← België

Arrest 249745 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 08/02/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.745 Rolnummer: A. 222369/VII-40014 Zaak: Arrest 249745 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 08/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-02-16 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-20 00:31 Fiche Arrest nr 249.745 van 8 februari 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 249.745 van 8 februari 2021 in de zaak A. 222.369/VII-40.014 In zake : de NV AANNEMINGSBEDRIJF AERTSSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Larmuseau kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de OPENBARE VLAAMSE AFVALSTOFFENMAATSCHAPPIJ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Willem Slosse en Astrid Gelijkens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 64, bus 201 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 8 juni 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna: OVAM) van 7 april 2017 houdende toestemming voor de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen zoals omschreven in kennisgeving BE
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.014-1/12 Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 januari
  4. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Isabelle Larmuseau, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Astrid Gelijkens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Met het kennisgevingsformulier BE001005983 geeft de verzoekende partij op 6 februari 2017 aan OVAM kennis van de voorgenomen overbrenging van 200.000 ton grond naar Nederland. 3.
  7. OVAM deelt vervolgens mee dat de kennisgeving als correct verricht wordt beschouwd en dat ze werd doorgestuurd naar de bevoegde Nederlandse autoriteit van bestemming. 3.
  8. Met de thans bestreden beslissing van 7 april 2017 geeft OVAM VII-40.014-2/12 als autoriteit van verzending toestemming voor de overbrenging in de periode van 6 april 2017 tot en met 14 maart 2018 van 200.000 ton grond naar Nederland. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd: “De kennisgeving BE001005983 heeft betrekking op de overbrenging van 200.000 ton grond met stenen (EURAL 170504) afkomstig van Aannemingsbedrijf Aertssen in Stabroek en bestemd voor Kaliwaal BV in Oosterhout. De aanvraag werd ingediend voor 200 transporten over een periode van 15.03.2017 tot en met 14.03.
  9. De uitgegraven bodem is afkomstig van de T.O.P. Westvaartdijk in 1850 Grimbergen en bestemd voor herinrichting van de Koornwaard (NL). De bodem zal worden gebruikt om een oude zandput te ontdiepen. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van grond met kwaliteit t/m klasse industrie. Deze toepassing wordt door de Nederlandse overheid beschouwd als een nuttige toepassing (R5). In het Vlaams gewest wordt het toepassen van grond voor het verontdiepen van een oude zandput beschouwd als een bodemtoepassing, waarvoor de grond die niet voldoet aan de normen voor bodem, maar wel aan de normen voor bouwkundig bodemgebruik (VLAREBO), niet geschikt is. De toepassing van materialen als bodem die daarvoor niet in aanmerking komen, wordt in het Vlaams gewest aanzien als storten (verwijderen) van afvalstoffen. De OVAM kan echter akkoord gaan met de uitvoer indien er een heffing wordt betaald voor gronden die niet voldoen aan de normwaarden voor bodem. Op deze kennisgeving is artikel 12 van de Verordening van toepassing. De kennisgever en de ontvanger hebben een contract afgesloten dat voldoet aan de bepalingen van artikel 5 van de Verordening. De OVAM geeft toestemming voor de overbrenging onder kennisgeving BE
