← België

Arrest 249905 - Milieuvergunningen - 25/02/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.905 Rolnummer: A. 224865/VII-40241 Zaak: Arrest 249905 - Milieuvergunningen - 25/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-15 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-20 00:27 Fiche Arrest nr 249.905 van 25 februari 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 249.905 van 25 februari 2021 in de zaak A. 224.865/VII-40.241 In zake :

  1. Steven DE KEMPENEER
  2. Raimond DE VALCK
  3. Guy DE VALCK
  4. Luc DE VALCK
  5. Greet DE VALCK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erika Rentmeesters kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV ETABLISSEMENTEN J. MAES ZONEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nic Clijmans kantoor houdend te 2970 ‘s Gravenwezel Veldlei 86, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  6. Het beroep, ingesteld op 27 maart 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 24 januari 2018 dat het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 22 juni 2017 waarbij VII-40.241-1/26 vergunning wordt verleend aan de nv Etablissementen J. Maes Zonen voor het exploiteren van een tankstation aan de Provincialeweg 10 te Sint-Amands, - gedeeltelijk gegrond verklaart, - artikel 1 van de beroepen beslissing van de deputatie wijzigt, - de overige bepalingen van de beroepen beslissing van de deputatie bevestigt. II. Verloop van de rechtspleging
  7. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De nv Etablissementen J. Maes Zonen heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 20 augustus
  8. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 januari
  9. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Laura Vandervoort, die loco advocaat Erika Rentmeesters verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Veerle Huysman, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Liesbeth Peeters, die loco advocaat Nic Clijmans verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. VII-40.241-2/26 Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  10. III. Feiten 3.
  11. De tussenkomende partij wenst een nieuw, onbemand tankstation op te richten en te exploiteren met 2 dubbelzijdige brandstofpompen en een CNG-installatie op een perceel aan de Provincialeweg 10 te Sint-Amands. Het tankstation is ongeveer 23 meter diep en langs de straatkant ongeveer 89 meter breed. Op het perceel werd tot in 2014 een horecazaak met bijhorende parking uitgebaat. Het perceel is volgens het gewestplan Mechelen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976, gelegen in woongebied met landelijk karakter. 3.
  12. Op 21 februari 2017 dient de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag. Het voorwerp ervan luidt: - het lozen van bedrijfsafvalwater met een maximaal debiet van 0,5 m³ per uur, 1 m³ per dag en 80 m³ per jaar via een KWS-afscheider in openbare riolering; - 20 verdeelslangen; - de verdeling van CNG waarbij horende: - een compressor van 40 kW; - twee verdeelslangen; - een opslag van 2.880 liter aardgas (36 flessen van 80 liter); - de opslag van 33,60 ton diesel in een ondergrondse dubbelwandige houder van 30.000 liter en in een compartiment van 10.000 liter van een ondergrondse dubbelwandige gecompartimenteerde houder van 35.000 liter; VII-40.241-3/26 - de opslag van 18,5 ton benzine in twee compartimenten van respectievelijk 13.000 liter en 12.000 liter van een ondergrondse, dubbelwandige, gecompartimenteerde houder van 35.000 liter. 3.
  13. Naar aanleiding van het openbaar onderzoek wordt 1 bezwaarschrift ingediend met bezwaren omtrent geurhinder, lawaaihinder, veiligheidsrisico’s, mobiliteitshinder, lichthinder en strijdigheid met de ruimtelijke ordening. 3.
  14. Na het verlenen van voorwaardelijk gunstige adviezen van de geraadpleegde adviserende instanties, verleent de deputatie van de provincieraad van Antwerpen bij besluit van 22 juni 2017 een milieuvergunning voor onbepaalde duur. 3.
  15. Tegen dit besluit stellen de verzoekende partijen op 24 augustus 2017 administratief beroep in. 3.
  16. In graad van beroep worden de volgende adviezen verstrekt: - afdeling Gebiedontwikkeling, Omgevingsplanning en -projecten (Milieu) (17 oktober 2017): deels gunstig, deels ongunstig; - afdeling Gebiedontwikkeling, Omgevingsplanning en -projecten (Ruimte) (20 oktober 2017): gunstig; - Gewestelijke Milieuvergunningscommissie (21 november 2017): deels gunstig, deels ongunstig. 3.
  17. Met het bestreden besluit verklaart de minister het beroep gedeeltelijk gegrond. De vergunning wordt verleend, met uitsluiting van de aangevraagde CNG-installatie. VII-40.241-4/26 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
  18. De verzoekende partijen argumenteren dat zij “als omwonenden en eigenaars van omliggende percelen, wiens beroep bij verwerende partij ontvankelijk doch slechts gedeeltelijk gegrond werd bevonden, over een evident en rechtens vereist belang” beschikken. Zij zijn “inwoners van de gemeente Sint-Amands en eigenaars van percelen of bewoners van woningen die zich in de onmiddellijke omgeving van, en aanpalend aan, de betrokken exploitatie bevinden. […] Het kan moeilijk betwist worden dat verzoekende partijen, als directe omwonenden, negatief beïnvloed kunnen worden door de gewenste exploitatie van een nieuw tankstation. Voor de direct aanpalende woning van eerste verzoeker zal er zonder enige twijfel visuele hinder zijn door het zicht dat zij zullen hebben op het tankstation, alsook geurhinder (benzinedampen, geur van de CNG-installatie, uitlaatgassen van aan- en afrijdende en wachtende auto’s, bestelwagens en vrachtwagens, ...), lichthinder (lichten van het tankstation zelf dat 7/7, 24/24 bereikbaar is, en lichten van wagens die aan- en afrijden en in de woningen zullen binnen schijnen), lawaaihinder en hinder door fijn stof. Voor hen wordt daarnaast verkeershinder verwacht door het tankstation dat gericht is op niet minder dan 350 bezoekers per dag. Door het ontbreken van een volwaardige groenbuffer zal het perceel van tweede verzoekers een aanzienlijke waardedaling ondergaan ten gevolge van deze hinder, en worden toekomstige ontwikkelmogelijkheden gehypothekeerd. Het kan dus niet betwist worden dat verzoekers door deze exploitatie aanzienlijk gehinderd zullen worden. Bijkomend wordt er nog op gewezen dat verzoekende partijen in het verleden tegen elke eerdere aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning en milieuvergunning bezwaar hebben aangetekend en, indien nodig, beroep. Hun belang werd tot nu toe steeds aanvaard. Het gegeven dat de inrichting van de exploitatie inmiddels gewijzigd werd om tegemoet te komen aan eerdere bezwaren en ongunstige adviezen, verhindert niet dat er nog steeds sprake kan zijn van hinder of nadelen. Ten opzichte van de initiële aanvragen - die geweigerd werden - is naast de wijziging van inplanting immers ook de capaciteit verhoogd. Verzoekende partijen worden dan ook rechtstreeks beïnvloed door de exploitatie van het tankstation en zijn bijgevolg belanghebbende VII-40.241-5/26 partij. Zonder enige twijfel zullen verzoekende partijen rechtstreeks beïnvloed worden door de komst van het tankstation”.
