id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.772 Rolnummer: A. 224811/X-17195 Zaak: Arrest 249772 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 09/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-02-19 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-20 00:29 Fiche Arrest nr 249.772 van 9 februari 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 249.772 van 9 februari 2021 in de zaak A. 224.811/X-17.195 In zake : Berty HANSSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Inke Dedecker kantoor houdend te 3500 Hasselt Spoorwegstraat 105 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Declercq kantoor houdend te 3320 Hoegaarden Gemeenteplein 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het verzoekschrift, ingediend op 19 maart 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Buitenlands Beleid en Onroerend Erfgoed van 16 januari 2018 ‘tot vaststelling van de inventaris bouwkundig erfgoed in de provincie Limburg’, in zoverre het de opname in de inventaris van de architectenwoning van Joannes Olaerts gelegen te 3600 Genk, Grotestraat 111, betreft. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. X-17.195-1/18 Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. Verzoekster en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 november
- Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Inke Dedecker, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Tomaz Thijs Van Den Audenaerde, die loco advocaat Philippe Declercq verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is eigenaar en bewoonster van de woning te 3600 Genk, Grotestraat 111, die bekend staat als de architectenwoning van Joannes Olaerts, zijnde de op 9 mei 2017 overleden echtgenoot van verzoekster (hierna: de architectenwoning). 3.
- De in de rijbebouwing geïntegreerde architectenwoning bestaat uit vier bouwlagen en neemt de volledige diepte in van het terrein tussen de Grotestraat en de achterliggende Calvariestraat. De op de rooilijn met de Grotestraat gelegen voorgevel bestaat voor ongeveer 60 procent uit baksteen en X-17.195-2/18 voor de rest uit blokvormige volumes van ruw beton en gevelopeningen. In de voorgevel bevindt zich, palend aan de gevel van de linkerbuur, een drie bouwlagen hoge bolle bakstenen koker. De achtergevel (zijde Calvariestraat) bestaat uit drie blokvormige volumes en wordt door een terras bekroond. Ter verduidelijking zijn hierna foto’s van de voor- en achtergevel van de architectenwoning opgenomen.
- In 2016 neemt de stad Genk het initiatief voor het inventariseren van het beeldbepalend onroerend erfgoed, met name uit het oeuvre van naoorlogse architecten. Om de eventuele opname in de inventaris van het bouwkundig erfgoed voor te bereiden geeft zij een opdracht aan een extern bureau.
- Op 29 november 2016 biedt een vertegenwoordigster van het extern bureau zich aan bij verzoekster en haar echtgenoot. Zij laten de vertegenwoordigster toe om de architectenwoning te bezichtigen. 6.
- Van 1 juni tot 30 juli 2017 wordt een openbaar onderzoek gehouden over de eventuele opname van onder meer de architectenwoning in de inventaris van het bouwkundig erfgoed. 6.
- Verzoekster dient een bezwaarschrift in waarin ze de visie van haar echtgenoot op de architecturale waarde van zijn architectenwoning als volgt uiteenzet: X-17.195-3/18 “De initiële ontwerpvisie van architect/eigenaar is/was totaal niet gestoeld op Brutralisme. De woning is enkel en alleen ontworpen vanuit functionalisme. Dit functionalisme of moderne (en dus hedendaagse) architectuur is tijdloos waardoor de tijdslijn tussen hedendaags en historisch […] nihil wordt. Hierdoor vervalt dan ook iedere objectieve argumentatie om de woning effectief op te nemen in de inventaris”. 6.
- Verder stelt verzoekster in haar bezwaarschrift onder meer het volgende: “Het betreft een gesloten bebouwing. Het feit dat het bouwperceel rechts momenteel nog niet bebouwd is maakt er niet plots een halfopen perceel/bebouwing van. - De voordeur is niet in metaal uitgevoerd. - Er zijn geen garages, speelkamers noch 4 slaapkamers aanwezig in de woning. - Er is geen berging en vestiaire op de derde bouwlaag. - Er zijn geen vides in de woning.”
