← België

Arrest 249746 - Milieuvergunningen - 08/02/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.746 Rolnummer: A. 224827/VII-40237 Zaak: Arrest 249746 - Milieuvergunningen - 08/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-02-16 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-20 00:52 Fiche Arrest nr 249.746 van 8 februari 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Tussenkomst geweigerd Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 249.746 van 8 februari 2021 in de zaak A. 224.827/VII-40.237 In zake : de VZW AKTIEGROEP LEEFMILIEU KEMPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gwijde Vermeire kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 301 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Kristien Vanderheiden en Jan Bergé kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47/001 bij wie woonplaats wordt gekozen Verzoekende partij in tussenkomst: de VZW EG EVENTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Coen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 19 maart 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 10 januari 2018 dat de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen (hierna: deputatie) van 22 juni 2017 waarbij vergunning wordt verleend aan de vzw EG Events voor het verder exploiteren en veranderen van een omloop voor motorvoertuigen aan de Grote Heideweg te Balen, - gedeeltelijk gegrond verklaart, VII-40.237-1/30 - in artikel 3 c van de beroepen beslissing van de deputatie een bijzondere voorwaarde schrapt en nieuwe bijzondere voorwaarden toevoegt, - de overige bepalingen van de beroepen beslissing van de deputatie bevestigt. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De vzw EG Events heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is voorlopig toegestaan bij beschikking van 22 mei
  3. De verzoekende partij in tussenkomst heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de verzoekende partij in tussenkomst hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 januari
  4. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gwijde Vermeire, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Jutte Nijs, die loco advocaten Jan Bergé en Kristien Vanderheiden verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Christophe Coen, die verschijnt voor de verzoekende partij in tussenkomst, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-40.237-2/30 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Regelmatigheid van de rechtspleging Exceptie van de verzoekende partij 3.
  5. De verzoekende partij betwist dat haar de rechtspersoonlijkheid van de vzw EG Events kan worden tegengeworpen. Op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift tot tussenkomst beschikte deze partij immers niet over een conform artikel 13 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen (hierna: VZW-wet) samengestelde raad van bestuur (slechts 2 i.p.v. 3 bestuurders) en was geen jaarrekening conform artikel 17 en 26novies van de VZW-wet neergelegd. 3.
  6. In de laatste memorie legt de verzoekende partij in tussenkomst kopie voor van de notulen van haar bijzondere algemene vergadering van 6 december 2014 die een derde bestuurslid heeft aangesteld. Hieruit volgt dat zij “in ieder geval over een raad van bestuur met 3 leden beschikt zodat zij voldoet aan de voorwaarden van art. 13, § 1 VZW-wet”. Zij stelt dat de rechtsgeldigheid van de vzw niet wordt aangetast door het feit dat deze beslissing niet werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Voorts betoogt zij dat zij vrijgesteld is van de neerlegging van jaarrekeningen. 3.
  7. De verzoekende partij antwoordt in de laatste memorie dat door het tot op heden niet officieel bekendmaken van de beslissing tot aanstelling van een derde bestuurslid, deze “niet tegenwerpelijk aan derden” is en besluit zij dat het verzoek tot tussenkomst niet ontvankelijk is. VII-40.237-3/30 Beoordeling 3.
  8. Artikel 1 van de VZW-wet bepaalt in de op het geding toepasselijke versie, dat de vereniging rechtspersoonlijkheid geniet onder de voorwaarden omschreven in hoofdstuk 1 van de eerste titel van de wet. Artikel 3, § 1, in voormeld hoofdstuk van de VZW-wet bepaalt in de op het geding toepasselijke versie, dat de vereniging rechtspersoonlijkheid bezit vanaf de dag dat haar statuten, de akten betreffende de benoeming van de bestuurders en in voorkomend geval van de personen gemachtigd om de vereniging overeenkomstig artikel 13, vierde lid, te vertegenwoordigen worden neergelegd overeenkomstig artikel 26novies, §
  9. Artikel 13 in voormeld hoofdstuk 1 van de VZW-wet bepaalt in de op het geding toepasselijke versie, dat de raad van bestuur bestaat uit ten minste drie personen. Artikel 26novies van de VZW-wet bepaalt in de op het geding toepasselijke versie: “§
  10. Op de griffie van de rechtbank van koophandel wordt een dossier gehouden voor iedere Belgische vereniging zonder winstoogmerk, in dit hoofdstuk „vereniging‟ genoemd, die haar zetel heeft in het arrondissement. Dit dossier bevat : [...] 2° de akten betreffende de benoeming of de ambtsbeëindiging van de bestuurders [...] §
  11. De akten, stukken en beslissingen bedoeld in § 1, tweede lid, 1°, 2° en 4°, en de wijzigingen ervan, worden bij uittreksel bekendgemaakt in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad. Het uittreksel vermeldt : [...] 2° voor de akten betreffende de benoeming en de ambtsbeëindiging van de bestuurders, de personen aan wie het dagelijks bestuur is opgedragen, de personen gemachtigd om de vereniging te vertegenwoordigen en de commissarissen, de gegevens bedoeld in artikel 9; [...] §
  12. De akten, de stukken en de beslissingen die krachtens deze titel moeten worden neergelegd, kunnen aan derden slechts worden tegengeworpen vanaf de dag van neerlegging ervan of, indien zij naar luid van deze titel ook moeten worden bekendgemaakt, vanaf de dag van bekendmaking ervan in de VII-40.237-4/30 bijlagen bij het Belgisch Staatsblad, behalve indien de vereniging aantoont dat die derden reeds kennis ervan hadden. [...] [...]”. 3.
  13. De verzoekende partij in tussenkomst legt niet het bewijs voor van de bekendmaking in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad van de akte betreffende de benoeming van een derde bestuurder. 3.
  14. De exceptie van de verzoekende partij is gegrond. De vzw EG Events bevindt zich tegenover de verzoekende partij in de toestand van een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid, zodat haar verzoek tot tussenkomst als niet ontvankelijk moet worden afgewezen. 3.
  15. De memorie en de laatste memorie van de vzw EG Events worden uit het debat geweerd. IV. Feiten 4.
  16. Op 2 juli 1998 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen voor de site aan de Grote Heideweg in Balen (Olmen) een milieuvergunning voor het verder exploiteren van een omloop voor wedstrijden met motorvoertuigen voor een termijn die verstrijkt op 7 april
  17. 4.
  18. Volgens het gewestplan Herentals-Mol, vastgesteld bij koninklijk besluit van 28 juli 1978, ligt de site voornamelijk in een gebied voor dagrecreatie en voor een klein gedeelte in bosgebied, meer bepaald het noordelijkste kadastrale perceel, C713c. 4.
  19. Op 15 februari 2017 dient de vzw EG Events, na intrekking van haar vorige milieuvergunningsaanvraag, een nieuwe aanvraag in bij de deputatie van de provincieraad van Antwerpen, voor een vervroegde hervergunning van de omloop voor motorvoertuigen op voormelde site, om deze verder te exploiteren en te veranderen door toevoeging, wijziging en uitbreiding zodat de inrichting voortaan het volgende omvat: VII-40.237-5/30 - 1 verdeelslang; - het stallen van 2 tractoren en een laadschop; - opslag van 2.940 liter diesel in een bovengrondse houder van 3.500 liter; - opslag van 100 liter benzine in jerrycans; - een omloop voor maximaal 9 wedstrijden met motorvoertuigen per jaar en het houden van oefenritten, met inbegrip van recreatief gebruik en opleiding. De aanvraag wordt op 9 maart 2017 ontvankelijk en volledig verklaard. Het openbaar onderzoek wordt gehouden in Balen van 20 maart 2017 tot en met 18 april
  20. Tijdens dit openbaar onderzoek worden 19 bezwaarschriften ingediend alsook 6 reacties om de aanvraag positief te beoordelen. Er wordt in dezelfde periode ook een openbaar onderzoek gehouden in de buurgemeente Ham, die geen bezwaren of opmerkingen opleveren. In eerste aanleg worden enkel gunstige adviezen verstrekt. Op 22 juni 2017 verleent de deputatie van de provincieraad van Antwerpen de gevraagde milieuvergunning aan de vzw EG Events voor een termijn verstrijkend op 22 juni
  21. 4.
