id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.909 Rolnummer: A. 225201/VII-40269 Zaak: Arrest 249909 - Milieuvergunningen - 25/02/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-15 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-20 00:29 Fiche Arrest nr 249.909 van 25 februari 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 249.909 van 25 februari 2021 in de zaak A. 225.201/VII-40.269 In zake :
- Wilfried POLLET
- Jacques LOUWAEGE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bram Vandromme kantoor houdend te 8500 Kortrijk Nelson Mandelaplein 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 9600 Ronse Grote Markt 33 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV EDF LUMINUS, thans de NV LUMINUS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tom Malfait en Vanessa Mcclelland kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 14 mei 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 15 maart 2018 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 21 september 2017, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de nv EDF LUMINUS voor een windturbinepark, gelegen aan de Krekebekestraat te VII-40.269-1/15 Kortemark, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing deels wordt gewijzigd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De nv EDF LUMINUS heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 21 augustus
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verzoekers en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 februari
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bruno Persyn, die loco advocaat Filip Vincke verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Vanessa Mcclelland, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- VII-40.269-2/15 III. Feiten 3.
- Op 22 februari 2017 dient de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag in voor de exploitatie van twee windturbines met een nominaal vermogen van elk 3.600 kW, een transformator met een vermogen van 3.800 kVA en een tijdelijke bronbemaling, gelegen aan de Krekebekestraat in Kortemark. Volgens het geldende gewestplan liggen de windturbines in agrarisch gebied. 3.
- Tijdens het openbaar onderzoek worden 933 bezwaarschriften ingediend. 3.
- De adviezen in eerste aanleg zijn alle gunstig, behalve het advies van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kortemark. 3.
- Nadat de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen de beslissingstermijn heeft verlengd, vergunt zij op 21 september 2017 het gevraagde mits beperking van de rotordiameter, de rotorhoogte en de tiphoogte. 3.
- Zowel de gemeente Kortemark als enkele buurtbewoners tekenen tegen deze beslissing beroep aan. Ook de tussenkomende partij dient een beroep in, gelet op de opgelegde beperkingen aan de windturbines. 3.
- In graad van beroep worden volgende adviezen ingewonnen: - het Vlaams Energieagentschap (16 november 2017): gunstig subadvies; - het Directoraat-generaal Luchtvaart (23 november 2017): voorwaardelijk gunstig subadvies; - de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -projecten van het departement Omgeving (“AGOP Ruimte”) (4 december 2017 en 20 februari 2018): gunstige adviezen; - de afdeling GOP Milieu van het departement Omgeving (7 december 2017): voorwaardelijk gunstig advies; - de dienst Waterlopen van de provincie West-Vlaanderen (7 december 2017): voorwaardelijk gunstig subadvies; VII-40.269-3/15 - de Gewestelijke Milieuvergunningscommisie (12 december 2017): voorwaardelijk gunstig advies. 3.7 De minister verklaart de beroepen gedeeltelijk gegrond en verleent bij besluit van 15 maart 2018 de vergunning, waarbij de beperkingen die door de deputatie van de provincieraad werden opgelegd worden geschrapt, en een aantal bijzondere vergunningsvoorwaarden worden toegevoegd. De bestreden beslissing bevat een aantal overwegingen die bij ministerieel besluit van 21 juni 2018 worden geschrapt omdat zij betrekking hebben op een ander, vergund windturbineproject. Deze beslissing van 21 juni 2018 wordt door de gemeente Kortemark aangevochten met het annulatieberoep bij de Raad van State A. 226.021/VII-40.