- Na afloop van het openbaar onderzoek wordt het bezwaarschrift van verzoekster als volgt besproken door het Agentschap Onroerend Erfgoed (hierna: het Agentschap): “
(1)De aangehaalde feitelijke onjuistheden werden door het agentschap onderzocht en indien nodig aangepast in de inventaristekst die opgenomen is in de wetenschappelijke inventaris. Ik meen dat het agentschap hier steeds objectief en wetenschappelijk te werk is gegaan. Zo hoeft de toeschrijving aan het brutalisme niet door de architect zelf geponeerd te zijn, om alsnog een wetenschappelijke grond te hebben. Het agentschap maakte deze stijlidentificatie op basis van de wetenschappelijke expertise en bouwhistorische bronnen en literatuur. De bezwaarindiener haalt onvoldoende argumenten aan om deze toewijzing alsnog te ontkrachten. Het erfgoedkenmerk ‘brutalisme’ als bouwstijl wordt niet aangepast.
(2)De criteria tot opname zijn in het decreet geformuleerd en voldoende aanwezig om de opname van dit pand te verantwoorden. Ik meen dat het pand voldoende architecturale waarde bezit om een vaststelling te verantwoorden. Het feit dat andere waarden in mindere mate aanwezig zijn, doet hier geen afbreuk aan. Het pand scoort bovendien wel degelijk hoog op diverse erfgoedcriteria zoals zeldzaamheid, authenticiteit en leesbaarheid. De bezwaarindiener kon dit volgens mij niet voldoende ontkrachten. De beschrijving van het pand is opgemaakt op basis van de elementen die zichtbaar zijn van op het openbaar domein. Het agentschap leeft uiteraard de privacyregelgeving na. Op basis van de opmerkingen in het bezwaarschrift werden enkele tekstuele aanpassingen gedaan om de neutraliteit van de tekst X-17.195-4/18 te optimaliseren. Ik meen dat het agentschap hierin voldoende tegemoet is gekomen aan de grieven van de bezwaarindiener die al voorafgaand aan het openbaar onderzoek kenbaar werden gemaakt.
(3)De stad Genk gaf de opdracht aan experten om een inventaris op te stellen […]. De stad volgde in deze opdracht de inventarismethodologie die is vastgesteld voor het inventariseren en vaststellen van de inventaris bouwkundig erfgoed. Er werd een thematisch onderzoek uitgeschreven, de criteria werden getoetst en een bijkomend criterium ‘beeldbepalendheid’ werd door de stad gebruikt om een selectie te maken. Een eerste selectie panden werd weerhouden voor opname namelijk een selectie uit het oeuvre van naoorlogse architecten en het modernisme, de landelijke architectuur in het gehucht Langerlo, en aanvullingen door een participatietraject. De architectenwoning van Jan Olaerts maakt deel uit van de selectie naoorlogse architectuur.”
- Op 19 oktober 2017 geeft de Vlaamse Commissie voor Onroerend Erfgoed (hierna: de VCOE) advies. In dit advies wordt onder meer het volgende gesteld: “
- Het Onroerenderfgoeddecreet (artikels 4.1.1 en 4.1.3) voorziet dat de Vlaamse Regering de inventarissen vaststelt en onderwerpt aan een openbaar onderzoek van zestig dagen. Gedurende die periode kan iedere burger opmerkingen of bezwaren formuleren over feitelijkheden.[…] […]
- In het kader van het openbaar onderzoek werden 57 bezwaarschriften ingediend. Deze bezwaarschriften werden samen met een overzichtstabel aan de VCOE overgemaakt. Op basis van die tabel en de begeleidende nota stelt de commissie vast dat daarnaast tevens diverse meldingen per mail, per telefoon of intern binnen het agentschap werden ontvangen […]. […]
- […] de nota [geeft] aan dat slechts één bezwaar handelde over de procedure van het openbaar onderzoek zelf. Dit bezwaar werd als onontvankelijk beschouwd. De commissie beaamt dat één bezwaarschrift uitvoerige bemerkingen formuleerde bij de vaststellingsprocedure, in het bijzonder inzake het verloop en de kwaliteit van het openbaar onderzoek en de selectiewijze van de vast te stellen items. De commissie merkt evenwel op dat ook in tal van andere bezwaarschriften opmerkingen werden opgenomen die niet louter ‘feitelijkheden’ betreffen. Het gaat om bemerkingen inzake de toepassing van de inventarismethodologie en de gehanteerde selectiecriteria alsook inzake de gevoerde communicatie over de vaststellingsprocedure.” 9.