  19. De tussenkomende partij betwist het belang van de verzoekende partijen omdat: - zij zich “beperken [...] tot de opmerking dat zij als omwonenden en eigenaars van omliggende percelen over een evident en rechtens vereist belang beschikken […] zonder het concreet te maken”; - eerste verzoeker de aangevoerde hinder niet “concreet [heeft] uitgewerkt of aannemelijk gemaakt” terwijl er “een groenbuffer [is] voorzien” en zijn “woning […] zeer ver naar achter gebouwd is”; - “tweede verzoekers […] enkel eigenaar [zijn] van het achterliggende perceel, dat onbebouwd is” en “dus op geen enkele manier zintuiglijke hinder [kunnen] ondervinden van de exploitatie” en “de vermeende waardevermindering […] niet concreet [wordt] gemaakt”, “een groenbuffer [is] voorzien over de gehele perceelsgrens” die “ruim voldoende [is] om een onbebouwd en ongebruikt perceel af te schermen van het tankstation”, en “de eigendom van de tweede verzoekende partijen grotendeels in agrarisch gebied” is gelegen en “niet in aanmerking [kan] komen voor bebouwing of andere ontwikkeling want het is ingesloten en niet gelegen aan een voldoende uitgeruste weg”.
  20. De verzoekende partijen verwijzen in hun laatste memorie naar het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 12 mei 2020 die “uitspraak deed over het belang van verzoekers bij de procedure tot nietigverklaring van de stedenbouwkundige vergunning”.
  21. De tussenkomende partij merkt in haar laatste memorie op dat het aannemen van het belang “in de procedure bij de [RvVb] niet automatisch [betekent] dat er een belang is bij onderhavige procedure”. Zij stelt nog ondergeschikt dat indien zou geoordeeld worden dat de vernietiging door de RvVb van de omgevingsvergunning voor het bouwen van het onbemande tankstation “toch enige relevantie zou hebben met betrekking tot huidige zaak, moet worden vastgesteld dat de verzoekende partij geen actueel belang meer heeft bij de huidige VII-40.241-6/26 procedure nu de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen werd vernietigd, zodat er op heden geen uitvoerbare vergunning voorligt”. Beoordeling
  22. Om hun belang bij de nietigverklaring van de milieuvergunning aan te tonen, moeten de verzoekende partijen minstens aannemelijk maken dat zij hinder of nadeel kunnen ondervinden door de exploitatie van de inrichting. Anderzijds moet de tussenkomende partij die meent dat de verzoekende partijen niet het vereiste belang hebben, aantonen dat zij geen of hoogstens slechts een verwaarloosbare hinder kunnen ondervinden van de exploitatie. Opdat van een voldoende belang sprake zou zijn, moet niet worden aangetoond dat de hinder onaanvaardbaar is.
  23. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de percelen van respectievelijk eerste en tweede verzoekers grenzen aan het perceel van de vergunde inrichting die een klasse 1 inrichting is en derhalve een inrichting die door de decreetgever als meest hinderlijk wordt beschouwd. De verzoekende partijen overtuigen ervan dat zij de door hen concreet beschreven hinder kunnen ondervinden van de exploitatie van de vergunde inrichting. De tussenkomende partij slaagt er niet in de Raad van State ervan te overtuigen dat de door de verzoekende partijen omschreven hinder door de exploitatie verwaarloosbaar zou zijn. Integendeel, de in de bestreden vergunning voorziene groenschermen met respectieve breedtes van 6,7 meter, 3,5 meter en 1,5 meter zijn indicaties van de realiteit van de door de verzoekende partijen gevreesde hinder van de exploitatie. De tussenkomende partij doet met de aangehaalde vernietiging door de RvVb van de omgevingsvergunning voor het bouwen van het onbemande tankstation, niet aannemen dat de thans bestreden milieuvergunning uit de rechtsorde zou zijn verdwenen.
