← België

Arrest 249838 - Politie - 15/02/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.838 Rolnummer: A. 225556/XIV-37765 Zaak: Arrest 249838 - Politie - 15/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-12 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-20 00:32 Fiche Arrest nr 249.838 van 15 februari 2021 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 249.838 van 15 februari 2021 in de zaak A. 225.556/XIV-37.765 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Siegfried De Mulder kantoor houdend te 1730 Asse Stationsstraat 35/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5401WOKRA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Greef kantoor houdend te 1700 Dilbeek Eikelenberg 20 bijwie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 21 juni 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het politiecollege van de lokale politiezone WOKRA van 31 mei 2018 waarbij aan verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam is opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 242.531 van 4 oktober 2018 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. XIV-37.765-1/16 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 november 2020 om 15.00 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dieter Vanlierdinghe, die loco advocaat Siegfried De Mulder, verschijnt voor verzoeker, en advocaat Dirk De Greef, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 242.531 van 4 oktober
  5. Er wordt naar verwezen. XIV-37.765-2/16 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  6. Verzoeker voert in het eerste middel in het verzoekschrift de schending aan van de formele- en materiëlemotiveringsplicht, het onzorgvuldig handelen van de tuchtoverheid en de schending van het vermoeden van onschuld. Verzoeker acht die bepalingen en beginselen geschonden doordat de verwerende partij meent dat de staat van dronkenschap aan hem kan worden toegerekend op basis van hoofdzakelijk de volgende elementen: -de verklaringen van de korpschef; -de verklaringen van hoofdinspecteur van politie P.; -de getuigenissen van collega’s ter plaatse; - de tijdsduur van de verplaatsing van de themadag naar het commissariaat, terwijl, volgens verzoeker, deze elementen echter noch ondubbelzinnig, noch objectief vaststaand zijn. Verzoeker bekritiseert vervolgens elk van de voornoemde elementen. De verklaring van de korpschef omschrijft een “wankele tred”, evenals een “plakkerige mond” en “moeilijkheden met praten”. Volgens verzoeker moet worden vastgesteld dat

(1)een medische reden werd bewezen voor de “wankele tred” van verzoeker, met name het rugletsel waarvoor hij werd geopereerd;
(2)de “moeilijkheden met praten” worden verklaard door de “plakkerige mond” hetgeen kan worden verklaard door enerzijds het bewezen gebruik van medicatie door verzoeker voor zijn rugpijn en anderzijds door de verplaatsing van ongeveer 30 minuten te voet die verzoeker net achter de rug had. Bovendien is de verklaring van de korpschef niet correct waarin deze aangeeft dat verzoeker en inspecteur van politie B. samen toekwamen, terwijl uit het inleidend XIV-37.765-3/16 verslag blijkt dat inspecteur van politie B. voor verzoeker aankwam op het commissariaat. De verklaring van de korpschef klopt aldus niet. Omwille van het vermoeden van onschuld dienen vaststellingen die niet ondubbelzinnig zijn, in het voordeel van de beklaagde te worden begrepen, minstens kan op basis hiervan niet in rechte een bepaald feit als bewezen worden beschouwd. Volgens verzoeker zijn de door de korpschef gegeven verklaringen niet objectief of doorslaggevend, en op basis van deze verklaringen kan niet rechtsgeldig worden afgeleid dat verzoeker in een staat van dronkenschap zou hebben verkeerd. De verhoren van hoofdinspecteur van politie P. zijn evenmin doorslaggevend. Wat de door deze laatste vastgestelde alcoholgeur betreft, moet worden vastgesteld dat de voornoemde hoofdinspecteur van politie verklaarde dat hij geen alcoholgeur waarnam toen hij verzoeker voor de eerste maal die avond (na zijn terugkeer) tegenkwam. Wanneer hoofdinspecteur van politie P. verzoeker nadien opzocht in zijn voertuig, meldt hij wel een alcoholgeur te hebben waargenomen. Deze chronologie is niet verenigbaar met de hypothese dat verzoeker alcoholische dranken zou hebben genuttigd