- Op 16 januari 2018 stelt de Vlaamse minister van Buitenlands Beleid en Onroerend Erfgoed de inventaris van het bouwkundig erfgoed in de provincie Limburg vast. X-17.195-5/18 9.
- Het laatstgenoemde besluit motiveert de opname van de architectenwoning in de inventaris (hierna: de bestreden opname) als volgt: “Architectenwoning gebouwd in het begin van de jaren 1970 naar een ontwerp van Joannes Olaerts op de funderingen van een in 1972 deels afgebroken gebouw van één bouwlaag. De bouwplannen werden goedgekeurd op 19 juni 1970, in 1973 werd het gebouw door het kadaster geregistreerd. De architect bouwde de woning voor zichzelf en zijn vrouw Be[r]ty Hanssen, en integreerde er ook zijn architectenbureau. Anno 2016 wordt de woning nog steeds op dezelfde manier gebruikt. Het architectenbureau werd overgenomen door zijn dochter Sarah Olaerts. Joannes (Jan) Olaerts was sinds de jaren 1960 zeer actief als architect van particuliere woningen en appartementsgebouwen maar realiseerde ook kleinere verbouwingen en uitbreidingen van bestaande panden. Tussen 1969 en 1975 was hij betrokken bij de uitbouw van het zuidoostelijke deel van de Genkse wijk Boxbergheide. In 1975 ontwierp hij de Turkse moskee in Winterslag. In 1971 werd hij benoemd tot leraar ‘Theorie van de bouwkunst’ aan het Provinciaal Hoger Instituut voor Architectuur te Hasselt. De evolutie van het oeuvre van deze Genkse architect moet nog verder onderzocht worden. De ruwe, geblokte volumes en het gebruik van zichtbaar metselwerk en ‘béton brut’ zijn typerende kenmerken van het brutalisme, waarvan deze architectenwoning een laat maar indrukwekkend voorbeeld is. Het pand is ingeplant in de rijbebouwing van de Grotestraat en neemt de volledige diepte van een ondiep, taps toelopend bouwblok in dat zich tussen de Grotestraat en de achterliggende Calvariestraat bevindt. Het onbebouwde perceel ten westen van de woning wordt gebruikt als tuin en terras […]. Naar de Grotestraat toe is de tuin afgesloten met een met klimop begroeide muur, aan de zijde van de Calvariestraat met een houten plankenwand. In de tuin staat een grote conifeer (spar), het meest westelijke deel van het tuinperceel wordt ingenomen door een houten carport. Imposante, half vrijstaande woning van vier bouwlagen met gevelparementen in bruin baksteenmetselwerk en zichtbeton. In de zuidwestelijke hoek van het pand is het baksteenmetselwerk witgeschilderd. Rond een aantal vensteropeningen ziet men bruin geschilderde houten beplanking. De gevels vertonen een spel van in elkaar geschoven blokvormige volumes van verschillende afmetingen met doorgaans rechthoekige, vaak in horizontale banden gekoppelde vensteropeningen. De voorgevel wordt getypeerd door een aantal inspringende gevelvlakken, die de driedimensionaliteit van het gebouw versterken. Geheel links in de gevel vormt de bolle bakstenen koker van de spiltrap een contrasterend element, de overgang met de buurwoning makend. De […] voordeur tussen twee glazen vlakken is versierd met een reliëf van in elkaar geschoven verticale staven. De achtergevel (zijde Calvariestraat) is vlakker opgevat maar heeft drie vooruitgeschoven, horizontaal getrapte volumes die twee bouwlagen beslaan en door een terras bekroond worden. Hierboven ziet men de terugwijkende gevel van de tweede en derde verdieping. X-17.195-6/18 Bij de bouw werd een deel van de kelders en het gelijkvloers van het voorgaande gebouw in de nieuwbouw geïntegreerd. Het deels onderkelderde interieur heeft een functionele indeling waarbij de zones voor werken, slapen en wonen zich telkens op een andere verdieping bevinden. Het gelijkvloers bevatte volgens de bouwplannen