id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.861 Rolnummer: A. 225061/XIV-37699 Zaak: Arrest 249861 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 19/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-12 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 00:27 Fiche Arrest nr 249.861 van 19 februari 2021 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 249.861 van 19 februari 2021 in de zaak A. 225.061/XIV-37.699 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Willy Van Der Gucht kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 34-36 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE 5428 GERAARDSBERGEN-LIERDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Clonen en Katrien Crauwels kantoor houdend te 2600 Berchem-Antwerpen Fruithoflaan 124/14 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 26 april 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het politiecollege van de lokale politiezone Geraardsbergen-Lierde van 22 februari 2018 waarbij aan verzoekster de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege is opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. XIV-37.699-1/21 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoekster heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 november
- Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Kennet Geysel, die loco advocaat Willy Van Der Gucht verschijnt voor verzoekster, en advocaat Koen Clonen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is agent van politie bij de lokale politiezone Geraardsbergen-Lierde (PZ 5428). 3.
- Op 26 augustus 2016 zendt het parket van de procureur des Konings van Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde, een afschrift van een strafdossier lastens verzoekster aan de korpschef. 3.
- Op 15 september 2016 stelt de korpschef een voorafgaand onderzoeker aan die wordt belast met “het uitvoeren van een voorafgaand XIV-37.699-2/21 onderzoek ten laste en ten ontlaste met betrekking tot de feiten bedoeld in punt 2 […].” Punt 2 luidt: “
- Uiteenzetting van de feiten Op 12 juni 2016 krijgen wij melding van een verkeersongeval stoffelijke schade met vluchtmisdrijf […]. De heer [X] meldt dat zijn voertuig is aangereden door zijn overbuur. Hij vraagt een ploeg ter plaatse en zal de woonplaats van de bestuurder aanwijzen. De interventieploeg gaat ter plaatse en stelt vast dat de bestuurder die het ongeval heeft veroorzaakt, volgens de omschrijving van de heer [X] mogelijks een collega betreft nl. [verzoekster]. Teneinde de objectiviteit te bewaren wordt de interventieploeg van een omliggende zone (PZ Ninove) gevraagd om de vaststellingen te verrichten. Op datum van 12 augustus 2016 hebben we nog niets vernomen van het Parket met betrekking tot het dossier en de mogelijke betrokkenheid van [verzoekster] en we richten een schrijven tot de Afdelingsprocureur van het Parket Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde. Op 18 augustus 2016 krijgen wij de bevestiging dat er een dossier werd opgesteld lastens [verzoekster] en krijgen wij tevens toestemming om het dossier in te kijken. Op 22 augustus 2016 vragen wij een afschrift dat ons wordt overgemaakt op 26 augustus
- Uit dit dossier blijkt dat [verzoekster] effectief betrokken is in een verkeersongeval met vluchtmisdrijf. Teneinde onze rol als tuchtoverheid te kunnen vervullen, stellen we een vooronderzoeker aan”. 3.
- Op 24 november 2016 maakt de voorafgaand onderzoeker zijn “verslag van voorafgaand onderzoek” over aan de korpschef. Onder de rubriek “opsomming van de uitgevoerde taken en redenen van eventuele niet uitgevoerde taken” stelt het verslag het volgende: “[…]. Op 21.11.2016 om 10.30uur heb ik [verzoekster] verhoord in het kader van huidig tuchtonderzoek. Zij beweerde dat ze op geen enkel moment gevoeld heeft dat ze een aanrijding gehad heeft. Zij verwijst steeds naar het feit dat ze hierover reeds diverse malen verhoord werd. In haar verklaring van 21.11.2016 spreekt zij uitvoerig over het feit dat ze op geen enkel ogenblik ingelicht werd van het feit dat ze zou betrokken geweest zijn in een verkeersongeval met vluchtmisdrijf (tot op het moment dat de PZ Ninove haar uitgenodigd heeft voor verhoor). Op het moment dat ik [verzoekster] meedeel dat ik nog andere vragen heb, deelt ze mij mee dat alles reeds vermeld is in het dossier en dat zij het inleidend verslag wenst af te wachten. Ik heb haar niet confronteren met de verklaring van [X.] die beweert dat [verzoekster] zich op 13.06.2016 (= de dag na de feiten) bij hem aangeboden heeft om zich te verontschuldigen en om te vragen om de zaak onderling te regelen. Een verklaring betreffende de aangifte van verlies van haar rijbewijs kon evenmin besproken worden. […]” XIV-37.699-3/21 Voorts is onder de rubriek “Beoordelingselementen” het volgende te lezen: “Uit de vaststellingen vervat in het proces-verbaal […] blijkt dat [verzoekster] de aanrijding niet ontkent tijdens haar verhoor bij de politie Ninove. Zij verklaart dat ze niets gehoord of gevoeld heeft van de aanrijding. Uit de vaststellingen door de PZ Ninove blijkt de schade aan het aangereden en het aanrijdend voertuig op dezelfde hoogte te zijn. Eon fotodossier werd door hen aangelegd. Het aanrijdend voertuig (eigendom van [verzoekster]) stond ook opvallend schuin in het parkeervak en eveneens links tegenover de rijrichting. PZ Ninove stelt in de vaststellingen van het proces- verbaal dat zij - gelet op de stand van het voertuig van [verzoekster] - vermoeden dat de bestuurder het betrokken voertuig niet meer naar behoren kon besturen. [Verzoekster] beweert dat ze pas wist wat er gaande was toen ze op 15.06.2016 door de politie van Ninove op de hoogte werd gebracht van de feiten. Op 21.06.016, voordat [verzoekster] verhoord werd door de PZ Ninove zegde zij aan de verhoorder van de PZ Ninove dat ze ondertussen bij [X] geweest is en dat ze de zaak onderling wenst te regelen. Op 16.11.2016 heb ik de benadeelde [X] verhoord in het kader van dit voorafgaand onderzoek. [X] verklaarde ons dat onze collega [verzoekster] op 13.06.2016 (de namiddag na de feiten) bij hem thuis is komen aanbellen om zich te excuseren en om te vragen of hij al een verklaring had afgelegd. Ze vroeg tevens om de zaak via een minnelijke schikking of onderlinge regeling af te handelen. [X] zegde dat hij eerst de schade aan zijn wagen wou laten ramen. [Verzoekster] deelde toen mee dat ze later bij hem ging langsgaan om te kijken over welk bedrag het ging, Het feit dat [X] verklaart dat [verzoekster] zich op 13.06.2016 bij hem heeft aangeboden om zich te verontschuldigen en om de zaak onderling af te handelen, betekent dat zij op dat moment wel degelijk op de hoogte was van de feiten. […]. [Verzoekster] kon de eerste uren en dagen na de aanrijding door geen enkele instantie bereikt worden teneinde er vaststellingen te doen: - de buurman kon haar 5 minuten na de aanrijding niet meer contacteren (klopte op de deur zonder gevolg) - de politie van Ninove kon haar tijdens hun vaststellingen van het verkeersongeval niet contacteren (klopte op de deur doch kreeg geen gehoor). In hun proces-verbaal noteren zij: [verzoekster] wenst blijkbaar haar deur niet te openen. - De politie van Ninove klopt op 13.06.2016 om 08.50uur meerdere malen op de voordeur maar er wordt niet geopend. - De politie van Ninove probeerde hierop ter plaatse telefonisch contact op te nemen via haar oproepnummer […] doch komt uit op een antwoordapparaat.” Om te besluiten: “Conclusie: gezien het bovenstaande kunnen wij besluiten dat [verzoekster] op 12.06.2016 met haar voertuig tegen het geparkeerde voertuig van [X] gereden is. Hierna is ze haar woning binnengegaan en opende zij haar deur niet meer […]. De politie van Ninove kon haar bij hun vaststellingen na het ongeval en de dag erna niet bereiken. In hun proces-verbaal spreken de vaststellers dat [verzoekster] haar deur XIV-37.699-4/21 blijkbaar niet wenst te openen. Uit de verklaring van de eigenaar van het aangereden voertuig blijkt dat hij een knal/bonk gehoord heeft en dat de bestuurster de aanrijding zeker gehoord of gevoeld moet hebben. De benadeelde verklaart tevens dat [verzoekster] zich de namiddag na het ongeval bij hem aangeboden heeft om zich te excuseren en om de zaak in der minne te regelen. Het feit dat een aanrijdingsformulier ingevuld werd door beide partijen bewijst dat beide betrokkenen bevestigen betrokken te zijn in een aanrijding.”. 3.
- Op 12 december 2016 beslist de korpschef toepassing te maken van artikel 56, tweede lid, van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet) en stelt hij verzoekster daarvan in kennis. Onder de rubriek “uiteenzetting van de feiten” en “datum van kennisneming van de feiten” is het volgende gesteld: “
- Uiteenzetting van de feiten […] In het kader van het voorafgaand onderzoek onderzoekt [de voorafgaand onderzoeker] de stukken uit het strafdossier. Hij nodigt de verschillende betrokken partijen uit voor verhoor. Op basis van de vaststellingen uit het strafdossier en de verklaringen van [verzoekster] en de verschillende getuigen blijkt evenwel geen eenduidigheid. Om die reden acht ik het aangewezen om een gerechtelijke eindbeslissing in het lopende opsporingsonderzoek af te wachten, onder voorbehoud van nieuwe feiten die mij ter kennis zouden worden gebracht lopende de procedure en die klaarheid zouden kunnen scheppen.
- Datum van kennisgeving van de feiten De feiten bedoeld in punt 2 werden mij ter kennis gebracht op 18 augustus
- Overeenkomstig artikel 56, tweede lid Tuchtwet zal de verjaringstermijn van 6 maanden slechts beginnen lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis wordt gesteld dat de gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is.” 3.
- Met het inleidend verslag van 1 augustus 2017 stelt de hogere tuchtoverheid voor om verzoekster de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. In dit verslag wordt een uiteenzetting gegeven van de feiten, omstandigheden en gevolgen, van de datum van kennisneming van de feiten en van het vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten. Tevens bevat het een voorstel tot zware tuchtstraf, met name de hiervoor reeds aangehaalde tuchtstraf. XIV-37.699-5/21 3.
- Op 12 september 2017 stelt de hogere tuchtoverheid verzoekster in kennis van haar voorstel om aan verzoekster de zware tuchtstraf van het ontslag om ambtswege op te leggen. Tegen dit voorstel dient verzoekster een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. 3.
