← België

Arrest 249934 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 01/03/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.934 Rolnummer: A. 232955/VII-41025 Zaak: Arrest 249934 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 01/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-02 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-20 00:32 Fiche Arrest nr 249.934 van 1 maart 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 249.934 van 1 maart 2021 in de zaak A. 232.955/VII-41.025 In zake: de BV GREENERGY bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Surmont kantoor houdend te 2300 Turnhout Collegestraat 11 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Dewaele kantoor houdend te 8500 Kortrijk Groeningestraat 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 18 februari 2021, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de [Vlaamse Landmaatschappij] overgemaakt bij schrijven van 15 februari 2021, waarbij een verbod werd opgelegd van aanvoer en afvoer van dierlijke mest en andere meststoffen van en naar het bedrijf van de verzoekende partij, vanaf 15 februari 2021 tot en met 15 mei 2021”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. VII-41.025-1/12 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 februari 2021, om 15.00 uur. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jan Surmont, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Pieter Dewaele, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Gegevens van de zaak
  4. Het bedrijf van de verzoekende partij maakt het voorwerp uit van een strafrechtelijk onderzoek naar mestfraude. Het persbericht dat het openbaar ministerie omtrent dit onderzoek heeft gepubliceerd op 11 februari 2021 luidt: In beide onderzoeken zijn tot nu aanwijzingen gevonden van grootschalige fraude met mest, onder meer door het uitvoeren van grote aantallen niet-geregistreerde mesttransporten en het manipuleren van analyseresultaten van staalnames van mest.(...) Uit de aard van de vermoede misdrijven volgt dat er mogelijk risico’s kunnen bestaan voor het milieu of de volksgezondheid. Daarom werden ook de bevoegde bestuurlijke overheden ingelicht, zodat zij eventueel de nodige maatregelen zouden kunnen treffen. Het verdere onderzoek, onder andere door aangestelde deskundigen, zal moeten uitwijzen of deze risico’s zich ook werkelijk hebben voorgedaan. De feiten zijn op dit moment gekwalificeerd als criminele organisatie, valsheid in geschriften, oplichting, inbreuken op het mestdecreet, op het omgevingsvergunningsdecreet, op het decreet algemene bepalingen milieubeleid en op het materialendecreet, inbreuken op de Europese Verordening inzake overbrenging van afvalstoffen en inbreuken op de Europese Verordening inzake dierlijke bijproducten VII-41.025-2/12
  5. Nadat de verwerende partij kennis had gekregen van dit onderzoek, en na toezicht ter plaatse, werd op 15 februari de bestreden beslissing genomen. Deze luidt: Op 11 februari 2021 werd de Mestbank ingelicht door het kabinet van de Vlaamse minister van Omgeving omtrent een lopend gerechtelijk onderzoek rond grootschalige mestfraude waarbij uw bedrijf betrokken is. Toezichthouders van de Mestbank hebben op die dag ook een bezoek gebracht aan uw bedrijf om zich te vergewissen van de situatie ter plaatse. Uit de inlichtingen die wij omtrent het lopend gerechtelijk onderzoek hebben ontvangen, blijkt dat er aanwijzingen zijn dat er op uw bedrijf een aanzienlijk aantal niet-aangegeven mesttransporten hebben plaatsgevonden in de periode vanaf 2017 tot heden, die vertrokken zijn vanaf uw bedrijf. Tevens wordt er melding gemaakt van een manipulatie van de registratiegegevens met het oog op het misleiden van de controlediensten. Het niet-registreren van mesttransporten is een inbreuk op de bepalingen van het Mestdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten. Onder meer houdt dit een inbreuk in van artikel 47 en artikel 48 van het Mestdecreet. Artikel
  6. §
  7. De landbouwer moet de meststoffen op een milieukundig verantwoorde wijze en overeenkomstig de bepalingen van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten afzetten. … §