oorspronkelijk naast inkom- en ontvangsthal meerdere garages. Op de eerste verdieping zijn […] slaapkamers […] en een klein bureel rond een centrale gang gegroepeerd. De twee bovenverdiepingen bieden ruimte aan royale woonkamers en een terras. Opvallend is het contrast tussen de kleine compartimentering van de eerste twee bouwlagen en de openheid van de twee bovenverdiepingen. [De] verdiepingen worden met elkaar verbonden door een spiltrap in de noordoostelijke hoek, naast de inkomhal, en een lift aan de westzijde van de woning. Begane grond en eerste verdieping vertonen een complexe plattegrond, met aan beide straatgevels een reeks naast elkaar gelegen, kleine rechthoekige kamers, verbonden door een tussenliggende gang parallel met de voorgevel. De getrapte positionering van de uitstekende volumes aan de achtergevel, waarin garages en slaapkamers zijn ondergebracht, zorgt ondanks het gesloten karakter van de achtergevel voor voldoende zijdelingse lichtinval. De tweede en derde verdieping worden bijna geheel ingenomen door een grote woonkamer, die van voor- tot achtergevel reikt en met […] tussenverdiepingen de twee bouwlagen beslaat. Brede vensterpartijen zorgen van beide zijden voor veel lichtinval en een open zicht. Enkel een klein deel van de derde bouwlaag, tegen de westgevel, werd verder onderverdeeld met functionele ruimtes zoals keuken met eethoek, toilet […].” IV. Onderzoek van de middelen A. Het tweede middel Standpunt van de partijen 10.
- Het tweede middel is afgeleid uit de schending van artikel 4.1.3 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli
- 10.
- Verzoekster stelt dat de VCOE alle bezwaren heeft onderzocht, dus zowel de bezwaren “over feitelijkheden”, als de bezwaren over de opname in de inventaris, terwijl zij de laatstgenoemde bezwaren onontvankelijk had dienen te verklaren. X-17.195-7/18
- In haar memorie van antwoord voert de verwerende partij als exceptie aan dat het middel niet ontvankelijk is, nu verzoekster niet aantoont dat het onderzoek van alle bezwaren in het advies van de VCOE haar zou grieven.
- In haar memorie van wederantwoord herhaalt verzoekster dat het middel gegrond is en voegt zij toe dat het de openbare orde betreft daar het betrekking heeft op de gevoerde procedure. Beoordeling
- Het middel betreft de formulering van het advies van de VCOE. In dit advies zou de VCOE de kwestieuze bezwaren ten onrechte hebben besproken in plaats van ze – zonder meer – als onontvankelijk te bestempelen. Terecht voert de verwerende partij in haar memorie van antwoord aan dat verzoekster geen belang heeft bij het middel. Er moet immers worden vastgesteld dat niet blijkt dat verzoekster op enige wijze gegriefd zou zijn door het enkele feit dat de VCOE de kwestieuze bezwaren onderzocht heeft. Aan die vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door de – onjuiste – bewering van verzoekster dat het middel de openbare orde zou betreffen.
- Het middel wordt verworpen. B. Het derde middel Uiteenzetting van het middel 15.
- Het derde middel is genomen uit de schending van artikel 2.1, 26°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, van artikel 4.1.1 van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014, van het ministerieel besluit van 17 juli 2015 ‘tot vaststelling van de inventarismethodologie voor de inventaris van bouwkundig erfgoed’ (hierna: het ministerieel besluit van 17 juli 2015), van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van X-17.195-8/18 de bestuurshandelingen’ en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “meer in het bijzonder” het zorgvuldigheids- en het materiëlemotiveringsbeginsel. 15.