- Op 6 februari 2018 adviseert de Tuchtraad “dat de ten laste gelegde feiten zoals omschreven in punt 5.2, bewezen zijn en aan verzoekster dienen te worden toegerekend, dat de feiten een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van artikel 3 van de [tuchtwet] [en] dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege een gepaste straf is”. In punt 5.
- van het advies stelt de Tuchtraad dat hij van oordeel is dat op basis van het tuchtdossier aan verzoekster de volgende tuchtvergrijpen ten laste worden gelegd: “De verzoekster heeft door haar houding van een agent van politie meer bepaald door het plegen van de volgende feiten de waardigheid van het ambt ernstig in het gedrang gebracht en is tekort gekomen aan haar beroepsplichten als politieambtenaar: - op 12 juni 2016 met haar voertuig bij het parkeren een aanrijding te hebben veroorzaakt en schade te hebben toegebracht aan het voertuíg van haar buurman, [X] en waarbij zij bewust van de aanrijding de vlucht genomen heeft om zich te onttrekken aan dienstige vaststellingen; - gedurende de periode van 17 juni 2016 tot en met 7 september 2016 zich verder ook in het verkeer te hebben begeven met een motorvoertuig zonder geldíg rijbewijs of ander geldend bewijs voor het besturen van een motorvoertuig; - op de bewust avond van 12 juni 2016 met onaangepaste snelheid te hebben gereden en het voertuig aan de linkerzijde van de openbare weg te hebben geparkeerd, in de tegenovergestelde richting van de rijrichting.” 3.
- De hogere tuchtoverheid legt op 22 februari 2018 aan verzoekster de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op. Dit is de bestreden beslissing. XIV-37.699-6/21 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in het verzoekschrift de schending aan van artikel 56 van de tuchtwet en van de motiveringsplicht. In een eerste grief stelt verzoekster dat, wat het geschonden geachte artikel 56 van de tuchtwet betreft, er volgens haar “wel degelijk afdoende elementen aanwezig [waren] om voldoende klaarheid in de zaak te kunnen brengen”. De tuchtoverheid had sedert 18 augustus 2016 inzage in het strafdossier, waaraan nadien geen elementen zijn toegevoegd. Er werd trouwens een vooronderzoeker aangesteld, verzoekster werd administratief verhoord, en er werd op 24 november 2017 een verslag van het voorafgaand onderzoek opgesteld. De verwerende partij had dan ook geen valabele argumenten om een uitstel van de tuchtprocedure te verantwoorden, minstens heeft zij deze nergens duidelijk gemaakt. Het feit dat verzoekster de feiten ontkende, kan dienaangaande geen argument zijn, gezien de tuchtoverheid evenzeer zelfstandig over de schuldvraag kan beslissen. Verzoekster besluit dat te dezen ten onrechte gebruik werd gemaakt van art. 56, tweede lid, van de tuchtwet. In een tweede grief voert verzoekster aan dat, hoewel de feiten vanaf 12 juni 2016 aan een bevoegde overheid bekend waren, pas bij schrijven ontvangen op 14 december 2017, en nadien nog eens op 16 december 2017, bleek dat de tuchtoverheid gebruik wenste te maken van de bepaling voorzien in artikel 56, tweede lid van de tuchtwet. Op dat ogenblik was de termijn van zes maanden evenwel verstreken en kon geen tuchtvordering meer worden ingesteld op grond van artikel 56, eerste lid, van die wet. XIV-37.699-7/21
- In de memorie van wederantwoord wijst verzoekster erop, wat de eerste grief betreft, dat de verwijzing naar artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet slechts deugdelijk het uitstel van de tuchtvordering kan verantwoorden indien de tuchtoverheid op grond van een eigen onderzoek geen voldoende klaarheid in de zaak heeft kunnen brengen. Zij doet gelden dat men niet om de vaststelling heen kan dat de feiten reeds op 12 juni 2016 aan de bevoegde overheid bekend waren en dat de tuchtoverheid daarnaast ook reeds lang over de nodige informatie beschikte om voldoende klaarheid in de zaak te kunnen brengen, waarbij zij haar argumenten uit het verzoekschrift herneemt. Voorts herneemt verzoekster letterlijk haar tweede grief. Voor zover het middel is afgeleid uit de schending van de materiëlemotiveringsplicht, betoogt verzoekster dat zij in het verzoekschrift onder het eerste middel duidelijk heeft aangegeven waarom zij van mening is dat de verwerende partij ten onrechte toepassing heeft gemaakt van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet. De motieven die in de bestreden beslissing zijn aangehaald ter staving van de stelling dat de tuchtvordering op het ogenblik van het betekenen van het inleidend verslag niet verjaard was, vinden geen steun in de feitelijke gegevens. In de laatste memorie doet verzoekster nog gelden dat het standpunt van de verwerende partij dat (het geheel van) de feiten ook na afloop van het voorafgaand onderzoek onduidelijk bleek, manifest in tegenspraak is met wat de korpschef bij de aanwijzing van een voorafgaand onderzoeker liet optekenen. Zij herneemt het standpunt dat het voor de tuchtoverheid op 26 augustus 2016 reeds klaar en duidelijk was dat verzoekster zich schuldig had gemaakt aan een verkeersongeval met vluchtmisdrijf. Dat er naderhand nog bijkomend onderzoek werd gevoerd naar eventuele feiten van valsheid in geschrifte, zijn geen “begeleidende omstandigheden” maar andere feiten die eigenlijk geen uitstaan hebben met de feiten die het voorwerp uitmaken van het aanvankelijke proces-verbaal. Wat de feiten van 12 juni 2016 betreft, doet verzoekster gelden dat de lezing van het aanvankelijk proces-verbaal geen andere conclusie toelaat dan dat de verwerende partij niet aantoont dat zij op datum van kennisname van het strafdossier niet over voldoende wezenlijke elementen zou hebben beschikt. Volgens verzoekster stond op grond van de in het aanvankelijk proces-verbaal XIV-37.699-8/21 vervatte gegevens “onomstotelijk vast dat verzoekster zich schuldig had gemaakt aan een verkeersongeval (zij reed een geparkeerd voertuig aan) en vervolgens de vlucht had genomen door zich in haar eigen woning te verschansen (ondanks het aankloppen van zowel de buurman als de politiediensten deed zij niet open, terwijl de visu kon worden vastgesteld dat beide voertuigen een overeenstemmend schadebeeld vertoonden).” Beoordeling 1) Betreffende de schending van artikel 56 van de tuchtwet
- Artikel 56, eerste en tweede lid, van de tuchtwet bepaalt het volgende: “Art.