  24. De exceptie wordt verworpen. VII-40.241-7/26 V. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
  25. De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 5.1.0 en 6.1.2.2 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: inrichtingsbesluit), artikel 4.3.1, § 1, 1°, en § 2, 1°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), de artikelen 21, § 2, 2°, 29, 2°, en 52, 3°, b, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Zij argumenteren dat zij steeds de strijdigheid met de bestemmingsvoorschriften en de goede ruimtelijke ordening van het tankstation en de daaruit voortvloeiende hinder hebben opgeworpen. Tankstations kunnen weliswaar in een woongebied met landelijk karakter maar enkel voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving. De landelijke toets in het voormelde bestemmingsvoorschrift maakt de inpasbaarheid van een tankstation in de omgeving niet vanzelfsprekend. Dit blijkt uit de verschillende hinderaspecten die zij in hun bezwaren hebben aangehaald, zoals daar zijn de geluidshinder, luchtpollutie en lichthinder die de gevraagde exploitatie, gezien haar schaal en ruimtegebruik, tot gevolg zal hebben. Ook werd er gewezen op de verkeersonveilige situatie die zal ontstaan door de inplanting en door de veel te smalle in- en uitrit, het gebrek aan manoeuvreerruimte op het perceel zelf en de verkeersonveiligheid door de toename van het verkeer. Deze argumenten werden op onvoldoende en manifest foutieve gronden door de verwerende partij verworpen. Hoewel uit de bestreden beslissing blijkt dat het tankstation wordt ingeplant in een woonomgeving en er daarom bijzondere aandacht moet uitgaan naar de inplanting en buffering naar de omgeving, wordt desondanks geoordeeld dat de exploitatie van het tankstation op deze plaats verenigbaar is met zowel de stedenbouwkundige voorschriften als de goede ruimtelijke ordening. VII-40.241-8/26 Met betrekking tot de buffering merken de verzoekende partijen op dat, ondanks het feit dat de verwerende partij zelf aangeeft dat dit te dezen belangrijk is, zij nalaat om voldoende te motiveren waarom de beperkte buffer zou kunnen volstaan om het geheel functioneel te laten inpassen in een woongebied met landelijk karakter. De toegang ligt dichtbij het perceel van eerste verzoeker en een omheining van 2 meter hoogte begroeid met klimop vormt geen afdoend groenscherm. Dit argument wordt niet weerlegd. Achteraan het perceel is het groenscherm slechts iets meer dan een meter breed. Dit is onvoldoende zelfs indien het achterliggende perceel momenteel niet bebouwd is. De verwerende partij had de vergunning om deze reden moeten vernietigen. Minstens had zij uitgebreider dienen te motiveren waarom deze groenbuffer op deze specifieke locatie in woongebied met landelijk karakter kan volstaan, mits zij zelf aangeeft dat er extra aandacht voor buffering in deze woonomgeving moet zijn. De verwerende partij is dan ook allerminst consequent in haar overwegingen en schiet hierbij dan ook manifest tekort in haar motivatieplicht. Voorts wijzen de verzoekende partijen erop dat niet concreet wordt aangegeven dat de inrichting verenigbaar is met de omliggende woonomgeving en evenmin rekening werd gehouden met het landelijke aspect. Er wordt slechts verwezen naar de ligging langsheen de N17, met vage verwijzingen naar de oppervlakte van het perceel, de bewering van aanvragers dat er slechts 150 klanten per dag zouden verwacht worden en een zogenaamd subadvies van het Agentschap Wegen en Verkeer (hierna: AWV). De landelijke omgeving werd overigens ook niet in de overwegingen over de hinderaspecten betrokken. Het gebruikte richtcijfer van het aantal klanten is overigens ongeloofwaardig in het licht van het aantal aangevraagde verdeelslangen, zeker indien men de vorige aanvraag in ogenschouw neemt. De verwerende partij geeft nergens aan waarom zij dit getal, 150 klanten, zomaar overneemt. Ook hier schiet de motivering dus manifest tekort. Het subadvies van AWV waarnaar wordt verwezen is slechts een algemeen advies dat de voorwaarden aangeeft waaraan de aanvraag dient te voldoen, zonder oordeel of hieraan wordt voldaan. Uit dit advies blijkt het bestaan van een achteruitbouwlijn, gelegen op 8 meter van de rooilijn, die zelf op 13 meter ligt. Op basis van de plannen blijken er voorbij deze rooilijn en de achteruitbouwlijn constructies en vergunningsplichtige activiteiten te zijn VII-40.241-9/26 voorzien, hetgeen niet toegelaten is en aanleiding geeft tot een mobiliteitsprobleem, wat strijdig is met de direct werkende normen, en dus een legaliteitsbelemmering vormde nu hierop geen afwijkingen kunnen worden toegestaan. Alleen op basis hiervan had de verwerende partij de vergunning moeten weigeren. Tenminste had zij moeten motiveren waarom deze afwijking volgens haar wel kan worden toegestaan. In de bestreden beslissing is er echter niets vermeld met betrekking tot de bouw- of rooilijn. In het licht van de beoordeling in het kader van de artikelen 21, § 2, 2°, en 29, 2°, van Vlarem I en artikel 4.3.1, § 2, 1°, VCRO moeten bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening ook de hinderaspecten in beschouwing worden genomen. Nochtans worden de beroepsargumenten van de verzoekende partijen met betrekking tot de hinder amper door de verwerende partij behandeld, laat staan voldoende gemotiveerd weerlegd. Het uitsluiten van de CNG-installatie is niet voldoende om afdoende aan de beroepsargumenten van de verzoekende partijen tegemoet te komen. Met betrekking tot de geurhinder wijzen de verzoekende partijen erop dat zij in hun beroepschrift de specifieke geurhinder die gepaard gaat met een tankstation zeer uitgebreid hebben benadrukt. Zij gaven aan dat niet alle dampen van de schadelijke brandstoffen bij het tanken zullen opgevangen worden door de damprecuperatiesystemen. Toch denkt de verwerende partij te kunnen volstaan met een loutere verwijzing naar deze systemen. Bovendien verschilt de hinder die gepaard gaat met het op- en afrijden van het tankstation weldegelijk van de hinder afkomstig van de openbare weg. Bestuurders zullen hun voertuigen afzetten en terug opstarten, manoeuvreren en de motor laten draaien wanneer zij wachten op een plaats om te kunnen tanken, wat extra uitstoot van gassen en geurhinder zal veroorzaken. Passerende auto’s rijden daarentegen aan een vast tempo op de N17, wat danig minder uitstoot teweeg brengt. De geurhinder afkomstig van het tankstation wordt nog extra in de hand gewerkt doordat vrachtwagens extra manoeuvres zullen moeten uitvoeren op het perceel, omdat de draaicirkel vanachter niet groot genoeg is om in één beweging te kunnen draaien. De overweging van de verwerende partij dat deze hinder niet te onderscheiden is van die van de openbare weg houdt dus geen steek en kan dan ook niet afdoende VII-40.241-10/26 motiveren waarom deze hinder aanvaardbaar zou zijn, vermits de hinder die reeds voortvloeit uit het verkeer op de N17 niet kan verantwoorden dat er nog meer hinder aan de verzoekende partijen zou worden veroorzaakt. Bij de beoordeling van de aangevoerde lichthinder negeert de verwerende partij de lichthinder die de woning van eerste verzoeker zal ondervinden, omdat de vrachtwagens te weinig ruimte hebben om vlot te kunnen draaien. De verzoekende partijen voerden ook geluidshinder aan, die niet te vergelijken valt met de geluidshinder van voorbijrijdend verkeer op de N