  22. Tegen deze vergunningsbeslissing worden diverse beroepen, ondermeer door de verzoekende partij, ingediend. In graad van beroep worden volgende adviezen verstrekt: - het Agentschap voor Natuur en Bos (18 september 2017): gunstig; - het Agentschap voor Natuur en Bos (19 september 2017): gunstig; - het Agentschap voor Natuur en Bos (6 oktober 2017): gunstig; - de afdeling GOP (Ruimte) van het departement Omgeving (20 oktober 2017): gunstig; - het Agentschap voor Natuur en Bos (3 november 2017): voorwaardelijk gunstig; - de afdeling GOP (Milieu) van het departement Omgeving (14 november 2017): voorwaardelijk gunstig. VII-40.237-6/30 Na de exploitant op 21 november 2017 te hebben gehoord, verleent de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie een voorwaardelijk gunstig advies. 4.
  23. Op 10 januari 2018 worden de beroepen gedeeltelijk gegrond verklaard, een bijzondere voorwaarde in artikel 3 c van de bestreden milieuvergunning geschrapt en vervangen door een nieuwe bijzondere voorwaarde en nieuwe bijzondere voorwaarden toegevoegd, en de overige bepalingen van de bestreden milieuvergunning bevestigd: “Art
  24. Het bestreden besluit wordt gewijzigd als volgt: In artikel 3 c „Bijzondere voorwaarden‟ wordt de volgende bijzondere voorwaarde geschrapt: „In afwijking van artikel 5.32.10.4 is het gebruik van de omloop toegestaan tussen l0 uur en 19 uur. De zone voor trainingen en wedstrijden blijft beperkt binnen de huidige omheining. Er wordt verplicht gebruik gemaakt van een milieumat. De voertuigen dienen steeds te beantwoorden aan de geluidsnorm van maximaal 106 dB(A). Voor voertuigen die niet beantwoorden aan de geluidsnorm vastgesteld in het algemeen reglement op de technische eisen waaraan motorvoertuigen moeten voldoen om in het verkeer te worden gebracht, is het gebruik van de omloop niet toegestaan gedurende minimaal 104 „sluitingsdagen‟ op jaarbasis. De exploitant houdt een register bij waarin de „sluitingsdagen‟ worden genoteerd. Dit register moet steeds op de inrichting aanwezig zijn en op vraag worden voorgelegd aan de toezichthoudende ambtenaren.‟ en vervangen door: „In afwijking van artikel 5.32.10.4 is het gebruik van de omloop toegestaan tussen 10 uur en 19 uur. De voertuigen beantwoorden steeds aan de geluidsnorm van maximaal 106 dB(A). Voor voertuigen die niet beantwoorden aan de geluidsnorm vastgesteld in het algemeen reglement op de technische eisen waaraan motorvoertuigen moeten voldoen om in het verkeer te worden gebracht, is het gebruik van de omloop niet toegestaan gedurende minimaal 104 „sluitingsdagen‟ op jaarbasis. De exploitant houdt een register bij waarin de „sluitingsdagen‟ worden genoteerd. Dit register is steeds op de inrichting aanwezig en wordt op vraag voorgelegd aan de toezichthouder.‟ Aan artikel 3 c. „Bijzondere voorwaarden‟ wordt het volgende toegevoegd: - „wanneer er geen activiteit is, is het terrein afgesloten, zodat het ontoegankelijk is voor onbevoegden; er is steeds een toezichter aanwezig tijdens de openingsuren; - de omloop en de overige ingedeelde activiteiten zijn gelegen binnen de omheining en in gebied voor dagrecreatie; VII-40.237-7/30 - het terrein wordt besproeid om stofhinder tegen te gaan; de voor beregening gebruikte grachten en vijver zijn voorzien van een ondoorlatende folie; - hemelwater wordt maximaal op het terrein opgevangen en geïnfiltreerd; er mag geen rechtstreekse lozing naar de Heiloop plaatsvinden; - de lozing van het huishoudelijk afvalwater gebeurt via een correct gedimensioneerde IBA; - er worden milieumatten onder de motoren gelegd bij stilstand, onderhoud of tijdens het tanken; - de buitenverlichting rondom de gebouwen is beperkt tot het strikt noodzakelijke; er is geen permanente verlichting van het parcours; er worden geen verlichtingsbronnen met hoge intensiteit gebruikt en de armaturen zijn neerwaarts gericht‟”. Dit is de bestreden beslissing. V. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
  25. De verzoekende partij argumenteert uitvoerig dat zij voor het belang bij haar beroep steunt op haar statutair doel. Zij wijst op haar werkingsgebied waarin onder meer de gemeente Balen waar de vergunde inrichting is gevestigd, is vervat. Zij stelt dat op 420 meter van de vergunde inrichting, die zelf voor een deel in bosgebied is gelegen, een habitatrichtlijngebied (Bovenloop van de Grote Nete met Zammelsbroek, Langdonken en Goor), op circa 380 meter een VEN-gebied (GEN nr. 453 De Gerheserheide), op circa 280 meter het natuurdomein Scheps en op circa 280 meter het bosdomein De Gerheserheide zijn gelegen. Zij wijst op de aanwezigheid van zeldzame diersoorten waarvan een aantal specifiek zijn beschermd. Zij wijst op het hinderlijk karakter van de inrichting door “de grote volkstoeloop, het gegenereerde verkeer en grote geluidshinder die dergelijke motorcrossactiviteiten met zich meebrengen”. Zij stelt dat de vernietiging van de milieuvergunning “in het licht van de doelstellingen van de verzoekende partij, zeker een voordeel [is] vanuit milieu- en natuurperspectief” zodat “deze procedure [past] binnen de verwezenlijking van de doelstellingen van de” verzoekende partij. Zij wijst erop dat zij een duurzame werking heeft door het uitgeven van haar trimestrieel tijdschrift, het lidmaatschap van haar leden in VII-40.237-8/30 diverse adviesraden, het indienen van allerlei bezwaar- en beroepschriften en het instellen van milieustakingsvorderingen.
  26. De verwerende partij betwist het belang van de verzoekende partij omdat: - zij nalaat enige informatie te verschaffen omtrent “de concrete en duurzame werking van de vereniging zowel in het verleden als in het heden”; - zij moet aantonen dat haar maatschappelijk doel op rechtstreekse wijze geraakt wordt door het bestreden besluit; - haar maatschappelijk doel te vaag en alomvattend geformuleerd is “om te kunnen spreken van een persoonlijk belang”; - zij niet aantoont welk voordeel zij uit een vernietiging van het bestreden besluit haalt.
  27. De verzoekende partij repliceert door de “directe nadelen aan de realisatie van de milieudoelstellingen” te benadrukken: “de zeer aanzienlijke lawaaihinder (tot 106 dBA brongeluid en immissie tot wijd in de omgeving van ver boven de richtwaarden Vlarem II), de gebrekkige en vage milieuvoorzieningen […], de ligging van de vergunde percelen deels in een bosgebied, vlakbij een bosgebied, relatief dicht bij natuurgebieden en VEN-gebied”. Zij wijst verder op “de mogelijke schade aan de waterhuishouding door diverse vervuiling afkomstig van zowel de motorvoertuigen (olie, benzine,…), als van de afvalwateren van de naar schatting toch min. 20.000 bezoekers per jaar”, de “luchtvervuiling (verbranding van brandstof bij oefenen en bij wedstrijden én van de bezoekers)”, “de risico‟s van steeds verdere bodemvervuiling en grondwatervervuiling”, de “risico‟s voor het plaatselijk leefmilieu” door “de uitbating van de verdeelslang”, “de nadelige impact hierdoor op rust- en nest- of broedplaatsen van vogels en zoogdieren”, de benadeling “voor de zachte vormen van recreatie in de omgeving”. De verzoekende partij licht ook haar concrete werking nog verder toe. VII-40.237-9/30 Beoordeling
  28. De verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens de VZW-wet in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor ze zijn opgericht. Wanneer een vzw, die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor de Raad van State optreedt, is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en derhalve onderscheiden van het algemeen belang, dat zij optreedt ter verdediging van een collectief belang, dat haar maatschappelijk doel door de bestreden handeling kan worden geraakt, en dat niet blijkt dat dit maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd.