  8. De producenten van andere meststoffen, de uitbaters van een mestverzamelpunt, een bewerkings-of een verwerkingseenheid zijn ertoe gehouden de in hun bedrijf geproduceerde, verhandelde of overgedragen dierlijke mest en andere meststoffen af te zetten of te exporteren overeenkomstig de bepalingen van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten. … Artikel
  9. §
  10. Het vervoer van dierlijke mest of van andere meststoffen mag enkel gebeuren door daartoe door de Mestbank erkende mestvoerders. … §
  11. Voor elk vervoer van dierlijke mest of andere meststoffen moet de erkende mestvoerder een mest-afzetdocument, waarvan de inhoud, de vorm en het gebruik door de Vlaamse Regering worden bepaald, opmaken. … §
  12. Elk vervoer door een erkende mestvoerder moet vooraf, door de erkende mestvoerder, aan de Mestbank worden gemeld, via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. … Voor elk vervoer van dierlijke mest of andere meststoffen moet de erkend mestvoerder gebruik maken van een systeem van onlinepositiebepaling. De gegevens van het systeem van onlinepositiebepaling worden door de AGR-GPS-dienstverlener aan de Mestbank overgemaakt. De opvolging van de meststromen speelt een belangrijke rol in de realisatie van de doelstellingen van het mestbeleid in Vlaanderen. Voor Vlaanderen zijn de belangrijkste bepalingen van het mestbeleid opgenomen in het Mestdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten. Het Mestdecreet heeft tot doel: VII-41.025-3/12 "de bescherming van het leefmilieu door de waterverontreiniging die wordt veroorzaakt of teweeggebracht door nitraten en fosfaten uit agrarische bronnen te verminderen, verdere verontreiniging van die aard te voorkomen, bij te dragen tot de realisatie van een goede toestand van de watersystemen en de beperking van de luchtverontreiniging als gevolg van de productie en het gebruik van meststoffen. Dit doel wordt ondermeer gerealiseerd door bepalingen inzake de productie, de verhandeling, het gebruik, de bewerking en de verwerking van meststoffen, en dit zowel in het kader van de goede landbouwpraktijken als in het kader van de zorg voor de goede kwaliteit van het water en de bodem." (artikel 2 van het Mestdecreet) Vlaanderen bezit een groot mestoverschot en een ondermaatse waterkwaliteit. Een doeltreffende opvolging van de verschillende meststromen van en naar mestverwerkingsinstallaties, eigen gronden of gronden van derden alsook de eigen exploitaties en deze van derden, vormt een essentieel onderdeel van het Vlaamse Mestbeleid om de waterkwaliteit te verbeteren en er voor te zorgen dat de mestoverschotten niet tot grote milieuproblemen leiden. Mesttransporten die niet geregistreerd zijn of transporten waarvan de gegevens niet overeenstemmen met de werkelijkheid, leiden ertoe dat de nutriëntenstromen op uw bedrijf en op de bedrijven waar u mee samenwerkt, niet overeenstemmen met de realiteit. Dergelijke praktijken houden vaak verband met een niet milieukundig verantwoorde afzet van meststoffen en hebben een negatieve impact op het milieu. Het niet-registreren van de nodige mesttransporten, waarvan uw bedrijf verdacht wordt, houdt een ernstig risico in naar de volksgezondheid, de diergezondheid en het milieu. Gelet op bovenstaande zijn wij dan ook van oordeel dat de bepalingen van het Mestdecreet op uw bedrijf niet steeds correct nageleefd worden, en dat de meststoffen op uw bedrijf niet op een oordeelkundige manier gebruikt worden. De vastgestelde feiten en de impact die deze kunnen hebben op het leefmilieu, vereisen dat er hiertegen opgetreden wordt. Rekening houdend met dit alles zien wij ons dan ook genoodzaakt om maatregelen te nemen om de aanvoer en afvoer van meststoffen van en naar uw bedrijf en uw gronden beter op te volgen zodat alle meststromen van en naar uw bedrijf en uw gronden volledig kunnen opgevolgd worden. Besluit Rekening houdend met bovenstaande elementen wordt de aanvoer en afvoer van dierlijke mest en andere meststoffen van en naar uw bedrijf en uw gronden, in uitvoering