id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.944 Rolnummer: A. 225998/X-17306 Zaak: Arrest 249944 - Milieu bescherming - Reglementen - 02/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-16 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-20 00:27 Fiche Arrest nr 249.944 van 2 maart 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieu bescherming - Reglementen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 249.944 van 2 maart 2021 in de zaak A. 225.998/X-17.306 In zake : 1. de NV JANSSENS-CAERS 2. de NV ANGUMA 3. de NV ZELLIEN-FABRI 4. de NV COLIM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Yves Loix en Nele Ansoms kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE VOSSELAAR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbist en Joke Derwa kantoor houdend te 2560 Nijlen (Kessel) Torenvenstraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 24 augustus 2018, strekt tot de nietigverklaring van “[h]et besluit van de gemeenteraad van de gemeente Vosselaar dd. 27 juni 2018, waarmee het woonomgevingsplan, bestaande uit een zoneringsplan en een richtlijnenboek, wordt goedgekeurd, en wordt beslist dit plan voor te leggen aan de provincie als beleidsmatig gewenste ontwikkeling”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verzoekende partijen hebben een toelichtende memorie ingediend. X-17.306-1/16 Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 januari 2021. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Nele Ansoms, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Joris Claes, die loco advocaten Stijn Verbist en Joke Derwa verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 27 juni 2018 beslist de gemeenteraad van de gemeente Vosselaar om het woonomgevingsplan, bestaande uit een zoneringsplan en een richtlijnenboek, goed te keuren. Dit is de bestreden beslissing, waarin het volgende wordt overwogen: “- Overwegende dat Vosselaar als typische woongemeente quasi volledig deel uit maakt van het regionaalstedelijk gebied Turnhout, afgebakend door de Vlaamse Regering door het GRUP van 4 juni 2004. De ligging binnen deze afbakening is te verantwoorden door de compactheid van X-17.306-2/16 Vosselaar op zich, de nabijheid van centrumstad Turnhout in het oosten en de ruimtelijke samengroei met buurgemeente Beerse in het noordwesten. Vosselaar heeft echter haar eigen persoonlijke karakter: hoewel de afbakening ‘regionaalstedelijk’ als benaming heeft, toont Vosselaar zich als een echt dorp: zeer compact, lokale voorzieningen en de nadruk op nabijheid. In combinatie met de duidelijke grenzen van het woongebied (m.u.v. de samengroei in het noordwesten) presenteert Vosselaar zich als een leefbaar dorp in het groen. Het voorbije decennium is dit dorpse karakter door een sterke verdichting en enorme bevolkingstoename (10% op 10 jaar tijd) onder druk komen te liggen. Resterende binnengronden werden aangesneden en het aandeel meergezinswoningen is exponentieel gestegen. Al enige jaren beseft het gemeentebestuur dat een pragmatische aanpak van het verdichtingsvraagstuk onhoudbaar is. De wens om het dorpse karakter binnen een groene gordel te kunnen behouden en zelfs te versterken vraagt om een duidelijk en werkbaar beleidsinstrument; - Overwegende dat de gemeente Vosselaar wenst te werken aan een duurzaam ruimtelijk (woon)beleid. Dit woonbeleid is opgemaakt in de overgangsperiode van gemeentelijke ruimtelijke structuurplannen naar gemeentelijke beleidsplannen ruimte. Het witboek BRV is inmiddels goedgekeurd en in het najaar van 2018 zal het ontwerp - BRV voorgesteld worden, waarna een openbaar onderzoekstermijn zal volgen. Na definitieve goedkeuring van het BRV zullen de gemeenten aan de slag gaan om hun gemeentelijke beleidsplannen ruimte op te maken. De gemeente wenst niet te wachten met haar transitie-instap. De gemeente heeft ervoor gekozen om in het kader van haar ruimtelijk beleid een woonomgevingsplan met richtlijnen als instrument in te zetten. Het woonomgevingsplan wil zich positioneren als een ‘beleidsmatig gewenste ontwikkeling’ conform de provinciale omzendbrief. Later zal het woonomgevingsplan, mits eventuele aanpassing, getransformeerd worden naar het meest geschikte instrument of combinatie van instrumenten. Overwegende dat het woonomgevingsplan onmiddellijk inzetbaar is als instrument bij de behandeling van omgevingsvergunningsaanvragen.” 