voor zijn terugkeer naar het commissariaat. De verklaring van hoofdinspecteur van politie P. is wel verenigbaar met de verklaring van verzoeker, waar deze stelt een handontsmettingsmiddel en oogdruppels te hebben gebezigd na zijn terugkeer, dewelke op basis van alcohol (ethanol) zijn gemaakt. Het uitgevoerde experiment bij het herverhoor van verzoeker is niet wetenschappelijk zodat er geen enkel objectief besluit op kan worden gesteund inzake de door de hoofdinspecteur van politie P. waargenomen geur. Omwille van het vermoeden van onschuld dienen vaststellingen die niet ondubbelzinnig zijn, in het voordeel van de beklaagde te worden begrepen, minstens kan op basis hiervan niet in rechte een bepaald feit als bewezen worden beschouwd en zijn de door hoofdinspecteur van politie P. gegeven verklaringen en het “experiment” van de vooronderzoeker niet objectief of doorslaggevend. Hieruit kan niet rechtsgeldig worden afgeleid dat verzoeker in een staat van dronkenschap zou hebben verkeerd. XIV-37.765-4/16 De getuigenissen van collega’s zijn evenmin doorslaggevend, noch geven deze uitsluitsel. Immers, verschillende collega’s gaven aan dat er door hen geen tekenen van alcoholgebruik werden waargenomen of geven verklaringen die bepaalde van deze elementen, die volgens de tuchtoverheid op een staat van dronkenschap zouden duiden, weerleggen dan wel verklaringen die tegenstrijdig zijn met elkaar. Zoals de tuchtoverheid zelf aangeeft betreft het politieambtenaren die de nodige knowhow en ervaring hebben inzake herkenning van tekenen van dronkenschap. Ondanks deze expertise kan uit deze verschillende verhoren niet anders dan worden vastgesteld dat zij allesbehalve ondubbelzinnige vaststellingen bevatten, en dat men niet met zekerheid kan zeggen dat verzoeker in een staat van dronkenschap verkeerde. Bovendien was inspecteur van politie B de hele dag samen met verzoeker aanwezig op de themadag en kwamen zij samen terug naar het commissariaat, en wordt door de voornoemde inspecteur van politie ondubbelzinnig gesteld dat geen alcoholische dranken werden genuttigd. De door de collega’s van verzoeker gegeven verklaringen zijn aldus niet objectief ondubbelzinnig of doorslaggevend, en zijn tegenstrijdig, zodat hieruit niet rechtsgeldig afgeleid kan worden dat verzoeker in een staat van dronkenschap zou hebben verkeerd. Dat de reisduur voor de terugkeer van de studiedag drie uur in beslag nam waardoor alcoholmisbruik niet uitgesloten is, kan volgens verzoeker onmogelijk als een element à charge van verzoeker gelden, nu de tuchtoverheid aangeeft dat deze tijdsduur niets uitsluit, en dus ook niets bewijst. Verzoeker heeft daaromtrent uitleg gegeven tijdens het vooronderzoek, hetgeen ook werd bevestigd door de verklaring van inspecteur van politie B. Ook dit element is derhalve allesbehalve vaststaand of doorslaggevend en op basis hiervan kan niet rechtsgeldig afgeleid worden dat verzoeker in een staat van dronkenschap zou hebben verkeerd. De tuchtoverheid meent dat verzoekers verklaringen en argumenten niet geloofwaardig zijn. In zoverre de tuchtoverheid verzoekers verklaring inzake de “wankele gang” niet geloofwaardig acht omdat hij die dan XIV-37.765-5/16 iedere dag zou moeten vertonen, gaat de tuchtoverheid voorbij aan de verklaring van verzoeker dat hij de avond voordien zich aan de rug heeft bezeerd. In die omstandigheden zou het rugletsel van verzoeker wel degelijk erger zijn dan op andere dagen, en dus een meer wankele gang dan op andere dagen veroorzaken. De medische problematiek aan zijn onderrug werd omstandig toegelicht door diens arts waarbij verzoeker verwijst naar de in het dossier aanwezige attesten en naar de medische verslaggeving rond zijn rugproblematiek. Dat hij geen ziekteverlof nam - wat maakt dat het ongeloofwaardig is dat hij zich de avond voordien zou hebben bezeerd - houdt geen steek: het is niet omdat hij zich bezeert dat verzoeker per definitie ziekteverlof dient op te nemen. Het is integendeel volgens verzoeker bijzonder lovenswaardig dat hij zich, ondanks zijn pijn, toch uit plichtbewustzijn aanmeldde voor dienst. Om diezelfde reden is het ook perfect plausibel dat er medicatie werd genomen die verzoeker nog van vroegere voorschriften in huis had. Omwille van het vermoeden van onschuld dienen vaststellingen die niet ondubbelzinnig