van artikel 54 van het Mestdecreet, en de artikelen 9.5.8.1 en volgende van de VLAREME van 28 oktober 2016, vanaf heden tot en met 15 mei 2021, verboden. Bovenstaand verbod heeft betrekking op al de activiteiten die het bedrijf Greenergy BVBA, Dieperstraat 110, 2230 Herselt, uitvoert in het kader van de mestregelgeving, ongeacht de exploitatie waarop of de hoedanigheid (landbouwer, uitbater van een mestverzamelpunt, mestbewerkings- of verwerkingseenheid, ...) waarin deze uitgevoerd worden. Op heden is Greenergy BVBA, Dieperstraat 110, 2230 Herselt, gekend als: • be-verwerkingseenheid met uitbaternummer BV99727100032 VII-41.025-4/12 • landbouwbedrijf met exploitantnummer 16135443 Dit verbod heeft betrekking op alle transporten van dierlijke mest of andere meststoffen van en naar uw bedrijf, met inbegrip van de bedrijfsinterne transporten. Hieronder wordt onder meer begrepen alle transporten die op uw exploitatie of uitbating zouden toekomen of die uw exploitatie of uitbating zouden verlaten, met inbegrip van alle transporten naar eigen gronden of gronden van derden, opslagen of verwerkingsinstallaties, en dit ongeacht of deze tot het bedrijf behoren of niet en ongeacht of het transport al of niet over de openbare weg gaat. Van dit verbod kan, na voorafgaande en schriftelijke toestemming van de Mestbank en indien deze geen inbreuk vormt tegen andere maatregelen die aan uw bedrijf werden opgelegd, afgeweken worden. Voor een vlotte afhandeling van eventuele aanvragen om af te wijken van dit verbod, dient u een aanvraag in te dienen via handhaving.oost@vlm.be, die een motivering van de noodzaak voor het uitvoeren van de betreffende transporten bevat en die:
  13. uiterlijk op de donderdag van de week, voorafgaand aan de week waarin u de transporten wil laten uitvoeren, aan de Mestbank overgemaakt wordt. In geval de donderdag of vrijdag van de week, voorafgaand aan de week waarin u de transporten wil laten uitvoeren, een wettelijke feestdag is, dient u uw aanvraag uiterlijk twee werkdagen voorafgaand aan de week waarin u de transporten wil laten uitvoeren, in;
  14. alle transporten vermeldt die u in de volgende week (maandag tot en met zondag) wil laten uitvoeren;
  15. het overzicht van de transporten die u wil laten uitvoeren, bevat, per transport, minstens volgende informatie: a. geplande datum van transport; b. identiteit van de mestvoerder die het transport zal uitvoeren. Dit moet een externe, onafhankelijke, erkende mestvoerder zijn die niet bij het lopend gerechtelijk onderzoek betrokken is, noch op enigerlei wijze verbonden is met personen die bij het lopend gerechtelijk onderzoek betrokken zijn. Tijdens het transport wordt ten alle tijde gebruik gemaakt van AGR-GPS-opvolging; c. de exacte laad- of losplaats op het bedrijf. Om de exacte laad- of losplaats op het bedrijf te duiden, worden op een luchtfoto alle opslagplaatsen op het bedrijf genummerd. Het nummer van de exacte laad- of losplaats op het bedrijf wordt op het overzicht vermeld. De luchtfoto waarbij alle opslagplaatsen op het bedrijf genummerd zijn, wordt bij het overzicht gevoegd; d. de identiteit van de aan- of afnemer van de meststoffen, met vermelding van de exacte locatie waar de meststoffen gelost zullen worden, ook als het over eigen gronden gaat; e. de geplande hoeveelheid mest die per transport vervoerd zal worden, uitgedrukt in ton; f. de samenstelling van de mest en de mestsoort die vervoerd zal worden. De samenstelling van de mest die vervoerd zal worden, moet bepaald worden op basis van een nieuwe staalname en bijhorende analyse, VII-41.025-5/12 uitgevoerd door een erkend laboratorium. De staalname dient genomen te worden, op een werkdag, door een staalnemer, verbonden aan het betreffende erkende laboratorium en in aanwezigheid van een toezichthouder van de Mestbank. Om dit mogelijk te maken dient u de dienst Handhaving van de Mestbank minstens 3 werkdagen voor de geplande staalname op de hoogte te brengen, met vermelding van de geplande staalnamedatum, het gepland uur van staalname en de identiteit van de staalnemer die de staalname zal uitvoeren.