3.2. Het door de bestreden beslissing goedgekeurde zoneringsplan is het volgende: X-17.306-3/16 Luidens het omgevingsplan worden voor elke afgebakende woonomgeving op het zoneringsplan stedenbouwkundige richtlijnen opgesteld. In deze richtlijnen wordt er vastgelegd op welke manier de bebouwing en andere (buiten)inrichtingen op een perceel worden georganiseerd. Ook de functionele invulling van de percelen/gebouwen wordt door middel van de stedenbouwkundige richtlijnen “gestuurd”. 3.3. De richtlijnen voor de woonomgeving ‘Landschapswijk’ luiden: “Functies Wonen en aan wonen verwante functies zijn hier toegelaten. De aan wonen verwante functies moeten steeds naar aard, omvang en ruimtelijke impact verenigbaar zijn met het straatbeeld en de omgeving. De aan wonen verwante functies kleinhandel, horeca, verweefbare bedrijven, kantoren, diensten, tijdelijke verblijven worden steeds, in hetzelfde gebouw, gecombineerd met een woning. 1_COURANTE AANVRAAG Aanvragen die geen betrekking hebben op specifieke aanvragen. Alle andere aanvragen vallen onder ‘2_SPECIFIEKE AANVRAGEN’. 1_1_typologie Open bebouwing is het uitgangspunt. - Gesloten bebouwing is enkel mogelijk indien: het creëren van een open en halfopen bebouwing niet mogelijk is door een te beperkte perceelsbreedte en/of indien aangesloten moet worden bij minstens een bestaande [wachtgevel]; X-17.306-4/16 - Halfopen bebouwing enkel mogelijk indien: het creëren van een open bebouwing niet mogelijk is door een te beperkte perceelsbreedte en/of indien aangesloten moet worden bij een bestaande wachtgevel. Het maximale bouwprofiel binnen het bebouwd landschapswijk is 2 bouwlagen + dakverdieping. 1_2_ verdichting via verkavelen In de omgeving wordt er gestreefd naar landschapsbehoud en landschapsherstel. Verkavelingen zijn gericht op de realisatie van open bebouwingsvormen met: - een kavelgrootte van min. 2500 m²; - een groen/terreinindex van de kavels bedraagt min. 0,9; - een perceelsbreedte van minimaal 35 m. 1_3_ verdichting via meergezinswonngen Niet toegelaten 2_ SPECIFIEKE AANVRAAG Aanvragen die betrekking hebben op een terrein waarvan de oppervlakte gelegen in woongebied groter of gelijk is aan 1 ha. Alle andere aanvragen vallen onder ‘1_COURANTEAANVRAGEN’ Werken en handelingen dienen qua schaal en ruimtelijke impact verenigbaar te zijn met de omgeving. De aftoetsing gebeurt op basis van onderstaande criteria: 2_1_ omgevings- en woonkwaliteit Binnen de landschapswijken wordt een woondichtheid van maximaal 15w/ha gehanteerd. De woondichtheid vermeerderd met 1w/ha per 1% park, plein, bos of landschap dat extra voorzien wordt bovenop het minimum tot maximaal 25 w/ha. Het aandeel grondgebonden woningen wordt niet vastgelegd; 50% van de totale oppervlakte bestaat uit een strategische groene ruimte - Minimum 50% van het totaal aantal woningen zijn aanpasbare of aangepaste woningen. - Meergezinswoningen zijn enkel toegelaten aan een (publiek toegankelijke) groenzone. - De minimale afstand tussen de gebouwen en de projectgrens is minimaal 10 meter. - Gebouwen bestaan maximaal uit drie bouwlagen, incl. dakverdieping; - Het project heeft aandacht voor zongerichte oriëntatie van leefruimten en leeftuinen of terrassen. - Een project mag niet tot gevolg hebben dat eventuele latere uitbreidingen van het project worden gehypothekeerd. Mogelijke uitbreiding van het projectgebied, de omliggende percelen en tuinen worden betrok[k]en bij de ruimtelijke visievorming. - In elk project wordt een evenwicht gezocht tussen schaal bebouwing (bezetting, bouwhoogte, woningdichtheid, aantal