  10. De goedkeuring is geldig voor 200 transporten over een periode van 06.04.2017 tot en met 14.03.2018 op voorwaarde dat: - de transporten pas plaatsvinden nadat alle bevoegde autoriteiten toestemming hebben verleend (artikel 9 van de Verordening); - voor de transporten in het Vlaamse gewest enkel geregistreerde vervoerders gebruikt worden. Als bijlage vindt u het afgestempelde kennisgevingsdocument. Mogen wij u vragen in het bijzonder artikel 16 van de Verordening in acht te nemen bij de voormeldingen van de transporten: drie werkdagen vóór de overbrenging moet de kennisgever een kopie van het verder ingevuld vervoersdocument naar de betrokken autoriteiten en aan de ontvanger zenden. Gebruik voor alle meldingen volgend OVAM faxnummer: + 3215432664 of e-mail shipment@ovam.be (enkel PDF). Volgens artikel 16 van de Verordening moet elke overbrenging vergezeld gaan van het vervoersdocument en de afschriften van het kennisgevingsdocument met de schriftelijke toestemmingen die door de betrokken autoriteiten werden verleend en gesteld. Overeenkomstig artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan u tegen deze beslissing een annulatieberoep indienen bij de Raad VII-40.014-3/12 van State. Het annulatieberoep moet worden ingediend binnen een termijn van zestig dagen vanaf de datum van betekening van het besluit, volgens de voorschriften die zijn vastgesteld in artikels 1 tot en met 4 van het regentbesluit van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging in de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Voor het gedeelte van de uitgevoerde afvalstoffen dat al dan niet na voorbehandeling wordt gestort, verbrand of meeverbrand is krachtens artikel 44 en volgende van het Materialendecreet in het Vlaamse gewest een milieuheffing verschuldigd. Deze milieuheffing is verschuldigd op het tijdstip dat de afvalstoffen worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan buiten het Vlaamse gewest. De uitgevoerde hoeveelheden worden op het einde van ieder kwartaal opgenomen in de aangifte voor het betreffende kwartaal. De aangiften kunnen eventueel gebeuren op basis van de goedgekeurde massabalans, waarbij de kennisgever erover moet waken dat de massabalans zo goed mogelijk aansluit bij de reële percentages. Voor vragen hierover kan u contact opnemen met de dienst Heffingen en subsidies via het e-mailadres milieuheffingen@ovam.be”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie van de verwerende partij
  11. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord de volgende exceptie op: “De bestreden beslissing op zich berokkent aan verzoekende partij geen enkel nadeel. Verzoekende partij heeft een aanvraag ingediend voor de overbrenging van 200.000 ton grond met stenen naar Nederland, Oosterhout (200 transporten tussen 15 maart 2017 en 14 maart 2018). Verwerende partij geeft in de bestreden beslissing goedkeuring voor de overbrenging - voor 200 transporten - van 6 april 2017 tot en met 14 maart 2018 - op voorwaarde dat: - de transporten pas plaatsvinden nadat alle bevoegde autoriteiten toestemming hebben verleend (conform artikel 9 van de Verordening) - voor de transporten in het Vlaamse gewest enkel geregistreerde vervoerders gebruikt worden Verzoekende partij verkrijgt aldus de goedkeuring voor de overbrenging van de uitgegraven bodem, die zij gevraagd geeft, weliswaar voor een iets kortere periode (de beslissing werd pas op 7 april 2017 genomen) dan aangevraagd. Verzoekende partij kan en mag dus de uitgegraven bodem overbrengen naar Nederland. Verzoekende partij heeft geen enkel nadeel bij deze beslissing, aangezien die haar toestaat wat zij vraagt. VII-40.014-4/12 [...] Verzoekende partij stelt dat er in de bestreden beslissing een „voorwaarde‟ voor de overbrenging opgenomen staat, die naar haar mening „illegaal‟ is, namelijk dat in de bestreden beslissing expliciet vermeld wordt dat er een heffing zal moeten worden betaald voor de gronden die niet voldoen aan de normvoorwaarden voor bodem. Deze vermelding maakt echter geen „voorwaarde‟ voor de toestemming tot overbrenging uit. De voorwaarden voor de toestemming worden zeer duidelijk vermeld in de 5e alinea van de bestreden beslissing […]: „De OVAM geeft toestemming voor de overbrenging onder kennisgeving BE