- Op 18 augustus 2017 verleent de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar de stedenbouwkundige vergunning aan de tussenkomende partij. Hiertegen worden drie beroepen ingesteld bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb). Bij arrest nr. RvVb-A-1819-0462 van 8 januari 2019 wordt deze beslissing vernietigd. IV. Onderzoek van het derde middel Standpunten van de partijen
- In hun derde middel voeren de verzoekers de schending aan van artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, artikel 4.3.1, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, de artikelen 21, § 2, 2°, 29, 2°, en 52, 3°, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van de materiëlemotiveringsplicht, en het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. VII-40.269-4/15 Zij betogen dat het al dan niet bestaan of de noodzaak van een stedenbouwkundige vergunning de milieuvergunningverlenende overheid niet ontslaat van de verplichting tot het maken van een zelfstandige afdoende toets aan de vigerende planologische voorschriften en aan de voorwaarden die decretaal uit deze toets voortvloeien. De milieuaanvraag dient eveneens getoetst te worden aan de goede ruimtelijke ordening en de onmiddellijke omgeving. De verzoekers sommen een aantal concrete afwegingen uit de bestreden beslissing op die de vergunningsbeslissing ruimtelijk zouden moeten motiveren en zouden moeten aantonen dat het plaatsen van de windturbines overeenstemt met de basisprincipes van de omzendbrief RO/2014/
- Zij kunnen zich, kort samengevat, onder meer om de volgende redenen niet verzoenen met de motivering van de bestreden beslissing. Via “knippen en plakken” zijn elementen uit “andere beslissingen” in de bestreden beslissing terechtgekomen, onder meer waar sprake is van de “N32” en de “spoorlijn Torhout Lichtervelde”. De verzoekers betwisten dat de turbines slechts “naalden” zouden vormen in het landschap en dat hun impact daarom beperkt zou blijven. De turbines zijn immers van het grootste type, met een hoogte tot 180 meter, en zouden zo uit hun aard al meteen erg beeldbepalend zijn. Voorts is de zone waar de turbines worden ingeplant wel degelijk zo goed als integraal openruimtegebied. De impact van het bedrijventerrein Dujardin wordt volgens hen zwaar overschat. Met de bestreden beslissing wordt de Krekebeekvallei, steeds volgens de verzoekers, ten onrechte gedegradeerd tot een weinig waardevolle zone. Het landschap in de omgeving van de geplande windturbines, is nochtans VII-40.269-5/15 beschermenswaardig en betreft wel degelijk net één van de weinig resterende openruimtegebieden in het tussengebied tussen Handzame en Kortemark. Bovendien is de bestreden beslissing volgens de verzoekers niet in overeenstemming met de omzendbrief RO 2014/
- Er is immers geen sprake van enige bundeling of clustering. Zij argumenteren daarbij in essentie dat er in de onmiddellijke omgeving nog geen windturbines zijn ingeplant, dat het slechts om twee windturbines gaat zodat er geen sprake is van een “cluster”, dat er evenmin sprake is van een inplanting evenwijdig met de aanwezige lijninfrastructuren of van een voldoende koppeling met de bestaande lijninfrastuctur -de Staatsbaan en de spoorweg kunnen overigens niet afdoende als lijninfrastructuur worden beschouwd- en, ten slotte, dat het project niet aansluit bij de schaal en bestaande toestand van het landschap in kwestie.
