← België

Arrest 249740 - Milieuvergunningen - 08/02/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.740 Rolnummer: A. 225574/VII-40321 Zaak: Arrest 249740 - Milieuvergunningen - 08/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-02-18 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-20 00:28 Fiche Arrest nr 249.740 van 8 februari 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 249.740 van 8 februari 2021 in de zaak A. 225.574/VII-40.321 In zake : de GEMEENTE MEEUWEN-GRUITRODE, thans de GEMEENTE OUDSBERGEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Mertens kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de BVBA LANDBOUWBEDRIJF LAVRIJSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Surmont kantoor houdend te 2300 Turnhout Collegestraat 11 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 29 juni 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 27 april 2018 waarbij het beroep tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 18 december 2013, houdende het weigeren van een milieuvergunning aan de nv Berger - Proefbedrijf voor Landbouw en Veeteelt voor het verder exploiteren en veranderen van een varkenshouderij gelegen aan de Bullenstraat 13, bus 1, te Meeuwen-Gruitrode, VII-40.321-1/13 gegrond wordt verklaard en de gevraagde vergunning onder voorwaarden wordt verleend. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De bvba Landbouwbedrijf Lavrijsen heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 28 augustus
  3. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een verslag opgesteld. De tussenkomende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 januari
  4. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Philippe Dreesen, die loco advocaat Wim Mertens verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Liesbeth Tommelein, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Niels Vansimpsen, die loco advocaat Jan Surmont verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-40.321-2/13 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. De tussenkomende partij baat aan de Bullenstraat 13 B1 in Meeuwen-Gruitrode, thans Oudsbergen, een varkenshouderij uit in agrarisch gebied volgens het gewestplan Neerpelt-Bree. Zij beschikt daarvoor over een milieuvergunning voor 2.929 varkens, geldig tot 16 april
  7. 3.
  8. Zij dient op 24 juli 2013 een milieuvergunningsaanvraag in om de bestaande stallen af te breken en volledig nieuwe stallen te bouwen, met plaats voor 10.200 vleesvarkens en 4.400 biggen. 3.
  9. Op 10 oktober 2013 verleent het Agentschap voor Natuur en Bos een voorwaardelijk gunstig advies, dat onder meer als volgt luidt: “Gelet op de toepassingssfeer van art. 14, 16 en 36ter van het natuurdecreet inzake de effecten door verzuring en vermesting wordt het positieve advies gegeven onder voorwaarde van: […] - Voorzien van een bufferbeplanting (15 meter) aan de noordelijke, oostelijke en zuidelijke zijde van het bedrijf volgens het plan als bijlage. […] De bufferbeplanting is noodzakelijk uit milieutechnisch en ecologisch oogpunt en valt niet onder toepassing van het bosdecreet. […] Mits toepassen van de voorwaarden worden geen significante negatieve effecten verwacht op de Speciale beschermingszones”. 3.
  10. Op 18 december 2013 weigert de deputatie van de provincieraad van Limburg de gevraagde vergunning. De tussenkomende partij stelt tegen deze beslissing een bestuurlijk beroep in. VII-40.321-3/13 Na het inwinnen van de nodige adviezen, verklaart de bevoegde Vlaamse minister op 5 januari 2015 dit beroep gegrond. Zij heft de in eerste aanleg genomen beslissing op en verleent de vergunning. 3.