- Volgens verzoekster bevat het bestreden besluit geen enkele toetsing aan de in de bijlage bij het ministerieel besluit van 17 juli 2015 voorziene selectiecriteria. Ter weerlegging van verzoeksters bezwaarschrift is zonder meer geponeerd dat de architectenwoning “wel degelijk” hoog scoort op diverse criteria zoals zeldzaamheid, authenticiteit en leesbaarheid, maar waarom dat zo zou zijn wordt niet gemotiveerd. Enige relevantie voor Vlaanderen dan wel maatschappelijke betekenis wordt totaal niet aangetoond. Verzoekster benadrukt dat de opname in de inventaris alleen maar gemotiveerd wordt door de stelling dat de architectenwoning een laat maar indrukwekkend voorbeeld zou zijn van het brutalisme. De stijl brutalisme wordt echter niet gedefinieerd en de verwerende partij tracht in amper één zin aan te tonen dat de woning tot die stijl zou behoren. Zulks kan onmogelijk als een afdoende motivering beschouwd worden. Verzoekster vervolgt dat het in 1970 de “insteek en visie” van haar echtgenoot was om een tijdloze en functionele architectenwoning te ontwerpen. De bouwstijl van deze woning is niet het brutalisme, dat zich hoofdzakelijk kenmerkt door het gebruik van ruw beton. In het verzoekschrift worden drie foto’s opgenomen van bekende brutalistische gebouwen, waaronder het klooster van Le Corbusier nabij Lyon. Verzoekster citeert vervolgens volgende opinie van de door haar geraadpleegde architectuurexpert: “Het woord ‘brutalisme’ wordt tegenwoordig gebruikt met verschillende betekenis. In feite slaat het in de eerste plaats op gehouwen die bijna uitsluitend opgetrokken zijn in zichtbaar beton,... b.v. het klooster van Le Corbusier nabij Lyon […]. Niet alles wat in de jaren ’70 is opgetrokken is ‘brutalisme’. De [architectenwoning] met meer baksteen dan beton is geen interessant voorbeeld die men onder de term brutalisme kan rangschikken. Ik zou [deze] woning omschrijven als: ‘Moderne woning met een uitgesproken volumetrie’.” X-17.195-9/18 Verzoekster concludeert dat de architectenwoning geen voorbeeld is van brutalisme.
- In haar memorie van wederantwoord stelt verzoekster dat als het begrip brutalisme al voor verschillende interpretaties vatbaar zou zijn – quod non – zulks nog niet impliceert dat de beoordeling of er al dan niet sprake is van brutalisme, niet binnen de wettigheidscontrole van de Raad van State valt. Het behoort immers wel degelijk tot de bevoegdheid van de Raad om te oordelen over de al dan niet correcte en/of voldoende onderbouwde interpretatie van het begrip brutalisme, hetgeen in casu determinerend was voor de opname in de inventaris van het bouwkundig erfgoed.
- In haar laatste memorie schrijft verzoekster dat de bewering dat er “impliciet maar zeker” voldaan is aan de selectiecriteria, bevestigt dat de formelemotiveringsverplichting geschonden werd. Beoordeling
- Artikel 2.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 bevat volgende definities: “26° erfgoedwaarde: de […] architecturale […] waarde waaraan onroerende goederen en de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken hun huidige of toekomstige maatschappelijke betekenis ontlenen; […] 31° inventaris: een oplijsting van onroerende goederen en gehelen van onroerende goederen met erfgoedwaarde;”.
- De beoordeling van opportuniteitskritiek behoort niet tot de bevoegdheid van de Raad van State, die een wettigheidsrechter is. In de uitoefening van zijn wettigheidscontrole mag de Raad van State zich niet in de plaats stellen van de overheid, die met betrekking tot de opname in een erfgoedinventaris beschikt over een ruime discretionaire bevoegdheid. De Raad van State is als rechter van de wettigheid wel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de overheid is uitgegaan van werkelijk bestaande en relevante feitelijke gegevens die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld, of zij die correct X-17.195-10/18 en met een zorgvuldige afweging van alle in het geding betrokken belangen heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen.