- De betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid, kan geen tuchtvordering meer worden ingesteld. In het geval dat een opsporingsonderzoek loopt of de strafvervolging is ingesteld voor dezelfde feiten, begint die termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is.” Artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet verplicht “de bevoegde tuchtoverheid” om binnen zes maanden de tuchtprocedure op te starten, hetgeen gebeurt met de kennisgeving van het inleidend verslag aan de betrokkene. Het gaat om een vervaltermijn waarna geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld. Die vervaltermijn garandeert de politieambtenaar dat hij korte tijd nadat het bestuur op de in de tuchtwet bepaalde wijze kennis heeft van de feiten, uitsluitsel krijgt over zijn onzekere situatie. Van een kennisneming of vaststelling van tuchtfeiten in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet is slechts sprake op het moment dat de tuchtoverheid met betrekking tot die feiten over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt. Het is ook pas dan dat deze verjaringstermijn ingaat. XIV-37.699-9/21 Artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet biedt de tuchtoverheid de mogelijkheid - maar niet de verplichting - om de tuchtrechtelijke vervolging uit te stellen tot de gerechtelijke overheden hun onderzoek hebben beëindigd. Het maakt het de tuchtoverheid mogelijk om, wanneer zij twijfels heeft over de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde zijn - het bewijs van de feiten die de betrokkene gepleegd heeft, de ernst van de feiten en de schuld van de betrokkene, de tuchtrechtelijke kwalificatie en de weerslag van de feiten op de werking van de dienst -, een definitieve uitspraak van de strafrechter af te wachten. De verwijzing naar artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet kan evenwel slechts deugdelijk het uitstel van de tuchtvordering verantwoorden wanneer de tuchtoverheid op grond van een eigen onderzoek geen voldoende klaarheid in de zaak heeft kunnen brengen. De tuchtoverheid heeft immers de verplichting om een tuchtzaak binnen een redelijke termijn af te handelen en het bestaan van een strafonderzoek is op zich geen deugdelijke reden om de tuchtvordering niet op te starten. Er is slechts reden om de tuchtvordering uit te stellen wanneer de tuchtoverheid er niet in slaagt om met een eigen onderzoek een duidelijk zicht te krijgen op het bestaan en de ernst van de feiten en om zich aldus een beeld te vormen van de noodzaak van een tuchtrechtelijke vervolging. De mogelijkheid om de tuchtvordering uit te stellen moet derhalve worden opgevat als een uitzondering op de regel, waarvan slechts gebruik mag worden gemaakt wanneer de tuchtoverheid op basis van een eigen onderzoek er niet in slaagt om alle gegevens die van wezenlijk belang kunnen zijn voor het tuchtrechtelijk optreden te achterhalen. Een en ander heeft tot gevolg dat de Raad van State, wanneer een verzoekende partij aanvoert dat de tuchtvordering ten onrechte gekoppeld is aan de afloop van de gerechtelijke procedure, desgevraagd nagaat of de tuchtoverheid niet op grond van het eigen onderzoek over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen en of zij wel voldoende inspanningen heeft geleverd om zelf klaarheid in de zaak te brengen. Bij ontstentenis van dat bewijs rest niet anders dan vast te stellen dat de tuchtvordering niet tijdig ingesteld is. Dat neemt niet weg dat bij de beoordeling van de vraag wanneer XIV-37.699-10/21 de gegevens waarover de (hogere) tuchtoverheid beschikt volstaan om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen, met andere woorden wanneer de tuchtoverheid zich een duidelijk beeld kan vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan de politieambtenaar, deze overheid over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt. De Raad van State is bij de beoordeling hiervan enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. Het voorgaande sluit aan bij de leer van het arrest van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak nr. 190.728 van 20 februari 2009, dat weliswaar geen betrekking heeft op de in de tuchtwet vervatte regeling, maar die ook in de arresten nr. 197.017 van 19 oktober 2009 en nr. 201.862 van 15 maart 2010 inzake tuchtprocedures tegen politieambtenaren is gevolgd.
