← België

Arrest 249736 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 05/02/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.736 Rolnummer: A. 231695/XIV-38470 Zaak: Arrest 249736 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 05/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-02-16 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-20 00:29 Fiche Arrest nr 249.736 van 5 februari 2021 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 249.736 van 5 februari 2021 in de zaak A. 231.695/XIV-38.470 In zake: Ruslan BUT woonplaats kiezend te 2223 Heist-op-de-Berg Paalstraat 44 tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 7 augustus 2020, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de minister van Binnenlandse zaken van 10 juni 2020 waarbij aan verzoeker de wapendrachtvergunning voor bewakingsagent wordt geweigerd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 februari
  3. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. XIV-38.470-1/6 Verzoeker, die in persoon verschijnt, en attaché Peter Ide, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is houder van een identificatiekaart voor bewakingsagent. 3.
  6. Op 16 mei 2019 vraagt de nv [XX] een wapendrachtvergunning voor bewakingsagent aan voor verzoeker. 3.
  7. Op 10 juni 2020 weigert de minister van Binnenlandse zaken de wapendrachtvergunning voor bewakingsagent. Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van de vordering
  8. De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring en van de vordering tot schorsing.
  9. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over de opgeworpen excepties zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan XIV-38.470-2/6 dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Schorsingsvoorwaarden
  10. Krachtens artikel 17, §1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerleggingslechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Spoedeisendheid Standpunt van verzoeker
  11. Het verzoekschrift bevat geen uiteenzetting betreffende de voorwaarde van de spoedeisendheid. Verzoeker vermeldt in het verzoekschrift de volgende elementen die kunnen worden betrokken op de eis van spoedeisendheid, met name dat hij “de wapendrachtvergunning voor bewakingsagent nodig [heeft] in het kader van [zijn] beroep” en “de financiële en morele schade, alsmede gederfde winst als gevolg van de negatieve beslissing.” Beoordeling
  12. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten[bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december
  13. Dit houdt in dat het aan verzoeker toekomt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet XIV-38.470-3/6 op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van het bestreden besluit. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar [hem] wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-227/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen ”(memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-227/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17,§ 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
  14. In de mate dat verzoeker doet gelden dat hij de wapendrachtvergunning voor bewakingsagent nodig heeft in het kader van zijn beroep als bewakingsagent, beperkt verzoeker zich ter zake tot een algemene bewering, maar hij verzuimt zulks in concreto aan te tonen. De bestreden beslissing heeft op het eerste gezicht tot gevolg dat verzoeker geen gewapende bewakingsactiviteiten mag uitoefenen. Uit artikel 92, eerste en tweede lid, van de wet van 2 oktober 2017 ‘tot regeling van de private en bijzondere veiligheid’ volgt evenwel dat in principe bewakingsactiviteiten ongewapend worden uitgeoefend. Een wapendrachtvergunning is derhalve geen (noodzakelijke) vereiste voor het XIV-38.470-4/6 uitoefenen van het beroep van bewakingsagent. Verzoeker is voorts houder van een tot 20 juni 2023 geldige identificatiekaart voor bewakingsagent, die niet door de bestreden beslissing is ingetrokken. Aldus maakt verzoeker niet aannemelijk dat hij “de wapendrachtvergunning voor bewakingsagent nodig [heeft] in het kader van [zijn] beroep”. In de mate dat verzoeker in het verzoekschrift doet gelden dat de bestreden beslissing aanleiding zal geven tot financiële schade en gederfde winst, beperkt verzoeker zich ter zake tot een algemene bewering, maar hij verzuimt enig gegeven of stuk te verstrekken omtrent het bestaan en de omvang ervan. Aangezien aldus in elk geval de omvang van het aangevoerde financieel verlies niet is aangetoond, maakt verzoeker niet aannemelijk dat de beweerde schade en verlies voor hem gevolgen zal hebben van dien aard dat hij het resultaat van de (gewone) procedure ten gronde niet kan afwachten. Wat tot slot het aangevoerde moreel nadeel betreft dat er volgens verzoeker zou zijn, verduidelijkt verzoeker geenszins in concreto waarom die niet nader bepaalde morele schade niet kan worden goedgemaakt door een eventueel tussen te komen vernietigingsarrest.
  15. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid. Conclusie
  16. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. XIV-38.470-5/6 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf februari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.470-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.736 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.456 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.