  12. De goedkeuring is geldig voor 200 transporten over een periode van 06.04.2017 tot en met 14.03.2018 op voorwaarde dat: - de transporten pas plaatsvinden nadat alle bevoegde autoriteiten toestemming hebben verleend (artikel 9 van de Verordening); - voor de transporten in het Vlaamse gewest enkel geregistreerde vervoerders gebruikt worden.‟ De voorwaarden voor de toestemming tot overbrenging zijn dus duidelijk: toestemming van alle bevoegde autoriteiten en in Vlaanderen enkel geregistreerde vervoerders gebruiken. Verzoekende partij doelt echter op de waarschuwing die verwerende partij opneemt in de bestreden beslissing, namelijk dat indien (een deel van) de gronden niet voldoen (voldoet) aan de normvoorwaarden voor bodem, het achterlaten van (een deel van) deze gronden in een oude zandput aanzien zal worden als het storten van afvalstoffen, en er dientengevolge milieuheffingen verschuldigd zullen zijn: „De toepassing van materialen als bodem die daarvoor niet in aanmerking komen, wordt in het Vlaams gewest aanzien als storten (verwijderen) van afvalstoffen. De OVAM kan echter akkoord gaan met de uitvoer indien er een heffing wordt betaald voor gronden die niet voldoen aan de normwaarden voor bodem.‟ [...] Het al dan niet verschuldigd zijn van milieuheffingen vloeit echter niet voort uit de Verordening inzake overbrenging van afvalstoffen, en is dus ook geen voorwaarde voor de toestemming voor dergelijke overbrenging. Het al dan niet verschuldigd zijn van milieuheffingen vloeit voort uit het Materialendecreet, dat van toepassing zal worden op het moment van ontstaan van de heffingsplichtige handeling. Hierop (de heffingsplicht en de bijhorende aangifteplicht) wordt dan ook in de voorlaatste alinea van de besteden beslissing nog uitgebreider ingegaan: „Voor het gedeelte van de uitgevoerde afvalstoffen dat al dan niet na voorbehandeling wordt gestort, verbrand of meeverbrand is krachtens artikel 44 en volgende van het Materialendecreet in het Vlaamse gewest een milieuheffing verschuldigd. Deze milieuheffing is verschuldigd op het tijdstip dat de afvalstoffen worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan buiten het Vlaamse gewest. De uitgevoerde hoeveelheden worden op het einde van ieder kwartaal opgenomen in de aangifte voor het betreffende kwartaal. De aangiften kunnen eventueel gebeuren op basis van de goedgekeurde massabalans, waarbij de kennisgever erover moet waken dat de massabalans zo goed mogelijk aansluit bij de reële percentages.‟ De toestemming voor de overbrenging en de waarschuwing inzake de VII-40.014-5/12 aangifte- en milieuheffingsplicht staan volstrekt los van elkaar. Ook zonder de vermelding in de bestreden beslissing, zou het Materialendecreet in werking treden op het moment van ontstaan van de heffingsplichtige handeling. De waarschuwing inzake de heffingsplicht kan dus nooit een voorwaarde voor de toestemming voor de overbrenging uitmaken. [...] Ook [...] de opbouw van de bestreden beslissing toont aan dat het hier hoe dan ook niet gaat om een „voorwaarde‟ voor de toestemming. In de alinea waarin de betwiste „voorwaarde‟ staat opgenomen, wordt de toestemming voor de overbrenging niet eens vermeld. De toestemming staat twee alinea‟s verder vermeld, zonder enige toevoeging over milieuheffingen. [...] Verzoekende partij maakt duidelijk dat slechts één paragraaf in de hele bestreden beslissing voor haar „griefhoudend‟ zou zijn. Zoals hierboven uiteengezet, betreft deze paragraaf geen „voorwaarde‟ voor de toestemming. Deze paragraaf uit bestreden beslissing kan echter niet griefhoudend zijn voor verzoekende partij. Wat een ambtenaar (niet eens in het kader van een fiscale beslissing) stelt aangaande de verschuldigdheid van een belasting, maakt uiteraard niet de heffingsgrond voor een belasting uit. Er kan geen heffingsgrond in het leven worden geroepen enkel en alleen door de vermelding ervan in een beslissing. De al dan niet verschuldigdheid van een milieuheffing wordt bepaald door de fiscale bepalingen van het Materialendecreet. Uit de „griefhoudende‟ paragraaf vloeien dan ook geen rechtsgevolgen voort. Verwerende partij meent dan ook dat Uw Raad onbevoegd is om te oordelen over het verzoek tot nietigverklaring van bestreden beslissing. De griefhoudende paragraaf uit de bestreden beslissing is immers geen akte of reglement zoals bepaald in artikel 14 van de Raad van State-wet. […] Verzoekende