← België

Arrest 249787 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 09/02/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.787 Rolnummer: A. 230002/IX-9672 Zaak: Arrest 249787 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 09/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-02-22 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-20 00:31 Fiche Arrest nr 249.787 van 9 februari 2021 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 249.787 van 9 februari 2021 in de zaak A. 230.002/IX-9672 In zake: Patrick SCHREVENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Meirsman kantoor houdend te 9000 Gent Begijnhoflaan 93 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD AALST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 17 januari 2020, strekt tot de nietig- verklaring van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst van 18 november 2019 waarbij Patrick Schrevens wordt ontslagen wegens twee opeenvolgende evaluaties „onvoldoende‟. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld. IX-9672-1/9 De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 januari
  3. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Peter Meirsman, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is ten tijde van de bestreden beslissing vastbenoemd leraar in het secundair kunstonderwijs aan de Stedelijke Academie voor Beelden- de Kunsten te Aalst. 3.
  6. Op 9 maart 2018 krijgt verzoeker een eerste evaluatieverslag met als eindconclusie „onvoldoende‟. Tegen dit eerste evaluatieverslag wordt geen beroep ingesteld. Op 5 juni 2019 krijgt verzoeker een tweede evaluatieverslag met als eindconclusie „onvoldoende‟. Tegen dit tweede evaluatieverslag wordt IX-9672-2/9 wel een beroep ingesteld. Met zijn beslissing GOO/2019/2 bevestigt het college van beroep, kamer voor het gesubsidieerd officieel onderwijs, op 17 september 2019 deze aan verzoeker toegekende evaluatie „onvoldoende‟. Een beroep tot nietigverklaring van laatstgenoemde beslissing verwerpt de Raad van State in zijn arrest nr. 249.786 van heden. 3.
  7. Op 18 november 2019 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst om verzoeker te ontslaan met toepassing van de arti- kelen 47terdecies en 60, 11°, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (“rechtspositiedecreet”). Dat is de thans bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  8. In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van de formelemotiveringsplicht, als bedoeld in de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟, omdat de verwerende partij “niet expliciet verwijst naar de toepasselijke wetgeving, de concrete toepas- sing ervan en de grondslag van haar beslissing”. De toepasselijke bepalingen worden wel vermeld, maar de verwerende partij neemt niet de moeite om die be- palingen te citeren. Verzoeker doet dit dan maar zelf. Toch is de beslissing on- wettig, want verzoeker heeft het raden naar de inhoud van deze artikelen en de concrete toepassing ervan op zijn situatie. Er wordt enkel gesteld dat verzoeker wordt ontslagen wegens twee opeenvolgende evaluaties met eindconclusie „on- voldoende‟. Meer woorden maakt het college er niet aan vuil. Verzoeker kan hieruit onmogelijk op een afdoende manier afleiden waarop zijn ontslag, hetgeen overigens een zeer verregaande beslissing inhoudt, steunt. Het stelt verzoeker IX-9672-3/9 aldus niet voldoende in kennis van de concrete redenen waarop deze beslissing gestoeld is. Beoordeling
  9. Niet alleen is het middel wat de vermelding van de rechts- grondslag betreft ongegrond omdat de formelemotiveringsplicht niet zo ver gaat dat de toepasselijke bepalingen geciteerd moeten worden, bovendien bewijst ver- zoeker dat hij de inhoud van die bepalingen zeer goed kent en dat hij dus geen enkel nadeel heeft ondervonden van de beweerde onwettigheid – die er geen is.
  10. Voorts is verzoeker niet onbekend met het feit dat hij twee op- eenvolgende evaluaties „onvoldoende‟ heeft gekregen en mocht hij als motief lezen dat hij “ontslagen wordt wegens twee opeenvolgende evaluaties met eind- conclusie „onvoldoende‟”. Gelet op de gebonden bevoegdheid van de verwerende partij, volstaat dit motief en kan verzoeker hieruit “afleiden [waarop] zijn ontslag […] gebaseerd is”.