wooneenheden) en onbebouwde groene ruimte (afhankelijk van specifieke locaties). - De schaal van de gebouwen is afgestemd op de omgeving (o.a. relatie bouwhoogte en open ruimte of wegbreedte, schaduw- of privacyhinder, ...) - Het ontwerp voorkomt schaduw- en privacyhinder op de beglaasde geveldelen van de nieuwe woningen en bestaande omliggende tuinen. X-17.306-5/16 - Elk nieuw project biedt een meerwaarde aan zijn omgeving: ruimtelijk, functioneel, landschappelijk ... . - Het project streeft een zuinig ruimtegebruik na door o.a. het clusteren en beperken van bebouwde oppervlakte en verharde oppervlakte, het clusteren van functies, het mogelijk maken van medegebruik ... . 2_2_ duurzame mobiliteit Het project integreert maatregelen en voorzieningen in functie van een duurzame mobiliteit. Dit houdt onder meer in: - Geen maasverkleining van het wegennet voor gemotoriseerd verkeer. - Integratie verbindingen langzaam verkeer met publiek toegankelijk karakter indien hiervoor mogelijkheden bestaan en er hierdoor een meerwaarde gecreëerd wordt voor de omgeving. - Verhardingen en wegenis voor autoverkeer worden beperkt tot het strikt noodzakelijke. - Parkeervoorzieningen op maat van het project zonder in te boeten op een kwalitatief straat- en plein/parkbeeld. -100% van de parkeernorm per woning moet collectief ingericht worden - Beperken van gemotoriseerd verkeer in het project (autoluwe woonwijken 2_3_ energiebeheer Het project creëert de geschikte ruimtelijke condities voor rationeel en duurzaam energiegebruik. 2_4_ landschapsherstel - De onbebouwde ruimte krijgt een beheersvriendelijke inrichting en onderhoud met aandacht voor groen- en natuurontwikkeling, biodiversiteit en waterhuishouding. Bij het beheer moet er rekening gehouden worden met een harmonisch park en natuurbeheer, natuur technisch inrichting en een gedifferentieerd maaibeheer. - Het project moet bijdragen aan het realiseren van een groene omgeving: bestaande waardevolle landschapselementen (bomen, beek, reliëf, ...) worden maximaal behouden en geïntegreerd. -De samenstelling van het plantenmateriaal (bomen, heesters, vaste planten,...) dient te gebeuren op basis van streekeigen, standplaatsgeschikte en inheemse plantsoorten. -Waardevolle loof- en naaldbomen dienen maximaal behouden en bescherm[d] te worden. Deze dienen passend verzorgd en onderhouden te worden. Bij werken, ontgravingen en het tijdelijk onttrekken van grondwater dienen de nodige maatregelen genomen te worden om de waardevolle bomen maximaal te vrijwaren in hun bestaande bodemcondities. -Om de bestaande bomen te beschermen tijdens bouwwerkzaamheden, dienen er vaste bouwhekken rond de bomen geplaatst te worden ter grootte van de kroonprojectie. -Binnen het projectgebied dient er per 3 wooneenheden minimaal 1 inheemse en standplaatsgeschikte hoogstammige boom te worden aangeplant binnen het projectgebied.” X-17.306-6/16 3.4. Het toepassingsgebied wordt in het woonomgevingsplan als volgt omschreven: “Voorliggend woonomgevingsplan betreft een beleidsdocument waarbij het college van burgemeester en schepenen over handvaten beschikt voor de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening. Het woonomgevingsplan en de erin opgenomen richtlijnen zullen dus niet betrokken worden i.k.v. de legaliteitstoets bij de beoordeling van omgevingsvergunningsaanvragen voor stedenbouwkundige handelingen. Het woonomgevingsplan bevat dan ook geen stedenbouwkundige voorschriften zoals bedoeld in art. 4.3.1, §1, 1°,