  26. Auto’s en vrachtwagens zullen stilstaan en vertrekken, lawaai zal verder voortvloeien uit dichtslaande portiers, pratende mensen, autoradio’s enzovoort. Er werd benadrukt dat deze hinder vooral storend zal zijn in nachten en op weekenddagen (openingsuren 24/24u en 7/7). Van een overheersend achtergrondgeluid zal er op deze momenten geen sprake zijn vermits het verkeer op de Provincialeweg dan veel minder druk zal zijn. Hiermee werd geen rekening gehouden. Bovendien wordt uitgegaan van een arbitrair en twijfelachtig aantal klanten van 150 per dag. De hinderbeoordeling die op basis van dit aantal is gebaseerd, is niet afdoende als motivering van de bestreden beslissing. Daarnaast zullen er tevens verkeersonveilige situaties ontstaan, zowel op het terrein van het tankstation zelf, als bij het in- en uitrijden van het tankstation. De gegeven motivering ter zake, waar enkel wordt gewezen op de grootte van het perceel is niet afdoende omdat de draaicirkel voor vrachtwagens op het perceel te klein is. Tevens zullen bij aankomen en vertrekken verkeersonveilige situaties ontstaan, door de beperkte breedte van de inrit/uitrit en het niet in rekening brengen van de geplande aanleg van een fietspad. De verwerende partij laat na om te motiveren waarom de in- en uitrit wel zou volstaan om verkeersveilig op het perceel met het tankstation te kunnen rijden. In principe eist AWV immers een afzonderlijke in- en uitrit van telkens 7 meter breed. De verwerende partij verantwoordt niet waarom deze smalle in- en uitrit in casu zou volstaan om het verkeer veilig op en af het tankstation te laten rijden. Bovendien werd verwezen naar een advies uit de vorige aanvraagprocedure, waarop de verwerende partij niet VII-40.241-11/26 heeft geantwoord. De verwerende partij kan rekening houden met beleidsmatig gewenste ontwikkelingen. De gewenste aanleg van fietspaden blijkt duidelijk uit de communicatie van AWV. Op de grondplannen is duidelijk te zien dat de werken vlak voor het tankstation zullen plaatsvinden. Recent werd nog gecommuniceerd dat de inrichting van de N17 gepland is in het voorjaar van
  27. De verwerende partij had dus in ieder geval rekening kunnen houden met deze gewenste beleidsmatige ontwikkeling, die zoals aangetoond, is vastgesteld en openbaar is gemaakt. Zij kan in ieder geval niet volstaan door te stellen dat er geen rekening kan worden gehouden met een toekomstige verkeerssituatie. Deze motivatie is dan ook manifest onjuist. Op basis van de plannen kan men niet anders dan besluiten dat zich met betrekking tot het vrachtverkeer op het perceel van het tankstation zelf, en bij het in- en uitrijden, een fundamenteel probleem inzake verkeersveiligheid en mobiliteitshinder stelt. De verwerende partij slaagt er niet in de opmerkingen van de verzoekende partijen op afdoende wijze te weerleggen en beperkt zich tot summier, zeer vage bewoordingen. Dit volstaat niet om aan haar motivatieplicht te voldoen.
  28. De verwerende partij wijst er vooreerst op dat de stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning een andere finaliteit hebben en als zodanig los van elkaar moeten worden gezien. Meer in het bijzonder dient een milieuvergunning de bindende en verordenende kracht van de gewestplannen te respecteren. De stedenbouwkundige toetsing dient vanuit de specifieke opdracht om de hinder die wordt veroorzaakt voor het leefmilieu te beoordelen op het vlak van de aanvaardbaarheid. De verordenende kracht van de plannen geldt slechts voor datgene waarvoor de overheid bevoegd is te beslissen, en zij dient bijgevolg enkel na te gaan of de inrichting in overeenstemming is met de bestemmingsvoorschriften van de percelen waarop deze gelegen is. Concreet komt dit er te dezen op neer dat het aangevraagde in overeenstemming dient te zijn met het bestemmingsvoorschrift woongebied, wat inhoudt dat de inrichting verenigbaar moet zijn met de onmiddellijke omgeving en tevens verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening. Dit betreft evenwel een discretionaire bevoegdheid, waardoor de Raad van State slechts kan nagaan of de beslissingnemende overheid geen kennelijk onjuiste of kennelijk onredelijke beslissing heeft genomen. Hierbij kan een bondige motivering afdoende zijn. Uit de motivering van de bestreden VII-40.241-12/26 beslissing kan worden afgeleid dat op een erg volledige wijze werd uiteengezet dat de nodige aandacht dient te worden besteed aan de inpasbaarheid van de inrichting in zijn omgeving, waarna effectief tot deze toetsing wordt overgegaan en op gemotiveerde wijze uitspraak wordt gedaan over de aanspraken en de bezwaren die de verzoekende partijen hebben laten gelden. Er werd dan ook terecht geconcludeerd dat de inrichting verenigbaar is met de bestemming. Er ontstaat immers niet meer hinder dan binnen het gebied mag worden verwacht en dit wordt op afdoende wijze gemotiveerd. De verzoekende partijen geven aan de toetsing van de goede ruimtelijke ordening een bijkomende voorwaarde die afbreuk doet aan de finaliteit van een milieuvergunning. De verwerende partij kwam in casu tot het besluit dat er bijzondere aandacht nodig was voor de inplantingswijze en de buffering, doch dat de bovengrondse constructies hieraan beantwoorden qua oppervlakte en hoogte. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat dit op afdoende wijze werd verantwoord, waarbij de groenschermen werden beoordeeld. De verwerende partij was van oordeel dat het groenscherm het tankstation visueel afschermt ten opzichte van de aangrenzende percelen, waardoor deze hinder als aanvaardbaar wordt geacht. De kritiek die de verzoekende partijen ter zake uiten, is een opportuniteitskritiek. In het kader van dezelfde ruimtelijke toetsing, wijst de verwerende partij erop dat de inrichting gelegen is langsheen een gewestweg waar in de buurt reeds een ander tankstation gelegen is. De naar voren gebrachte motieven zijn in rechte en feite aanvaardbaar en vormen de determinerende motieven die de bestreden beslissing schragen. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen beweren, wordt in de motivering van de bestreden beslissing een beoordeling gemaakt van de verwachte mobiliteits-, geur-, licht- en geluidshinder. Al deze aspecten worden als aanvaardbaar beoordeeld. De motiveringsplicht houdt niet in dat op elk aangevoerd bezwaar in detail moet worden geantwoord, de fundamentele redenen die tot de bestreden beslissing hebben geleid, volstaan. Bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de hinderaspecten beschikt de verwerende partij over een ruime appreciatiebevoegdheid. Met betrekking tot de licht- en geluidshinder slagen de verzoekende partijen er niet in aan te tonen dat de beoordeling die werd gemaakt kennelijk onjuist of kennelijk onredelijk is en beperken zij zich in essentie tot vage beweringen, zonder materieel bewijs naar voren te brengen die hun standpunt VII-40.241-13/26 kracht bijzetten. Ook het aspect mobiliteit werd op gedegen wijze onderzocht en ook hier slagen de verzoekende partijen er niet in aan te tonen dat de inrichting onaanvaardbare hinder zou teweegbrengen. Er wordt niet bewezen dat de vrachtwagens op het betrokken perceel tot verkeersonveilige situaties zouden leiden. De zorgvuldigheidsplicht legt de verwerende partij niet op een eigen deskundige in te schakelen om de gemaakte onderzoeken te controleren op hun waarheidsgetrouwheid. Met betrekking tot de geplande fietspaden wordt duidelijk gesteld dat met de huidige en niet met de toekomstige verkeerssituatie werd rekening gehouden. De verwerende partij kan bij het nemen van de bestreden beslissing slechts rekening houden met alle relevante, precieze en gekende feiten. Door de wijze waarop de verzoekende partijen hun kritiek uiten, is het duidelijk dat de bestreden beslissing voldoet aan de formele motiveringsplicht. Alleszins is voldaan aan het normdoel van de motiveringsplicht. De verplichting tot materiële motivering van de bestuurshandelingen houdt in dat deugdelijke motieven aan de grondslag van de beslissing moeten liggen, die zich tevens in het administratief dossier bevinden. Het doel van de rechtshandeling moet altijd gelegen zijn in het algemeen belang. Het administratief dossier bevat een duidelijke studie met betrekking tot de exploitatie van het tankstation. In het kader van de ruime discretionaire bevoegdheid waarover zij beschikt en het gemis aan bewijs dat de verzoekende partijen onaanvaardbare hinder zouden ervaren, kan aldus niet worden besloten dat de bestreden beslissing als manifest onredelijk en onzorgvuldig kan worden beschouwd.