  11. Het middel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  12. Ook in het tweede middel voert verzoeker de schending aan van de formelemotiveringswet en voorts de schending van “de algemene beginse- len van behoorlijk bestuur, meer bepaald de materiële motiveringsplicht, inzon- derheid de afwezigheid van de rechtens vereiste feitelijke grondslag”. Het college van burgemeester en schepenen haalt zonder meer aan dat verzoeker wordt ontslagen wegens twee opeenvolgende evaluaties met eindconclusie „onvoldoende‟ en dit op basis van twee artikelen, namelijk artikel IX-9672-4/9 47terdecies en artikel 60, 11°, van het rechtspositiedecreet. Verzoeker heeft het raden naar de inhoud van deze artikelen. Men kan uit de beslissing van de stad Aalst onmogelijk een deugdelijke motivering van het ontslag halen. De motive- ring is allesbehalve voldoende, pertinent en draagkrachtig en kan aldus de beslis- sing tot ontslag niet schragen. Het college van burgemeester en schepenen nam niet de moeite om het ontslag van verzoeker, hetgeen voor hem een uiterst verre- gaand gevolg is, in het lang en het breed uit te leggen. Men achtte het bij de stad Aalst voldoende om te stellen dat verzoeker ontslagen wordt op basis van twee, niet nader in de beslissing weergegeven, artikelen uit het rechtspositiedecreet van 27 maart
  13. Van het nakomen van de materiëlemotiveringsplicht is hier aller- minst sprake. Beoordeling
  14. Wat de formelemotiveringsplicht betreft, mag worden verwe- zen naar de beoordeling van het eerste middel.
  15. De beide evaluaties „onvoldoende‟ zijn definitief. Verzoeker betwist dit in het middel niet. Ze vormen samen het materiële motief – de rech- tens vereiste feitelijke grondslag – van het ontslagbesluit.
  16. De verwerende partij beschikt hierin slechts over een gebonden bevoegdheid. De in het middel aangevoerde bepalingen en beginselen verplichten haar geenszins ertoe om dit in het lang en het breed uit te leggen.
  17. Het middel wordt verworpen. IX-9672-5/9 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  18. Het derde middel is genomen “uit de schending van de algeme- ne beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel, inzonderheid de behoorlijke en correcte feitenvinding, de deskundige voorlich- ting en de informatieplicht en de volledigheid van het dossier, doordat de bestre- den beslissing niet gebaseerd is op een behoorlijke en correcte feitenvinding en dus gebaseerd is op lasterlijke onwaarheden”. De stad Aalst vond het onnodig de evaluaties nader te bekijken, laat staan te analyseren. Het college van burgemeester en schepenen ging zonder meer akkoord met het feit dat er twee opeenvolgende evaluaties „onvoldoende‟ waren en sloot zich hier blindelings bij aan om te besluiten tot het ontslag van verzoeker. Beoordeling
  19. De verwerende partij heeft correct vastgesteld dat verzoeker twee opeenvolgende evaluaties „onvoldoende‟ heeft gekregen. Tegen de eerste is verzoeker niet in beroep gegaan. De tweede is door het college van beroep beves- tigd. Het college van burgemeester en schepenen is niet bevoegd om deze evalua- ties te heroverwegen. Het middel dat van een tegenovergestelde opvatting vertrekt, faalt naar recht. IX-9672-6/9 D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  20. Het vierde middel is genomen uit “de schending van de alge- mene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het recht van verdedi- ging”. Er werd immers nooit enig onderzoek gevoerd naar de evaluaties waarop het college van burgemeester en schepenen zijn beslissing steunt, “waardoor het recht van verdediging van verzoeker duidelijk geschonden is”. Beoordeling
  21. Daargelaten of het recht van verdediging van toepassing is in evaluatieprocedures, faalt dit middel naar recht om dezelfde reden als het derde middel. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
  22. Het vijfde middel is genomen “uit de schending van de alge- mene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de redelijkheidsnorm, in- zonderheid het evenredigheidsbeginsel, doordat geen enkele andere redelijke overheid tot een dergelijke beslissing zou zijn gekomen”. Beoordeling
  23. Redelijkheid vereist ruimte om te beslissen. Nogmaals mag worden herhaald dat de verwerende partij hier over die ruimte niet beschikt en integendeel een gebonden bevoegdheid uitoefent. Dit betekent dat iedere andere redelijk handelende overheid dezelfde beslissing zal nemen en dat zelfs iedere IX-9672-7/9 onredelijk handelende overheid dezelfde beslissing moét nemen – kortom, dat wettelijk geen andere beslissing toelaatbaar is.
  24. Het middel, dat ervan uitgaat dat de verwerende partij over enige beoordelingsvrijheid beschikt, faalt naar recht. V. Rechtsplegingsvergoeding
  25. Verzoeker vraagt om de rechtsplegingsvergoeding te herleiden tot het minimumbedrag van 140 euro. Hij brengt echter geen enkel overtuigings- stuk bij van de “precaire financiële situatie” die hij als verantwoording hiervoor aanvoert, zelfs niet nadat hem hierop is gewezen in het auditoraatsverslag. Het verzoek kan niet worden bijgevallen. BESLISSING
  26. De Raad van State verwerpt het beroep.
  27. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-9672-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen februari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9672-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.787 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.