  16. Een overzicht van eventuele bijkomende voorwaarden die u zal respecteren, om de controleerbaarheid van de transporten te verhogen en een oordeelkundig gebruik van nutriënten te garanderen. Voor aanvragen, ingediend overeenkomstig de hoger vermelde voorwaarden, zijn wij bereid om u, vóór het begin van de week waarin u de transporten wil laten uitvoeren, mede te delen of wij u toestemming verlenen voor de vermelde transporten en in voorkomend geval welke bijkomende voorwaarden u in dit kader dient te respecteren. Wat dit betreft kunnen we u reeds meedelen dat, op basis van de gegevens waarover we in dit dossier beschikken, een eventuele toestemming om bepaalde transporten uit te voeren, vaak gepaard zal gaan met bijkomende voorwaarden, die de controleerbaarheid van de uitgevoerde transporten moeten verhogen, zoals onder meer: 1° de verplichting om het volledige transport (met inbegrip van het laden en het lossen) uit te voeren tussen 8u en 18u; 2° de verplichting om het transport ten laatste de dag voor het transport aan te melden via het MestTransportInternetLoket (MTIL). IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  17. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VII-41.025-6/12 Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunten van de partijen
  18. De verzoekende partij zet de spoedeisendheid uiteen als volgt: De verzoekende partij heeft in deze niet stilgezeten en onmiddellijk na kennisname van het opgelegde verbod via haar milieuconsulent getracht om tot een redelijke oplossing te komen met de Vlaamse Landmaatschappij, hetgeen op 17 februari 2021 in de latere namiddag werd afgewezen. Huidig verzoek werd daarna onmiddellijk ingediend. Het moge dan ook duidelijk zijn dat de verzoekende partij in deze geen tijd heeft laten voorbijgaan. Het verbod op in- en uitgaande mesttransporten maakt dat het bedrijf van de verzoekende partij nagenoeg volledig lam ligt en niet verder kan worden uitgebaat. De aan- en afvoer van meststoffen is een cruciaal onderdeel van de bedrijfsvoering van de biogasinstallatie, zonder dewelke de bedrijfsvoering niet kan overleven. Het opgelegde verbod zal ontegensprekelijk met zich meebrengen dat er nauwelijks of geen inkomsten meer zullen zijn en onvermijdelijk op korte termijn het faillissement van de verzoekende partij. Uit de email van de externe revisor dd. februari 2021 blijkt dat de verzoekende partij op maandbasis een bedrag van 270.970,59 EUR nodig heeft, louter om de kosten te dekken […]. Een faillissement zal tevens ook onvermijdelijk een drama teweeg brengen voor de zaakvoerder van de verzoekende, de heer Wim Laeremans en zijn gezin met drie kinderen. In de gegeven omstandigheden is het duidelijk dat een uitspraak in een gewone schorsingsprocedure (en al zeker in een annulatieprocedure) onvermijdelijk te laat zal komen en de verzoekende partij ondertussen reeds failliet zal zijn vooraleer er een uitspraak zou tussenkomen. De schade voor de verzoekende partij ingevolge een faillissement is onherstelbaar.