  29. Uit de statuten van de verzoekende partij blijkt dat zij binnen het arrondissement Turnhout onder meer als doeleinden nastreeft het “waken over een kwalitatief en kwantitatief optimaal menselijk en natuurlijk milieu; in het bijzonder er de natuur en het milieu te vrijwaren, te behouden, te herstellen en te verbeteren in al zijn vormen, zoals landschap, monumenten, biotopen, dieren, planten evenals lucht, water en bodem”.
  30. Deze statutaire doelstellingen zijn voldoende duidelijk, van bijzondere aard en derhalve onderscheiden van het algemeen belang. Ze verlenen de verzoekende partij het vereiste specifieke belang om, teneinde te waken over een kwalitatief en kwantitatief optimaal menselijk en natuurlijk milieu, op te komen tegen een milieuvergunning, verleend voor een hinderlijke inrichting in haar werkingsgebied, die de natuurwaarden kan bedreigen van de door haar aangehaalde habitatrichtlijn-, bos, natuur- en VEN-gebieden die in haar werkingsgebied zijn gelegen. Het blijkt ten slotte niet dat de verzoekende partij haar statutaire doelstellingen niet of niet meer werkelijk zou nastreven.
  31. De exceptie wordt verworpen. VII-40.237-10/30 VI. Onderzoek van het vierde middel Standpunt van de partijen
  32. De verzoekende partij voert in het eerste middelonderdeel de schending aan van artikel 30bis van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I), artikel 1.2.1, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM), artikel 2.2.1.1 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna: Vlarem II), bijlage 2.2.1 bij Vlarem II, de “Vlarem-II vereisten m.b.t. de geluidsmeting in het bijzonder artikel 5.32.10.3”, richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai, het beginsel dat milieuaantastingen aan de bron dienen te worden bestreden (artikel 1.2.1 DABM), het voorzorgs-, rechtszekerheids-, zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel, de materiëlemotiveringsplicht, artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Dit onderdeel is gericht op de geluidshinder. De bestreden beslissing biedt geen garantie op een aanvaardbaar niveau van geluidshinder voor de omgeving en de activiteiten die daar plaatsvinden (recreatief medegebruik) en de natuur die daar aanwezig is. Artikel 5.32.10.1, § 3, van Vlarem II belet niet dat artikel 2.2.1.1 van Vlarem II en de bijlage 2.2.1 bij Vlarem II wel toepasselijk zijn. De bestreden beslissing is niet gemotiveerd in het licht van artikel 2.2.1.1 van Vlarem II en de bijlage 2.2.1 bij Vlarem II. De enkele beperkingen in de bestreden beslissing zijn “onvoldoende om het wettelijk vereiste geluidsklimaat in stille gebieden op het platteland te verzekeren”, te weten 40 dB(A) of, voor een nieuwe inrichting, 35 dB(A) in landelijke gebieden en gebieden voor verblijfsrecreatie, en 45 dB(A) in agrarisch gebied. Er is “geen enkel objectief en redelijk verantwoord criterium […] waarom omlopen voor motorrijtuigen als deze, de milieukwaliteit in de omliggende milieu- en dus ook geluidsgevoelige gebieden niet zouden moeten respecteren. T.a.v. elke met deze decretale en grondwettelijke uitvoeringsbepaling VII-40.237-11/30 vraagt verzoekster toepassing van art. 159 Grondwet” op grond van het gelijkheidsbeginsel, artikel 1.2.1, § 2, en 2.2.1 DABM. Daarnaast trekt de verzoekende partij de correctheid van de metingen en de metingswijze in de verrichte geluidsstudie in twijfel, waarbij zij verwijst naar het Kaderplan. Tevens wijst zij op artikel 5.32.10.4 van Vlarem II, waarin uitzonderingen op het gebruik van de omloop worden voorzien, doch dit kan niet automatisch worden toegekend, zonder belangenafweging. Te dezen helt deze belangenafweging te eenzijdig over naar de exploitant. In de praktijk komt dit erop neer dat “op minstens 260 dagen per jaar er 2 uur langer dan normaal mag worden gereden (nl. i.p.v. enkel tot 17 h, mag dit nu ook tot 19 h). Op 260 dagen per jaar betekent dit dat er dus 520 uren meer en langer vrij doordringend lawaai van de motorcrossactiviteiten mag georganiseerd worden. Binnen deze landelijke, landschappelijk en recreatief waardevolle en natuurwaardevolle omgeving is dit kennelijk onverantwoord”. Qua aantal motorrijtuigen met een geluidsbronniveau tot 106 dB(A) wordt er nergens een beperking opgelegd. Wegens de milieugevoelige omgeving dient deze milieuaantasting aan de bron te worden aangepakt. In het licht van de gegeven motivering in de bestreden beslissing merkt de verzoekende partij op dat het voorzien in een speciale meetruimte een volledig fictief verhaal is, aangezien deze metingen niet worden opgelegd en dus niet afdwingbaar zijn. Het meetsysteem Munisens Mylaps staat vast geïnstalleerd, indien tenminste de milieuvergunning dit oplegt. Ook de plaatsing van de meters dient te worden voorgeschreven. Zo is het relevant om te meten daar waar een hoog vermogen van de motor noodzakelijk is, bijvoorbeeld na bochten op een top bij het oprijden van heuvels. Een permanent gebruik van het meetsysteem en het bijhouden van de meetgegevens (in een logboek) dient verplicht te zijn. Het meetpunt dient eveneens aan de rand van het kwetsbare gebied te liggen, dus het dichtst bij de omloop, immers vanaf de rand van zo een gebied geldt de bijzondere akoestische zorgplicht ten aanzien van bijzondere beschermde gebieden, wat hier niet het geval is bij de uitgevoerde meting. Bovendien rijst de vraag in welke mate de uitgevoerde controles overeenstemmen met de tijdstippen en de gebruikte motoren bij de metingen. De vaststelling dat de inrichting kan voldoen aan de VII-40.237-12/30 vereisten kan onmogelijk correct en consistent genoemd worden en is irrelevant als basis, in het licht van de vaststellingen in het Kaderplan. Door de niet correct uitgevoerde metingen wordt de motivering van de bestreden beslissing aangetast. Zelfs indien men zou aannemen dat de metingen een correcte weergave van de toestand zijn, dan nog dienen het voorzorgsprincipe en het principe van een hoog beschermingsniveau van het leefmilieu te gelden, wat onder meer inhoudt de geluids- en fijnstofproductie zo laag mogelijk te houden. In de motivering wordt bovendien ten onrechte gesteld dat de exploitant zich bijkomend engageert om 104 dagen per jaar te sluiten, wat neerkomt op de bestendiging van de bestaande situatie. Het enige wat vergunningsmatig telt, zijn de vergunningsvoorwaarden voor de exploitaties de komende 20 jaar. Een “engagement” is iets vrijblijvend en biedt aan derden geen rechtszekerheid. Daarnaast rijzen ook nog vragen bij de controle op de voertuigen die worden toegelaten (inzake de geluidsproductie). Het loutere feit dat de controle een taak is van de afdeling Handhaving klopt, doch de Raad van State kan erop toezien dat er een duidelijke toetsbare basis voorzien is om een controle zinvol te maken. Bij een controle dient er een systeem voorhanden te zijn aangaande de aard en vorm van hoe gemeten wordt, de frequenties, hoe registreren, waar wordt dit bijgehouden, is er periodieke verplichting tot doorsturen van gegevens, dus wat met de registratie en realistische mogelijkheid tot controle en dus “handhaving”. Nu is er in werkelijkheid een blanco cheque op maat van de aanvrager afgeleverd en maakt dit een adequate controle door de “afdeling Handhaving” bij voorbaat onmogelijk, wat de wettigheid van de vergunning aantast en een rechtsonzekere toestand schept. Bovendien zwakt de bestreden beslissing de garantie opdat het geluidsniveau zou worden beperkt af ten aanzien van de beslissing in eerste aanleg. In de verdere toelichting bij dit onderdeel betoogt de verzoekende partij dat de minister een geluidsniveau van 40 dB(A) aanvaardbaar acht voor de geluidsgevoelige gebieden in de omgeving van de site van de inrichting. De minister aanvaardt dit op basis van de voorgelegde geluidsstudie, die echter gebrekkig is. De verzoekende partij wijst er bovendien op dat de stiltebehoevende gebieden als geheel dienen te worden beschouwd, en dat de geluidshinder niet alleen in het midden van deze gebieden aanvaardbaar dient te zijn doch ook aan de randen ervan, gelet op het nagestreefde hoog niveau van VII-40.237-13/30 bescherming van het leefmilieu. Dit geldt des te meer nu de vergunning geen beperking inhoudt van het aantal aanwezige voertuigen. Samengevat, de geluidsstudie waarop men zich baseert, is niet representatief genoeg in het licht van de mogelijke impact van de exploitatie. Bovendien rijzen vragen bij de geluidsniveaus waarmee men rekening houdt. Een geluidsdrukniveau van 106 dB(A) kan op een afstand van 300 à 400 meter onmogelijk zakken tot 40 dB(A), zoals voorzien in de bijlage 2.2.1 bij Vlarem II. Evenzeer wordt ongemotiveerd afgeweken van de bepaling van artikel 5.32.10.4 van Vlarem II, noch worden duidelijke en specifieke omstandigheden geschetst en opgelegd voor de controlemetingen, wat te dezen neerkomt op een schending van artikel 30bis van Vlarem I.