  11. Bij arrest nr. 239.878 van 16 november 2017 vernietigt de Raad van State de verleende vergunning. 3.
  12. Ingevolge dit vernietigingsarrest herneemt de verwerende partij het administratief besluitvormingsproces. Na het opnieuw inwinnen van de nodige adviezen verklaart de bevoegde Vlaamse minister op 27 april 2018 het ingediende administratief beroep gegrond en verleent zij de gevraagde milieuvergunning onder voorwaarden. Dit is het bestreden besluit. IV. Onderzoek van het vijfde middel Standpunten van de partijen
  13. De verzoekende partij leidt een vijfde middel af uit de schending van de artikelen 16 en 36ter van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna: natuurbehouddecreet), van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: habitatrichtlijn), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het zorgvuldigheidsbeginsel. De verzoekende partij wijst op het voorwaardelijk gunstig advies van het Agentschap voor Natuur en Bos volgens hetwelk de aanleg van bufferbeplanting noodzakelijk is vanuit ecologisch en milieutechnisch oogpunt. In haar verslag stelt het departement LNE dat de realisatie van “een dergelijke groenbuffer” essentieel is inzake het verder milderend effect op het vlak van verzurende en vermestende deposities. De verzoekende partij betoogt dat in het bestreden besluit slechts ten dele tegemoet wordt gekomen aan het advies van het VII-40.321-4/13 Agentschap voor Natuur en Bos. Aan de zuidzijde van de inrichting is de bufferzone immers minder breed dan geadviseerd omdat vrije ruimte nodig is voor een brandweg en voor een standplaats voor de brandweer aan het midden van de stal. Deze motieven van brandveiligheid zijn volgens de verzoekende partij geen pertinente motieven die verband houden met de natuurwetgeving en kunnen de afwijking van het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos niet verantwoorden. Een en ander zou des te meer gelden vermits de Vlaamse regering is gestart met de programmatorische aanpak van stikstof (hierna: PAS).
  14. De verwerende partij stelt hier tegenover dat de natuurtoets en de passende beoordeling reeds werden meegenomen in het kader van de project-MER. In dat verband was het oordeel van het Agentschap voor Natuur en Bos veel genuanceerder en bleek een buffer van tien meter breed al voldoende. Verder zou de verzoekende partij een passage omtrent het inhoudelijk onderzoek weglaten uit het door haar aangehaalde advies van 10 oktober 2013 van hetzelfde agentschap, waaruit blijkt dat het “aangewezen [is] het bedrijf te omgeven met een bufferplanting” en dat “een breedte van 15 meter noodzakelijk” is om “een maximaal rendement te genereren”. In graad van administratief beroep heeft het agentschap dit advies bevestigd en daarbij opgemerkt dat het opnemen van die voorwaarde in de milieuvergunning “redelijk essentieel” wordt beschouwd. Een eventuele gedeeltelijke onmogelijkheid om op een bepaalde plaats een buffer van vijftien meter te realiseren zou volgens de verwerende partij niet automatisch leiden tot de weigering van de vergunning. Bovendien gaat de verzoekende partij volgens haar voorbij aan het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos dat dateert van na het arrest van de Raad van State van 16 november 2017, waarin het agentschap uitdrukkelijk aangeeft dat de weerlegging van het argument van de deputatie in verband met de verzurende en vermestende deposities kan worden gevolgd. Voorts is gebleken dat de uitbreiding van de exploitatie volgens het significantiekader van de PAS mogelijk is. De motieven inzake de brandveiligheid zijn wel degelijk pertinent. Hoewel het bestreden besluit afwijkt van het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos, is het volgens de verwerende partij niet kennelijk onredelijk, gelet op de nuancering die blijkt uit de adviezen van het agentschap. Dat afdoende rekening werd gehouden met de natuurwaarden blijkt, steeds volgens de verwerende partij, des te meer uit het gegeven dat het bestreden VII-40.321-5/13 besluit zich niet beperkt tot het opleggen van een luchtwassysteem en de aanleg van een groenscherm.