  19. De verwerende partij antwoordt: Vooreerst geldt er geen absoluut verbod op mesttransporten naar en van het bedrijf en de gronden van de verzoekende partij. De maatregel geldt voor drie maanden (tot 15 mei 2021). De verzoekende partij toont niet aan dat de maatregel een onmiddellijke nadelige impact heeft op zijn bedrijfsvoering. VII-41.025-7/12 Op het verbod kunnen bovendien afwijkingen toegestaan worden. De verzoekende partij heeft tot op heden één dergelijke afwijking gevraagd (op 18 februari 2021) én verkregen (op 19 februari 2021). De verzoekende partij toont niet aan dat het systeem waarbij voorafgaand toestemming moet worden verkregen om mest aan- en af te voeren de normale bedrijfsvoering dermate verstoort dat hij een ernstig financieel verlies zou lijden. Uit de voorgelegde e-mailcommunicatie blijkt integendeel dat de behandeling van vragen tot afwijkingen gemakkelijk en vlot verloopt. Bovendien vormen de meststoffen slechts een deel van de stromen die in de vergistingsinstallatie worden aangewend. Het verbod strekt zich niet uit tot de energiegewassen, reststromen uit de landbouw, organisch biologische afvalstoffen en (secundaire) grondstoffen. Met deze stromen kan de vergistingsinstallatie (ook zonder de aanvoer van nieuwe meststoffen) verder blijven functioneren. Ter zake kan worden verwezen naar de laatst gekende omgevingsvergunning van 24 januari 2019 op grond waarvan de verzoekende partij een covergistingsinstallatie mag exploiteren voor de verwerking van 60.000 ton per jaar, waarvan minimaal 30% (18.000 ton) mest, 30% (18.000 ton) energiegewassen en landbouwgerelateerde reststromen en maximaal 40% (24.000 ton - maximaal 250 ton/dag) OBA (organisch-biologisch afval) en secundaire stoffen. Deze hoeveelheden zijn vastgesteld op jaarbasis, zodat de verzoekende partij niet op elk moment van het jaar dezelfde verhouding dient aan te houden. Overigens beschikt het bedrijf van de verzoekende partij over een goed gevulde stock mest én werd in 2021 reeds 3.814 ton dierlijke mest aangevoerd, hetgeen de verzoekende partij toelaat om (zelfs zonder aanvoer van nieuwe meststoffen gedurende drie maanden) nog verder mest te verwerken. Tenslotte neemt het vergistingsproces zelf een aantal weken in beslag. Zelfs bij een volledige aanvoerstop van mest (wat hier niet eens het geval is, gezien er toestemming werd gegeven voor de aanvoer van nieuwe transporten) kan de vergistingsinstallatie verder blijven functioneren en (de mest in opslag) verwerken. Het enige stuk dat de verzoekende partij voorlegt ter staving van de beweerde uiterst dringende noodzakelijkheid betreft een e-mail van de externe revisor van 15 februari 2021 waaruit blijkt dat de verzoekende partij op maandbasis een cashbehoefte heeft van 270.970,59 EUR om de lopende kosten te dekken. Uit dat stuk blijkt niet wat de impact is van het verbod op mesttransporten zonder voorafgaande goedkeuring op de bedrijfsvoering van de verzoekende partij. De verzoekende partij toont niet aan dat zij door de bestreden beslissing financiële nadelen ondervindt, laat staan dat het faillissement dreigt. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is onontvankelijk. VII-41.025-8/12 Beoordeling
  20. De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid brengt een ernstige verstoring teweeg in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, beperkt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en brengt de uitoefening van de rechten van de verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang. Daarom moet de aanwending van die procedure zeer uitzonderlijk blijven, in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Dit laatste impliceert dat de verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien zij pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen. Er kan alleen rekening worden gehouden met hetgeen daarover in het verzoekschrift werd uiteengezet en gestaafd. De Raad van State kan geen acht slaan op hetgeen ter terechtzitting nog door de verzoekende partij wordt bijgebracht. De verwerende partij kan daarop immers niet meer schriftelijk repliceren en de auditeur kan daarover niet op een deugdelijke wijze advies verlenen in een procedure die op grond van artikel 22 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State essentieel schriftelijk is. Hoewel het diligent optreden bij het inleiden van een vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid een noodzakelijke vereiste is, volstaat het enkel voldoen aan deze eis op zich niet.