zijn, in het voordeel van de beklaagde te worden begrepen, minstens kan op basis hiervan niet in rechte een bepaald feit als bewezen worden beschouwd. Het feit dat verzoeker geen ziekteverlof nam, weerlegt derhalve niet de door verzoeker aangebrachte elementen inzake zijn rugletsel, noch maakt het deze ongeloofwaardig, noch vormt dit een basis om te besluiten dat hij zich in een staat van kennelijke dronkenschap zou hebben bevonden. In zoverre de tuchtoverheid ter verantwoording nog verwijst naar enkele “bizarre” gedragingen van verzoeker, doet verzoeker gelden dat: - het feit dat hij plaatsnam op de passagierszetel van zijn voertuig het gevolg is van het telefonisch overleg dat hij nog had met zijn vertrouwenspersoon; - hij er niet “stiekem” vandoor ging. Het is niet omdat niemand hem zag vertrekken, dat dit “stiekem” was. Aldus wordt een intentie toegeschreven aan verzoeker die objectief noch bewezen is; -het feit dat hij zelf een ademtest voorstelde hem niet kan worden toegerekend. Het is niet aan verzoeker om zijn onschuld te bewijzen en het feit dat dit wordt aangewend als argument à charge, is een schending van het vermoeden van onschuld; XIV-37.765-6/16 -het feit dat hij geen transport vroeg van de bushalte naar het commissariaat wordt verklaard doordat er, anders dan ’s ochtends, geen noodzaak was om snel ter plaatse te zijn. Het betreffen derhalve helemaal geen “bizarre gedragingen”. Verzoeker concludeert dat uit het voorgaande blijkt dat de door de tuchtoverheid in haar motivering aangegeven elementen inzake de verklaringen van de korpschef, de verklaringen van hoofdinspecteur van politie P, de getuigenissen van collega’s ter plaatse en de tijdsduur van verplaatsing van de themadag naar het commissariaat, geen elementen zijn waaruit het bestaan van enig alcoholmisbruik of kennelijke dronkenschap ondubbelzinnig blijkt, en die in rechte kunnen dienen ter verantwoording van de bestreden beslissing.
  1. In de memorie van wederantwoord herneemt verzoeker het middel en benadrukt dat het voorliggende beroep geen tweede aanleg betreft. In de laatste memorie benadrukt verzoeker dat ook vermoedens moeten gebaseerd zijn op de juiste feitelijke gegevens en een concrete beoordeling ervan. Hij stelt dat de aangehaalde grondslagen van de bestreden beslissing geen objectieve vaststellingen zijn en niet ondubbelzinnig en zelfs tegenstrijdig zijn. Meer geloof hechten aan verklaringen die de tuchtrechtelijke tenlastelegging ondersteunen (tekenen van dronkenschap) dan aan verklaringen die de onschuld van verzoeker bewijzen, is een schending van het vermoeden van onschuld. Beoordeling
  2. In het middel wordt in essentie aangevoerd dat de motieven waarop de bestreden beslissing steunt, niet ondubbelzinnig en objectief vaststaand zijn, waardoor de formele- en materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het vermoeden van onschuld zijn geschonden. Het middel wordt, zoals het auditoraat het ook deed, vanuit dit oogpunt onderzocht. XIV-37.765-7/16
  3. Na te hebben gesteld dat de tuchtoverheid zich voor het bewijs van de feiten ook kan steunen op vermoedens die gewichtig, bepaald en met elkaar overeenstemmend zijn en dat het de Raad van State niet toekomt om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de feiten, besluit het auditoraat tot de ongegrondheid van het eerste middel op grond van de volgende overwegingen zoals die blijken uit het navolgend uittreksel uit zijn verslag: “1.3.3 De verzoeker ontwikkelt het middel hier door een aantal elementen uit de (omstandige) motivering te halen die niet ondubbelzinnig en objectief aantonen dat verzoeker in staat van dronkenschap was, waarbij andere elementen, waarop de bestreden beslissing eveneens gesteund wordt, buiten beschouwing gelaten worden. De loutere vaststelling dat de door verzoeker bekritiseerde elementen niet ondubbelzinnig en objectief de staat van dronkenschap aantonen laat in die context niet toe te besluiten dat de door verzoeker aangehaalde beginselen geschonden zijn. Daartoe moet de motivering in haar geheel beoordeeld worden. 1.3.4 In de motivering van de bestreden beslissing wordt het volgende gesteld: ‘[9.2.][…] [Verzoeker] werd in staat van dronkenschap tijdens de dienst bevonden door [de korpschef], die die staat duidelijk omschrijft in zijn informatieverslag van 30.11.