- Over het afwegingskader dat gehanteerd wordt om een onroerend goed te waarderen wordt in de bijlage bij het ministerieel besluit van 17 juli 2015 het volgende gesteld: “Om een gedegen afweging te maken of een onroerend goed kan worden opgenomen in de inventaris, wordt rekening gehouden met de erfgoedwaarden en de selectiecriteria. Die waarden en criteria worden niet afzonderlijk beschouwd. De totale beoordeling vormt het uitgangspunt voor de evaluatie. Voor de opname in de inventaris wordt rekening gehouden met de geografische of de thematische context. Bij deze beoordeling wordt steeds een relevantie voor Vlaanderen voor ogen gehouden. a. De erfgoedwaarden […] Architecturale waarde: Een onroerend goed heeft architecturale waarde als het getuigt van een fase of aspect van de (landschaps)architectuur of de bouwkunst in het verleden. Het kan gaan om typologie, stijl, oeuvre of materiaalgebruik. […] b. De selectiecriteria […] Zeldzaamheid geeft aan in hoeverre het onroerend goed uitzonderlijk voorkomt in relatie met de geografische context, de historische context, de typologie of het oeuvre. Herkenbaarheid geeft aan in hoeverre het onroerend goed een goed herkenbare uitdrukking is van zijn oorspronkelijke functie, uitzicht of vormgeving […]. Ensemblewaarde geeft aan in hoeverre het onroerend goed een sterke samenhang vertoont tussen de verschillende elementen. Contextwaarde geeft aan in hoeverre er tussen het onroerend goed en zijn directe of ruimere omgeving een sterke relatie is op […] esthetisch vlak.”
- Verzoekster houdt ten onrechte voor dat de opname van de architectenwoning in de inventaris alleen gemotiveerd zou zijn door de stelling dat ze een voorbeeld is van het brutalisme. Zoals blijkt uit de uitdrukkelijke overwegingen van (het agentschap van) de verwerende partij is de bestreden opname in de eerste plaats X-17.195-11/18 gemotiveerd door de architecturale kwaliteiten van de archtitectenwoning, die beoordeeld is aan de hand van maatstaven zoals “beeldbepalendheid”, “authenticiteit” en “leesbaarheid” (hierna: de gehanteerde maatstaven). Deze kwaliteiten worden in het bestreden besluit, overwegend op basis van wat er van op de Grotestraat en de Calvariestraat zichtbaar is, gedetailleerd beschreven (randnr. 7). Gemotiveerd wordt onder meer dat dit onroerend goed – dat nog steeds in gebruik is als architectenbureau – voorkomt als een imposant gebouw met “een spel van in elkaar geschoven blokvormige volumes van verschillende afmetingen”, “inspringende gevelvlakken, die de driedimensionaliteit van het gebouw versterken”, en als “contrasterend element” de bolle bakstenen koker die “de overgang met de buurwoning” maakt.
- Het wordt niet betwist dat het gebruik van blokachtige volumes van ruw beton een stijlkenmerk is van het brutalisme. Dergelijke volumes komen onmiskenbaar voor in de architectenwoning (randnr. 3.2). Verder stelt de door verzoekster geraadpleegde architectuurexpert dat de term brutalisme “tegenwoordig gebruikt [wordt] met verschillende betekenis”. Gelet op het voorgaande, blijkt niet dat de verwerende partij onzorgvuldig of anderszins onwettig gehandeld heeft door de stijl van de architectenwoning als brutalisme te kwalificeren op grond van het voorkomen van “ruwe, geblokte volumes en het gebruik van [ruw beton]”.
- Verzoekster maakt niet aannemelijk dat de verwerende partij met de bestreden opname de grenzen van de redelijkheid te buiten is gegaan of de aangevoerde rechtsregels anderszins heeft geschonden. Verzoekster kan er evenmin van overtuigen dat de gehanteerde maatstaven niet zouden passen in het in randnummer 20 bedoelde afwegingskader.
- De conclusie is dat uit hetgeen verzoekster aanvoert niet blijkt dat de aangevoerde rechtsregels geschonden zouden zijn.
- Het derde middel wordt verworpen. X-17.195-12/18 C. Het eerste middel Uiteenzetting van het middel 26.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending van het ministerieel besluit van 17 juli 2015 en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “meer in het bijzonder” het zorgvuldigheidsbeginsel. 26.