  29. De tussenkomende partij sluit zich in haar memorie in essentie aan bij het verweer van de verwerende partij. Voorts wijst zij erop dat de onmiddellijke omgeving gekenmerkt wordt door enkele groothandelszaken, horecazaken, agrarisch gebied en enkele woningen. De inrichting betreft een tankstation langs een drukke weg. Tevens ligt er een brede groenbuffer tussen de inrichting en de woning van eerste verzoeker. Bovendien is de hoogte van de groenbuffer naast de kwestie nu er reeds bomen staan en de buffer tevens dient om de mogelijke andere hinder van de inrichting op te vangen. De kritiek met betrekking tot de lichtinval die zou wegvallen dient in dezelfde optiek te worden VII-40.241-14/26 bekeken. Bovendien maken de verzoekende partijen op geen enkele wijze duidelijk waarom de buffer aan de achterkant van het perceel niet voldoende zou zijn. Het is bovendien onduidelijk of dit aangrenzende perceel voor bebouwing in aanmerking komt. De vergunde inrichting verhindert de ontwikkelingsmogelijkheden van dit achterliggende perceel geenszins. De inrichting is alleszins gelegen langsheen een drukke weg, waar het landelijke aspect miniem is en waarmee rekening werd gehouden bij de toetsing van de goede ruimtelijke ordening. Uit de simulaties die werden gemaakt, blijkt dat de vrachtwagens ongehinderd gebruik kunnen maken van het tankstation zonder voor mobiliteitsproblemen te zorgen. De kritiek die de verzoekende partijen ter zake uiten, wordt nergens gestaafd. Voorts is hun stelling dat er een afzonderlijke in- en uitrit moet zijn van 7 meter breed onterecht. Tevens is het in het belang van de tussenkomende partij dat de toegang tot het tankstation optimaal is. Bovendien is het tankstation voornamelijk op personenwagens gericht en niet op vrachtwagens, wat ook blijkt uit de voorziene tankzuilen. De mobiliteits- en verkeersveiligheidssituatie werd afdoende onderzocht en gemotiveerd en de impact van de inrichting werd terecht als aanvaardbaar beschouwd. Met betrekking tot de geurhinder merkt de tussenkomende partij op dat de woning van eerste verzoeker op 30 meter van de pompen staat en er gebruik wordt gemaakt van de Beste Beschikbare Technieken (BBT) opdat geurhinder zou worden vermeden. Bovendien wordt de pomp buiten werking gesteld indien de gasafzuiging niet degelijk zou werken. Ook op dit vlak wordt enkel ongefundeerde opportuniteitskritiek geuit. Gelet op het reeds drukke verkeer op de gewestweg heeft de hinder van wachtende klanten opdat zij kunnen vertrekken geen invloed op de bestaande geurhinder. In het kader van de aangevoerde lichthinder wijst de tussenkomende partij erop dat gebruik wordt gemaakt van LED-verlichting met een dimfunctie indien er geen gebruikers aanwezig zijn. Met betrekking tot de pompinstallatie zelf verduidelijkt de tussenkomende partij dat AdBlue niet alleen door vrachtwagens wordt gebruikt en dat er per pomp vier slangen worden voorzien, zodat deze elementen geen invloed hebben op de soort van klanten en hun te verwachten aantal. Het voorziene aantal van 150 klanten per dag is bovendien een ruime inschatting, wellicht zullen het er minder zijn. Voorts betreft het een onbemand station in de nabijheid van een rotonde, zodat er steeds sprake is van afremmend en optrekkend verkeer. Kortom, alle geuite bezwaren werden VII-40.241-15/26 behandeld in de bestreden beslissing en op gemotiveerde wijze weerlegd. Bovendien werd de initieel aangevraagde CNG-installatie niet vergund.