- De verwerende partij stelt daar tegenover dat er “een administratieve vergissing (blijkt) gebeurd te zijn, waarbij elementen uit een ander dossier in de bestreden beslissing terecht zijn gekomen”. Zij verwijst naar de “wijzigende” ministeriële beslissing van 21 juni 2018 die “de gewraakte passage” volledig schrapt. Met verwijzing naar een kaart van het gewestplan betoogt de verwerende partij dat het toepasselijke landbouwgebied wordt doorsneden door woongebieden en door lijninfrastructuur, dat er verspreide bebouwing en industrie is, en dat de beoordeling als “structureel aangetast landbouwgebied” verre van onredelijk is. Aangezien bedrijfsgebouwen quasi nooit hoger zijn dan te dezen het geval is, kan de hoogte van een gebouw volgens de verwerende partij eigenlijk geen criterium zijn voor de beoordeling van de grootschaligheid, en kan de VII-40.269-6/15 beoordeling door de minister van het gebouw van de nv Dujardin als grootschalig onmogelijk onredelijk worden genoemd. Wat de kritiek betreffende de windturbines als “naaldvormig element” betreft, geldt volgens de verwerende partij dat de windturbines “hoewel groot, niet echt dominant zijn, mede door de matte kleur die weinig afsteekt tegen de lucht en niet weerkaatst”. Wat de beweerde strijdigheid met de omzendbrief RO 2014/02 betreft wijst de verwerende partij er vooreerst op dat de bestreden beslissing goed uiteenzet waarom er geen drie kleine turbines ingeplant worden maar wel twee grote -“meer rendement en minder hinder”- , zodat er geen strijdigheid met de omzendbrief is en, mocht die er al zijn, er op gemotiveerde wijze van wordt afgeweken. De kritiek dat de inplanting had behoren te gebeuren evenwijdig met de lijninfrastructuur en de kritiek op het ontbreken van een koppeling met bestaande lijninfrastructuur, noemt de verwerende partij argumenten van stedenbouwkundige aard. Zij verwijst eveneens naar de wijzigende ministeriële beslissing van 21 juni
- De tussenkomende partij wijst erop dat door de schrapping bij ministerieel besluit van 21 juni 2018 van de drie paragrafen in de bestreden beslissing die betrekking hebben op een windturbineproject van een andere ontwikkelaar, geen nieuwe motivering werd toegevoegd aan de thans bestreden beslissing. Deze paragrafen zouden allerminst een veruitwendiging vormen van de beoordelingsgronden en de motieven die tot de bestreden beslissing hebben geleid. De overige tekst hangt volgens haar op geen enkele manier samen met de betrokken overtollige paragrafen. De zichtbaarheid van de windturbines in het landschap is volgens de tussenkomende partij onvermijdelijk, maar impliceert niet automatisch dat de turbines afbreuk doen aan de landschappelijke kwaliteiten van het gebied. VII-40.269-7/15 Gelet op de vormgeving en de hoogte van de aangevraagde windturbines blijft volgens haar de impact op het niveau van het gezichtsveld beperkt. De aantakking van het project bij het geheel van structurerende elementen impliceert, steeds volgens de tussenkomende partij, een verdere minimalisering van de eventuele impact op het gebied. Wat de kritiek betreft als zou de bestreden beslissing niet in overeenstemming zijn met de omzendbrief RO/2014/02, noemt de tussenkomende partij het middel niet ontvankelijk aangezien een vermeende schending van deze omzendbrief volgens vaste rechtspraak van de RvVb, gelet op het ontbreken van een verordenend karakter, geen aanleiding kan geven tot de onwettigheid van een vergunningsbeslissing. Anderzijds betwist zij niet dat het afwegingskader in deze omzendbrief RO/2014/02 dienstig kan zijn bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening. Volgens haar heeft de verwerende partij wel degelijk rekening gehouden met de principes uit de omzendbrief, en in het bijzonder met het clusterings- en bundelingsprincipe. Wat de kritiek van de verzoekers in verband met dit principe betreft, wijst de tussenkomende partij erop dat de motiveringsplicht niet vereist dat de vergunningverlenende overheid punt voor punt de ongunstige adviezen en bezwaren weerlegt, maar dat het voldoende is dat uit het vergunningsbesluit kan worden afgeleid waarom de adviezen en/of bezwaren niet werden gevolgd. Dit is te dezen het geval, aangezien de bestreden beslissing de keuze voor twee in plaats van drie windturbines uitdrukkelijk motiveert door te wijzen op de onmogelijkheid van de realisatie van de derde turbine, gelet op het principe van de energetische optimalisatie. De afwijking van het clusteringsprincipe is volgens de tussenkomende partij bijgevolg gebaseerd op in rechte en in feite aanvaardbare en redelijke motieven.