  33. De verwerende partij repliceert: “
  34. Het hinderaspect geluid wordt in het bestreden besluit uitvoerig beoordeeld en gemotiveerd: […]
  35. Er is geen strijdigheid met richtlijn 2002/49/EC. Het ANB verleende een gunstig advies voor de passende beoordeling waar de geluidsstudie een onderdeel van uitmaakt. Bovendien biedt Vlarem een voldoende toetsingskader. Zo wordt voorzien dat enkel motorvoertuigen die op de omloop worden toegelaten ofwel moeten beantwoorden aan de geluidsnormen vastgesteld in het algemeen reglement op de technische eisen waaraan motorvoertuigen moeten voldoen om in het verkeer te worden gebracht, ofwel een geluid van maximaal 106 dB(A) mogen voorbrengen.
  36. Zowel in de geluidsstudie (stuk 2.11) als in het bestreden besluit wordt gebruikt gemaakt van de voorschriften voor geluid in open lucht zoals vastgelegd in bijlage 2.2.1 van Vlarem II. Specifiek voor omlopen voor motorvoertuigen stelt artikel 5.32.10.1, §3 Vlarem II het volgende: „Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning zijn de geluidsnormen, bedoeld in hoofdstuk 4.5, niet van toepassing op inrichtingen bedoeld in 1.‟ De verwerende partij is dus niet verplicht om aan omlopen voor motorvoertuigen specifieke geluidsnormen op te leggen. Dit wordt uitdrukkelijk bevestigd in de bestreden beslissing waar deze stelt „Overwegende dat de geluidsnormen niet van toepassing zijn voor de omloop.‟. Toch heeft een erkend deskundige metingen uitgevoerd en werden deze resultaten getoetst aan de milieukwaliteitsnormen voor geluid. Dit heeft echter niet tot gevolg dat de naleving van deze voorwaarden aan de exploitant wordt opgelegd. Door deze richtwaarden in haar beoordeling te betrekken heeft de verwerende partij niet onwettig gehandeld. Integendeel is deze werkwijze aangewezen in het licht van het zorgvuldigheidsbeginsel en de VII-40.237-14/30 verplichtingen die hieruit voor de vergunningverlenende overheid voortvloeien.
  37. De geluidsstudie werd wel degelijk met de nodige zorgvuldigheid uitgevoerd. In de studie wordt op pagina 36 uitvoering beschreven welke meetapperatuur werd gebruikt en in welke omstandigheden de metingen werden uitgevoerd. In de studie staat uitdrukkelijk dat er op 24 augustus 2016 gemeten werd van 15 uur tot 17.15 uur. Tijdens deze metingen waren er 15 à 20 rijders actief. Zowel 4takt- als 2takt motoren waren op het terrein aanwezig. Ook de meetpunten worden duidelijk weergegeven. Deze meting geeft geen vertekend beeld zoals de verzoekende partij tracht te laten uitschijnen, integendeel. De meetpunten werden gekozen in functie van de omliggende gebieden. Er kan bezwaarlijk voorgehouden worden dat er onvoldoende belang werd gehecht aan de onmiddellijke omgeving van het terrein. Deze metingen dienen niet aan de rand van deze gebieden te gebeuren. Immers, het geluid dat hoorbaar is vanaf het terrein zal verzwakken naargelang men verder van het terrein weg gaat. De metingen in het midden van deze gebieden geven dan ook een representatief beeld. Ook het aantal en type motoren aanwezig tijdens de metingen geven een voldoende waarheidsgetrouw beeld. De geluidsstudie werd op een professionele en degelijke manier uitgevoerd, de verkregen resultaten zijn juist en representatief.
  38. Artikel 5.32.10.3 Vlarem II geeft aan waaraan een motorvoertuig moet voldoen. Ofwel moet dit beantwoorden aan de geluidsnormen vastgesteld in het algemeen reglement op de technische eisen om in het verkeer te worden gebracht, ofwel moet het een geluid van maximum 106 dB(A) voortbrengen. Uit de geluidsstudie blijkt dat de bijdrage van het circuit aan het omgevingsgeluid ter hoogte van de kwetsbare gebieden bij activiteit van 15 à 20 rijders zijn minder dan 40 dB(A) bedraagt. Zodoende is voldaan aan de geluidsemissienorm vastgelegd in artikel 5.32.10.3 Vlarem II, namelijk maximum 106 dB(A).
  39. De handhaving van deze normen moet niet uitdrukkelijk in de vergunning dient te worden opgenomen. Uit de bestreden beslissing blijkt duidelijk aan welke normen het circuit en de motoren die hierop worden toegelaten dienen te voldoen. De handhaving hiervan is een bevoegdheid van onder meer de afdeling Handhaving van de verwerende partij en niet van de verwerende partij als vergunningverlenende overheid.
  40. Artikel 30bis Vlarem I bepaalt dat een vergunning kan worden verleend wanneer deze voorwaarden bevat welke garanderen dat de inrichting voldoet aan de eisen die worden gesteld door Vlarem I en II en dat de vergunning wordt geweigerd indien dit niet het geval is. In casu voldoet het aangevraagde aan Vlarem I en II zodat de vergunning kon worden verleend. Uit het bestreden besluit blijkt afdoende dat gegarandeerd wordt dat de inrichting aan deze eisen voldoet. Er is dan ook geen schending van artikel 30bis Vlarem I.