  4. Een alcoholgeur kon hij niet waarnemen daar laatstvernoemde verkouden was, met verstopte neus. Een alcoholgeur werd wel waargenomen door HINP [P.], toen hij [verzoeker] aansprak toen die op de passagierszetel van zijn persoonlijk voertuig zat. Meerdere collega’s beschrijven tijdens hun verhoor tekenen van dronkenschap, terwijl anderen niets hebben gezien, konden of ‘wilden’ zien ([verzoeker] is hun meerdere). Een belangrijk gegeven is dat [verzoeker] aan 2 collega’s op het ogenblik van de feiten heeft verklaard ‘maar twee pintjes te hebben gedronken’. Dit geeft aan dat hij die dag weldegelijk alcohol heeft gedronken. De vaststellingen in dit dossier geschiedden door politiemensen die ingevolge hun opleiding en jarenlange ervaring als ‘deskundig’ inzake het vaststellen van (openbare) dronkenschap mogen worden beschouwd. De abnormaal lange tijdsduur van de terugreis naar het commissariaat (zijnde drie keer zo lang als de heenreis) sluit alcoholmisbruik niet uit. Een ademtest werd niet afgenomen omdat de vaststeller ([de korpschef]) niet bevoegd is als tuchtoverheid in dit dossier (lastens een commissaris). Alleen de tuchtoverheid (in casu het politiecollege) kan de politieambtenaar aanwijzen die de ademtest uitvoert in geval een personeelslid duidelijke tekenen van alcoholintoxicatie vertoont en de [korpschef] kon de burgemeester niet onmiddellijk bereiken. De argumenten die [verzoeker] aangeeft tijdens zijn verhoor (2 verklaringen), worden niet weerhouden omdat ze ongeloofwaardig overkomen en niet voldoende gestaafd werden. Motivering [Verzoeker] schrijft zijn wankele of onstabiele gang (van 17.11.2017) toe aan een rugoperatie, doch het is niet aannemelijk dat die ingreep enkel invloed kan hebben gehad op 17.11.
  5. M.a.w.: indien dergelijke ingreep de manier van voortbewegen van betrokkene op een bepaalde wijze beïnvloedt, dan zal dat alle XIV-37.765-8/16 dagen zo zijn en niet op één welbepaalde dag. [De korpschef] meldt trouwens tijdens zijn verhoor dat hij betrokkene nooit eerder in dergelijke toestand heeft gezien. [Verzoeker] beweert dat zijn toestand te wijten zou zijn aan medicatie die hij dd 17.11.2017 heeft genomen ingevolge het feit dat hij zich de avond voordien bezeerde bij het verplaatsen van een zwaar meubel. Dit gaf evenwel geen aanleiding tot enig ziekteverzuim. [Verzoeker] overhandigde de vooronderzoeker slechts 1 medisch attest, dat niet gedagtekend is en waarin de medicatie die hij zou hebben genomen niet bij naam wordt vernoemd. Drie door hem vernoemde geneesmiddelen behoeven een medisch voorschrift, doch [verzoeker] kon geen medisch voorschrift voorleggen en stelde constant over die medicatie te beschikken. [Verzoeker] verzocht de vooronderzoeker om medische info hem aangaande te raadplegen bij verschillende geneesheren, doch toen hijzelf verzocht werd om die info aan te leveren, ging hij daar niet op in. De alcoholgeur die hoofdinspecteur [P.] waarnam toen [verzoeker] in zijn persoonlijk voertuig zat, schrijft laatstvernoemde toe aan het gebruik van [S.] (handontsmettingsvloeistof op basis van alcohol) en van een homeopathisch genees-middel [C.] (eveneens op basis van alcohol). De vooronderzoeker voerde een geurtest uit met beide produkten doch HINP [P.] associeerde de geuren van [S.] en [C.] niet met de dd 17.11.2017 waargenomen alcoholgeur. En tenslotte zijn er nog enkele bizarre gedragingen/beslissingen van wege [verzoeker] : o Waarom nam hij - na interpellatie door de [korpschef] - plaats op de passagierszetel van zijn persoonlijk voertuig ? Mogelijks om te verhinderen dat men hem ‘aanstalten maken tot sturen in dronken toestand’ zou verwijten. o Waarom ging hij er na de feiten ‘stiekem’ vandoor? o Waarom stelde hij zelf niet voor om een blaastest af te leveren indien zijn toestand alleen aan medische oorzaken (inname medicatie) zou te wijten zijn? o Indien hij toch zoveel last/pijn had van zijn rug, waarom deed hij geen beroep op een collega om hem en collega [B.] te komen ophalen aan metrostation Kraaiem en om zich zodoende een bustraject en een pijnlijke wandeling van de Gergelstraat tot aan het commissariaat te besparen? Diezelfde ochtend deed hij nl. wel beroep op een collega voor het vervoer naar voornoemd metrostation.” In repliek op het verweerschrift van de verzoeker wordt in de motivering van de bestreden beslissing ook nog gesteld: “10.