- In haar laatste memorie voegt de tussenkomende partij toe dat in de bestreden beslissing de inplanting haar windturbineproject duidelijk wordt VII-40.269-8/15 getoetst aan de in de omgeving aanwezige landschapselementen, namelijk de spoorlijn en de gewestweg, en dat er duidelijk wordt verwezen naar de lokalisatienota van de tussenkomende partij, zodat deze nota moet worden geacht deel uit te maken van de bestreden beslissing. Beoordeling
- De omzendbrief RO/2014/02 heeft geen verordenende kracht. Een gebeurlijke miskenning van niet-bindende bepalingen kan niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing leiden. Dit belet niet dat de bestreden beslissing waarin, rekening houdend met het richtkader voor de optimale inplanting van grootschalige windturbines, wordt aangenomen dat het aangevraagde verenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening, dient te steunen op in feite aanvaardbare motieven die met de vereiste zorgvuldigheid zijn vastgesteld. Bij de beoordeling van de verenigbaarheid van het aangevraagde met de goede ruimtelijke ordening dient een vergunningverlenend bestuursorgaan bovendien rekening te houden met de bestaande toestand van de relevante omgeving en dient zij de aanvraag op dat punt des te zorgvuldiger te onderzoeken indien er bezwaren of ongunstige adviezen zijn ingediend tijdens de administratieve procedure. De overeenstemmende stedenbouwkundige vergunning heeft het voorwerp uitgemaakt van een annulatieberoep bij de RvVb, die op 8 januari 2019 de bestreden stedenbouwkundige beslissing onder meer op basis van de volgende vaststellingen vernietigt: “De beoordeling in de bestreden beslissing die betrekking heeft op de gekozen locatie voor het betrokken project is niet eenduidig. Enerzijds worden, bij de beoordeling van de bezwaren, de gewestweg en spoorweg gezien als infrastructuur die markant en duidelijk in het landschap zichtbaar zijn, wordt verwezen naar de ‘hoge en heel omvangrijke gebouwen van het bedrijf Dujardin waarvan de impact voor zich spreekt’, naar de industriezone aan de overzijde van de spoorweg en naar de aantakking bij de kernen van Kortemark en Handzame. Die VII-40.269-9/15 elementen worden gezien als structurerende elementen in het bestaande landschap [...]. Uit diezelfde beoordeling [...] blijkt dat de verwerende partij, verwijzend naar het GRS, uitgaat van een landschap dat tussen Handzame en Kortemark ‘van een andere orde’ is dan de Handzamevallei ten westen van Handzame. Er is volgens de verwerende partij duidelijk sprake van een ruimtelijke segmentering in de vallei kenmerken. Het gebied tussen de beide dorpskernen wordt gezien als een kleinere landschapskamer, dat niet dezelfde openheid heeft als de vallei ten westen van Handzame, dat gekenmerkt is door grote vrij rechthoekige landbouwpercelen en weinig kleine landschapselementen en dat aangetast is door het bedrijf Dujardin. De aanwezigheid van turbines heeft, volgens deze beoordeling, geen relevante negatieve impact op de plaatselijke landschapswaarden op maaiveldniveau die omwille van het puntkarakter en het smalle hoge profiel van de turbines nog steeds waarneembaar zijn. Er wordt gesteld dat de turbines vanuit de wijdere omgeving de beëindiging van de natuurlijke Handzamevallei en de nakende kern van Kortemark kunnen accentueren. Anderzijds, bij de beoordeling van de functionele inpasbaarheid onder de titel ‘beoordeling van de goede ruimtelijke ordening’, wordt overwogen dat de keuze van inplanting in overeenstemming is met de basispremissen vervat in de voormelde omzendbrief, het PRS en het GRS. Er wordt in die beoordeling wel akkoord gegaan met de vaststelling dat de gewestweg en spoorweg op zich onvoldoende structurerend zijn om een windturbinepark te dragen, maar er wordt overwogen dat de gebundelde ligging van 2 lijninfrastructuren, samen het bedrijf Dujardin en de kernen van Kortemark en Handzame wel de inplanting verantwoorden. Er wordt aan toegevoegd dat met de inplanting wordt gestreefd om het project zo veel als mogelijk te laten aansluiten