het recht op gezinshereniging, is ze a fortiori toegelaten voor aanvragen om machtiging tot verblijf, zoals te dezen het geval is. Waar het Hof in dit laatste arrest wel onderzoekt of artikel 20 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zich verzet tegen die praktijk en aanneemt dat dit in bepaalde gevallen wel het geval kan zijn, moet worden opgemerkt dat het enkel ging om aanvragen tot gezinshereniging met een burger van de Unie wiens rechten in het gedrang zouden komen. Te dezen betreft het echter geen aanvraag tot gezinshereniging, noch een andere aanvraag waarop het recht van de Unie van toepassing zou zijn, zodat de beoordeling dienaangaande niet relevant is voor de huidige zaak.
  14. Uit het voorgaande volgt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de in het huidige middel aangehaalde bepalingen heeft geschonden door te oordelen dat de verwerende partij ertoe was gehouden de aanvraag om machtiging tot verblijf die tot het bestreden arrest heeft geleid in aanmerking te nemen niettegenstaande het aan huidige verweerder opgelegde inreisverbod. De vraag of in de aanvankelijk bestreden beslissing kon worden gesteld dat de aanvraag ingevolge het bestaande inreisverbod “zonder voorwerp” XIV-38.000-7/9 was, doet geen afbreuk aan de voorgaande vaststellingen en kan de strekking van het bestreden arrest dus niet hebben beïnvloed.
  15. Het enige middel is gegrond. BESLISSING
  16. De Raad van State vernietigt het arrest nr. 217.674 van 28 februari 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
  17. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
  18. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
  19. Verweerder wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. XIV-38.000-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf februari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.000-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.735 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.