- a)VCRO en zoals gedefinieerd in art. 1.1.2, 13° VCRO. Het woonomgevingsplan zal anderzijds wel betrokken worden bij de opportuniteitstoets, de zogenaamde ‘beoordeling goede ruimtelijke ordening’, bij de boordeling van omgevingsvergunningsaanvragen voor stedenbouwkundige handelingen, meer bepaald als ‘beleidsmatig gewenste ontwikkeling’ en dit ondermeer in het kader van de inschatting van de verhoging van het ruimtelijke rendement. Volgens art. 4.3.1, §2, 2° VCRO kan een vergunningverlenend bestuursorgaan immers bij haar beoordeling van de goede ruimtelijke ordening ook rekening houden met beleidsmatig gewenste ontwikkelingen en met de bijdrage van het aangevraagde aan de verhoging van het ruimtelijk rendement. Met andere woorden kan de vergunning van een aanvraag die strijdig is met de richtlijnen opgenomen in dit woonomgevingsplan geweigerd worden of onderworpen worden aan voorwaarden. Deze weigering of voorwaarden zullen dan niet voortvloeien uit een negatieve legaliteitsbeoordeling, doch wel uit een negatieve beoordeling van de goede ruimtelijke ordening.” 3.5. De eerste verzoekende partij is eigenaar van de gebouwen met handelszaak gelegen aan de Antwerpsesteenweg 45 te Vosselaar, kadastraal gekend onder sectie B, nummer 131/x. De tweede verzoekende partij is eigenaar van een perceel gelegen aan het Galgeneindsepad 22 te Vosselaar, kadastraal gekend onder sectie B, nr. 149/d. De derde verzoekende partij is opstalhouder van het perceel van de eerste verzoekende partij. De derde verzoekende partij baat op dat perceel een handelszaak in sanitair uit en beschikt over een socio- economische vergunning voor de uitbating van een detailhandelszaak op dit adres. De vierde verzoekende partij is eigenaar van een perceel gelegen aan de Antwerpsesteenweg 21 te Vosselaar, kadastraal gekend onder sectie B, nr. 148/f, waarop zich een vestiging van Colruyt bevindt. Alle voormelde percelen situeren zich binnen de woonomgeving ‘Landschapswijk’ van de bestreden beslissing. X-17.306-7/16 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Excepties van de verwerende partij 4.1. De verwerende partij betwist in haar laatste memorie het belang van de verzoekende partijen. Ten aanzien van de eerste verzoekende partij werpt zij tegen dat haar belang hypothetisch is, nu er “geen actueel voornemen” blijkt om haar perceel te ontwikkelen. Bovendien heeft zij haar perceel in opstal gegeven aan de derde verzoekende partij. Evenmin toont de eerste verzoekende partij aan dat zij zonder het bestreden besluit zeker of ten minste gemakkelijker tot de vestiging van een nieuwe handelszaak of de omvorming tot een residentiële woning zou kunnen overgaan. 4.2. Wat de tweede verzoekende partij betreft, voert de verwerende partij aan dat zij “kennelijk niet is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, aangezien een opzoeking op haar ondernemingsnummer aangeeft dat het nummer niet-rechtsgeldig is”. Overeenkomstig “art. III.26, tweede lid WER” moet de vordering van deze verzoekende partij als onontvankelijk afgewezen worden. Ook acht de verwerende partij het belang van de tweede verzoekende partij hypothetisch, bij gebrek aan een “actueel voornemen om (bijvoorbeeld een eengezinswoning te bouwen)”. Evenmin toont zij aan dat zij zonder het bestreden besluit “bijvoorbeeld [...] een meergezinswoning” zeker of ten minste gemakkelijker zou kunnen realiseren. 4.3. De derde verzoekende partij toont evenmin aan dat een gebeurlijke vernietiging van de bestreden beslissing haar enig voordeel zal opleveren. Er wordt niet het minste bewijs geleverd “dat er een voornemen is, dan wel [...] een actuele nood [...] om verder te ontwikkelen dan wel uit te breiden”. Evenmin toont zij aan dat zij zonder het bestreden besluit dit laatste zeker of ten minste gemakkelijker zou kunnen realiseren. X-17.306-8/16 4.4. Ten slotte blijft ook de vierde verzoekende partij in gebreke om haar belang aan te tonen, nu haar belang “slechts summier wordt weergegeven als zijnde de vrees te zullen worden geconfronteerd met [een] beperking van de uitbreidingsmogelijkheden van de bestaande handelszaak (Colruyt), alsook de beperking van de nabestemming van het perceel”. Uit het feit dat de vierde verzoekende partij op 14 september 2020 een omgevingsvergunning verkreeg voor de verbouwing van haar handelszaak, met uitbreiding van de parking, blijkt “reeds de irrelevantie van het aanvechten van de bestreden beslissing” door deze partij. Beoordeling 5.1. De verzoekende partijen beschikken over de onder randnummer 3.5 vermelde rechten binnen de woonomgeving ‘Landschapswijk’ van de bestreden beslissing, die luidens de bewoordingen ervan “onmiddellijk inzetbaar is als instrument bij de behandeling van omgevingsvergunningsaanvragen”. Op grond daarvan doen verzoekers in beginsel van het rechtens vereiste belang bij hun beroep blijken. Het betoog van de verwerende partij doet niet anders besluiten. 