id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.813 Rolnummer: A. 232834/IX-9839 Zaak: Arrest 249813 - Varia (onderwijs en cultuur) - 10/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-02-10 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-20 00:28 Fiche Arrest nr 249.813 van 10 februari 2021 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 249.813 van 10 februari 2021 in de zaak A. 232.834/IX-9839 In zake: Kathleen COESSENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alexander De Becker kantoor houdend te 1170 Brussel Vorstlaan 90 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de ERASMUSHOGESCHOOL BRUSSEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Steven Van Geeteruyen kantoor houdend te 3700 Tongeren Piepelpoel 13 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 3 februari 2021, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het college van bestuur van de Erasmushogeschool Brussel van 27 januari 2021 waarbij gedurende een termijn eindigend op 30 september 2021 de beslissingen van de directeur van de School of Arts - Koninklijk Conservatorium Brussel afhankelijk worden gemaakt van hetzij het voorafgaande advies hetzij de voorafgaande instemming van de door het college van bestuur aangewezen opdrachthouder en van de impliciete weigeringsbeslissing om Kathleen Coessens “haar volwaardig mandaat inclusief alle bevoegdheden als directeur van het Koninklijk Conservatorium Brussel te laten voortzetten” en dit onder verbeurte IX-9839- 1/7 van “een dwangsom van 1500 euro per dag vertraging bij de uitvoering van [het] arrest”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 februari 2021, om 14.00 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Alexander de Becker, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Steven Van Geeteruyen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoekster is directeur van het Koninklijk Conservatorium Brussel, een School of Arts van de Erasmushogeschool Brussel. Zij wordt op 27 oktober 2020 door het college van bestuur van de Erasmushogeschool ontslagen om dringende redenen. Dit ontslag wordt door het college van beroep inzake tucht op 30 november 2020 ongegrond verklaard. IX-9839- 2/7 Op 1 december 2020 beslist de voorzitter van het college van bestuur ter uitvoering van artikel 30, tweede lid, 3°, van het bijzonder decreet van 13 juli 2012 ‘houdende regeling van de bestuurlijke organisatie en werking van sommige publiekrechtelijke hogescholen’ (“bijzonder hogescholendecreet”) de toewijzing van bevoegdheden aan verzoekster als directeur met onmiddellijke ingang op te heffen. Op 9 december 2020 hervormt het college van bestuur deze maatregel. Met toepassing nu van artikel 30, tweede lid, 4°, van het bijzonder hogescholendecreet worden de beslissingen van verzoekster gedurende een termijn eindigend op 30 september 2021 afhankelijk gemaakt van hetzij het voorafgaand advies, hetzij de voorafgaande instemming van de door het college van bestuur aangewezen opdrachthouder. Verzoekster dient bij het college van beroep inzake tucht tegen de beslissingen van 1 december en 9 december 2020 afzonderlijk beroep in. Het college van beroep inzake tucht verklaart op 26 januari 2021 de beroepen gegrond en het vernietigt de opheffing van de bevoegdheden van verzoekster, opgelegd door de voorzitter van het college van bestuur en de beperking van de bevoegdheden, opgelegd door het college van bestuur. Het college van bestuur beslist op 27 januari 2021 opnieuw dat de beslissingen van verzoekster gedurende een termijn eindigend op 30 september 2021 afhankelijk worden gemaakt van hetzij het voorafgaand advies, hetzij de voorafgaande instemming van de door het college van bestuur aangewezen opdrachthouder. IV. Ontvankelijkheid van de vordering
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zouden alleen nodig zijn indien IX-9839- 3/7 de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting door verzoekster