  41. De exploitant heeft een afwijking op artikel 5.32.10.4 Vlarem II aangevraagd om het gebruik van de omloop toe te staan tussen 10 uur en 19 uur voor zover de voertuigen beantwoorden aan de geluidsnorm van maximaal 106 dB(A). VII-40.237-15/30 Het terrein is open van 13 uur tot 17 uur op dinsdag, donderdag, zaterdag en zondag en van 13 uur tot 18 uur op woensdag. Slechts occasioneel wil de exploitant de mogelijkheid hebben om vroeger te openen of later te sluiten en zondag open te zijn. De aanvrager motiveerde deze afwijking als volgt bij zijn aanvraag (stuk 2.12): - „De aanvraag is hetzelfde is als de huidige vergunning met inbegrip van de opening op zon - en feestdagen. De zondag genereert meestal de meeste en meer recreatieve gebruikers en is noodzakelijk voor de rendabiliteit van de vereniging. - Wanneer de vereniging het terrein jaren terug is beginnen te beheren waren de rij-uren bij wijze van spreken de ganse dag en niet georganiseerd. Dit is dan stelselmatig teruggebracht en recentelijk nog eens met 3 u per week verminderd. In de praktijk is dit op 5 dagen per week van 13.00 tot 17.00 (woensdag tot 18.00). Indien we echter zouden vastgepind worden aan deze effectieve openingsuren worden we zelf beperkt in de exploitatie en gestraft voor onze jarenlange eigen „goodwill‟. - We hebben als vereniging de laatste 25 jaar bewezen dat de onszelf beperkende openingsuren voor hoog dynamisch motoren uitermate ernstig nemen en in grote mate respecteren. Het gemeentebestuur kan dit bevestigen. - De resterende overige 3 mx terreinen (Lille, Genk, Lommel) openen effectief vroeger om iedereen te kunnen laten rijden. Bovendien dienen zij meerdere wedstrijden per jaar te laten doorgaan. In tegenstelling hiermee proberen wij zoveel mogelijk alles te beperken en te bundelen. Wij zouden dan ook niet graag een reducering van openingsuren opgelegd krijgen omdat we steeds proberen om zo weinig mogelijk te storen. Het is realistisch aan te nemen dat een inperking van openingsuren zal gebruikt worden om de resterende andere terreinen mee ter discussie te stellen. - Het is nodig om bij een aanvraag van een persvoorstelling, evenement, jeugdstages , jeugdopleiding, of dringende materiaaltesten door professionele teams/constructeurs de nodige flexibiliteit te kunnen hebben zonder steeds opnieuw de administratieve verplichtingen te dienen vervullen. Dit gaat dan dikwijls occasioneel over een kleine groep van een paar motoren en niet over een grote wedstrijd met een paar honderd deelnemers. - Deze flexibiliteit is ook nodig om opleiding te kunnen blijven geven aan beginners, zowel oudere „baanrijders‟ als aan kinderen. Het spreekt voor zich dat dit onmogelijk op dezelfde omloop tegelijk kan met profs en snellere rijders. Dit gebeurt weliswaar met eerder laag dynamische machines maar er is gewoonweg niet genoeg plaats om hiervoor nog een aparte locatie te kunnen voorzien. - In het dossier „zoektocht naar terreinen voor geluidsporten‟ is er steeds aangehaald dat zonder uitbreiding van oppervlakte voor bijkomende omlopen het niet mogelijk is om de verschillende niveaus ( van zeer klein, klein, middelgroot, pitbike, enduro tot groot, van beginner tot prof) op dezelfde momenten voldoende te laten rijden. We trachten dan ook op de beperkte oppervlakte ieder zoveel mogelijk rijtijd te geven en toch zo min mogelijk te storen. Hiertoe hebben we de competitiequads (vierwielmotoren) de toegang al ontzegd vanwege geen aparte rijtijd/ plaats en hun max. geluid. In principe zijn er 7 aparte omlopen nodig om iedereen gelijktijdig en binnen onze openingsuren een veilige oefenruimte te geven.‟ VII-40.237-16/30 Volgens de vergunning van 2 juli 1998 met nr. MLAV1/9800000069/GVDA/PVB is het gebruik van de omloop reeds toegestaan tussen 10 uur en 19 uur, voorzover de voertuigen beantwoorden aan de geluidsnorm van maximum 106 dB(A). (stuk 2.5) De nieuwe aanvraag is dus dezelfde gebruiksfrequentie als de huidige. De exploitant heeft de openingsuren momenteel wel zo gebundeld dat in de huidige vergunning verkregen frequentie niet volledig wordt benut. Voor voertuigen die niet beantwoorden aan de geluidsnorm wordt een verbetering voor de omwonenden toegekend nu er een beperking voor deze voertuigen komt door middel van 104 sluitingsdagen per jaar. De bestreden beslissing kent deze afwijking toe en wijzigt de bijzondere voorwaarden uitdrukkelijk als volgt: „In afwijking van artikel 5.32.10.4 is het gebruik van de omloop toegestaan tussen 10 uur en 19 uur. De voertuigen beantwoorden steeds aan de geluidsnorm van maximaal 106 dB(A). voor voertuigen die niet beantwoorden aan de geluidsnorm vastgesteld in het algemeen reglement op de technische eisen waaraan motorvoertuigen moeten voldoen om in het verkeer te worden gebracht, is het gebruik van de omloop niet toegestaan gedurende minimaal 104 „sluitingsdagen‟ op jaarbasis. De exploitant houdt een register bij waarin de „sluitingsdagen‟ worden genoteerd. Dit register is steeds op de inrichting aanwezig en wordt op vraag voorgelegd aan de toezichthouder.‟ Voorts wordt nog een bijzondere voorwaarden toegevoegd: „wanneer er geen activiteit is, is het terrein afgesloten, zodat het ontoegankelijk is voor onbevoegden; er is steeds een toezichter aanwezig tijdens de openingsuren.‟ De bestreden beslissing legt dan ook uitdrukkelijk als voorwaarde op dat alle voertuigen steeds voldoen aan de maximale geluidsnorm van 106 dB(A). Voor de voertuigen die hier niet aan voldoen wordt de voorwaarde opgelegd dat zij gedurende minimaal 104 sluitingsdagen geen gebruik mogen maken van het terrein. Het betreft hier dus geen engagement van de exploitant, maar integendeel een uitvoerbare bijzondere voorwaarde. Deze toegestane afwijking en de uitwerking hiervan in de bijzondere voorwaarde die wordt opgelegd is tevens volledig in lijn met de adviezen die hierover werden verstrekt.
  42. […] De verwerende partij heeft haar beslissing op een zorgvuldige wijze voorbereid en heeft alle elementen, in het bijzonder de geluidsstudie die gebaseerd is op juiste bevindingen, in haar beslissing betrokken. Er is geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.
  43. Evenmin is er enige schending van het redelijkheidsbeginsel. Het is niet zo dat geen enkele redelijk handelende overheid in dezelfde omstandigheden deze vergunning zou hebben verleend. Bovendien beschikt de verwerende partij over een ruime appreciatiebevoegdheid voor het opleggen van bijzondere vergunningsvoorwaarden. Als algemene beperking geldt dat deze voorwaarden dienen gericht te zijn op de bescherming van de mens en het leefmilieu. In casu heeft de verwerende partij dan ook een afweging gemaakt tussen de belangen van de exploitant en de omwonenden alsook van het leefmilieu. Op VII-40.237-17/30 basis van deze afweging achtte zij het op grond van haar discretionaire beoordelingsvrijheid noodzakelijk om een bijzondere voorwaarde aan de vergunning toe te voegen. De bestreden beslissing houdt geen schending van hat redelijkheidsbeginsel in.
  44. […] In casu is er geen sprake van enige rechtsonzekerheid.
  45. Wat de aangevoerde schending van de motiveringsplicht betreft, blijkt uit de lezing van het bestreden besluit dat zij uitvoerig gemotiveerd is en dat een concrete en afdoende beoordeling wordt gemaakt. De verzoekende partij stelt in haar verzoekschrift dat een schending zou voorliggen van zowel de formele motiveringsplicht als de materiële motiveringsplicht. Deze kunnen niet tegelijk worden aangevoerd. Een gebrek aan deugdelijke formele motivering maakt het onmogelijk uit te maken of de materiële motiveringsplicht geschonden is en omgekeerd, wanneer uit de bewoordingen van het verzoekschrift kan worden afgeleid dat in wezen een schending van de materiële motiveringsplicht wordt aangevoerd, betekent dit dat verzoekende partij van de formele motiveringsplicht geen schade heeft ondervonden. Het middel, voor zover het gesteund is op de schending van de formele motiveringsplicht, is ongegrond. De materiële motivering is afdoende indien de belanghebbende in staat gesteld wordt te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing te verweren met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt. In casu is dit het geval. Dit blijkt al uit het voorliggende beroep zelf. Het bestreden besluit is zeer omstandig gemotiveerd (26 pagina‟s) en maakt een afweging van alle relevante feiten en elementen. Ook werd voldoende rekening gehouden met alle beroepsargumenten en werd hierop in de beslissing zelf een afdoende antwoord geformuleerd. De bewering van de verzoekende partij, zeggende dat de motivering uiterst summier is en niet voldoende is om de beslissing te dragen, kan niet worden bijgetreden. Overigens werd rekening gehouden met verschillende adviezen van verschillende onafhankelijke instanties. De juridische en feitelijke overwegingen die geleid hebben tot het nemen van de uitvoerige bestreden beslissing zijn duidelijk voor de verzoekende partij. Zij kan ze lezen en begrijpt ze. De argumenten in het bestreden besluit zijn aldus pertinent en dragend. De artikelen 2 en 3 van de formele motiveringswet zijn niet geschonden.
  46. Het middel is verder onontvankelijk voor wat betreft de aangehaalde wettelijke bepalingen en beginselen waarvan de schending niet wordt toegelicht. Het komt aan de verzoekende partij toe om te preciseren waaruit de schending zou bestaan. Het eerste onderdeel van het vierde middel is deels onontvankelijk en geheel ongegrond”.