5.2. De tweede verzoekende partij heeft op haar procedurestukken het ondernemingsnummer 0432.723.121 vermeld, in de plaats van het correcte nummer 0432.773.121. Dit laatste blijkt uit de door haar neergelegde statuten. Het betreft een louter materiële misslag die zonder gevolg is voor de ontvankelijkheid van haar beroep. 5.3. De excepties worden verworpen. X-17.306-9/16 V. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de partijen 6.1. De verzoekende partijen roepen in een tweede middel de schending in van artikel 3 van richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 ‘betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s’ (hierna: richtlijn 2001/42/EG), van artikel 4.2.1 en 4.2.3, § 1, § 2 en § 3, van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM), en van het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij betogen onder meer dat uit artikel 4.2.3 DABM volgt dat een beoordeling van de milieueffecten noodzakelijk is voor plannen of programma’s die het kader vormen voor de toekenning van een vergunning voor een project. Een plan zoals goedgekeurd middels het bestreden besluit, moet aanzien worden als een plan in de zin van het DABM. Uit de inhoud van het woonomgevingsplan blijkt duidelijk dat dit werd opgevat als een plan. Er werden stedenbouwkundige voorschriften opgenomen voor het gehele grondgebied. Bovendien werd het grondgebied onderverdeeld in deelzones, waarop telkens andere voorschriften van toepassing zijn. Dat het plan het kader zal vormen voor de toekenning van een vergunning voor een project, blijkt uit de uitdrukkelijke vermelding in het bestreden besluit dat het plan met onmiddellijke ingang zal aangewend worden bij de vergunningverlening. Bij de totstandkoming van het bestreden woonomgevingsplan diende dan ook een planmilieueffectrapport (hierna: plan-MER) te worden opgemaakt, minstens diende een plan-MER- screening te worden uitgevoerd. 6.2. In de laatste memorie ontzegt de verwerende partij elk belang bij het middel aan de verzoekende partijen. Voorts is volgens haar te dezen niet voldaan aan de voorwaarden die het Hof van Justitie van de Europese Unie stelt opdat de milieueffecten onderzocht moeten worden. X-17.306-10/16 Beoordeling 7.1. Het ingeroepen artikel 4.2.1, eerste lid, DABM bepaalt dat het hoofdstuk II ‘Milieueffect-rapportage over plannen en programma’s’ van toepassing is “op ieder plan of programma dat het kader vormt voor de toekenning van een vergunning voor een project”. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.2.3, §§ 2 en 3, DABM van datzelfde hoofdstuk, wordt geoordeeld of voor een plan of programma een plan-MER moet worden opgemaakt. 7.2. Artikel 4.1.1, § 1, 4°, DABM, definieert een “plan of programma” als volgt: “4° plan of programma : plan of programma, met inbegrip van die welke door de Europese Unie worden medegefinancierd, alsook de wijzigingen ervan, dat :
- a)door een instantie op regionaal, provinciaal of lokaal niveau wordt opgesteld en/of vastgesteld of dat door een instantie wordt opgesteld om middels een wetgevingsprocedure door het Vlaams Parlement of de Vlaamse Regering te worden vastgesteld; en