- Verzoekster voert aan dat de beschrijving van de architectenwoning diverse onjuistheden bevat. Zo zijn er geen garages aanwezig, is de voordeur niet in metaal maar in hout uitgevoerd en is het ten onrechte dat vermeld wordt dat bepaalde binnenruimtes een speelkamer of vide zouden zijn. Verzoekster vervolgt dat de door de verwerende partij aangehaalde bronnen niet toelaten om de architecturale waarde van de architectenwoning te duiden. Bij een ernstig onderzoek zou eerst aan de hand van wetenschappelijke literatuur zijn toegelicht wat het brutalisme inhoudt, om vervolgens de stijl van de woning te toetsen aan deze stijl. Dergelijk ernstig onderzoek is er in casu niet geweest. Verzoekster benadrukt dat de initiële ontwerpvisie van haar echtgenoot totaal niet uitging van het brutalisme. De architectenwoning is enkel en alleen ontworpen als tijdloze hedendaagse woning. De door de verwerende partij aangehaalde bronnen volstaan niet, daar de verwerende partij verzoeksters echtgenoot nooit om zijn visie over de stijl van zijn woning heeft gevraagd. De verwerende partij heeft zich eenzijdig gesteund op de visie van de vertegenwoordigster van het extern bureau die op 29 november 2016 een plaatsbezoek heeft gebracht, terwijl zij beduidend minder architecturale ervaring en scholing heeft dan haar echtgenoot en dochter.
- In haar memorie van wederantwoord benadrukt verzoekster dat de objectief vast te stellen onjuistheden – zoals het feit of er al dan niet inpandige garages zijn – typerend zijn voor de lichtzinnigheid van het gevoerde onderzoek. X-17.195-13/18
- In haar laatste memorie schrijft verzoekster dat er geen kritische toetsing van de stijl van de architectenwoning mogelijk was omdat de visie van de ontwerper nooit is gevraagd. Beoordeling
- Wat betreft de kwalificatie van de architectenwoning als brutalisme, wordt vooreerst verwezen naar randnummer 22 hiervoor. In haar tijdens het openbaar onderzoek ingediend bezwaarschrift heeft verzoekster benadrukt dat het de visie van haar echtgenoot was dat de door hem ontworpen woning geen brutalisme is (randnr. 6.2). Ter weerlegging van dit bezwaar heeft het Agentschap het volgende gesteld: “[…] de toeschrijving aan het brutalisme [hoeft] niet door de architect zelf geponeerd te zijn, om alsnog een wetenschappelijke grond te hebben.” Het blijkt dat de verwerende partij zich bij het nemen van het bestreden besluit terdege bewust was van de visie van verzoeksters echtgenoot dat de door hem ontworpen woning geen brutalisme is. In het licht van het voorgaande kan het enkele feit dat de verwerende partij niet uit eigen beweging verzoeksters echtgenoot en/of haar dochter om hun visie hebben gevraagd niet tot de vernietiging van het bestreden besluit leiden, ook niet wanneer men met verzoekster zou aannemen dat de laatstgenoemden beduidend meer “architecturale ervaring en scholing” hebben dan de vertegenwoordigster van het extern bureau.
- Verzoekster gaat er aan voorbij dat de verwerende partij de beschrijving van de architectenwoning na het openbaar onderzoek heeft aangepast. Zo wordt niet langer beweerd dat er zich in de architectenwoning inpandige garages bevinden, maar wordt in het bestreden besluit enkel gesteld dat die woning “volgens de bouwplannen oorspronkelijk […] garages [bevatte]”. X-17.195-14/18 Verder blijkt niet dat de elementen waarop de beweerde onjuistheden betrekking hebben, enige rol zouden gespeeld hebben bij de beoordeling van de architecturale waarde van de architectenwoning volgens de gehanteerde maatstaven (randnr. 21).
- De conclusie is dat verzoekster niet aannemelijk maakt dat aan het bestreden besluit een onzorgvuldig onderzoek zou zijn voorafgegaan.
- Het eerste middel wordt verworpen. D. Het vierde middel Uiteenzetting van het middel 33.
- Het vierde middel is genomen uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “meer in het bijzonder” het zorgvuldigheidsbeginsel. 33.