  6. [Verzoeker] verwijt de tuchtoverheid vooreerst dat geen alcoholtest werd afgenomen zoals voorzien in de bestaande wetgeving. Uit het verhoor van [de korpschef] blijkt dat dit op het moment van de feiten onmogelijk was aangezien deze geen tuchtoverheid is voor officieren en de burgemeester niet onmiddellijk kon worden bereikt. Tevens blijkt noch uit het informatierapport van de korpschef noch uit het eerste verhoor van [verzoeker] dat deze laatste zelf zou hebben aangeboden een alcoholtest uit te voeren. Het bewijs van dronkenschap of van het nuttigen van alcoholische dranken kan ook uit getuigenissen en vermoedens afgeleid worden. De enkele vaststelling dat het bewijs van de voorliggende tenlastelegging niet gebaseerd is op een ademtest volstaat niet om te besluiten dat het aan betrokkene ten laste gelegde tuchtvergrijp niet deugdelijk is bewezen. In casu bleek uit verschillende getuigenverklaringen dat betrokkene tekenen van dronkenschap vertoonde (alcoholgeur, er scheelde iets aan zijn spraak, sprak met XIV-37.765-9/16 dubbele tong, lallen, was ‘brutaal en agressief’, zeer onstabiele en wankele tred, ...). Daarbij is zeer belangrijk dat betrokkene aan 2 collega's op het ogenblik van de feiten heeft verklaard ‘maar twee pintjes te hebben gedronken’ hetgeen aangeeft dat hij wel degelijk alcohol heeft gedronken. De term ‘pintjes’ slaat duidelijk op bier en niet op limonade zoals thans achteraf in het verweerschrift wordt gesteld. De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire bevoegdheid zowel op het vlak van de bewezen verklaring als op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de feiten. De overeenkomende getuigenissen en overtuigingen hebben de tuchtoverheid toegelaten om de aan betrokkene verweten feiten als vaststaand te beschouwen. 10.
  7. Wat de medische uitleg (ruglijden) betreft die werd geleverd door het personeelslid, zou dit weliswaar de waggelende trend kunnen verklaren, doch dit gegeven doet geen afbreuk aan de inhoud van de getuigenverklaringen, met bekentenis van drankconsumptie aan 2 collega's en de vermoedens die de ten laste gelegde feiten vaststaand maken. In randnummer 9.
  8. werd daarenboven omstandig gemotiveerd waarom het niet aannemelijk is dat de rugoperatie zijn wankele of onstabiele gang op 17/11/2017 kan verklaren en onvoldoende werd gestaafd. Tevens werd omstandig gemotiveerd en onderzocht dat de waargenomen alcoholgeur zijn oorzaak niet kan vinden in het gebruik van [S.] (handontsmettingsvloeistof op basis van alcohol) of van [C.] (homeopatisch geneesmiddel op basis van alcohol). 10.
  9. Het onderzoek werd wel degelijk gevoerd à charge en à décharge. In de getuigenverklaringen werden zowel de indicaties onderzocht die wijzen op als diegene die niet wijzen op alcoholgebruik op 17/11/2017 door [verzoeker]. Ook de indicaties die kunnen wijzen op een medische oorzaak van de toestand d.d. 17/11/2017 van [verzoeker] werden onderzocht. Aan de bijkomende onderzoeksopdrachten die [verzoeker] heeft gevraagd tijdens zijn verhoor, werd gevolg gegeven, tenzij die niet dienstig waren of te verre gaand, hetgeen gemotiveerd werd. 10.
  10. In zijn memorie weerlegt betrokkene niet afdoende het groot tijdverschil tussen de heenweg naar de studiedag in Brussel en de terugweg naar het politiehuis. De enige gevolgtrekking die daaruit getrokken werd, is dat de tijdspanne gebruik van de terugweg alcoholgebruik niet uitsluit. 10.
  11. Om aan de bepalingen van de tuchtwet te voldoen, moet de opsteller van het inleidend verslag zich uitspreken zowel over het bestaan van de feiten als over hun toerekenbaarheid, hun ernst en hun weerslag op de straf. Door dit te doen, schendt hij geenszins het onpartijdigheidsbeginsel. 10.
