id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.814 Rolnummer: A. 232816/IX-9835 Zaak: Arrest 249814 - Varia (onderwijs en cultuur) - 10/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-02-10 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-20 00:28 Fiche Arrest nr 249.814 van 10 februari 2021 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 249.814 van 10 februari 2021 in de zaak A. 232.816/IX-9835 In zake:
- Bart DE SCHUTTER
- Johan DHONDT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Steven Van Geeteruyen kantoor houdend te 3700 Tongeren Piepelpoel 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de ERASMUSHOGESCHOOL BRUSSEL Tussenkomende partij: Kathleen COESSENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alexander De Becker kantoor houdend te 1170 Brussel Vorstlaan 90 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 1 februari 2021, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het college van beroep inzake tucht van de Erasmushogeschool van 26 januari 2021 waarbij uitspraak wordt gedaan over het beroep ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter van het college van bestuur van 1 december 2020 en de beslissing van het college van bestuur van 9 december
- IX-9835- 1/6 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend. Met een verzoekschrift van 2 februari 2021 heeft Kathleen Coessens gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 februari 2021, om 14.00 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Steven Van Geeteruyen, die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Alexander De Becker, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Huidig geschil heeft in wezen betrekking op de tussenkomende partij, directeur van het Koninklijk Conservatorium Brussel, een School of Arts van de Erasmushogeschool Brussel. IX-9835- 2/6 Zij wordt op 27 oktober 2020 door het college van bestuur van de Erasmushogeschool ontslagen om dringende redenen. Dit ontslag wordt door het college van beroep inzake tucht op 30 november 2020 ongegrond verklaard. Op 1 december 2020 beslist eerste verzoeker, voorzitter van het college van bestuur van de Erasmushogeschool, ter uitvoering van artikel 30, tweede lid, 3°, van het bijzonder decreet van 13 juli 2012 ‘houdende regeling van de bestuurlijke organisatie en werking van sommige publiekrechtelijke hogescholen’ (“bijzonder hogescholendecreet”) de toewijzing van bevoegdheden aan de tussenkomende partij als directeur met onmiddellijke ingang op te heffen. Op 9 december 2020 hervormt het college van bestuur deze maatregel. Met toepassing nu van artikel 30, tweede lid, 4°, van het bijzonder hogescholendecreet worden de beslissingen van de tussenkomende partij gedurende een termijn eindigend op 30 september 2021 afhankelijk gemaakt van hetzij het voorafgaand advies, hetzij de voorafgaande instemming van de door het college van bestuur aangewezen opdrachthouder. De tussenkomende partij dient bij het college van beroep inzake tucht tegen de beslissingen van 1 december en 9 december 2020 afzonderlijk beroep in. Het college van beroep inzake tucht verklaart op 26 januari 2021 de beroepen gegrond en het vernietigt de opheffing van de bevoegdheden van de tussenkomende partij, opgelegd door de voorzitter van het college van bestuur en de beperking van de bevoegdheden, opgelegd door het college van bestuur. Het college van bestuur beslist op 27 januari 2021 opnieuw dat de beslissingen van de tussenkomende partij gedurende een termijn eindigend op 30 september 2021 afhankelijk worden gemaakt van hetzij het voorafgaand advies, hetzij de voorafgaande instemming van de door het college van bestuur aangewezen opdrachthouder. IX-9835- 3/6 IV. Tussenkomst
- Kathleen Coessens heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg moet haar verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd. V. Ontvankelijkheid van de vordering
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de tussenkomende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VII. Uiterst dringende noodzakelijkheid
- Verzoekers, respectievelijk voorzitter en lid van het college van bestuur van de Erasmushogeschool Brussel, beroepen zich op een functioneel belang, omdat zij “opkomen tegen een beslissing die is genomen door een daartoe onbevoegd orgaan waardoor de bevoegdheid van het College van Bestuur wordt miskend”. Door de gevorderde schorsing, zo betogen zij, “wordt deze bevoegdheidsaantasting ongedaan gemaakt en wordt een einde gesteld aan de onrechtmatige toestand”. IX-9835- 4/6 Zij beroepen zich, met andere woorden, niet op het belang om de prerogatieven veilig te stellen van hun persoonlijk mandaat als lid van het college van bestuur, maar wel de prerogatieven van het college van bestuur, orgaan waarvan zij deel uitmaken en waarvan zij de bevoegdheden miskend weten.
- Eerste verzoeker lijkt er in het verzoekschrift geen aanstoot aan te nemen, dat het college van bestuur op 9 december 2020 zijn beslissing van 1 december 2020 heeft hervormd. Hij heeft die hervorming op het eerste gezicht niet aangevochten, zodat de schorsing van de latere nietigverklaring van zijn beslissing hem geen dadelijk voordeel lijkt op te leveren. Eerste verzoeker beroept zich in huidige zaak daarenboven niet op zijn functioneel belang om als voorzitter bepaalde maatregelen te mogen treffen. Tweede verzoeker kan zich als lid van het college van bestuur uiteraard niet beroepen op enig functioneel belang dat met het prerogatief van de voorzitter verband houdt. Zonder dat moet worden onderzocht of verzoekers rechtens belang hebben om de nietigverklaring te vorderen van de vernietiging van de beslissing van 1 december 2020, mag mede in acht nemend wat volgt sub 9, worden vastgesteld dat zij een schorsing ervan niet kunnen verantwoorden.
- Het college van bestuur heeft voorts geen arrest van de Raad van State nodig gehad om de gevolgen van de thans bestreden beslissing te pareren. Reeds op 27 januari 2021, dus vóór verzoekers de huidige zaak bij de Raad van State inleidden, heeft het college van bestuur immers de maatregel hernomen, waartoe het reeds op 9 december 2020 heeft beslist. Als voorzitter en lid van het college van bestuur konden verzoekers hiervan niet onwetend zijn.
- Een schorsingsarrest heeft slechts effecten voor de toekomst. Op het ogenblik waarop verzoekers de Raad van State vragen om hun zaak met IX-9835- 5/6 voorrang op alle andere zaken te onderzoeken, waren de nadelen waarover zij zich beklagen reeds verholpen en was de status quo ante hersteld. Overigens heeft de Raad van State bij arrest nr. 249.813 van heden een vordering tot schorsing van de beslissing van 27 januari 2021 verworpen.
- Er is hoegenaamd geen sprake van enige uiterst dringende noodzakelijkheid. BESLISSING
- Het verzoek van Kathleen Coessens tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
- De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien februari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9835- 6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.814 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.079 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.