  30. De verzoekende partijen dupliceren dat in de bestreden beslissing onvoldoende is ingegaan op hun bezwaren en de motivering van de bestreden beslissing bijgevolg tekort schiet. De verzoekende partijen wordt ten onrechte verweten dat zij een voorwaarde toevoegen aan de regelgeving in het kader van de ruimtelijke toetsing. Ook de milieuvergunningverlenende overheid dient wel degelijk na te gaan of de uitbating van de inrichting in overeenstemming is met de stedenbouwkundige voorschriften. Motieven in een vergunningsbeslissing die betrekking hebben op de milieuhygiënische aanvaardbaarheid van de inrichting, tonen immers op zich niet zonder meer aan dat de inrichting ook uit stedenbouwkundig oogpunt verenigbaar is met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening, waarbij in de eerste plaats rekening gehouden moet worden met de ordening in de onmiddellijke omgeving. Te dezen werden voldoende hinderaspecten aangehaald waaruit blijkt dat de inrichting op deze plaats niet voldoet aan de stedenbouwkundige voorschriften. Deze argumenten werden op onvoldoende en manifest foutieve gronden niet aangenomen. Voorts wijzen de verzoekende partijen erop dat met betrekking tot de groenschermen de verwerende partij ook nu niet verder komt dan de loutere opsomming ervan, zonder de effectiviteit ervan in de beslissing te betrekken. Voor een tankstation van die schaal, gelegen in een woongebied met landelijk karakter kan een dergelijke groenbuffer allerminst volstaan om de verwachte hinder te bufferen. Minstens had de verwerende partij uitgebreider dienen te motiveren waarom deze groenbuffer op deze specifieke locatie kan volstaan, mits zij zelf aangeeft dat er extra aandacht voor buffering in deze woonomgeving moet zijn. De verwerende partij is dan ook allerminst consequent in haar overwegingen, en erkent dat zij foute afmetingen heeft gehanteerd, waardoor zij hierbij dan ook manifest tekort schiet in haar motivatieplicht. Voorts duidt de verwerende partij nergens aan waar zij dan wel het aspect van het landelijk woongebied mee zou hebben betrokken in haar beslissing. Ook de inpasbaarheid van de inrichting is niet voldoende mee in beschouwing genomen naar aanleiding van de concrete omstandigheden. Volgens de rechtspraak impliceert deze beoordeling dat moet VII-40.241-16/26 worden aangetoond dat voldaan is aan een dubbele voorwaarde: een inrichting moet niet, wegens de taken van bedrijf die zij uitvoert, om redenen van goede ruimtelijke ordening, in een daartoe aangewezen gebied worden afgezonderd en moet verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving. Bij het beoordelen van de bestaanbaarheid met de bestemming woongebied met landelijk karakter dient rekening te worden gehouden met de aard en de omvang van het bedrijf, waardoor dat laatste inzonderheid om redenen van ruimtelijke ordening niet in het betrokken woongebied met landelijk karakter kan worden ingeplant, ofwel wegens het intrinsiek hinderlijk of storend karakter van het bedrijf, ofwel wegens het bijzonder karakter van het woongebied met landelijk karakter. Bij het beoordelen van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving moet worden uitgegaan van de specifieke kenmerken van de onmiddellijke omgeving, die voornamelijk afhankelijk zijn van de aard of de bestemming van de in de omgeving bestaande gebouwen of open ruimten. Het is correct, aldus de verzoekende partijen, dat volgens de vaste rechtspraak van uw Raad de specifieke motiveringsvereiste van de vergunningverlenende overheid niet inhoudt dat op elk van de in beroep aangevoerde argumenten in detail een antwoord wordt gegeven. Het is echter noodzakelijk dat de beslissing duidelijk de fundamentele redenen doet kennen waaruit kan worden afgeleid waarom de beroepsargumenten niet worden aangenomen. Dit is in casu niet het geval. De hinderaspecten die werden opgeworpen, werden niet, of zeer summier en kort door de bocht weerlegd. Tevens stellen de verzoekende partijen vast dat de verwerende partij antwoordt dat het “argument dat ook de naastgelegen woning lichthinder zou kunnen ondervinden, niet van die aard is de argumentatie van verwerende partij te weerleggen”. Feit is dat zij in de bestreden beslissing op geen enkele manier rekening heeft gehouden met de lichthinder die wordt veroorzaakt aan de naastgelegen woning en de argumenten hieromtrent, wat overigens ook niet ontkend wordt. Met betrekking tot de geluidshinder kunnen de bevindingen van de bewoners niet zomaar genegeerd worden en dienen zij in de beoordeling te worden betrokken. De verwerende partij ontkent trouwens niet dat zij de momenten met weinig autoverkeer niet mee in overweging heeft genomen. Daarnaast verwerpen VII-40.241-17/26 de verzoekende partijen de beschuldiging dat zij verwarring trachten te stichten maar dat zij op basis van de feitelijke vaststellingen in het dossier aanvoeren dat het aantal klanten dat wordt vooropgesteld incorrect is. De verwerende partij weerlegt dit argument niet en heeft gemakkelijkheidshalve blind het referentiecijfer vanuit het aanvraagdossier overgenomen. De verwerende partij had zelf moeten nagaan of dit cijfer al dan niet kon overeenstemmen met het realistisch aantal te verwachten klanten, minstens had zij moeten motiveren waarom dit cijfer volgens haar dan wel of niet correct was. Door haar kennis van zaken kon de verwerende partij dit aantal beter inschatten in plaats van harde bewijzen ter zake te verlangen van de verzoekende partijen. Zij stelt eveneens dat niet van haar kan worden verwacht dat zij een deskundige zou aanstellen om de gemaakte onderzoeken te controleren op hun waarheidsgetrouwheid. De verwerende partij dient daarentegen wel alle elementen van het dossier naast elkaar te leggen en af te wegen, en zelf gemotiveerd te oordelen. Indien zij dit had gedaan, had zij tot het besluit moeten komen dat de in- en uitrit weldegelijk te smal is. Minstens kan zij ter weerlegging van dit argument niet louter volstaan door de breedtes van de in- en uitrit te vermelden, waarbij zij geen rekening houdt met het vrachtverkeer dat in en uit zal rijden. Tevens stelt zij dat zij enkel rekening kan houden met alle precieze, relevante en gekende feiten. Aldus kon zij, doordat er duidelijk genoeg precieze gekende gegevens voorhanden zijn met betrekking tot de heraanleg van het fietspad, hiermee rekening houden bij haar beoordeling. Ten slotte wijzen de verzoekende partijen erop dat zij geenszins tegelijk de schending van de formele- en materiëlemotiveringsplicht aanvoeren. De verwerende partij is niet ingegaan op een aantal aangevoerde bezwaren, waardoor de formelemotiveringsplicht wordt geschonden. Concreet betekent dit dat de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen met betrekking tot de bouw- en rooilijn, in de beslissing zelf niet worden teruggevonden, en samen met de beslissing niet aan de betrokkenen werd meegedeeld, terwijl dit wel vereist is. Met haar motivering van de overeenstemming met de bestemmingsvoorschriften en de hinderaspecten schendt de verwerende partij de materiëlemotiveringsplicht. De overheid moet de feitelijke en juridische overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en zij moet afdoende motiveren, wat te dezen niet gebeurd is. De feitelijke VII-40.241-18/26 gegevens die in het vergunningsbesluit worden vermeld, moeten afdoende verantwoorden waarom het aangevraagde overeenstemt met de goede ruimtelijke ordening. Er kan hierbij geen rekening gehouden worden met de gegevens en redenen die in dat verband in de memorie van de verwerende partij worden vermeld. De verwerende partij voldoet dus niet aan haar opgelegde motivatieplicht wat betreft hinderaspecten en de bestemmingsvoorschriften. Zij betrekt het landelijke aspect van het woongebied en de specifieke omstandigheden van de omgeving niet bij haar beoordeling. Bovendien laat zij vele hinderaspecten onbehandeld, en neemt zij de meeste beweringen gewoon over uit het aanvraagdossier zonder zelf een concrete eigen beoordeling te maken met deugdelijke motieven.