  15. De tussenkomende partij verwijst naar de paginalange motivering in het bestreden besluit aangaande de verzurende en vermestende deposities die uitgaan van de aanvraag en aangaande de gebeurlijke impact op de natuur in het algemeen. Daaruit moet blijken dat de verwerende partij op concrete en afdoende manier de haar opgelegde zorgplicht is nagekomen. De verzoekende partij uit volgens de tussenkomende partij enkel kritiek betreffende het groenscherm. De impact van de stikstofdepositie en de realisatie van de betreffende natuurdoelen houden daarmee geenszins verband. In elk geval bleek uit de output van de “Impactscore NH3” dat de uitbreiding mogelijk is volgens het significantiekader van de PAS. Uit het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos blijkt dat het groenscherm een bijkomend, afzwakkend gegeven vormt. Het advies stelt volgens de tussenkomende partij daarnaast niet dat een breedte van vijftien meter noodzakelijk is, maar wel dat een maximaal rendement een dergelijke breedte veronderstelt. Nergens zou blijken dat de aanvraag een groenscherm met een maximaal rendement behoeft. In het kader van de passende beoordeling bleek integendeel dat een breedte van tien meter reeds voldoende werd geacht. Zij besluit dat de nodige ruimte voor de brandweer uiteraard een pertinent gegeven betreft om de buffer plaatselijk te beperken.
  16. In haar laatste memorie voegt de tussenkomende partij in essentie toe dat het advies van 13 oktober 2013 van het Agentschap voor Natuur en Bos “in zijn totaliteit” moet worden gelezen, dat het groenscherm slechts een “bijkomend (afzwakkend) gegeven” vormt, en dat nergens in het advies wordt gesteld dat indien het groenscherm aan de zuidzijde minder dan vijftien meter breed zou zijn, er een betekenisvolle aantasting zou zijn van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale beschermingszone. VII-40.321-6/13 Beoordeling
  17. De te vergunnen inrichting ligt binnen de perimeter van de speciale beschermingszone “Bocholt, Hechtel-Eksel, Meeuwen-Gruitrode en Peer”. Deze perimeter werd aangewezen in uitvoering van richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand. De inrichting ligt ook in de nabijheid van de speciale beschermingszones “Abeek met aangrenzende moerasgebieden” en Mangelbeek en heide- en vengebieden tussen Houthalen en Gruitrode”, die werden aangewezen in uitvoering van de habitatrichtlijn. Aangezien de aanvraag significante gevolgen kan hebben voor die gebieden of een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van deze speciale beschermingszones kan veroorzaken, valt hij onder het toepassingsgebied van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn. Deze bepaling werd in het interne recht omgezet in artikel 36ter, §§ 3 en 4, van het natuurbehouddecreet. Artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn is omgezet in het interne recht in artikel 36ter, § 5, van het natuurbehouddecreet. Artikel 6, lid 3 en lid 4, van de habitatrichtlijn luidt als volgt: “
  18. Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo’n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.
  19. Indien een plan of project, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen, om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd, neemt de Lid-Staat alle nodige compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De Lid-Staat stelt de Commissie op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen. VII-40.321-7/13 Wanneer het betrokken gebied een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat en/of een prioritaire soort is, kunnen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten dan wel, na advies van de Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang worden aangevoerd”. Artikel 36ter, §§ 4 en 5, van het decreet natuurbehoud, bepaalt: “§
  20. De overheid die over een vergunningsaanvraag, een plan of programma moet beslissen, mag de vergunning slechts toestaan of het plan of programma slechts goedkeuren indien het plan of programma of de uitvoering van de activiteit geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale beschermingszone kan veroorzaken. De bevoegde overheid draagt er steeds zorg voor dat door het opleggen van voorwaarden er geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan ontstaan. §
  21. In afwijking op de bepalingen van § 4, kan een vergunningsplichtige activiteit die of een plan of programma dat afzonderlijk of in combinatie met één of meer bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma’s, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, slechts toegestaan of goedgekeurd worden a) nadat is gebleken dat er voor de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone geen minder schadelijke alternatieve oplossingen zijn en b) omwille van dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. Wanneer de betrokken speciale beschermingszone of een deelgebied ervan, een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort is, komen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten dan wel, na advies van de Europese Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang, in aanmerking. De afwijking bedoeld in het voorgaande lid kan bovendien slechts toegestaan worden nadat voldaan is aan de volgende voorwaarden: 1° de nodige compenserende maatregelen genomen zijn en de nodige actieve instandhoudingsmaatregelen genomen zijn of worden die waarborgen dat de algehele samenhang van de speciale beschermingszone en -zones bewaard blijft; 2° de compenserende maatregelen zijn van die aard dat een evenwaardige habitat of het natuurlijk milieu ervan, van minstens een gelijkaardige oppervlakte in principe actief is ontwikkeld. De initiatiefnemer rapporteert aan het agentschap over de uitvoering van de compenserende maatregelen, ten laatste binnen een jaar na de definitieve beslissing waarbij de afwijking is toegestaan. Het agentschap neemt de gerapporteerde compenserende maatregelen op in een register. Na de ontvangst van de rapportering beslist het agentschap binnen drie maanden over de inhoud en desgevallend de verdere frequentie van de rapportering. VII-40.321-8/13 De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen voor het opstellen van een passende beoordeling van de effecten van de activiteit op de habitats, de habitats van een soort en op de soort of soorten waarvoor de speciale beschermingszone is aangewezen, voor het onderzoeken van minder schadelijke alternatieven en inzake de compenserende maatregelen. De Vlaamse regering oordeelt over het bestaan van een dwingende reden van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. Elke beslissing in uitvoering van de afwijkingsprocedure van deze paragraaf, wordt met redenen omkleed”.