- Het is voorts aan verzoekster, die de schending van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet aanvoert, om het bewijs te leveren dat de door die bepaling voorgeschreven verjaringstermijn niet werd nageleefd.
- In de bestreden beslissing wordt inzake de datum van kennisneming van de feiten het volgende gesteld:
- Datum van kennisneming van de feiten […]. Het incident heeft plaatsgevonden op 12 juni
- Opstellers van het proces-verbaal, inspecteurs van de lokale politie Ninove, verklaren dat zij worden verwittigd door CICOV (Communicatie- en Informatiecentrum Oost Vlaanderen). Aldaar worden zij opgewacht door een collega van (de interventiedienst van) PZ Geraardsbergen-Lierde. Zij geven aan dat zij overgaan tot de vaststellingen. Op dat ogenblik wordt de tuchtoverheid niet geïnformeerd. Deze ongefundeerde stelling van [verzoekster] is incorrect. De feiten bedoeld in punt 2 werden wel aan de Korpschef ter kennis gebracht op datum van 18 augustus
- Slechts naar aanleiding van de brief van substituut-Procureur des Konings [D. B.] op die datum kon de Korpschef op voldoende precieze en bewijskrachtige wijze kennis nemen van de mogelijke XIV-37.699-11/21 tuchtfeiten. Reden waarom de datum van 18 augustus 2016 moet worden weerhouden als eerste datum van kennisname van de feiten. Overeenkomstig artikel 56, tweede lid tuchtwet is de verjaringstermijn van 6 maanden slechts beginnen te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis wordt gesteld dat de gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is. De opschorting van de verjaringstermijn in geval van een opsporingsonderzoek of een strafvervolging volgt uit de wet zelf, zonder dat daarover een beslissing moet worden genomen door de tuchtoverheid […]. Op welke datum de mededeling in dit dossier is verstuurd, dan wel ontvangen, is dan ook allerminst relevant. Wanneer de tuchtoverheid wordt geconfronteerd met een betrokkene die de feiten ten stelligste ontkent of met feiten waarvan de ware toedracht niet kan achterhaald worden dan via het gerechtelijk of het opsporingsonderzoek, dan kan zij gebruik maken van artikel 56, tweede lid Tuchtwet en de beslissing van het gerecht afwachten. Op 18 mei 2017 werd de korpschef door het politieparket Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde, in kennis gesteld van het vonnis van de politierechtbank d.d. 5 mei
- Met een schrijven van 20 juni 2017 deelde de procureur des Konings te Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde mee dat het vonnis definitief geworden was nu geen hoger beroep werd aangetekend door [verzoekster]. De datum van 20 juni 2017 moet in aanmerking worden genomen voor het bepalen van de verjaringstermijn van de kennisgeving van dit inleidend verslag. Wij merken op dat [verzoekster] tot op heden, zelfs niettegenstaande de vaststellingen in het vonnis van 5 mei 2017, bepaalde (vaststaande) feiten blijft betwisten. Wegens deze betwisting moest noodgedwongen de rechterlijke uitspraak in de strafrechtelijke procedure worden afgewacht. Het verweer van [verzoekster], waarin zij de verjaring van de tuchtfeiten bepleit, moet worden verworpen. De tuchtoverheid wordt hierin bijgetreden door de adviseur van de Algemene Inspectie van de Federale Politie en van de Lokale Politie en de Tuchtraad alwaar deze stellen dat de bevoegde tuchtoverheid effectief pas op 20 juni 2017 beschikte over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen. Zij zijn evenzeer van oordeel dat de tuchtoverheid niet inert is gebleven en zij achten het verantwoord dat de tuchtoverheid ook na ontvangst van het strafdossier de eindbeslissing in de strafprocedure heeft afgewacht om het risico te vermijden dat de strafrechter anders zou oordelen over het intentioneel element in hoofde van [verzoekster]. Samen met de tuchtoverheid besluit de Tuchtraad dat het inleidend verslag overeenkomstig artikel 56, alinea 1 en 2 Tuchtwet op 1 augustus 2017 tijdig werd betekend aan [verzoekster]. Standpunt dat onderschreven wordt door de hogere tuchtoverheid. Uit de bestreden beslissing blijkt voorts dat de aan verzoekster verweten feiten het volgende tuchtvergrijp uitmaken en haar worden toegerekend: “
- Vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten Gelet op de feitelijke elementen vervat in het dossier, 4.1 menen wij dat de feiten zoals omschreven onder punt 2.