- In het inleidend verzoekschrift geeft verzoekster de volgende uiteenzetting van de “spoedeisendheid”: “Verzoekster heeft sinds het definitief onwettig bevonden ontslag om dringende reden haar mandaat als directeur van het Koninklijk Conservatorium Brussel niet meer kunnen opnemen door alle beslissingen van verwerende partij. Nochtans had het college van beroep inzake tucht expliciet geoordeeld dat verzoekster geen preventieve schorsing mocht worden opgelegd. De dag na die beslissing ontnam de voorzitter van het college van bestuur bij spoedeisendheid (op 1 december 2020) haar bevoegdheden als directeur. Op 9 december 2020 werd verzoekster eigenlijk onder curatele geplaatst bij beslissing van het college van bestuur. Verzoekster vocht deze twee verkapte tuchtstraffen aan bij het college van beroep inzake tucht dat beide beslissingen vernietigde op 26 januari
- De dag erna neemt het college van bestuur de totaal onwettige bestreden beslissing die zij via aangetekend schrijven op 1 februari 2021 bekendmaakt en via e-mail op 30 januari
- Het mandaat van verzoekster als directeur van het Koninklijk Conservatorium Brussel loopt af op 30 september
- Een gewone schorsingsprocedure opstarten impliceert het risico dat verzoekster haar mandaat niet meer kan uitvoeren en dat de onwettige beslissing dus ten IX-9839- 4/7 volle haar effect bereikt. Daarom alleen al is een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid nodig. Bovendien legt verwerende partij nu voor de tweede maal een beslissing van het college van beroep inzake tucht naast zich neer. Het college van beroep inzake tucht heeft duidelijk aangegeven dat de rechtsbescherming van een personeelslid (inzake tucht) niet ontweken kan worden door oneigenlijk gebruik te maken van artikel 30 van het Bijzonder Decreet van 13 juli
- Eén dag na die uitspraak legt het college van bestuur die uitspraak naast zich neer. Dat is hetzelfde als ze de eerste keer gedaan hebben. Verwerende partij aanvaardt geen uitspraak van haar college van beroep inzake tucht. Nochtans is het voordeel dat procedures dan sneller afgehandeld kunnen worden. Doordat het college van bestuur van verwerende partij die uitspraken steeds negeert, verloopt de tijd van het mandaat van verzoekster. Dat is precies wat verwerende partij wenst. Dit kan alleen worden gebroken door een schorsing in uiterst dringende noodzakelijkheid. Met andere woorden om het rechtsherstel van verzoekster nog te garanderen, met name dat zij haar mandaat als directeur nog kan opnemen (hetgeen de wens van heel veel leden van het Conservatorium is), is een beslissing in uiterst dringende noodzakelijkheid noodzakelijk. Bovendien leidt het imago van verzoekster zwaar onder de continue (en onterechte) beslissingen van de verwerende partij. Verzoekster is lid van de raad van bestuur van de Koningin Elisabethwedstrijd (stuk 37), ze is jurylid voor de kunsten van de stichting Vocatio (stuk 38), jurylid van de International Music Competiton Triomphe de l’Art (stuk 39) en lid van PEEK (de Oostenrijkse tegenhanger van het FWO – stuk 40). Ze is tevens doctor in de filosof[i]e en heeft tal van wetenschappelijke publicaties op haar naam staan. Zij heeft dus een uitstekende reputatie opgebouwd die nu vernield wordt doordat zij eerst (onterecht) om dringende reden is ontslagen waarna haar mandaat als directeur eerst inhoudsloos werd gemaakt en daarna onder curatele werd geplaatst. De verwerende partij heeft daarover ook met de pers gecommuniceerd. Bovenal blijkt dat de verwerende partij binnen de muren van de Erasmushogeschool Brussel de reputatie van verzoekster besmeurt. Zo vertelde de algemeen directeur aan de Raad van de School of Arts (zonder dat verzoekster op deze raad was uitgenodigd terwijl ze er wel lid van is) dat alle procedures juridisch correct zijn verlopen. Dit is een loopje nemen met de werkelijkheid gezien de eerdere uitspraken. Bovendien verkondigt zij blijkbaar dat verzoekster veel steken heeft laten vallen terwijl dat niet blijkt uit enige eerdere evaluatie dan wel uit