  22. Een vergunning mag slechts worden verleend indien kan worden besloten dat het gevraagde geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale beschermingszone kan veroorzaken, desgevallend door het opleggen van voorwaarden bedoeld in artikel 36ter, § 4, van het natuurbehouddecreet. Met deze voorwaarden worden noodzakelijkerwijze maatregelen bedoeld ter vermijding van een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale beschermingszone. Indien een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone niet kan worden vermeden, kan de vergunning overeenkomstig de restrictief toe te passen afwijkingsmogelijkheid van artikel 36ter, § 5, van het natuurbehouddecreet enkel op gemotiveerde wijze goedgekeurd worden wegens dringende redenen van groot openbaar belang en indien er geen minder schadelijke alternatieve oplossingen zijn, én mits de nodige compenserende maatregelen worden genomen. Het hoger geciteerde positieve advies van het Agentschap voor Natuur en Bos van 10 oktober 2013 wordt verleend onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat wordt voorzien in een bufferbeplanting (vijftien meter) aan de noordelijke, oostelijke en zuidelijke zijde van het bedrijf volgens het plan dat als bijlage bij het advies is gevoegd. Er wordt op gewezen dat de bufferbeplanting noodzakelijk is uit milieutechnisch en ecologisch oogpunt en niet valt onder toepassing van het bosdecreet, en dat mits het toepassen van de voorwaarden geen significante negatieve effecten op de speciale beschermingszone worden verwacht. In graad van administratief beroep wordt dit advies bevestigd. VII-40.321-9/13
  23. Naar aanleiding van de vernietiging door de Raad van State van het ministerieel besluit van 5 januari 2015 wordt de administratieve procedure hernomen en wordt opnieuw advies gevraagd. Het agentschap concludeert ditmaal in zijn advies dat “geen betekenisvolle aantasting van de natuurwaarden wordt verwacht mits het opnemen van de voorwaarden zoals opgenomen in de adviezen van het Agentschap voor Natuur en Bos d.d. 21/06/2013 i.v.m. de project MER en d.d. 10/10/2013 i.v.m. de milieuvergunningsaanvraag”. In het bestreden besluit wordt gesteld: “Overwegende dat het ANB een voorwaardelijk gunstig subadvies heeft gegeven; dat verwezen wordt naar het voorwaardelijk gunstig subadvies van 10 oktober 2013 in het kader van de procedure in eerste aanleg; dat de volgende voorwaarden zijn opgenomen in het subadvies van ANB: - aansluiten van de werkvloeren en overlopen van sleufsilo’s op een mestkelder; - voorzien van een bufferbeplanting van 15 m aan de noordelijke, de oostelijke en de zuidelijke zijde van het bedrijf; de groenbuffer moet bestaan uit een dubbele rij hoogstammige bomen afgewisseld met struweelvormende soorten; - geen afvoer van potentieel verontreinigd hemelwater op het oppervlaktesysteem; Overwegende dat aan de noord- en oostzijde een groenscherm, zoals voorgesteld door het ANB, mogelijk is; dat aan de zuidzijde echter niet de nodige plaats is om een dergelijk breed groenscherm te voorzien, aangezien de nodige ruimte moet worden vrijgehouden voor de brandweer; dat er circa 15 m vrije ruimte is aan de zuidzijde tussen de stallen en de perceelsgrens; dat er minimaal 4 m brandweg moet worden vrijgehouden evenals een standplaats voor de brandwee ter hoogte van het midden van de stal; dat over de volledige breedte een groenscherm van minimaal 5 m mogelijk is; dat op sommige plaatsen een breder groenscherm mogelijk is; dat