bij de schaal en de opbouw van het landschap in zijn huidige vorm zonder de structuren of essentiële functies aan te passen. Er kan niet anders dan vastgesteld worden dat de verwerende partij de inpasbaarheid van het aangevraagde in dezelfde beslissing op twee verschillende wijzen beoordeelt. In de ene beoordeling wordt de nadruk gelegd op de aantasting van het bestaande landschap door markante infrastructuur en wordt geoordeeld dat het aangevraagde geen relevante negatieve impact heeft op het landschap en zelfs een nieuw accent kan zijn. In de andere beoordeling wordt enkel het samengaan van een aantal infrastructuren gezien als een verantwoording voor de inplanting van het aangevraagde en geoordeeld dat het aangevraagde ‘zoveel als mogelijk’ aansluit bij het bestaande landschap. Uit het voorgaande kan enkel besloten worden dat de niet-eenduidige redengeving in de bestreden beslissing elementaire overtuigingskracht mist en niet kan leiden tot de vaststelling, zoals in het bestreden beslissing, dat het aangevraagd project in overeenstemming is met niet nader genoemde basispremissen van de omzendbrief RO/2014/
- Essentieel bij de beoordeling of een windturbineproject al dan niet in overeenstemming is met het kader voor de optimale inplanting van grootschalige windturbines, is een zorgvuldige beoordeling van het bestaande landschap en de kwaliteiten ervan en een zorgvuldige beoordeling of een aangevraagd project van windturbines inpasbaar is in dat landschap. De niet-eenduidige VII-40.269-10/15 beoordeling in bestreden besluit kan bezwaarlijk beschouwd worden als een zorgvuldige beoordeling. [...] Bovendien moet vastgesteld worden dat de verwerende partij weliswaar verwijst naar de beschrijving van het bestaande landschap in het GRS, maar enkel, bij de beoordeling van de bezwaren, met deze beschrijving rekening houdt in de mate dat er sprake is van segmentering van het landschap terwijl in het GRS, ondanks de segmenten in het landschap door de lijninfrastructuur en de dorpskernen, de ‘centrale vallei’ als een open ruimte wordt beschreven die tussen de segmenten grotendeels vrij is van bebouwing en gekenmerkt wordt door een wijds weidelandschap en een stelsel van grachten en beken waarbij de bomenrijen die de wegen in de vallei begeleiden als sterke landschappelijke elementen worden beschouwd. Er kan ook niet ingezien worden hoe de omschrijving in de bestreden beslissing van het landschap tussen de dorpskernen als een kleinere landschapskamer, afbreuk kan doen aan de vaststelling dat het gebied waar het aangevraagde wordt ingeplant een open ruimte gebied is. Die vaststelling in het GRS wordt overigens bevestigd, niet alleen door de foto’s die verzoekers voorleggen, maar tevens door de foto’s die deel uitmaken van het aanvraagdossier”. Uit dit arrest dient te worden afgeleid dat de inplanting van de gevraagde windturbines zal geschieden in een openruimtegebied en als zodanig de goede ruimtelijke ordening zal schenden. Deze vaststelling op zich volstaat reeds ter verantwoording van de nietigverklaring van de bestreden beslissing aangezien hierbij wordt uitgegaan van een structureel aangetast landbouwgebied en er geen sprake is van een gaaf openruimtegebied. Bovendien bekritiseren de verzoekers nog op andere, goede gronden de motivering van de bestreden beslissing op het vlak van de ruimtelijke impact. Eén van de voornaamste beginselen van de motiveringsplicht in het Belgisch recht is dat de motivering van een rechtshandeling te vinden moet zijn in de beslissing zelf. De enige uitzondering op deze regel is de motivering bij verwijzing naar door alle betrokkenen bekende stukken, waarbij in het huidige contentieux kan worden gedacht aan voorafgaande adviezen die tijdens de vergunningsprocedure werden ingewonnen. Uit dit beginsel vloeit voort dat geen rekening kan worden gehouden met motieven die niet in de beslissing zelf voorkomen. VII-40.269-11/15 Te dezen verwijst de bestreden beslissing in haar motivering, herhaaldelijk naar de N32, de kernen van Lichtervelde en Torhout, de