- Verzoekster wijst er vooreerst op dat in de bijlage bij het ministerieel besluit van 17 juli 2015 het volgende wordt gesteld: “Naast de grote, monumentale gebouwen gaat er ook aandacht naar de meer bescheiden architectuur zoals woonhuizen […]”. Verzoekster neemt in haar verzoekschrift een aantal foto’s op van grote gebouwen in Genk, zoals het stadshuis en het winkelcentrum “Shopping 1”. Dat deze zeer monumentale en beeldbepalende gebouwen niet opgenomen zijn in de inventaris van het bouwkundig erfgoed en de architectenwoning wél, getuigt volgens verzoekster van een totale willekeur. Vervolgens worden zes foto’s weergegeven van evenveel vrijstaande woningen in Genk die – met de woorden van het verzoekschrift – “wanneer de visie van de verwerende partij op het brutalisme gevolgd wordt”, “eveneens van brutalisme [getuigen]” en desondanks niet opgenomen zijn in de X-17.195-15/18 inventaris van het bouwkundig erfgoed (hierna: de zes niet-opgenomen vrijstaande woningen). Tot slot worden in het verzoekschrift drie foto’s weergegeven van vrijstaande woningen in Genk die opgenomen zijn in de inventaris van het bouwkundig erfgoed, terwijl ze – met de woorden van het verzoekschrift – “zeer sterk […] gelijken” op de zes niet-opgenomen vrijstaande woningen.
- In haar memorie van wederantwoord stelt verzoekster dat de beste manier om concreet aan te tonen dat de zes niet-opgenomen vrijstaande woningen vergelijkbaar zijn met de architectenwoning, het bijbrengen van foto’s is, wat zij in haar verzoekschrift heeft gedaan.
- Ten slotte benadrukt verzoekster in haar laatste memorie dat de niet in de inventaris opgenomen vrijstaande woning “Kerkhofs” – die ook een architectenwoning is – een gelijk geval betreft. Beoordeling
- Het gelijkheidsbeginsel is geschonden als in rechte en in feite gelijke situaties zonder objectieve en redelijke verantwoording ongelijk worden behandeld. De verzoekende partij die de schending van het gelijkheidsbeginsel aanvoert, moet die beweerde schending in haar verzoekschrift met concrete en precieze gegevens aantonen.
- Anders dan verzoekster blijkbaar meent, volgt uit de aangevoerde rechtsregels geen verplicht na te leven chronologie om eerst alle grote en monumentale gebouwen met erfgoedwaarde in de erfgoedinventaris op te nemen alvorens er – met de woorden van de bijlage bij het ministerieel besluit van 17 juli 2015 – “aandacht [kan gaan] naar de meer bescheiden architectuur zoals woonhuizen”. X-17.195-16/18 Evenmin volgt uit de aangevoerde rechtsregels een verplichting om alle woningen met een gelijkaardige architectuurstijl tezelfdertijd in de erfgoedinventaris op te nemen. Dienaangaande vermeldt de laatstgenoemde bijlage overigens het volgende: “Door nieuwe inzichten of door bijkomend onderzoek en doordat het erfgoed zelf ook evolueert, is de inventaris nooit volledig of afgerond, maar is ze continu in evolutie en wordt ze geactualiseerd en aangevuld.”
- Wat de vergelijking met de zes niet-opgenomen vrijstaande woningen betreft, steunt verzoekster op het uitgangspunt dat de opname van de architectenwoning in de inventaris alleen gemotiveerd zou zijn door de stelling dat ze een voorbeeld is van het brutalisme. Hiervoor (randnr. 21) is reeds gebleken dat dit uitgangspunt onjuist is.
- Tot slot komt het niet aan de Raad van State toe om aan de hand van de voorgelegde foto’s uit te maken of de afgebeelde gebouwen – zoals verzoekster aanneemt – een architecturale waarde hebben die vergelijkbaar is met de architecturale waarde van de architectenwoning.
- Gezien het voormelde toont verzoekster geen schending van het gelijkheidsbeginsel of enige andere aangevoerde rechtsregel aan.
- Het vierde middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep. X-17.195-17/18
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen februari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.195-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.772 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div