het aangewezen is dat aan de zuidzijde een groenscherm wordt aangelegd van minimaal 5 m breed en dat dit groenscherm moet worden gemaximaliseerd zodat de vrije ruimte tussen de brandweg en de standplaats voor de brandweer en de perceelsgrens ingenomen wordt door een dicht groenscherm […]”. VII-40.321-10/13 De bestreden beslissing wijkt af van de voorwaarde met betrekking tot de bufferbeplanting door langs de zuidzijde van de inrichting een minder brede groene bufferzone toe te laten. Er is derhalve geen sprake van de toepassing van de desbetreffende voorwaarde in het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos, wat betekent dat er, overeenkomstig dat advies, significante negatieve effecten te verwachten zijn op de speciale beschermingszones. In die omstandigheden kon de vergunning enkel worden verleend mits toepassing van de restrictieve afwijkingsmogelijkheid bepaald in artikel 36ter, § 5, van het natuurbehouddecreet. Het blijkt evenwel niet dat de verwerende partij op die bepaling een beroep heeft gedaan. De bestreden vergunning werd derhalve verleend in strijd met artikel 36ter van het natuurbehouddecreet.
  24. Het betoog van de verwerende en de tussenkomende partij dat het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos inzake de passende beoordeling “veel genuanceerder” was en “een buffer van 10 meter voldoende” werd geacht, dat in eerste aanleg werd geadviseerd dat het “aangewezen” was het bedrijf met een buffer te omringen, waarbij de breedte van vijftien meter slechts voorgesteld werd “om aan de buffer een maximaal rendement te verschaffen”, dat de afwijking betrekking heeft op “de nodige ruimte voor de brandweer (brandweg en standplaats)” en dat in het laatste advies van het Agentschap voor Natuur en Bos, dat dateert van na het arrest van de Raad van State van 16 november 2017, uitdrukkelijk wordt aangegeven “dat de weerlegging van het argument van de deputatie in verband met de verzurende en vermestende deposities kan worden gevolgd”, doet geen afbreuk aan de uitdrukkelijke en ondubbelzinnige, telkenmale bevestigde conclusie van het Agentschap voor Natuur en Bos dat een bufferbeplanting van vijftien meter moet worden voorzien, zoals vastgelegd in het plan in bijlage bij het advies, dat die bufferbeplanting noodzakelijk is vanuit milieutechnisch en ecologisch oogpunt en dat enkel mits toepassing van onder meer deze voorwaarde, geen significante negatieve effecten op de speciale beschermingszones worden verwacht. De opmerkingen in de laatste memorie van de tussenkomende partij doen hieraan niet af. VII-40.321-11/13 Het vijfde middel is in die mate gegrond. BESLISSING
  25. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 27 april 2018 waarbij het beroep tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 18 december 2013, houdende het weigeren van een milieuvergunning aan de nv Berger - Proefbedrijf voor Landbouw en Veeteelt voor het verder exploiteren en veranderen van een varkenshouderij gelegen aan de Bullenstraat 13, bus 1, te Meeuwen-Gruitrode, gegrond wordt verklaard en de gevraagde vergunning onder voorwaarden wordt verleend.
  26. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  27. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-40.321-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht februari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.321-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.740 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.