  21. Een financieel verlies kan, behoudens tegenbewijs, worden hersteld na een annulatiearrest, tenzij bijzondere omstandigheden worden aangevoerd zoals wanneer de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat de activiteit van de verzoekende partij op een definitieve wijze in gevaar wordt gebracht of wanneer een belangrijk deel van de activiteiten moet worden stopgezet, waardoor zij op een faillissement afstevent, of dat het voortbestaan zelf of het financieel VII-41.025-9/12 evenwicht van het bedrijf ernstig in gevaar wordt gebracht. Om de spoedeisendheid aan te tonen moeten de financiële gevolgen dus in beginsel onomkeerbaar zijn.
  22. De bestreden beslissing werd genomen bij toepassing van artikel 54, tweede lid, van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen, dat luidt: Als de Mestbank vermoedt dat op een bedrijf, mestverzamelpunt, bewerkingseenheid of verwerkingseenheid de bepalingen van dit decreet niet correct nageleefd worden of dat de meststoffen op een onoordeelkundige wijze gebruikt worden, kan ze opleggen dat elke aanvoer of afvoer van dierlijke mest of andere meststoffen naar dat bedrijf, mestverzamelpunt, bewerkingseenheid of verwerkingseenheid verboden is, behalve na voorafgaande en schriftelijke toestemming van de Mestbank. Deze regeling houdt dus niet in dat alle aan- en afvoer op absolute wijze wordt verboden, maar wel dat alle transporten worden onderworpen aan een voorafgaande schriftelijke toestemming van de Mestbank. In de motivering van de bestreden beslissing wordt in fine gesteld: Rekening houdend met dit alles zien wij ons dan ook genoodzaakt om maatregelen te nemen om de aanvoer en afvoer van meststoffen van en naar uw bedrijf en uw gronden beter op te volgen zodat alle meststromen van en naar uw bedrijf en uw gronden volledig kunnen opgevolgd worden. Uit het dictum van de bestreden beslissing vloeit, anders dan de verzoekende partij voorhoudt, geen verbodsmaatregel voort die de exploitatie stillegt. Noodzakelijke transporten blijven immers mogelijk, maar worden afhankelijk gemaakt van een voorafgaande schriftelijke toestemming en van een VII-41.025-10/12 reeks voorwaarden die een nauwgezette opvolging door de toezichthouders moeten mogelijk maken. Inmiddels blijkt de verzoekende partij reeds dergelijke toestemming gevraagd en gekregen te hebben. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk hoe dit verscherpt toezicht op transporten op korte termijn tot haar faillissement zou kunnen leiden. De verzoekende partij stelt bovendien nog dat ook een ‘financiële klap’ zonder faillissement volstaat om spoedeisendheid aan te tonen. Ze legt een stuk voor met ‘de maandelijkse minimumcashbehoefte’. Het grootste deel van de betreffende maandelijkse kosten van 270.970,59 euro bestaat uit exploitatiekosten. Als de exploitatie inderdaad onmogelijk zou worden gemaakt -wat niet wordt aangetoond- zou het grootste deel van deze kosten wegvallen. Men kan deze dan uiteraard niet aanvoeren als nadeel. Er is geen inschatting van extra kosten die het gevolg zouden zijn van het exploiteren onder de door de bestreden beslissing vooropgestelde voorwaarden. Ook een te verwachten ‘financiële klap’ zonder faillissement wordt dus niet aangetoond.
  23. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen.
  24. Gelet op de verwerping van de vordering wegens gebrek aan uiterst dringende noodzakelijkheid behoeft vooralsnog geen uitspraak te worden gedaan over het lichten van de vertrouwelijkheid van de stukken die de verwerende partij heeft neergelegd. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. VII-41.025-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van één maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-41.025-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.934 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.932 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.