  47. De verzoekende partij dupliceert dat bijlage 2.2.1 bij Vlarem II te dezen wel van toepassing is en de bestreden beslissing hiermee in strijd is. Zij VII-40.237-18/30 blijft van oordeel dat de bijlage 2.2.1 die geen deel uitmaakt van het hoofdstuk 4.5 van Vlarem II, alleen al om die wetstechnische reden nog niet buiten toepassing is. Zij ontkent niet dat de bepalingen van hoofdstuk 4.5 met betrekking tot “beheersing van geluidshinder” volgens artikel 5.32.10.1, § 3, van Vlarem II niet toepasselijk zijn op motorcrosscircuits, tenzij anders bepaald in de milieuvergunning. In deze bijlage 2.2.1 worden milieukwaliteitsnormen opgelegd voor geluid in open lucht. Luidens artikel 1, 71°, van Vlarem I is een milieukwaliteitsnorm “alle eisen waaraan op een gegeven ogenblik in een bepaald milieucompartiment of een bepaald gedeelte daarvan moet worden voldaan overeenkomstig deel 2 van titel II van het VLAREM”. In het licht van artikel 1.1.2 van Vlarem II en artikel 2.2.4 DABM stelt de verzoekende partij dat door het woordgebruik “moet” in artikel 2.2.4 DABM, het feit dat “milieukwaliteitsnormen” niet per definitie gelijk zijn aan “richtwaarden” en het feit dat in artikel 2.2.4 DABM duidelijk is bepaald dat dit een quasi verplichting is om dit milieukwaliteitsniveau (zoals in bijlage 2.2.1 bij Vlarem II) te bereiken, zij de door de verwerende partij opgeworpen uitzondering, vervat in artikel 5.32.10.1, § 3, van Vlarem II ook om die reden minstens in vraag mag stellen. De verzoekende partij vraagt dat dit ambtshalve zal worden gedaan, zich beroepend op artikel 159 van de Grondwet. Indien de bijlage 2.2.1 geldt voor motorcrosscircuits, dan is de bestreden beslissing door een wettigheidsgebrek aangetast. De inrichting kan onmogelijk de geluidsnorm halen binnen onder meer het bosgebied waarin de inrichting als zodanig is gelegen. Verder wijst de verzoekende partij nogmaals op het gebruik van eenzelfde geluidsdeskundige door de vzw EG Events en bij de vaststelling van het Kaderplan, en het feit dat dit Kaderplan stelt dat de Vlarem-reglementering niet voldoet als het toetsingskader. Het mag strikt gezien misschien wel kloppen dat de verwerende partij niet verplicht is om aan omlopen voor motorvoertuigen specifieke geluidsnormen op te leggen, doch zij dient er wel voor te zorgen dat minstens de milieukwaliteitsnormen van bijlage 2.2.1 bij Vlarem II gehandhaafd worden. In het licht van artikel 30bis van Vlarem I, de milieugevoelige omgeving en het enorme brongeluid geldt dit des te meer. De stelling dat de uitgevoerde VII-40.237-19/30 geluidsstudie degelijk en zorgvuldig is, houdt geen steek. Er werd slechts eenmalig gemeten in de maand augustus, gedurende enkele uren, en men is bovendien vaag met betrekking tot de aanwezige motoren. Dergelijke meting, buiten wedstrijd, is niet representatief en de daarop gebaseerde beslissing is niet zorgvuldig. Bovendien werd er niet gemeten in het aanpalende bosgebied. De door de verzoekende partij (en een andere niet meer optredende bezwaarindiener) geuite bezwaren aangaande de geluidsstudie en de opsteller ervan, werden niet ernstig onderzocht. Aangezien tevens de door Vlarem II voorgeschreven meetmethode niet werd toegepast, kan er evenmin sprake zijn van handhaving conform de Vlarem-reglementering. De verwerende partij dient niet handhavend op te treden, doch in het kader van de vergunningverlening dient wel een gedegen feitencontrole te worden uitgeoefend vooraleer men overgaat tot vergunning. Bij deze beoordeling mag men de verantwoordelijkheid wat het beantwoorden aan de milieunormen betreft, niet afschuiven op de instanties die instaan voor de handhaving, temeer daar de motorcrossers zelf zich wel bewust zijn van de problematiek maar de verwerende partij niet.
  48. De verwerende partij stelt nog in de laatste memorie: “Het kan niet ingezien worden waarom het advies van het ANB in vraag gesteld wordt. Het ANB heeft de geluidstudie zorgvuldig beoordeeld en sluit zich aan bij het besluit van deze studie. Het ANB stelt in haar advies: „Het Agentschap voor Natuur en Bos verklaart zich akkoord met de conclusies uit de passende beoordeling. De passende beoordeling wordt gunstig geadviseerd.‟ […] Het ANB heeft aldus wel degelijk een zorgvuldig onderzoek gedaan naar de mogelijke effecten voor de beschermde gebieden. Het oordeelt dat de conclusies uit de passende beoordeling correct zijn en sluit zich hierbij aan. Bij de aanvraag werd een geluidstudie gevoegd die werd uitgevoerd door een erkend MER-deskundige. Hieruit blijkt dat de aanvraag voldoet aan de milieukwaliteitsnormen voor geluid. Er wordt uitdrukkelijk gesteld dat het doel van deze studie is om na te gaan wat het effect inzake geluid van de omloop is naar het dichtstbijzijnde habitatgebied in de beekvallei van de Asbeek en naar het dichtstbijzijnde VEN-gebied. Er werd gemeten in het habitatgebied in het noorden van het motorcrossterrein en in het VEN-gebied ten zuiden van het terrein. Door het ANB werd wel degelijk rekening gehouden met de afstanden tot de beschermde gebieden en de resultaten van de geluidstudie. Zij hebben zich uitdrukkelijk akkoord verklaard met de geluidstudie en een gunstig advies verleend. VII-40.237-20/30 De meetpunten werden in de geluidstudie zorgvuldig gekozen. Deze meetpunten moeten niet aan de rand van de beschermde gebieden liggen. De eerste auditeur kan dan ook niet gevolgd worden waar deze stelt dat een vertekenend beeld geschetst wordt. Eenieder begrijpt waar de meetpunten lagen en welke resultaten de metingen opleverden. De conclusies die de MER-deskundige geluid, het ANB en de verwerende partij hieruit trokken zijn niet manifest onredelijk. Tevens werd de geluidstudie wel degelijk op een gepast ogenblik afgenomen. Het aantal aanwezige motoren, alsook het type motoren, geeft wel degelijk een voldoende waarheidsgetrouw beeld. Er werd gemeten op een woensdagnamiddag van 15 uur tot 17uur15 en er waren tijdens de metingen 15 à 20 rijders op de omloop actief zowel met 4takt- als 2takt motoren. Een wedstrijdsituatie is niet noodzakelijk afwijkend. De verwerende partij benadrukt nogmaals dat geen specifieke geluidsnormen van toepassing zijn voor de omloop conform de regels uit VLAREM II. Dat er toch metingen werden uitgevoerd door een erkend MER-deskundige, waarin de resultaten worden getoetst aan de milieukwaliteitsnormen voor geluid, heeft niet tot gevolg dat deze voorwaarden aan de exploitant moeten worden opgelegd! Het ANB stelt in haar advies van 3 november 2017 (en dit naar aanleiding van een argument van Vogelbescherming Vlaanderen vzw dat de geluidstudie niet in representatieve omstandigheden werd uitgevoerd): „Er is in de natuurtoets specifiek aandacht gegeven aan discontinue geluidsbelasting vanuit een motorcrosscircuits. Daarbij werd, naast aftoetsing van de resultaten van de geluidstudie van dBA-Plan bvba aan ondergrens van 42 dB(A), ook verwezen van enkele vrij recente casestudies in Nederland naar de effecten van auto- en motorsportevenement op vogels. In die zin bevat de natuurtoets voldoende informatie om met zekerheid betekenisvolle verstoring uit te sluiten.‟ […] Er is aldus geen indicatie dat de resultaten van de geluidstudie niet correct zijn en dat de beschermde gebieden niet voldoende beschermd worden. Uit het dossier blijkt afdoende dat er geen hinder uit geluid te verwachten is voor deze gebieden”.