  12. De bewering van betrokkene dat delen van het dossier werden gelekt en dat de geheimhoudingsplicht van de beraadslaging werd geschonden, worden betwist en zijn niet bewezen.” “1.3.5 Uit deze motivering blijkt dat - anders dan zoals verzoeker voorhoudt - de feiten ‘hoofdzakelijk’ bewezen geacht worden op grond van
(1)de verklaringen van de korpschef,
(2)de verklaringen van HINP [P.] ,
(3)de getuigenissen van collega’s ter plaatse, en
(4)de tijdsduur van verplaatsing naar het commissariaat. Er is vooreerst het niet onbelangrijk gegeven dat verzoeker op het ogenblik van de feiten aan twee collega’s verklaard heeft “maar twee pintjes te hebben gedronken”. Dit gegeven wordt door verzoeker als dusdanig niet tegengesproken, maar hij zou daarmee bedoeld hebben twee pintjes frisdrank. Bij mijn weten wordt er met betrekking tot frisdrank niet in termen van pintjes gesproken. De tuchtoverheid overschrijdt de grenzen van de redelijkheid niet door aan die uitleg geen geloof te hechten. XIV-37.765-10/16 Anderzijds weerlegt verzoeker met betrekking tot de medische verantwoording van zijn gedragingen, met name door zijn rugletsel, dat ingevolge een voorval daags voordien, erger geworden was, een aantal vaststellingen van de tuchtoverheid niet: -Verzoeker heeft aan de vooronderzoeker één niet gedagtekend medisch attest overhandigd waarin de medicatie die hij genomen heeft op de dag van de feiten niet vermeld worden, hoewel die medicatie slechts op voorschrift verkrijgbaar is. -De vooronderzoeker heeft in opdracht van de tuchtoverheid in het aanvullend onderzoek bij verschillende geneesheren geïnformeerd naar de medische toestand van verzoeker. De vooronderzoeker heeft deze informatie omwille van de privacyregels niet verkregen, maar verzoeker is vervolgens ook niet ingegaan op de vraag van de vooronderzoeker om die gegevens bij te brengen. Dat de tuchtoverheid in die context geen geloof hecht aan het verhaal van de verzoeker dat hij ingevolge een incident daags voordien zich ‘met wankele tred’ bewoog en dat de ‘plakkerige mond’ en ‘de moeilijkheden met praten’ te wijten waren aan de medicatie, is eveneens een oordeel dat de grenzen van de redelijkheid niet overschrijdt. Uit de vaststelling dat de tuchtoverheid tot twee maal toe de vooronderzoeker belast heeft met aanvullend onderzoek, om meer duidelijkheid te krijgen of de medische problematiek de gedragingen van de verzoeker zouden kunnen verantwoorden, toont aan dat zij niet over één nacht ijs is gegaan en wel degelijk de op haar rustende zorgvuldigheidsplicht in acht heeft genomen. Dat er tegenstrijdigheid is tussen de verklaringen van de aanwezige collega’s is correct, maar dit doet geen afbreuk aan de vaststelling dat meerdere collega’s wel degelijk tekenen van alcoholgebruik ontwaard hebben. Het is niet kennelijk onredelijk dat de tuchtoverheid meer geloof hecht aan deze verklaringen dan aan de verklaringen van andere collega’s waarvan verzoeker de overste is. In zoverre de tuchtoverheid ook de tijdsduur van de verplaatsing naar het commissariaat in aanmerking neemt, stelt zij niet dat deze tijdsduur het alcoholgebruik van de verzoeker aantoont. Zij trekt daaruit als enig gevolg dat die tijdspanne het gebruik van alcohol niet uitsluit. Die vaststelling is noch kennelijk onjuist, noch kennelijk onredelijk. In zoverre de tuchtoverheid nog een aantal ‘bizarre’, zeg maar ‘merkwaardige’ gedragingen/beslissingen van verzoeker vaststelt, zijn dit in wezen pertinente vragen waarop zij geen duidelijk antwoord heeft gekregen, zodat deze onduidelijkheid mee in aanmerking genomen kon worden bij haar besluitvorming. 1.3.6 Gelet op het voorgaande meen ik dat de tuchtoverheid op grond van gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens de staat van dronkenschap van verzoeker voor bewezen heeft kunnen houden zonder de grenzen van de redelijkheid van haar discretionaire bevoegdheid te overschrijden.”
  1. Na kennisneming van het verslag, beperkt verzoeker zich tot het stellen dat hij de redenering van het auditoraat niet kan volgen, dat ook vermoedens dienen te worden gebaseerd op de juiste feitelijke gegevens en de beoordeling ervan en tot de blote bewering dat het auditoraat niet ontkracht dat de grondslagen van de bestreden beslissing geen objectieve vaststellingen zijn en niet ondubbelzinnig en zelfs tegenstrijdig zijn. Hiermee doet verzoeker weliswaar blijken van een eigen standpunt omtrent het bestaan van de door de tuchtoverheid in aanmerking genomen vaststellingen waaruit die het bewezen zijn van het aan XIV-37.765-11/16 verzoeker ten laste gelegde tuchtvergrijp afleidt, maar met die onbewezen opwerping toont verzoeker niet aan dat de tuchtoverheid hierbij de grenzen van haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid op het vlak van de bewezen verklaring van de aan verzoeker tenlastegelegde feiten heeft overschreden.