- van dit inleidend verslag vaststaan en dat deze aan [verzoekster] kunnen worden toegerekend. XIV-37.699-12/21 Uit de uiteenzetting van de feiten, zoals omschreven onder punt 2.1 van dit inleidend verslag blijkt dat [verzoekster] op 12 juni 2016 met haar voertuig bij het parkeren, hetgeen trouwens zeer onzorgvuldig en wederrechtelijk gebeurde, een aanrijding heeft veroorzaakt en schade heeft toegebracht aan het voertuig van haar buurman, [X]. [Verzoekster] heeft bewust van de aanrijding de vlucht genomen om zich te onttrekken aan dienstige vaststellingen. Zij gaf geen gehoor aan het aankloppen van [X], noch van de interventieploeg van PZ NINOVE die ter plaatse kwam en de nodige vaststellingen deed. Ook de volgende ochtend, op 13 juni 2016, kwam geen reactie naar aanleiding van het bezoek van een interventieploeg van de PZ NINOVE op haar adres […]. Naar aanleiding van een telefonische oproep op dat ogenblik kreeg men eveneens geen gehoor. Slechts op 15 juni 2016 kon PZ NINOVE [verzoekster] een eerste maal bereiken en uitnodigen voor verhoor op 21 juni
- Dit is niet de eerste keer. Er is sprake van herhaling, gelet op de veroordeling van [verzoekster] ingevolge het vonnis van de politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde d.d.. 27 februari
- Daarenboven is in het kader van het strafrechtelijk onderzoek vastgesteld dat [verzoekster] zich verder ook in het verkeer heeft begeven met een motorvoertuig zonder geldig rijbewijs of ander geldend bewijs voor het besturen van een motorvoertuig. Op de bewuste avond van 12 juni 2016 reed zij bovendien met onaangepaste snelheid en parkeerde ze het voertuig aan de linker zijde van de openbare weg, in de tegenovergestelde richting van de rijrichting. Deze feiten konden door ons worden vastgesteld op basis van de stukken uit het tuchtdossier en in het bijzonder: de stukken van het strafrechtelijk onderzoek, de verklaringen in het kader van het administratief onderzoek en het vonnis van de politierechtbank d.d. 5 mei
- Aan de uiteenzetting van de feiten werden door de tuchtoverheid geen eigen toevoegingen gedaan, noch heeft de tekst een suggestieve ondertoon. Wij achten [verzoekster] verantwoordelijk voor haar eigen handelingen, gedrag en voorkomen. Dit spoort met de wijze waarop de Tuchtraad de feiten en de tenlastelegging kwalificeert (supra, punt 3.8). Deze verjaring op grond van artikel 56, eerste en tweede lid, van de tuchtwet, werd door verzoekster ook opgeworpen voor de Tuchtraad. Die kwam tot de volgende beoordeling: “
- De verjaring conform art. 56 al 1 en 2 Tuchtwet. De verzoekster houdt voor dat de begindatum voor het berekenen van de verjaringstermijn van art. 56, al 2 Tuchtwet 12 juni 2016 is, zodat op het ogenblik dat de tuchtoverheid verwijst naar art.. 56 tweede lid Tuchtwet deze tuchtzaak reeds verjaard was, Volgens de tuchtoverheid dient de datum van 20 juni 2017 in aanmerking te worden genomen voor het bepalen van de verjaringstermijn van de kennisgeving van het inleidend verslag. […]. Beoordeling van de Tuchtraad […]. XIV-37.699-13/21 De verzoekster maakt niet aannemelijk dat de tuchtoverheid reeds op 12 juni 2016 over voldoende gegevens beschikte wat de wezenlijke elementen betreft die in de voorliggende tuchtzaak aan de orde zijn. De Tuchtraad deelt aldus de mening dat de bevoegde tuchtoverheid pas op 20 juni 2017 beschikte over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen, zijnde de dag dat de korpschef de gewone tuchtoverheid, kennis nam van het feit dat er een gerechtelijke eindbeslissing was nu zij pas op dat ogenblik in kennis werd gesteld van het feit dat er geen beroep werd ingesteld tegen het vonnis van 5 mei
- Vervolgens rijst de vraag of de tuchtoverheid niet eerder over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtíge gegevens beschikte of kon beschikken om te oordelen dat de verzoekster zich misdragen heeft op een wijze die mogelijks tuchtrechtelijk bestraft kan worden zodat zij een tuchtprocedure kon inleiden en dient aldus nagegaan te worden of de tuchtoverheid voldoende inspanningen heeft geleverd om zelf klaarheid in de zaak te brengen. Uit geen enkel element uit het tuchtdossier blijkt dat de tuchtoverheid inert gebleven is zoals beweerd door de verzoekster. De eerste brief in huidig dossier, waaruít blijkt dat de hogere tuchtoverheid kennis had van het feit dat er een opsporingsonderzoek aan de gang was, dateert van 12 augustus 2016 maar op te merken valt dat op dat ogenblik deze tuchtoverheid nog geen weet had van de constitutieve elementen van het tuchtvergrijp. Op basis van de karige elementen waarvan de tuchtoverheid kennis had en zonder over verdere informatie te beschikken omtrent het lopend opsporingsonderzoek, kon de tuchtoverheid zich geen volledig beeld vormen van de betrokkenheld van de verzoekster en van de precieze aard, omvang en de toerekening van het door haar gepleegde feit. De Tuchtraad is van oordeel dat de tuchtoverheid niet inert gebleven is om de werkelijke toedracht van het opsporingsonderzoek en het tuchtfeit te achterhalen nu zij herhaaldelijk bij de gerechtelijke diensten heeft geïnformeerd naar de stand van het onderzoek. Het tuchtdossier bevat verschillende brieven uitgaande van de tuchtoverheid waarbij deze de vraag stelde aan de heer procureur des Konings om de stand van zaken te laten geworden en tevens toestemming vroeg het gerechtelijk dossier te raadplegen en een afschrift ervan te verkrijgen. Het is pas op 7 maart 2017 dat de tuchtoverheid in kennis werd gesteld van het volledig strafdossier. Op basis van die informatie waarover de tuchtoverheid tot dan beschikte en zonder over verdere informatie te beschikken omtrent het lopende onderzoek, kon de tuchtoverheid zich tot dan, zonder