id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.895 Rolnummer: A. 232929/VII-41021 Zaak: Arrest 249895 - Natuurbehoud - Vergunningen - 23/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-02-25 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-20 00:32 Fiche Arrest nr 249.895 van 23 februari 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 249.895 van 23 februari 2021 in de zaak A. 232.929/VII-41.021 In zake: de VZW BESCHERM BOMEN EN NATUUR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marleen Ryelandt kantoor houdend te 8200 Brugge Gistelse Steenweg 472 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Zandvoordestraat 444, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 17 februari 2021 bij uiterst dringende noodzakelijkheid, strekt tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de adjunct-directeur adviezen & vergunningen van het Agentschap voor Natuur en Bos (hierna: ANB) in West-Vlaanderen waarbij aan ANB, entiteit terreinbeheer, regio Zandig Vlaanderen, een voorwaardelijke machtiging tot en met 31 oktober 2023 wordt verleend “om dunningen uit te voeren in de percelen gelegen te Wingene, 1ste afdeling, sectie C, kadasternummers 48a, 48b, 49a, 50a en 52a”. VII-41.021-1/8 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 februari 2021, om 11.00 uur. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Marleen Ryelandt, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Bart Bronders, die verschijnt voor de verwerende, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 14 juli 2020 dient de regiobeheerder regio Zandig Vlaanderen van ANB een aanvraag in bij de adjunct-directeur adviezen & vergunningen van ANB voor een dunningskap op voormelde percelen in het domeinbos Vagevuurbos die zijn opgenomen in het visiegebied maar niet in de beheersmaatregelen van één van de twee bestaande beheerplannen, Vagevuurbos
(2007)en Bulskampveld
(2015). 4. De adjunct-directeur adviezen & vergunningen van ANB verleent met het bestreden besluit de gevraagde, tijdelijke kapmachtiging voor de VII-41.021-2/8 in een bijlage 2 vermelde boomsoorten en aantallen bomen, onder volgende voorwaarden: “1° tijdens het uitvoeren van de kapping moet de exploitant een kopie van deze machtiging bij zich hebben; 2° om verstoring van broedgevallen te vermijden, mag niet worden geveld of geruimd tijdens de standaard schoontijd van 1 april tot en met 30 juni; 3° tijdens het vellen en ruimen moet het overige loofhout, de onderetage en de natuurlijke verjonging maximaal gespaard blijven; 4° het ruimen van de bomen dient te gebeuren tijdens een langere vorst- of droogteperiode. Er mag niet geruimd worden wanneer de bodem te nat is om de gebruikte ruimingsmachines te dragen zonder schade aan de bosbodem. Verharding kan niet worden aangebracht op het uitsleeptracé. Om impact op de bodem te beperken, dient verplicht gebruik gemaakt te worden van de door de beheerder voorziene exploitatiepistes; 5° de kapping mag in geen geval leiden tot een vermindering van de huidige bosoppervlakte; 6° het is verboden om ingrijpende wijzigingen en beschadigingen aan de bodem, de strooisel- en kruidlaag toe te brengen; 7° om herstel van de bosbodem en kruidvegetatie mogelijk te maken, mag er geen nieuwe ingrijpende kapping plaats vinden binnen 8 jaar na de uitvoering van deze machtiging; 8° indien de gekapte bomen zouden verkocht worden dan moeten de bepalingen gevolgd worden van het Bosdecreet (oa. artikel 55). Buiten verkoop is het ook mogelijk dat het hout wordt bestemd voor eigen gebruik (artikel 53)”. IV. Grondvoorwaarden voor een schorsing
- a)Algemeen 5. Volgens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
- b)Uiterst dringende noodzakelijkheid in hoofde van de verzoekende partij VII-41.021-3/8 Standpunt van de partijen 6. De verzoekende partij zet uiteen dat zij in een krantenartikel van 14 januari 2021 een aankondiging heeft gelezen “dat er zou worden gekapt in het Vagevuurbos” en dat zij vervolgens op haar verzoek op 15 januari 2021 kennis heeft gekregen van de bestreden kapmachtiging. Zij stelt dat zij op 28 januari 2021 een kortgedingprocedure voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge heeft opgestart “tegen de kap in het Vagevuurbos”. De zitting in die burgerlijke procedure is bepaald op 5 maart 2021. De verzoekende partij betoogt dat zij vreest “niet tijdig een beschikking in kortgeding te kunnen bekomen” en dat ANB “dan wel de koper van het hout, nog voor de opstart van de schoontijd op 1 april aanstaande, zal beginnen met kappen”, dat zij “niet binnen de gewone termijn van schorsing een arrest van [de Raad van State] [kan] bekomen”, dat de kap van bomen “meestal [gebeurt] met groot materieel” en “slechts enkele dagen” duurt, dat de houtverkoop “reeds halverwege 2019 [is] doorgegaan” en dat er onmiddellijk kan worden gekapt. 7. De verwerende partij betwist dat aan deze grondvoorwaarde is voldaan. Zij stelt dat “de verzoekende partij -hetgeen niet wordt betwist- in extenso mededeling kreeg van het bestreden besluit met een mailbericht van 15 januari 2021. Er werd inderdaad in een burgerlijk kortgeding gedagvaard op 28 januari 2021, maar in deze dagvaarding wordt een kapverbod gevorderd die betrekking heeft op de bomen die zich bevinding op percelen die gelegen zijn binnen het op 17 oktober 2007 goedgekeurd uitgebreid beheersplan ‘Vagevuurbossen’. Op 16 februari 2021 bezorgt de raadsman van de verwerende partij zijn besluiten in de kortgeding procedure aan zijn confrater-tegenstrever, raadsman van de verzoekende partij om 13.44 u, nadat deze elektronisch op het DPA-platform werden opgeladen. In deze besluiten wordt uitdrukkelijk akte gevraagd dat: ‘De eisende partij beperkt met huidige procedure haar vordering tot de percelen die zijn opgenomen in het op 17 oktober 2007 goedgekeurd uitgebreid bosbeheersplan voor het domeinbos ‘Vagevuur’. De verwerende partij neemt hier akte van.’ Op VII-41.021-4/8 17 februari 2021 wordt het UDN-verzoekschrift per fax overgemaakt aan de griffie van de Raad van State. Dit is meer dan een maand nadat de verzoekende partij, althans haar raadsman, in extenso de bestreden beslissing was overgemaakt, naar aanleiding waarvan reeds op 28 januari 2021 in (burgerlijk) kort geding werd gedagvaard. […] Zoals reeds gezegd, dient de aanwending van een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid uitzonderlijk te blijven, gezien de normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State ernstig wordt verstoord en de uitoefening van de rechten van verdediging ernstig worden beperkt. Dit betekent, dat de partij die zich op de uiterst dringende noodzakelijkheid beroept, alles in het werk moet stellen om zo snel mogelijk het door haar beweerde nadeel te voorkomen onder het gevaar haar vordering af te zien wegens gebrek aan hoogdringendheid. Het talmen met het instellen van een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid is immers de negatie zelve van de hoogdringendheid. In casu, zijn er geen redenen die laten aannemen dat de verzoekende partij door een geval van overmacht of andere uitzonderlijke omstandigheden niet bij machte was om eerder haar vordering in te stellen, in plaats van meer dan een maand te wachten, terwijl zij zelf aanvoert dat het door haar gevreesde nadeel zich kan voltrekken binnen enkele dagen. Dit doet er op wijzen dat de realisatie van het beweerde nadeel niet zo zwaar weegt in hoofde van de verzoekende partij, zodat de uitzonderlijkheid van de procedure die zij aanwendt, niet meer te verantwoorden is in het licht van de hoogdringendheid. Deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen”. Beoordeling 8. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid maakt een ernstige verstoring van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State uit. Het gebruik ervan moet uitzonderlijk blijven, en namelijk beperkt tot die gevallen waarin het uiterst dringende karakter van de zaak vaststaat. De feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen, dienen overeenkomstig artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van VII-41.021-5/8 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’ in het verzoekschrift te worden aangevoerd. Wie pretendeert redenen te hebben die een zodanige urgentie verantwoorden dat niet alleen niet de uitkomst van een beroep tot nietigverklaring kan worden afgewacht, maar zelfs niet een schorsing die volgens de gewone procedure zou worden bevolen, dient zich daar ook naar te gedragen. Het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsing wordt aldus mede afgemeten naar de haast die een verzoekende partij zelf betoont bij het instellen van haar vordering. De noodzaak om na de kennisname van de griefhoudende beslissing met passende voortvarendheid de vordering bij de Raad van State in te leiden is immers inherent aan het zeer uitzonderlijk en zeer ongewoon karakter van de uiterst dringende procedure. Diligent optreden is vervat in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid. 9. De verzoekende partij kreeg op 15 januari 2021 kennis van de bestreden akte. Zij nam vervolgens op 28 januari 2021 het initiatief om in een burgerlijk kort geding “de kap in het Vagevuurbos” tegen te gaan. Deze gerechtelijke actie van de verzoekende partij is evenwel beperkt tot het tegengaan van de kap op percelen in het Vagevuurbos die in het beheerplan Vagevuurbos zijn vervat. Het initiatief van de verzoekende partij om de kap tegen te gaan op de in de bestreden kapmachtiging vermelde percelen in het Vagevuurbos blijft uit tot 17 februari 2021. Nochtans maakt de verzoekende partij zelf uit de bestreden akte op dat er onmiddellijk kan worden gekapt. 10. De verzoekende partij geeft geen aannemelijke redenen op die dit talmen met het initiëren van deze uitzonderlijke procedure kunnen verantwoorden. De verwijzing naar haar initiatief en het verloop van de burgerlijke kortgedingprocedure, daargelaten dat het in deze burgerlijke procedure niet om de kap gaat van bomen op de percelen waarover de bestreden kapmachtiging gaat, kan niet als een afdoende verantwoording gelden dat aan de door de verzoekende partij gevreesde situatie bij uiterste hoogdringendheid een einde moet worden gesteld. VII-41.021-6/8 De verzoekende partij geeft ten andere zelf aan in het dagvaardingsexploot van 28 januari 2021 dat zij “de mogelijkheid [heeft] om op basis van het objectief contentieux naar de Raad van State te stappen” tegen de thans bestreden kapmachtiging en “dat de aanvang van de kap van de bomen voorzien is vanaf maandag 25 januari 2021”. 11. Indien de verzoekende partij een uitermate hoge graad van urgentie aan deze zaak toeschrijft, had zij in de gegeven omstandigheden zonder talmen, en al zeker niet pas na 33 dagen, haar vordering moeten indienen. Deze handelwijze staat haaks op de aard zelf van een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid en houdt de negatie in van de uiterst dringende noodzakelijkheid. Er is bijgevolg niet voldaan aan één van de grondvoorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. VII-41.021-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig februari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Pierre Lefranc VII-41.021-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.895 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.991 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div