  2. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het eerste middel ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  3. Verzoeker voert in het tweede middel in het verzoekschrift, dat hij herneemt in de memorie van wederantwoord, een “gebrek aan neutraliteit van de tuchtrechtelijke overheid” aan. Verzoeker doet gelden dat uit verschillende elementen van het dossier de vooringenomenheid blijkt van de korpschef, de voorafgaand onderzoeker en het politiecollege. Uit de verklaring van de korpschef blijkt volgens verzoeker dat deze op grond van verzoekers ‘wankele tred’ reeds besloten had dat deze in staat van dronkenschap verkeerde en dat de korpschef nadien geen akte wenste te nemen van mogelijke andere verklaringen. De korpschef heeft verzoeker in maart 2018 in zijn evaluatie een onvoldoende gegeven voor waarden omwille van de tuchtfeiten terwijl die op dat ogenblik nog niet door het politiecollege als bewezen waren bevonden. Daarnaast is het geweten dat de relatief recent aangestelde korpschef geen goede verstandhouding heeft met verzoeker, die via het behalen van een directiebrevet hoopt elders een functie te kunnen opnemen. Uit de vraagstelling van de voorafgaand onderzoeker blijkt vooringenomenheid doordat steevast gevraagd werd of er tekenen van dronkenschap bleken en of er een alcoholgeur kon worden waargenomen, daarbij steeds het standpunt weergevend waar men naar op zoek was. De voorafgaand onderzoeker en ook het politiecollege, wuiven afwijkende of niet-bevestigde verklaringen weg als moedwillig zwijgen van collega’s omdat het een overste XIV-37.765-12/16 betreft en tevens worden de medische verklaringen over het rugletsel als ongeloofwaardig bestempeld zonder dat hiertoe gegronde aanleiding is. Het politiecollege en de voorafgaand onderzoeker omschrijven bepaalde gebeurtenissen als “bizarre gedragingen”, hetgeen niet neutraal is temeer daar er een verklaring tijdens het verhoor werd gegeven voor deze gedragingen. Niettemin blijft men deze tendentieuze vermeldingen opnemen in elk verslag en in de bestreden beslissing, hetgeen vooringenomenheid inhoudt. Verzoeker wordt verweten geen ademtest te hebben voorgesteld, terwijl het niet aan hem is zijn onschuld te bewijzen. Verzoeker had geen bezwaar tegen een ademtest maar de korpschef heeft niet de moeite gedaan de burgemeester te contacteren. Verzoeker besluit dat al deze elementen van een tunnelvisie getuigen en van een gericht zoeken naar elementen à charge zonder daarbij rekening te willen houden met tegenstrijdige verklaringen, medische achtergrond en elementen à décharge. In de laatste memorie herneemt verzoeker het middel en beklemtoont hij dat “het weerhouden van enkel die verklaringen die in de tunnelvisie van de tuchtoverheid passen (die spreken van tekenen van dronkenschap) louter om reden dat ze die beschuldigingen bevestigen […] andermaal duidt op het gebrek aan neutraliteit van de tuchtoverheid, die zowel de elementen à charge als à décharge op gelijkwaardige basis in aanmerking dient te nemen.” Beoordeling
  4. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het tweede middel op grond van de volgende overwegingen zoals die blijken uit het navolgende uittreksel uit zijn verslag: “2.3.1 In dit middel voert de verzoeker in essentie aan dat het onpartijdigheidsbeginsel geschonden werd doordat de korpschef, de vooronderzoeker en het politiecollege zich onvoldoende aan de neutraliteitsplicht gehouden hebben. 2.3.2 Het onpartijdigheidsbeginsel waarborgt, voor zover van toepassing op organen van actief bestuur, zowel de persoonlijke onpartijdigheid als de structurele onpartijdigheid van het orgaan van actief bestuur, op het vlak van het verloop van de XIV-37.765-13/16 procedure en het tot stand komen van haar beslissingen (o.a. RvS, 7 februari 2019, nr. 243.638, ROOSEBROUCK). Verzoeker verduidelijkt hier niet of hij de schending van de subjectieve dan wel de structurele onpartijdigheid beoogt aan te voeren, maar uit de uiteenzetting van het middel lijkt te moeten begrepen worden dat hij de schending van de subjectieve onpartijdigheid beoogt aan te voeren. Subjectieve partijdigheid wordt niet vermoed en kan slechts worden aangenomen indien precieze feiten of concrete aanwijzingen worden bijgebracht die deze partijdigheid aan tonen (o.a. RvS, 24 april 2018, nr. 241.293, VAN GHELEWE). 