partij werpt ook op dat de bestreden beslissing een nieuwe heffingsgrond in het leven roept, buiten de bepalingen van het Materialendecreet om. Dit betreft een fiscaal probleem, met een fiscale decreetsbepaling, in een concrete fiscale zaak die vooralsnog niet is ontstaan. Voor zover het verzoek tot nietigverklaring in feite een discussie inzake een belastingsbepaling betreft, dient erop gewezen te worden dat dergelijke betwistingen exclusief tot de bevoegdheid van de fiscale rechtbanken behoren. Ook voor de beslechting van dergelijke betwistingen in Uw Raad onbevoegd. […] Minstens moet vastgesteld worden dat verzoekende partij geen blijk geeft van het rechtens vereiste belang bij de nietigverklaring van de gehele bestreden beslissing, nu dit zou inhouden dat ook de toestemming die zij verkreeg zou vernietigd worden. Nochtans argumenteert verzoekende partij nergens dat de toestemming voor de overbrenging die zij verkreeg, haar zou grieven. Verzoekende partij zal aldus geenszins een rechtstreeks, zeker en actueel nadeel lijden door de bestreden beslissing, en de eventueel tussen te komen nietigverklaring zal haar niet een direct en persoonlijk voordeel verschaffen. Het is veelzeggend dat op 7 april 2017 aan dezelfde partij, met betrekking tot VII-40.014-6/12 dezelfde gronden, afkomstig van dezelfde TOP (doch met een andere bestemming in Nederland) een andere beslissing inzake de toelating voor het overbrengen van gronden werd genomen, die eveneens de door verzoekende partij gehekelde „voorwaarde‟ bevat, doch waarvoor geen verzoek tot vernietiging werd ingediend voor Uw Raad. […] Voor zover er al sprake zou zijn van een vraag tot enkel de vernietiging van de gehekelde „voorwaarde‟ - quod certe non - dient erop gewezen te worden dat ook indien de waarschuwing inzake de milieuheffing uit de bestreden beslissing wordt gehaald, de bepalingen inzake de millieuheffing hoe dan ook toch hun uitwerking zullen hebben. Ook een gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beslissing kan aan de verzoekende partij aldus geen persoonlijk voordeel verschaffen”.
  13. In haar memorie van wederantwoord dupliceert de verzoekende partij: “[…] De verwerende partij heeft maar drie mogelijkheden om te reageren op een aangemelde overbrenging van afvalstoffen. Deze drie mogelijkheden worden duidelijk opgesomd in artikel 9, lid 1 EVOA, dat als volgt luidt: „De bevoegde autoriteiten van verzending, van bestemming en van doorvoer beschikken over een termijn van 30 dagen na de datum van de ontvangstbevestiging door de bevoegde autoriteiten van bestemming uit hoofde van artikel 8 om een van de volgende, schriftelijk gemotiveerde besluiten te nemen over de aangemelde overbrenging: a) toestemming zonder voorwaarden; b) aan voorwaarden verbonden toestemming, overeenkomstig artikel 10; of c) bezwaar, overeenkomstig de artikelen 11 en 12‟. De verwerende partij verwoordt haar schriftelijk gemotiveerd besluit over de aangemelde overbrenging héél duidelijk als volgt […]: „De OVAM kan akkoord gaan met de uitvoer indien er een heffing wordt betaald voor gronden die niet voldoen aan de normwaarden voor bodem.‟ Wat de verwerende partij ook mag beweren ter „post factum-nuancering‟ van het bestreden besluit […], zij kan er niet omheen dat een dergelijke verwoording („akkoord indien‟) overduidelijk kwalificeert als een „aan voorwaarden verbonden toestemming‟, zoals bedoeld in artikel 9, lid 1, b) EVOA. […] De verwerende partij mag ook niet vergeten dat Uw Raad reeds vertrouwd is met de ambitie van de verwerende partij om de uitvoer naar Nederland van aldaar nuttig toe te passen bodemmaterialen de facto tegen te gaan (zie de RvS-arresten nrs. 228.385 en 228.386 van 18 september 2014).