← België

Arrest 249898 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 24/02/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.898 Rolnummer: A. 230800/VII-40825 Zaak: Arrest 249898 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 24/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-15 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 00:32 Fiche Arrest nr 249.898 van 24 februari 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 249.898 van 24 februari 2021 in de zaak A. 230.800/VII-40.825 In zake : Johan JOCHEMS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Surmont kantoor houdend te 2300 Turnhout Collegestraat 11 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : Jan KETELEER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marco Schoups, Kristof Hectors en Rami Nasser kantoor houdend te 2000 Antwerpen De Burburestraat 6-8, bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 30 maart 2020, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1920-0594 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 25 februari 2020 in de zaak 1718-RvVb-0867-A. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 9 juli 2020 wordt het cassatieberoep toelaatbaar verklaard. De memorie van antwoord werd op 2 oktober 2020 aan verzoeker ter kennis gebracht. VII-40.825-1/5 De mogelijkheid om te worden gehoord werd op 4 december 2020 aan verzoeker en de verwerende partij ter kennis gebracht. De hoofdgriffier heeft aan de partijen de mededeling ter kennis gebracht bedoeld in artikel 15, § 1, van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Verzoeker heeft gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 februari
  3. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Nick De Wint, die loco advocaat Jan Surmont verschijnt voor verzoeker en advocaat Rami Nasser, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Verzoek tot heropening van het debat
  5. Na de sluiting van het debat deelt verzoeker bij schrijven van 11 februari 2021 mee dat het bericht van ontvangst op 2 oktober 2020 van de aangetekende zending van de hoofdgriffier van de Raad van State aan zijn raadsman waar hij woonplaats heeft gekozen, niet door zijn raadsman maar door de bediende van deze laatste voor ontvangst werd ondertekend zonder hiervoor een volmacht te hebben gehad. Ten bewijze hiervan voegt hij in bijlage een afschrift van een e-mailbericht van 11 februari 2021 aan de klantendienst van VII-40.825-2/5 Bpost waarin zijn raadsman meedeelt dat hij aan zijn bediende “geen toestemming/volmacht [geeft] om de aangetekende zendingen af te tekenen”. Verzoeker leidt hieruit af dat de postbode “nooit [had] mogen afleveren aan [de] bediende” van zijn raadsman. Het gaat volgens verzoeker “om een duidelijke fout in hoofde van Bpost” die hem niet “kan worden aangerekend en is het [te] beschouwen als overmacht”. Beoordeling
  6. Het door verzoeker meegedeelde bewijsstuk is een na de hoorzitting door zijn raadsman zelf opgemaakt stuk. Het stuk dient enkel ter ondersteuning van de toelichting ter zitting dat de bediende van zijn raadsman de aangetekende zending van de hoofdgriffier van de Raad van State heeft ontvangen en daarvoor geen toestemming of volmacht zou hebben gekregen. Dat nieuw stuk bevat als dusdanig geen gegevens die een ander licht op de zaak kunnen werpen, noch enig gegeven van overwegend belang dat bij het onderzoek naar de rechtvaardiging voor het niet indienen van een memorie van wederantwoord binnen de voorgeschreven termijn kan doorwegen. Het verzoek tot heropening van het debat dient derhalve te worden afgewezen en het nieuw voorgebrachte stuk dient uit het debat te worden geweerd. IV. Beoordeling
  7. Naar luid van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, stelt de Raad van State het ontbreken van het vereiste belang vast als de verzoekende partij de termijn voor het toesturen van de memorie van wederantwoord niet eerbiedigt. Op grond van artikel 15, § 1, van voornoemd koninklijk besluit, doet de kamer uitspraak onder aanvoering van het ontbreken van het vereiste belang, tenzij een van de partijen binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord. Bij het versturen van een afschrift van de memorie van antwoord aan verzoeker heeft de hoofdgriffier melding gemaakt van voormeld artikel 21, tweede lid, en van artikel 15, § 1, van het koninklijk besluit van VII-40.825-3/5 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Verzoeker heeft binnen de termijn van dertig dagen, bepaald in artikel 14 van voormeld koninklijk besluit, geen memorie van wederantwoord aan de griffie toegestuurd.
  8. Verzoeker heeft ter terechtzitting geen argumenten aangevoerd die het niet indienen van een memorie van wederantwoord binnen de voorgeschreven termijn rechtvaardigen.
  9. Er dient te worden vastgesteld dat het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen, ontbreekt. BESLISSING
  10. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  11. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-40.825-4/5 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig februari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Pierre Lefranc VII-40.825-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.898 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.