id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.907 Rolnummer: A. 225614/VII-40325 Zaak: Arrest 249907 - Milieuvergunningen - 25/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-15 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-20 00:27 Fiche Arrest nr 249.907 van 25 februari 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 249.907 van 25 februari 2021 in de zaak A. 225.614 /VII-40.325 In zake : 1. Eleni OUZOUNAKIS 2. René VAN DER STICHELEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Rahim Samii en Tobias Burms kantoor houdend te 1000 Brussel Lloyd Georgelaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN VLAAMS-BRABANT -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 4 juli 2018, sterkt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 12 april 2018 houdende het verlenen van een milieuvergunning klasse 2 onder voorwaarden aan de bvba PVG Projects voor het uitbaten van een carwash gelegen aan de Leuvensesteenweg 623 te Zaventem. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 243.640 van 7 februari 2019 werd het verzoek van de bvba PVG Projects tot tussenkomst in de schorsingsprocedure ingewilligd en is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. VII-40.325-1/7 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 januari 2021. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tobias Burms, die verschijnt voor de verzoekende partijen, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. De feiten werden uiteengezet in arrest nr. 243.640 van 7 februari 2019. VII-40.325-2/7 IV. Onderzoek van het derde middel Standpunt van de partijen 4. De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 9, § 5bis, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna: milieuvergunningsdecreet), artikel 4.3.2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het zorgvuldigheidsbeginsel, en de materiëlemotiveringsplicht. Volgens de bij de vergunningsaanvraag gevoegde “project-MER-screening” betreft het voorwerp van de vergunningsaanvraag een industrieterreinontwikkeling, in de zin van bijlage III, 10. Minstens had de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant, gelet op de devolutieve werking van het beroep, over die screening uitspraak moeten doen. De bestreden akte mist elke motivering op het vlak van screening. Enkel om deze reden is de bestreden beslissing onwettig. De voorafgaande screening om te beoordelen of het project al dan niet aanzienlijke milieueffecten kan hebben, kadert binnen de Vlaamse MER-regelgeving die het gevolg is van de omzetting van richtlijn 2011/92/EU, en gebiedt dienvolgens een eigen beoordeling en uitdrukkelijke motivering. De “evaluatie van het beroepschrift en het verslag van het onderzoek” waarvan sprake in de bestreden akte, kan dus niet gelden als een verantwoording voor de aanvaarding van de screening. De beoordeling moet bovendien op concrete wijze geschieden en rekening houden met de eigenheid van de voorafgaande screening, die inhoudt dat in een eerste beoordeling wordt nagegaan of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Ook hiervan is geen sprake in de bestreden akte. VII-40.325-3/7 5. De verwerende partij antwoordt dat de bestreden beslissing wat de MER-screening betreft, wel voldoende is gemotiveerd. De MER-screeningsnota behandelt de volgende aspecten: luchtverontreiniging, afvalwaterlozingen, geluid en trillingen en verontreiniging van bodem en grondwater. In de bestreden beslissing worden al deze aspecten eveneens beoordeeld. Het is duidelijk dat de verwerende partij tot haar besluit is gekomen op basis van een juiste beschrijving en inschatting van de effecten en dit besluit in redelijkheid verantwoord is. Zij heeft dit op afdoende wijze gemotiveerd. 6. De verzoekende partijen voegen toe dat waar de verwerende partij stelt zich te hebben uitgesproken over “de luchtverontreiniging, afvalwaterlozingen, geluid en trillingen en verontreiniging van bodem en grondwater” deze selectieve en arbitraire motivering, geen afdoende toetsing vormt om te bepalen of het project geen schadelijke gevolgen zal hebben, zoals voorgeschreven door het DABM. Beoordeling 7. Er wordt niet betwist dat de aanvraag valt onder bijlage III, rubriek 10
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.