het risico op een doorkruising van het lopende gerechtelijk onderzoek, geen volledig beeld vormen van de betrokkenheid van verzoekster en van de precieze aard, omvang en toerekening van de door haar gepleegde feiten, temeer nu verzoekster steeds ontkend heeft dat ze vluchtmisdrijf pleegde daar ze vooreerst geen aanríjding gevoeld had en vervolgens nooit de intentie zou gehad hebben de plaats van de aanrijding te verlaten, Het is dan zeker voorzichtig te benoemen dat de tuchtoverheid ook na ontvangst van dit strafdossier de eindbeslissing in de strafprocedure heeft afgewacht om het risico te vermijden dat de strafrechter anders zou oordelen over het intentioneel element in hoofde van de verzoekster, hetgeen ook een constitutief element van het vluchtmisdrijf uitmaakt. Ten overvloede dient er op gewezen te worden dat, zelfs indien 7 maart 2017 als begindatum van de verjaring dient beschouwd te worden, het inleidend verslag alsnog tijdig, meer bepaald op 1 augustus 2017, werd betekend aan de verzoekster. Aldus werd het inleidend verslag conform art. 56, al 1 en 2 Tuchtwet op XIV-37.699-14/21 1 augustus 2017 tijdig betekend aan de verzoekster.” Betreffende de eerste grief: de tuchtoverheid beschikte reeds vroeger over voldoende gegevens om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen
- De bestreden beslissing neemt 20 juni 2017, zijnde de datum waarop de procureur des Konings te Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde, aan de korpschef meedeelt dat verzoekster geen hoger beroep heeft aangetekend tegen het veroordelend vonnis van de politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde van 7 mei 2017, als de datum die in aanmerking moet worden genomen voor het bepalen van de verjaringstermijn van de kennisgeving van het inleidend verslag. Niet wordt betwist dat de hogere tuchtoverheid aldus daadwerkelijk de gerechtelijke eindbeslissing heeft afgewacht alvorens de tuchtprocedure op te starten. Zij maakte aldus toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet. Verzoekster van haar kant plaatst zich op het standpunt dat de verwerende partij ten onrechte dat resultaat van de strafprocedure heeft afgewacht. Het argument waarop zij steunt is dat er “wel degelijk afdoende elementen aanwezig [waren] om voldoende klaarheid in de zaak te kunnen brengen”: sedert 18 augustus 2016 had de tuchtoverheid inzage in het strafdossier “waaraan nadien geen elementen zijn toegevoegd” en er werd een voorafgaand onderzoeker aangesteld, zijzelf administratief werd verhoord en op 24 november 2016 werd het verslag van het voorafgaand onderzoek opgesteld.
- Het standpunt van verzoekster wordt om wat volgt, niet bijgetreden. Uit de hiervoor aangehaalde aan verzoekster ten laste gelegde en toegerekende feiten blijkt dat een van de wezenlijke elementen die in de voorliggende tuchtzaak aan de orde is, het feit is dat verzoekster “bewust van de aanrijding de vlucht [heeft] genomen om zich te onttrekken aan dienstige XIV-37.699-15/21 vaststellingen”, met andere woorden dat verzoekster vluchtmisdrijf pleegde. Vooreerst blijkt dat zowel op het tijdstip van het ontvangst van het afschrift van het strafdossier als van het beëindigen van het voorafgaand onderzoek, verzoekster steeds heeft ontkend dat ze de intentie zou hebben gehad de plaats van de aanrijding te verlaten, met andere woorden om vluchtmisdrijf te plegen. Voorts blijkt dat te dezen de hogere tuchtoverheid de tuchtvordering (steeds) gekoppeld heeft aan de strafrechtelijke kwalificatie van het feit zich te onttrekken aan de dienstige vaststellingen: aan verzoekster wordt een bepaald verkeersmisdrijf, met name vluchtmisdrijf, ten laste gelegd. Het bewijs van dat feit en inzonderheid van het intentioneel element ervan dat een constitutief bestanddeel uitmaakt van het vluchtmisdrijf, valt aldus samen met het bewijs van de strafrechtelijk vervolgde feiten, waarvoor de gerechtelijke instanties instaan. Dit betekent dat de tuchtoverheid, voor het bewijs van dat feit, afhankelijk is van de uitkomst van het onderzoek van die gerechtelijke instanties. Aldus blijkt uit niets, noch wordt dat door verzoekster in het middel aannemelijk gemaakt, dat de tuchtoverheid vóór de kennisgeving dat het veroordelend vonnis van de politierechtbank definitief is geworden, over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte om zich een duidelijk beeld te vormen over het intentionele element in hoofde van verzoekster - hetgeen ook een constitutief element van het vluchtmisdrijf uitmaakt - en om hiervoor de tuchtvordering lastens verzoekster in te stellen. Het argument van verzoekster in haar verzoekschrift dat het feit dat de tuchtoverheid zelfstandig over de schuldvraag kon beslissen zodat het feit dat verzoekster de feiten ontkende, dienaangaande geen argument kan zijn, leidt niet tot een andere conclusie. Niet bepalend is immers de vraag of de tuchtoverheid bij ontkenning van de feiten door de tuchtrechtelijk vervolgde, zelfstandig over de schuldvraag kan beslissen, maar wel de vraag of de tuchtoverheid over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige elementen beschikte om tot die beslissing over te gaan. Uit wat voorafgaat, blijkt dat zulks niet voorligt, minstens maakt verzoekster zulks niet aannemelijk. XIV-37.699-16/21 Gelet op de hiervoor geschetste appreciatieruimte die de tuchtoverheid heeft bij de beoordeling van de vraag wanneer de gegevens waarover zij beschikt volstaan om tuchtrechtelijk op te treden (supra, punt 6), blijft de (hogere) tuchtoverheid, door te oordelen om ook na ontvangst van het strafdossier en de resultaten van het voorafgaand onderzoek, de eindbeslissing in de strafprocedure af te wachten, binnen de perken van haar appreciatiebevoegdheid.