  31. De verzoekende partijen benadrukken in de laatste memorie “dat het tankstation niet enkel wordt ingeplant in een woongebied, maar bovendien in een woongebied met landelijk karakter. Dit betekent dat het landelijke aspect, nog véél meer dan in een woongebied, gevrijwaard moet worden en dat hinderlijke inrichtingen niet per definitie toegelaten kunnen worden”. De verwerende partij neemt “dit landelijk aspect [nergens] mee in de beoordeling. Het is bovendien niet […] omdat dit landelijk aspect al onder druk zou staan, dat iedere verdere aantasting zomaar kan geduld worden, integendeel”. Beoordeling
  32. Woongebieden met landelijk karakter zijn luidens artikel 6.1.2 van het inrichtingsbesluit een nadere aanwijzing van woongebieden. De artikelen 5.1.0 en 6.1.2.2 van het inrichtingsbesluit zijn op deze gebieden van toepassing. Artikel 5.1.0 van het inrichtingsbesluit bepaalt: “De woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor VII-40.241-19/26 sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven. Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving”. Artikel 6.1.2.2 van hetzelfde besluit bepaalt: “1.2 Aangaande de woongebieden kunnen de volgende nadere aanwijzingen worden gegeven: […] 1.2.2 de woongebieden met een landelijk karakter zijn bestemd voor woningbouw in het algemeen en tevens voor landbouwbedrijven”. Uit de samenlezing van voormelde bepalingen volgt dat woongebieden met landelijk karakter bestemd zijn voor wonen enerzijds en voor landbouw anderzijds en dat inrichtingen voor ambacht of kleinbedrijf in een woongebied met landelijk karakter slechts mogen worden toegestaan onder de dubbele voorwaarde dat zij niet wegens de “taken” van bedrijf die zij uitvoeren, om redenen van goede ruimtelijke ordening, in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, met andere woorden dat zij bestaanbaar zijn met de bestemming woongebied met landelijk karakter, en dat zij verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving. Bij het beoordelen van de bestaanbaarheid met de bestemming woongebied met landelijk karakter, dient rekening gehouden te worden met de aard en de omvang van het bedrijf, waardoor dat laatste inzonderheid om redenen van ruimtelijke ordening niet in het betrokken woongebied met landelijk karakter kan worden ingeplant, ofwel wegens het intrinsiek hinderlijk of storend karakter van het bedrijf, ofwel wegens het bijzonder karakter van het woongebied met landelijk karakter. Bij het beoordelen van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving, dient te worden uitgegaan van de specifieke kenmerken van de onmiddellijke omgeving die voornamelijk afhankelijk zijn van de aard en het gebruik of de bestemming van de in die omgeving bestaande gebouwen of open ruimten.
  33. Luidens artikel 17, eerste lid, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning dient de beslissing over de vergunningsaanvraag met redenen omkleed te zijn. De vereiste van een formele motivering is vervat in VII-40.241-20/26 artikel 52, 3°, van Vlarem I. Luidens artikel 52, 3°, van Vlarem I moet de uitspraak over het administratief beroep tegen een in eerste aanleg genomen beslissing over een milieuvergunningsaanvraag een gemotiveerde beslissing omvatten over de aanspraken of bezwaren die door de indieners van het beroep werden gesteld. Een afdoende motivering veronderstelt dus dat in een beslissing zoals de thans bestredene een antwoord wordt gegeven op de bezwaren en aanspraken die een omwonende tijdens de vergunningsprocedure naar voor heeft gebracht. Hoewel kan worden aangenomen dat die specifieke motiveringsvereiste niet inhoudt dat expliciet en in detail een antwoord wordt gegeven op elk van de in beroep aangevoerde argumenten, is het niettemin noodzakelijk dat de beslissing duidelijk de fundamentele redenen doet kennen die haar verantwoorden en waaruit kan worden afgeleid waarom de in beroep verdedigde stellingen niet worden aangenomen. De artikelen 2 en 3 van de motiveringswet verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dit op een afdoende wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De artikelen 21, § 2, 2°, en 29, 2°, van Vlarem I vereisen een afdoende stedenbouwkundige toetsing van de milieuvergunningsaanvraag die moet worden onderscheiden van de beoordeling van de vergunningsaanvraag uit milieuhygiënisch oogpunt.
  34. De bestreden beslissing vat de op de ruimtelijke ordening betrokken beroepsargumenten van de verzoekende partijen als omwonenden, als volgt samen: “- er is strijdigheid met de bestemmingsvoorschriften en de goede ruimtelijke ordening: - nog steeds is er onvoldoende vrije ruimte ten opzichte van de achterste perceelgrens en wordt de last volledig op het achterliggende terrein gelegd; VII-40.241-21/26 nog steeds is er onvoldoende afstand ten opzichte van de linker perceelgrens en onvoldoende groenbuffer voorzien; - samengevat blijkt uit het dossier dat het project de goede ruimtelijke ordening in het gedrang brengt, omwille van het probleem van functionele inpasbaarheid; binnen een straal van 100 meter van de inplantingsplaats is een twaalftal woningen aanwezig; zowel de woningen als het perceel in aanvraag liggen in woongebied met landelijk karakter; - dit betekent dat het landelijke aspect, nog véél meer dan in een woongebied, gevrijwaard moet worden en dat hinderlijke inrichtingen niet per definitie toegelaten kunnen worden; wanneer zij te veel hinder veroorzaken, zoals in casu, moeten zij in een daarvoor bestemd gebied voorzien worden; - een tankstation is alleen mogelijk wanneer de dienstverlenende functie ondergeschikt blijft aan de woonfunctie, hetgeen in casu niet het geval is; - er zijn de problemen van de mobiliteitsimpact en de schaal; ruimtegebruik en bouwdichtheid of hinderaspecten”.