de gevoerde procedures. De rest van de notulen van het college van bestuur dd. 15 december 2020 geeft niettemin aan in welke mate het college van bestuur van verwerende partij de reputatie van verzoekster (die veel steun geniet) daadwerkelijk wenst te schaden (stuk 34). Zij vinden de daden van diegenen die haar steunen walgelijk en vinden de petitie van bedroevend en beschamend niveau. Om die teneur te breken, komt een schorsing te laat. Het imago van verzoekster wordt elke dag opnieuw besmeurd door de verwerende partij binnen de muren van de instelling. Alleen een schorsing in uiterst dringende noodzakelijkheid kan het verlies IX-9839- 5/7 van haar sociale positie bewerkstelligen. Ze krijgt reeds e-mails of ze nog directeur van het Conservatorium is van externe partners die haar als expert steeds genegen zijn geweest, zoals Vocatio (stuk 41). Verzoekster is ook ziek geworden door de situatie die door het college van bestuur is gecreëerd. Haar positie is totaal onduidelijk. Als zij terugkomt op de werkvloer, is zij een geamputeerde directeur die eigenlijk haar functie niet meer kan uitoefenen. Om die reden heeft verzoekster het werk nog niet kunnen hervatten. Nochtans wil zij haar plan om het Koninklijk Conservatorium Brussel een parel aan de kunstkroon te laten blijven, kunnen voortzetten tijdens haar mandaat. Uit de reacties van de docenten, de studenten en de buitenwereld blijkt hoe zeer haar werk gewaardeerd wordt zodat enkel via een schorsing in uiterst dringende noodzakelijkheid er opnieuw een leider op het thans stuurloze schip van het Koninklijk Conservatorium Brussel kan staan. Om die redenen is een schorsing in uiterst dringende noodzakelijkheid nodig.” Beoordeling
- Voor zover verzoekster uiteenzet dat zij onterecht ontslagen is, dat zij haar mandaat niet meer heeft kunnen opnemen, dat zij hierdoor imago- schade ondervindt in het Conservatorium en bij de buitenwacht en dat zij er ziek van is geworden, beschrijft zij allerhande gevolgen die verband houden met de beslissingen van 27 oktober, 1 december en 9 december 2020, die aan de thans bestreden beslissing zijn voorafgegaan. Ook de notulen van het college van bestuur van 15 december 2020 en de e-mail van Vocatio van 7 januari 2021 zijn uiteraard vreemd aan de huidige beslissing van 27 januari
- De door verzoekster opgesomde nadelen vloeien dus niet voort uit de thans bestreden beslissing.
- De vraag of het college van bestuur onterecht beslissingen naast zich neerlegt, betreft de eventuele gegrondheid van de aangevoerde middelen. Dat staat los van de thans besproken schorsingsvoorwaarde.
- Wat verzoekster ingevolge de beslissing van het college van bestuur van 27 januari 2021 moet ondergaan, is niet dat zij als directeur aan de kant wordt gezet en “haar mandaat niet meer kan uitoefenen”. Een schorsingsarrest heeft verzoekster niet nodig “om het rechtsherstel […] nog te garanderen, met name dat zij haar mandaat als directeur nog kan opnemen”. Zij kán haar mandaat IX-9839- 6/7 nog steeds uitoefenen. Wel moet zij voor haar beslissingen inzake de artistieke, pedagogische en onderzoeksaangelegenheden een voorafgaand advies inwinnen in zoverre ze geen financiële, bestuurlijke of personele impact hebben en een voorafgaande toestemming krijgen voor al haar andere beslissingen. Verzoekster noemt dit een opgelegde “curatele”. Welke zwaarwegende, ernstige schadelijke gevolgen verzoekster evenwel hierdoor zal ondervinden, zodat zij die specifieke maatregel onmogelijk kan lijden voor de resterende duur van haar mandaat – dus gedurende nog zowat een zevental maanden – maakt zij in het inleidend verzoekschrift geenszins concreet. De “spoedeisendheid” – laat staan de uiterst dringende noodzakelijkheid – is met wat zij uiteenzet, niet aangetoond.
- Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien februari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9839- 7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.813 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.