[…] Uw Raad is dus bij uitstek bevoegd om te oordelen over de nieuwe „creatieve‟ besluiten die de verwerende partij neemt om alsnog aan de inhoud van de RvS-arresten nrs. 228.385 en 228.386 van 18 september 2014 te kunnen ontsnappen. Omdat de verwerende partij dit liever niet ziet gebeuren, bepleit zij vurig de exclusieve bevoegdheid van de fiscale rechtbank, in de hoop op die manier de principiële vragen van administratief en Europees milieurecht […] te kunnen doen vergeten, die het bestreden besluit doen oprijzen. VII-40.014-7/12 […] Zoals de verwerende partij correct opmerkt, is het bestreden besluit geen „alleenstaand geval‟: de verwerende partij neemt sinds kort systematisch beslissingen met dezelfde inhoud als het bestreden besluit. De rechtsonzekerheid is dan ook bijzonder groot, en de verwerende partij probeert, in afwachting van het tussen te komen arrest van Uw Raad, één en ander „recht te trekken‟ door bijgestuurde „vragen en antwoorden‟ te formuleren onder de „FAQ inzake wetgeving milieuheffingen‟ op de website van de verwerende partij […]. […] Deze „FAQ-demarche‟ van de verwerende partij biedt meteen ook het antwoord op het door de verwerende partij aangevoerde contra-argument dat het bestreden besluit geen nieuwe heffingsgrond in het leven roept, en dat het al dan niet verschuldigd zijn van de milieuheffing wordt bepaald door het Materialendecreet en niet door het bestreden besluit. Doordat in het Afvalstoffendecreet/Materialendecreet géén heffingsgrond was/is opgenomen[…] (artikel 46, § 1, 19° Materialendecreet heeft immers exclusief betrekking op buiten het Vlaamse Gewest gestorte/verbrande afvalstoffen en geenszins op buiten het Vlaamse Gewest nuttig toegepaste afvalstoffen) schreef de verwerende partij op 26 juni 2017 de in het bestreden besluit opgenomen „EVOA-heffingsambitie‟ neer in de „FAQ inzake wetgeving milieuheffingen‟ […]. Het spreekt voor zich dat de verwerende partij niet aan de hand van zelf uitgevonden antwoorden op zelf uitgevonden „Frequently Asked Questions‟ […] nieuwe heffingsgronden kan creëren en „aan (heffings)voorwaarden verbonden EVOA-toestemmingen‟, zoals het bestreden besluit, van nadere tekst en uitleg kan voorzien. Indien de bewuste heffingsgrond, zoals de verwerende partij zelf ook voorhoudt, reeds jarenlang in zowel het Afvalstoffendecreet als het Materialendecreet was opgenomen,[…] waarom heeft de verwerende partij dan nóóit voorheen deze heffing gevestigd? Drie jaar na de RvS-arresten nrs. 228.385 en 228.386 van 18 september 2014, geeft de verwerende partij nu voor het eerst een haar welgevallige „volatiele‟ (er circuleerden de afgelopen maanden meerdere varianten van „FAQ‟-antwoorden) lezing aan een aloude „onverdachte‟ heffingsgrond in het Afvalstoffendecreet/Materialendecreet en koppelt zij dit nu voor het eerst als voorwaarde aan een EVOA-toestemming”.
  14. In haar laatste memorie benadrukt de verzoekende partij dat de in de bestreden beslissing gebruikte woorden “akkoord indien” wel degelijk impliceren dat de toestemming voor de grensoverschrijdende overbrenging voorwaardelijk is, dat de opgelegde voorwaarde neerkomt op een uitvoerheffing die een ontradend effect heeft, en dat “niet [valt] in te zien hoe een financiële voorwaarde van 2.200.000 euro, gekoppeld aan de EVOA-toestemming, géén impact zou hebben op de verplichte vrije circulatie tussen de lidstaten van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen”. VII-40.014-8/12
  15. De verwerende partij laat in haar laatste memorie nog gelden dat de “betreffende heffingsgrondslag bestaat en zal worden toegepast, ongeacht of [zij] er nu melding van maakt of niet”, dat voor zover er sprake zou zijn van een “(financieel) ontradend effect” dit voortvloeit uit het materialendecreet en niet uit de bestreden beslissing, dat wanneer de overgebrachte grond voldoet aan 80% van de bodemsaneringsnormen er zelfs geen heffingen verschuldigd zullen zijn en dat “[l]outere inlichtingen en mededelingen” geen aanvechtbare administratieve rechtshandelingen zijn omdat ermee niet beoogd wordt rechtsgevolgen te doen ontstaan. Beoordeling
  16. In het verzoekschrift tot nietigverklaring licht de verzoekende partij toe dat haar belang gelegen is in het feit dat de bestreden beslissing “een oneigenlijke/illegale (heffings)voorwaarde oplegt voor resp. een verkapt bezwaar impliceert tegen de aangemelde grensoverschrijdende overbrenging van 200.000 ton grond met stenen […] bestemd voor het verontdiepen van een oude zandput in Nederland”.