  49. De verzoekende partij merkt in de laatste memorie op dat het vermoeden rijst dat de geluidsstudie is “geschreven […] ten gunste van het circuit in het Hondapark” aangezien “de opgemeten waarden t.h.v. het recreatiegebied ten oosten van het circuit net lager liggen dan de richtwaarden; maar wel hoger dan de richtwaarden voor landelijk en voor agrarisch gebied”. “De meetpunten buiten de 2 vaste meetplaatsen t.h.v. het recreatiegebied ten oosten van het terrein, liggen op l uitzondering na, ver van het circuit. Er is ook slechts een 10-tal minuten gemeten. Dit is weinig representatief. Het meetpunt nabij het circuit geeft ook een duidelijk hoger resultaat (52 dB) t.o.v. de richtwaarden voor agrarisch gebied (45 dB(A)) en voor landelijk gebied (40 dB). Deze waarden worden niet meegenomen in het besluit”. Wat betreft de representativiteit van de geluidsstudie moet opgemerkt VII-40.237-21/30 worden dat deze “niet [werd] uitgevoerd in de „worst scenario‟”. “In de beslissing zegt men dat er geen motorvoertuigen zijn toegelaten met een brongeluid van meer dan 106 dB(A). En de uitbater zelf heeft het over max. 96 dB(A). Maar er is geen middel opgelegd hoe dit brongeluid te meten. De uitbater beschikt ook niet over het nodige materiaal. Bovendien blijkt uit de aanvraag van een lokaal voor geluidsmetingen, dat de uitbater deze metingen niet kan doen volgens de officiële meetmethode zoals bepaald in artikel 5.32.10.3.par. l, 2° van het Vlarem II”. Er is niet aangetoond “hoe het zou kunnen dat een brongeluid van 106 dB(A) op een relatief korte afstand (500 meter) met niet minder dan 66 dB(A) zou kunnen dalen om zo tot 40 dB(A) te komen. Het louter feit dat de geluidsstudie is gedaan door een MER-deskundige is geen voldoende argument”. Artikel 5.32.10.1, § 3, van Vlarem II, dat bij artikel 217 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 januari 1999 werd toegevoegd, “kan evenwel onmogelijk een verbetering van de kwaliteit van het leefmilieu en van het beschermingsniveau van het leefmilieu genoemd worden. Wel integendeel een duidelijke verslechtering. Bovendien ontstaat er een bevoorrechte situatie voor dergelijke exploitaties”. Het “blijkt verder helemaal niet waarom er dwingende en grondwetsconforme redenen waren om bij deze gelegenheid een uitzondering te maken qua geluidshinder en dus de geluidsnormen bedoeld in hoofdstuk 4.5 van het Vlarem II terzijde te schuiven dit als een gunst / tegemoetkoming die aan de uitbater van inrichtingen rubriek 32.9 wordt verleend”. In de aanhef van het voormelde besluit van de Vlaamse regering van 19 januari 1999 is er “geen specifieke motivering die met dwingende redenen (van maatschappelijk belang) te maken hebben”. Deze toevoeging in Vlarem II “diende afgetoetst aan” artikel 1.2.1, §§ 2 en 3, DABM aangezien “het beschermingsniveau van het (natuurlijk en menselijk) leefmilieu door eensklaps een uitzondering te maken voor de toepassing van de geluidsnormen ter beheersing van lawaai in afdeling 4.5 van Vlarem II, er manifest op achteruitgaat. Omlopen voor motorvoertuigen zijn bijzonder lawaaierig. Ze veroorzaken ook heel wat luchtpollutie (door CO², door stikstofoxiden, e.d.) en ook door de warmteuitstoot (van de motoren en verbrandingsgassen) zijn zij een negatieve inbreng in het klimaatprobleem. Dit is eveneens deel van het gezond leefmilieu. Bovendien trekken dergelijke circuits ook nog heel wat andere bronnen van milieuschade met zich mee, onder meer door VII-40.237-22/30 bezoekersverkeer e.d.”. Zij besluit dat artikel 5.32.10.1, § 3, van Vlarem II buiten toepassing moet worden gelaten op grond van artikel 159 van de Grondwet. Beoordeling
  50. Bij artikel 217 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 januari 1999 tot wijziging van Vlarem II (Belgisch Staatsblad 31 maart 1999), wordt, met ingang van 1 mei 1999, een § 3 toegevoegd aan artikel 5.32.10.1 van Vlarem II: “Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning zijn de geluidsnormen, bedoeld in hoofdstuk 4.5, niet van toepassing op de inrichtingen bedoeld in §
  51. De exploitant treft de nodige maatregelen om de geluidsproductie aan de bron en de geluidsoverdracht naar de omgeving te beperken en vermeldt deze in een register. Ook de controle en de wijze van controle op de maatregelen wordt in het register vermeld. Naargelang van de omstandigheden en technologisch verantwoorde mogelijkheden volgens de huidige stand van de techniek wordt hierbij gebruik gemaakt van de oordeelkundige schikking van de geluidsbronnen, geluidsarme installaties, geluidsisolatie en/of absorptie en/of afscherming”. Hoofdstuk 4.5 van Vlarem II handelt over de milieuvoorwaarden met betrekking tot de beheersing van de geluidshinder. De bepalingen van dat hoofdstuk bevatten onder meer geluidsnormen die bij de exploitatie van vergunningsplichtige inrichtingen moeten worden gerespecteerd en zijn in principe van toepassing op alle ingedeelde inrichtingen.
  52. Deze toevoeging bij artikel 217 van het voornoemde besluit van de Vlaamse regering impliceert dat de tot 30 april 1999 algemeen geldende geluidsnormen van hoofdstuk 4.5 van Vlarem II vanaf de inwerkingtreding ervan principieel niet meer van toepassing zijn op omlopen voor motorvoertuigen. Hierdoor valt een in een reglementair besluit vastgelegde waarborg voor belanghebbenden, zoals de verzoekende partij, bij omlopen voor motorvoertuigen weg. VII-40.237-23/30
  53. De sectorale milieuvoorwaarden van hoofdstuk 4.5 van Vlarem II zijn afdwingbare rechtsnormen waarmee de Vlaamse regering het haar in het te dezen toepasselijke artikel 20 van het milieuvergunningsdecreet opgedragen milieubeleid uitwerking geeft. De verzoekende partij vraagt om artikel 5.32.10.1, § 3, van Vlarem II dat de toepasselijkheid van die rechtsnormen opheft, te toetsen aan artikel 1.2.1, § 2, DABM en deze reglementaire bepaling op basis van die toetsing buiten toepassing te verklaren.
  54. Het op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing laten van artikel 5.32.10.1, § 3, van Vlarem II impliceert dat op de vergunningsaanvraag van de vzw EG Events de sectorale milieuvoorwaarden van hoofdstuk 4.5 van Vlarem II moeten worden toegepast.
  55. Artikel 1.2.1, § 2, DABM bepaalt: “Op basis van een afweging van de verschillende maatschappelijke activiteiten streeft het milieubeleid naar een hoog beschermingsniveau. Het berust onder meer op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, het standstill-beginsel en het beginsel dat de vervuiler betaalt”. Het decretaal opgedragen milieubeleid dient aldus te streven naar een hoog beschermingsniveau na afweging van de verschillende maatschappelijke activiteiten en dient tevens te berusten op de opgesomde beginselen.
  56. Het standstill-beginsel wordt in deze decretale bepaling in zijn spraakgebruikelijke betekenis gehanteerd. Het beginsel impliceert dat het door het bestaande milieubeleid bereikte beschermingsniveau niet meer kan afgebouwd worden. De hoogte van het na te streven hoger beschermingsniveau wordt in het toekomstige milieubeleid bepaald door middel van een afweging van de verschillende maatschappelijke activiteiten. De opname van het standstill-beginsel in het DABM verleent er een juridische waarde aan waardoor het door de uitvoerende macht en de lagere overheden in acht moet worden genomen en een VII-40.237-24/30 toetsingsgrond vormt voor de bevoegde rechterlijke autoriteiten (Parl.St. Vl.R. 1994-95, nr. 718/1, 24). De toets aan de standstill-werking veronderstelt een vergelijking tussen de situatie van de grondwettelijk beschermde personen onder het nieuwe/toekomstige milieubeleid en onder het oude/huidige milieubeleid, waarbij het bestaande beschermingsniveau en het beschermingsniveau dat het nieuwe milieubeleid biedt, moet worden vergeleken. De vergelijking kan en moet door het bestuur worden uitgevoerd onder het toezicht van de Raad van State. De Raad van State kan zelf niet elke mogelijke bijzondere situatie onderzoeken die kan voortkomen uit de vergelijking van de twee stelsels van milieurechtsregels. Het is noodzakelijk dat het bestuur zich in het kader van de eerbiediging van de standstill-werking met voldoende kennis van zaken een oordeel kan vormen over het nieuwe milieubeleid en de gevolgen ervan en dat die oordeelsvorming van het bestuur op een door de Raad van State controleerbare wijze geschiedt.