  35. Na de overwegingen dat de vergunde inrichting in een woongebied met landelijk karakter is gelegen, de afdeling GOP (Ruimte) een gunstig advies heeft verleend, het beroep betrekking heeft op het verlenen van de vergunning voor het exploiteren van een nieuw tankstation, in een straal van 100 meter rondom de perceelsgrens van de inrichting 18 woningen zijn gelegen en de dichtste woning op circa 3 meter van de perceelsgrens van de inrichting ligt, tijdens het openbaar onderzoek één bezwaar namens twaalf partijen werd ingediend die betrekking heeft op allerlei hinder en strijdigheid met de goede ruimtelijke ordening, de CNG-installatie en bijbehoren moet worden geweigerd, aan een aantal afstandsregels is voldaan, en na de overwegingen vanuit milieuhygiënisch oogpunt, volgen in de bestreden beslissing de overwegingen vanuit stedenbouwkundig oogpunt: “Overwegende dat de exploitatie volgens het gewestplan Mechelen gelegen is in een woongebied met landelijk karakter; Overwegende dat als planologische voorschriften de artikelen 5 en 6 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen gelden; Overwegende dat de inrichting in overeenstemming is met de planologische bestemming en de planologische voorschriften voor zover ze verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving; dat de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving beoordeeld wordt aan de hand van de criteria van de goede ruimtelijke ordening en de hinder voor de omgeving; Overwegende dat voor de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening verwezen wordt naar de beginselen zoals voorzien in artikel 4.3.1, §2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO); dat de onmiddellijke VII-40.241-22/26 omgeving van de aanvraag functioneel hoofdzakelijk een woonomgeving betreft; dat de gebouwen in de onmiddellijke omgeving van de aanvraag hoofdzakelijk vrijstaande eengezinswoningen en ook enkele handelspanden betreffen; dat er binnen een straal van 100 meter van de inplantingsplaats twaalf woningen aanwezig zijn; dat op een afstand van iets meer dan 100 meter van de gevraagde inplantingsplaats reeds een tankstation gevestigd is; dat het functioneel verenigen van een bijkomend tankstation met de bestaande woonomgeving, gelet ook op het feit dat het hier over een gewestweg gaat waar dergelijke inrichtingen vrij frequent voorkomen, niet onmogelijk is, maar wel bijzondere aandacht voor de inplantingswijze en buffering naar de omgeving toe vereist; dat de geplande bovengrondse constructies beperkt blijven qua oppervlakte en hoogte; Overwegende dat de site gelegen is langs de gewestweg N17, die loopt van west naar oost en de verbinding maakt tussen Dendermonde en Willebroek; dat het perceel langwerpig van vorm is; dat de breedte langs de weg meer dan 90 meter bedraagt, terwijl de diepte ongeveer 22 meter is; dat het perceel paalt aan de zuidoostelijke zijde van een rotonde waar naast de doorgaande gewestweg N17 ook nog twee woonstraten op aansluiten, namelijk Fok aan de noordelijke zijde en de Heibosstraat aan de zuidelijke zijde; dat er per dag een 150-tal klanten verwacht worden; dat uit het gunstige (sub)advies van AWV blijkt dat de inrichting voor geen bijkomende verkeershinder zal zorgen op de gewestweg N17; dat de mobiliteitsimpact tot een aanvaardbaar niveau beperkt wordt; Overwegende dat de aangevraagde inrichting verenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening”.
  36. De aangehaalde motivering doet er van blijken dat van de dubbele voorwaarde in de artikelen 5.1.0 en 6.1.2.2 van het inrichtingsbesluit waaraan de vergunde exploitatie van de inrichting moet worden getoetst en voldoen, enkel de beroepsargumenten van de verzoekende partijen omtrent de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving worden beantwoord. De beroepsargumentatie van de verzoekende partijen in verband met de strijdigheid en dus de onbestaanbaarheid van de exploitatie van de inrichting met het bestemmingsvoorschrift woongebied met landelijk karakter, omwille van het bijzonder, in casu landelijk, karakter van het betrokken woongebied, en omwille van de aard en het intrinsiek hinderlijk karakter van de exploitatie van de inrichting met een dienstverlenende functie die niet ondergeschikt is aan de woonfunctie, waardoor de inrichting “in een daarvoor bestemd gebied [moet] voorzien worden”, wordt slechts beantwoord met de loutere affirmatie dat de inrichting “verenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften”. De bestreden beslissing doet aldus niet duidelijk de fundamentele VII-40.241-23/26 redenen kennen die haar kunnen verantwoorden en waaruit zou kunnen worden afgeleid waarom de in beroep door de verzoekende partijen verdedigde stelling van de onbestaanbaarheid van de exploitatie van de inrichting met voormeld bestemmingsvoorschrift, niet wordt aangenomen.
  37. Het middel is gegrond. VI. Kosten
  38. De kosten dienen ten laste van de verwerende partij te worden gelegd. Deze kosten omvatten het rolrecht van 200 euro per verzoekende partij en een bijdrage van 20 euro per verzoekende partij, zoals bepaald bij artikel 66, 6°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof evenwel in het kader van het beroep tot vernietiging van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’ en van de wet van 26 april 2017 ‘houdende de regeling van de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand voor wat de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft’, de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017, zoals het is ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 26 april
  39. Bijgevolg is er, op grond van de erga omnes en retroactieve werking van het voormelde arrest, aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdragen. VII-40.241-24/26 BESLISSING
  40. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 24 januari 2018 dat het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 22 juni 2017 waarbij vergunning wordt verleend aan de nv Etablissementen J. Maes Zonen voor het exploiteren van een tankstation aan de Provincialeweg 10 te Sint-Amands, - gedeeltelijk gegrond verklaart, - artikel 1 van de beroepen beslissing van de deputatie wijzigt, - de overige bepalingen van de beroepen beslissing van de deputatie bevestigt.
  41. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  42. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 1.000 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
  43. De onterecht betaalde bijdragen ten bedrage van 80 euro dienen te worden terugbetaald aan de verzoekende partijen. VII-40.241-25/26 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig februari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.241-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.905 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.