  17. De bestreden beslissing kadert in verordening (EG) 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (hierna: EVOA) waarbij OVAM als bevoegde autoriteit van verzending toestemming moet verlenen voor de voorgenomen overbrenging van afvalstoffen naar het buitenland. Overeenkomstig artikel 9, lid 1, EVOA beschikt (onder meer) de bevoegde autoriteit van verzending over een termijn van 30 dagen om “een van de volgende, schriftelijk gemotiveerde besluiten te nemen over de aangemelde overbrenging: a) toestemming zonder voorwaarden; b) aan voorwaarden verbonden toestemming, overeenkomstig artikel 10; of c) bezwaar, overeenkomstig de artikelen 11 en 12”.
  18. In de bestreden beslissing stelt de verwerende partij dat zij als bevoegde autoriteit van verzending “akkoord [kan] gaan met de uitvoer indien er een heffing wordt betaald voor gronden die niet voldoen aan de normwaarden voor bodem”. Tevens geeft zij uitdrukkelijk aan dat voor “het gedeelte van de VII-40.014-9/12 uitgevoerde afvalstoffen dat al dan niet na voorbehandeling wordt gestort, verbrand of meeverbrand […] krachtens artikel 44 en volgende van het Materialendecreet in het Vlaamse gewest een milieuheffing verschuldigd [is]” en dat deze heffing “verschuldigd [is] op het tijdstip dat de afvalstoffen worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan buiten het Vlaamse gewest”.
  19. Als het uitvoeren van een bepaalde handeling onderworpen is aan de voorafgaande toelating van een bestuursoverheid, zoals in dit geval de toestemming van OVAM voor een grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen, en deze overheid uitdrukkelijk stelt dat zij “akkoord [kan] gaan” met de voorgenomen handeling “indien er een heffing wordt betaald”, is die toestemming voorwaardelijk en mag de aan toestemming onderworpen handeling slechts worden uitgevoerd indien de voorwaarde wordt nagekomen. Bovendien is in dit geval de toestemming onlosmakelijk verbonden met de eenzijdig door het bestuur opgelegde voorwaarde. De verzoekende partij heeft er in beginsel belang bij om na te streven dat de gevraagde toestemming tot overbrenging van afvalstoffen niet afhankelijk wordt gesteld van de naleving van een voorwaarde die zij onwettig acht. In het verzoekschrift voert zij middelen aan waarin wordt betwist dat de verwerende partij de kwestieuze voorwaarde kon opleggen bij het nemen van een beslissing over de kennisgeving van een voorgenomen overbrenging van afvalstoffen naar het buitenland, zoals geregeld door de EVOA-verordening. Zo beschouwd kan de exceptie niet los gezien worden van het debat ten gronde.
  20. Uit de enkele vaststelling dat aan de bestreden beslissing een voorwaarde wordt gekoppeld die betrekking heeft op de milieufiscaliteit, volgt niet dat de Raad van State zonder rechtsmacht is om kennis te nemen van het beroep tot nietigverklaring. Het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van het beroep bestaat immers niet uit een geschil over de milieuheffingen die door de verzoekende partij al dan niet verschuldigd zouden zijn, maar gaat over de toestemming van OVAM, genomen op grond van een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, om afvalstoffen naar het buitenland te mogen overbrengen. VII-40.014-10/12
  21. De exceptie wordt verworpen. V. Heropening van het debat
  22. Aangezien het verslag van de auditeur beperkt is tot het onderzoek van de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie, dient het debat te worden heropend met het oog op een aanvullend verslag. BESLISSING
  23. De Raad van State heropent het debat.
  24. De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat met een aanvullend onderzoek van de zaak. VII-40.014-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht februari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.014-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.745 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.943 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.