- Uit wat voorafgaat volgt dat verzoekster het bewijs niet levert dat de door artikel 56 van de tuchtwet voorgeschreven verjaringstermijn niet werd nageleefd. Betreffende de tweede grief: De beslissing om een beroep te doen op artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet is te laat
- Inzake verzoeksters kritiek dat de tuchtoverheid te laat de beslissing heeft genomen om toepassing te maken van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet, gaat verzoekster uit van een verkeerde rechtsopvatting. De - hiervoor wettig bevonden - opschorting van de verjaringstermijn in geval van een opsporingsonderzoek of een strafvervolging volgt uit de tuchtwet zelf, zonder dat daarover een beslissing moet worden genomen door de (hogere) tuchtoverheid. Voor de toepassing en werking van dit beginsel is voorts geen mededeling vereist. Of er derhalve al dan niet een tijdige beslissing (en/of mededeling) omtrent de opschorting van de procedure is gebeurd, heeft derhalve geen invloed op de (wettig bevonden) toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet. 2) Inzake de schending van de materiëlemotiveringsplicht
- Verzoekster voert in het middel ook de schending aan van het motiveringsbeginsel, doch zij bouwt in het verzoekschrift ter zake geen specifieke XIV-37.699-17/21 argumentatie op, zodat deze grief ofwel geacht moet worden samen te vallen met wat hiervoor al is besproken, ofwel niet ontvankelijk te zijn. In zoverre verzoekster voor het eerst in de memorie van wederantwoord andere argumenten ter zake aanvoert, toont zij niet aan dat zij deze niet reeds in haar verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoekster op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan deze grief. 3) Conclusie
- Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in het verzoekschrift de schending aan van het recht van verdediging, omdat de Tuchtraad geen rekening heeft gehouden met het volledige dossier. Zij bekritiseert hiermee de overweging van de Tuchtraad dat die enkel rekening houdt met de middelen zoals die voor hem zijn uiteengezet en dat hij “de enkele schriftelijke of mondelinge ‘verwijzing’ naar de middelen zoals uiteengezet in een verweerschrift neergelegd voor het politiecollege niet beschouwt als een verweer voor de Tuchtraad gevoerd.” Beoordeling
- Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het tweede middel op grond van de volgende overwegingen zoals die blijken uit het navolgende uittreksel uit zijn verslag: “Vooreerst moet worden vastgesteld dat [verzoekster] in haar memorie van wederantwoord niet verder ingaat op dit middel en het antwoord van de verwerende partij niet tegenspreekt. De vraag kan dan ook gesteld worden in welke mate de XIV-37.699-18/21 verzoekende partij volhardt in dit middel. Met de verwerende partij moet echter worden aangenomen dat het advies van de Tuchtraad zeer omstandig de door [verzoekster] aangevoerde middelen behandelt, zodat van een schending van de rechten van verdediging geen sprake is, of kan zijn. Het is bovendien ook zo dat [verzoekster] nalaat op enigerlei wijze te concretiseren welke elementen van haar verweer niet in overweging zouden zijn genomen. Zij doet dit ook al niet, zoals reeds aangegeven, in haar memorie van wederantwoord.”
- Verzoekster betwist deze conclusie niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft zij immers niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Zij verzuimt immers om op de bespreking van het middel in het auditoraatsverslag nog te reageren.
- In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in het verzoekschrift de schending aan van het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel, stellende dat de tuchtsanctie niet in verhouding staat tot de gepleegde feiten. Beoordeling
- Het auditoraat besluit tot de niet-ontvankelijkheid van het derde middel op grond van de volgende overwegingen zoals die blijken uit het navolgende uittreksel uit zijn verslag: “Vooreerst moet ook met betrekking tot dit middel worden vastgesteld dat [verzoekster] in haar memorie van wederantwoord niet verder ingaat op dit middel en het antwoord van de verwerende partij niet tegenspreekt. De vraag kan dan ook gesteld worden in welke mate [verzoekster] volhardt in dit middel. De verzoekende partij beperkt zich in haar verzoekschrift bovendien tot het strikt XIV-37.699-19/21 minimum: zij stelt enkel dat de opgelegde sanctie niet in verhouding staat tot de gepleegde feiten. Waarom dit het geval zou zijn, wordt echter niet uiteengezet.”
- Verzoekster betwist deze conclusie niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft zij immers niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Zij verzuimt immers om op de bespreking van het middel in het auditoraatsverslag nog te reageren.
- In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het derde middel niet ontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoekster niet bekendgemaakt XIV-37.699-20/21 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien februari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.699-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.861 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.