2.3.3 Verzoeker meent vooreerst de partijdigheid van de korpschef te kunnen aantonen doordat deze louter op basis van het vaststellen van de ‘wankele tred’ reeds besloten heeft dat verzoeker in staat van dronkenschap verkeerde zonder nog akte te willen nemen van andere mogelijke verklaringen voor de ‘wankele tred’. Ten aanzien van deze stelling moet vooreerst vastgesteld worden dat deze verklaring van de korpschef blijkt uit het informatieverslag dat hij opgesteld heeft en dat zij zich dus situeert v r het inleiden van de tuchtprocedure, terwijl de korpschef zelf in deze tuchtprocedure niet meer is tussengekomen vermits de tuchtrechtelijke bevoegdheid enkel bij het politiecollege berust. Voor zover uit de verklaring van de korpschef al een gebrek aan onpartijdigheid zou kunnen afgeleid worden, dan toont de verzoeker niet aan dat deze beweerde partijdigheid heeft doorgewerkt in de besluitvorming door het politiecollege. Verzoeker voert niettemin nog verder aan dat de partijdigheid van de korpschef ook blijkt uit de vaststelling dat hij verzoeker bij de eerstvolgende evaluatie (maart 2018) een onvoldoende gegeven heeft omwille van de tuchtfeiten (stuk 1 verzoeker). Na het wisselen van de memories heeft de verwerende partij in een schrijven van 18 februari 2019 verduidelijkt dat dit slechts een voorstel van evaluatie betrof, en dat er in de definitieve versie, die door verzoeker voor akkoord ondertekend werd, geen verwijzing naar de tuchtfeiten voorkomt. De verwerende partij brengt deze definitieve versie bijgebracht en daaruit blijkt de volgende motivatie: ‘Het eindresultaat is bevredigend. Ik heb echter een onvoldoende gegeven voor waarden met dien verstande dat het hier een probleem is dat enkel verband houdt met zijn leiderschap/voorbeeldfunctie en deze quotering een duidelijke boodschap is en hem hopelijk kan motiveren om daar resoluut iets aan te doen in de volgende evaluatieperiode.’ Dat de verzoeker van de korpschef een onvoldoende heeft gekregen wegens de tuchtfeiten mist derhalve grondslag. Ten slotte voldoet ook de loutere bewering dat het geweten is dat de korpschef geen goede verstandhouding heeft met verzoeker niet aan de vereiste dat de partijdigheid in concreto moet aangetoond worden. 2.3.4 Verzoeker meent verder dat de vooronderzoeker vooringenomen is doordat steevast gevraagd werd of er tekenen van dronkenschap waren en of er een alcoholgeur waargenomen werd. Nu de hamvraag net is of de verzoeker al dan niet dronken was, is het evident dat deze vragen in het kader van het vooronderzoek gesteld werden. Daarbij mag ook niet uit het oog verloren worden dat verzoeker betwistte dat hij dronken was en dat de oorzaak voor zijn gedragingen gelegen was in zijn medische problematiek en de medicatie die hij daarvoor nam. Dit beklemtoont de noodzaak van de vragen naar tekenen van dronkenschap des te meer. 2.3.5 Verzoeker meent de partijdigheid van de vooronderzoeker en het politiecollege ook te kunnen afleiden uit de vaststelling dat de verklaringen van de collega’s die geen tekenen van dronkenschap hebben waargenomen weggewuifd werden omdat verzoeker de overste is van deze collega’s. Bij de beoordeling van het eerste middel werd reeds gesteld dat het niet kennelijk onredelijk is dat de tuchtoverheid meer geloof hecht aan deze verklaringen dan aan XIV-37.765-14/16 de verklaringen van andere collega’s waarvan verzoeker de overste is. Deze loutere vaststelling toont de partijdigheid van de vooronderzoeker en het politiecollege niet aan. Ook inzake het argument dat de medische verklaringen over het rugletsel als ongeloofwaardig bestempeld worden, werd in het eerste middel reeds vastgesteld dat daartoe wel degelijk aanleiding bestond. Evenzo wat betreft de kritiek op de ‘bizarre’ gedragingen/beslissingen. Hieruit kan evenmin de partijdigheid van de vooronderzoeker en/of het politiecollege afgeleid worden. Dat geen ademtest werd afgenomen, heeft de korpschef verklaard door er op te wijzen dat hij niet de bevoegde tuchtoverheid was voor verzoeker en dat hij de burgemeester niet kon bereiken. Het valt niet meteen in te zien hoe hierin een teken van partijdigheid kan gezien worden. Louter volledigheidshalve wordt hier aan toegevoegd dat de staat van dronkenschap in tuchtaangelegenheden niet moet blijken uit een ademtest, maar ook bewezen kan worden op grond van getuigenissen en vermoedens (RvS, 20 april 2017, nr. 237.957, VAN STEENKISTE).”
  5. Verzoeker betwist deze conclusie niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft hij niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Hij verzuimt immers om op de bespreking van het middel in het auditoraatsverslag nog inhoudelijk te reageren en beperkt zich tot het hernemen van wat hij eerder heeft uiteengezet, zonder iets wezenlijks toe te voegen aan zijn standpunt.
  6. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel ongegrond. BESLISSING
  7. De Raad van State verwerpt het beroep.
  8. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  9. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit XIV-37.765-15/16 van verzoeker weggelaten. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien februari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.765-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.838 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.531 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.