Roeselaarseweg en de spoorlijn tussen Lichtervelde en Torhout, die gelegen is op een talud. Raadpleging op een landkaart leert evenwel dat de site waarop de windturbines gepland zijn noch langs de N32, noch tussen de kernen Lichtervelde en Torhout en de vermelde spoorlijn en noch langs de Roeselaarseweg gelegen zijn. Aldus blijkt bij het nemen van de bestreden beslissing van verkeerde feitelijke vaststellingen te zijn vertrokken en kan de aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel worden bijgetreden. De argumentatie van de verwerende en de tussenkomende partij als zou deze tekortkoming in de bestreden beslissing zijn “rechtgezet” door de latere beslissing van de minister van 21 juni 2018, kan aan het voorgaande geen afbreuk doen. Gelet op het beginsel dat de motieven van een beslissing in de beslissing zelf terug te vinden moeten zijn, kan deze argumentatie immers niet worden aanvaard. De Raad stelt vast dat de bestreden beslissing niet is ingetrokken en verder van kracht blijft. Overigens verwijst de bestreden beslissing, ook met weglating van deze “overtollige” overwegingen, nog steeds naar de N32 en de spoorlijn, zonder verdere specificaties, zodat zelfs niet kan worden besloten dat, met de aangepaste motivering, er sprake is van een correcte beoordeling van de concrete feiten. Minstens bestaat hierover gerede twijfel. Uit wat voorafgaat volgt dat de exceptie van de tussenkomende partij dat de verzoekers belang ontberen bij het middel -waar het middel kritiek uitoefent op overwegingen die in het ministerieel besluit van 21 juni 2018 worden “rechtgezet”- moet worden verworpen. Zelfs al zou de exceptie gegrond zijn voor wat de schrapping van de bewuste overwegingen in de bestreden beslissing betreft, dan kan zij nog niet tot de onontvankelijkheid van het middelonderdeel leiden, VII-40.269-12/15 aangezien het belang sowieso blijft bestaan door de andere overwegingen waarop het middelonderdeel evenzeer betrekking heeft maar die niet werden geschrapt. De opmerking in de laatste memorie van de tussenkomende partij als zou haar lokalisatienota integraal deel uitmaken van de bestreden beslissing kan er niet aan verhelpen dat de aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is aangetoond. Het derde middel is in de aangegeven mate gegrond. V. Kosten
- De kosten dienen ten laste van de verwerende partij te worden gelegd. Deze kosten omvatten het rolrecht van 200 euro per verzoekende partij en een bijdrage van 20 euro per verzoekende partij, zoals bepaald bij artikel 66, 6°, van het algemeen procedurereglement. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof evenwel in het kader van het beroep tot vernietiging van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’ en van de wet van 26 april 2017 ‘houdende de regeling van de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand voor wat de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft’, de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017, zoals het is ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 26 april
- Bijgevolg is er, op grond van de erga omnes en retroactieve werking van het voormelde arrest, aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdragen. VII-40.269-13/15 BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 15 maart 2018 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 21 september 2017, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de nv EDF LUMINUS voor een windturbinepark, gelegen aan de Krekebekestraat te Kortemark, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing deels wordt gewijzigd.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekers. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. De onterecht betaalde bijdrage van 20 euro dient aan de verzoekers te worden terugbetaald. VII-40.269-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig februari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.269-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.909 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div