  57. Uit de publicatie in het Belgisch Staatsblad van het voormelde besluit van de Vlaamse regering van 19 januari 1999, het door de verzoekende partij aangehaalde advies L.28.637/3 van 7 januari 1999 van de afdeling wetgeving van de Raad van State die met betrekking tot een versoepeling van de toen bestaande milieunormen in artikel 5.32.10.2, § 4, van Vlarem II, heeft gesteld dat een verlaging van beschermingsniveau slechts verenigbaar met de Grondwet (artikel 23, derde lid, 4°) kan worden geacht, als daarvoor dwingende redenen zijn, noch uit enig ander stuk van het dossier blijkt dat de Vlaamse regering de toevoeging van § 3 in artikel 5.32.10.1 van Vlarem II heeft getoetst aan de luidens artikel 1.2.1, § 2, DABM te eerbiedigen standstill-werking van het te voeren milieubeleid en bijgevolg vanuit dat oogpunt met voldoende kennis van zaken een oordeel heeft gevormd voor het nieuwe milieubeleid en de gevolgen ervan. Alleszins is deze verplichte toetsing aan en oordeelsvorming in het licht van het VII-40.237-25/30 standstill-beginsel door de verwerende partij niet op een door de Raad van State controleerbare wijze geschied.
  58. Het eerste onderdeel van het vierde middel waar het aanvoert dat artikel 5.32.10.1, § 3, van Vlarem II het in artikel 1.2.1, § 2, DABM opgenomen standstill-beginsel schendt, is gegrond. Artikel 5.32.10.1, § 3, van Vlarem II moet daarom op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing worden gelaten. Op de vergunningsaanvraag van de vzw EG Events moeten bijgevolg de geluidsnormen, bedoeld in hoofdstuk 4.5 van Vlarem II worden toegepast.
  59. De bestreden milieuvergunning waarin wordt overwogen “dat de geluidsnormen niet van toepassing zijn voor de omloop”, steunt op artikel 5.32.10.1, § 3, van Vlarem II. De onwettigheid van deze laatste bepaling leidt reeds tot de nietigverklaring van de thans bestreden beslissing.
  60. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. De beslissing van het bestuur dient derhalve te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De zorgvuldigheid verplicht de overheid er onder meer toe om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en ervoor te zorgen dat de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk onderzocht worden, zodat de overheid met kennis van zaken kan beslissen.
  61. Uit het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos van 12 mei 2017 blijkt dat de beschermde gebieden gelegen zijn op: 420 meter (Natura 2000 - habitatrichtlijngebied), 380 meter (VEN-gebied Gerheserheide), 280 meter (natuurdomein Scheps) en 280 meter (bosdomein Gerheserheide). Dit zijn landelijke gebieden volgens het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen. Uit bijlage 2.2.1 bij Vlarem II blijkt dat voor dergelijke gebieden overdag als milieukwaliteitsnorm geldt 40 dB(A). Gelet op het feit dat de te dezen voorgelegde geluidsstudie meetpunten bevat op minstens 500 meter (voor het VEN-gebied) en oplopend tot 800 meter (voor het habitatrichtlijngebied) werpt de VII-40.237-26/30 verzoekende partij terecht vragen op naar de accuraatheid van de metingen gezien de in het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos opgenomen afstanden van de beschermde gebieden en de genoteerde resultaten van de voorgelegde geluidsstudie. Die gestelde vragen worden nog prangender door

(1)de inhoud van het hoofdstuk “Introductie tot geluid, geluidsproducerende sporten en mogelijke maatregelen” in het voorgelegde Kaderplan “Onderzoek naar locaties voor geluidsproducerende sporten” van de provincie Antwerpen, waaruit blijkt dat het geluid niet zo snel afneemt dat een geluidsproductie van potentieel 106 dB(A) op 500 meter nog slechts 40 dB(A) conform de kwaliteitsnorm zou bedragen,
(2)het feit dat de geluidsmeting plaatsvond buiten wedstrijdomstandigheden, en
(3)het feit dat de bestreden beslissing nergens een beperking oplegt wat het aantal aanwezige gebruikers van het circuit betreft, ondanks de conclusie in het vermelde Kaderplan dat het geluidsniveau afhankelijk is van het aantal gemotoriseerde voertuigen dat gelijktijdig aanwezig is op de omloop.
  1. Daargelaten de toepasselijkheid van de geluidsnormen in hoofdstuk 4.5 van Vlarem II, dient ook vastgesteld te worden dat de voorbereiding van de bestreden beslissing over het geluidshinderaspect niet gepaard is gegaan met een deugdelijk onderzoek De verwerende partij heeft aldus niet de vereiste zorgvuldigheid aan de dag gelegd om met kennis van zaken te kunnen beslissen.
  2. Het eerste middelonderdeel is gegrond. VII. Rechtsplegingsvergoeding
  3. De verzoekende partij vraagt een rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 1.400 euro omdat de zaak “veeleer vrij complex is en een uitgebreid onderzoek vergde”, “de situatie kennelijk onredelijk [mag] genoemd worden” en “de financiële toestand van vzw VALK zeer bescheiden is”.
  4. Er is te dezen grond om overeenkomstig artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de RvS-wet, de verzoekende partij een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen nu deze als de in het gelijk gestelde partij dient te worden beschouwd. VII-40.237-27/30
  5. Wat de begroting van de omvang van de rechtsplegingsvergoeding betreft, bepaalt artikel 30/1, § 2, eerste lid, van de RvS-wet: “§
  6. De afdeling bestuursrechtspraak kan, bij met bijzondere redenen omklede beslissing, de vergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Koning voorziene maximale en minimale bedragen te overschrijden. In haar beoordeling houdt ze rekening met: 1° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het bedrag van de vergoeding te verlagen; 2° de complexiteit van de zaak; 3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie”.
  7. Het eerste lid van de aangehaalde bepaling somt de criteria op waarmee de Raad van State rekening houdt om al dan niet af te wijken van het toe te kennen basisbedrag. Deze opsomming is limitatief zodat de Raad van State niet op andere gronden mag afwijken van het basisbedrag.
  8. De rechtsplegingsvergoeding strekt ertoe forfaitair tegemoet te komen in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. De verzoekende partij toont niet aan op grond van welke bijzondere redenen deze zaak, wat de complexiteit ervan betreft en het kennelijk onredelijk karakter van de situatie, dermate verschilt van de beroepen zoals die gewoonlijk voor de Raad worden gebracht, opdat dit een vermeerdering van dit forfaitair bedrag kan verantwoorden. De financiële draagkracht van de in het gelijk gestelde partij is blijkens artikel 30/1, § 2, eerste lid, van de RvS-wet geen criterium om af te wijken van het toe te kennen basisbedrag. VII-40.237-28/30 BESLISSING
  9. Het verzoek van de vzw EG Events tot tussenkomst wordt afgewezen.
  10. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 10 januari 2018 dat de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 22 juni 2017 waarbij vergunning wordt verleend aan de vzw EG Events voor het verder exploiteren en veranderen van een omloop voor motorvoertuigen aan de Grote Heideweg te 2491 Balen, - gedeeltelijk gegrond verklaart, - in artikel 3 c van de beroepen beslissing van de deputatie een bijzondere voorwaarde schrapt en nieuwe bijzondere voorwaarden toevoegt, - de overige bepalingen van de beroepen beslissing van de deputatie bevestigt.
  11. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  12. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. De verzoekende partij in tussenkomst wordt verwezen in de kosten van het verzoek tot tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-40.237-29/30 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht februari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.237-30/30 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.746 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.733 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.621 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.