- b)op grond van decretale of van bestuursrechtelijke bepalingen is voorgeschreven.” 7.3. Het betoog van de verzoekende partijen dat het bestreden woonomgevingsplan als een “plan” in de zin van de aangehaalde bepaling begrepen moet worden, kan bijval vinden om de volgende redenen. 7.3.1. Vooreerst is aan de voorwaarde van artikel 4.1.1, § 1, 4°, a), DABM voldaan, nu het geviseerde woonomgevingsplan door de gemeenteraad als instantie op lokaal niveau is vastgesteld. 7.3.2.1. Wat de tweede in artikel 4.1.1, § 1, 4°, b), DABM gestelde voorwaarde betreft dat het plan “op grond van decretale of van bestuursrechtelijke bepalingen is voorgeschreven”, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest van 25 juni 2020 in de zaak C-24/19 herhaald dat een maatregel moet worden beschouwd als “voorgeschreven” “zodra de bevoegdheid om de maatregel vast te stellen haar rechtsgrondslag vindt in een X-17.306-11/16 specifieke bepaling, ook al bestaat er strikt genomen geen enkele verplichting om die maatregel te nemen”. Het Hof geeft de voorkeur aan een ruimere opvatting van voornoemde term en overweegt dat artikel 2, a), tweede streepje, van richtlijn 2001/42/EG aldus moet worden uitgelegd dat de plannen en programma’s waarvan de vaststelling is geregeld in nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen waarin de voor de vaststelling van deze plannen en programma’s bevoegde autoriteiten zijn aangegeven en de procedure voor de opstelling ervan is bepaald, moeten worden aangemerkt als “voorgeschreven” in de zin en voor de toepassing van richtlijn 2001/42/EG. Het Hof van Justitie van de Europese Unie wijst er in voormeld arrest op dat het doel van de richtlijn 2001/42/EG erin bestaat “te voorzien in een hoog milieubeschermingsniveau en bij te dragen tot de integratie van milieuoverwegingen in de voorbereiding en vaststelling van plannen en programma’s, met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling”. 7.3.2.2. De te dezen relevante wettelijke bepalingen zijn vooreerst het toepasselijke artikel 4.3.1, § 2, eerste lid, 2°, a), VCRO, volgens hetwelk het vergunningverlenend bestuursorgaan bij de beoordeling van de overeenstemming van het aangevraagde met een goede ruimtelijke ordening beleidsmatig gewenste ontwikkelingen in rekening kan brengen. Artikel 42, § 2, van het te dezen toepasselijke gemeentedecreet bepaalt dat de gemeenteraad op lokaal bestuursniveau het bevoegde bestuursorgaan is om het beleid van de gemeente te bepalen en daartoe algemene regels vast te stellen. De werking van de gemeenteraad is geregeld in afdeling II van Hoofdstuk I van Titel II van het gemeentedecreet. Het bevat bepalingen over het verloop van de gemeenteraadszittingen, de wijze waarop beslissingen worden genomen, genotuleerd, en bekendgemaakt. X-17.306-12/16 7.3.2.3. De voormelde decretale bepalingen geven de voor de vaststelling van het woonomgevingsplan bevoegde autoriteit aan en bepalen de procedure voor de opstelling ervan. Ook aan de in artikel 4.1.1, §1, 4°, b), DABM gestelde vereiste dat het plan “op grond van decretale of van bestuursrechtelijke bepalingen is voorgeschreven”, is zodoende voldaan. 7.4. Verder moet worden aangenomen dat het geviseerde woonomgevingsplan een plan betreft dat het kader vormt voor de toekenning van een vergunning voor een project in de zin van artikel 4.2.1, eerste lid, DABM, gelet op wat volgt. 7.4.1. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft er in het onder randnummer 7.3.2.1. vermelde arrest aan herinnerd dat, wat de vraag betreft of handelingen het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor projecten, “het begrip ‘plannen en programma’s’ betrekking heeft op elke handeling die, door vaststelling van op de betrokken sector toepasselijke regels en controleprocedures, een groot pakket criteria en modaliteiten vaststelt voor de goedkeuring en de uitvoering van één of meerdere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben.” 7.4.2. In redelijkheid moet aangenomen worden dat het bestreden woonomgevingsplan aan het voormelde voldoet. Het plan bevat per afgebakende woonomgeving stedenbouwkundige “richtlijnen”, waaromtrent in het plan wordt aangegeven dat ermee “wordt [...] vastgelegd op welke manier de bebouwing en andere (buiten)inrichtingen op een perceel kunnen worden georganiseerd”, waarbij “[o]ok de functionele invulling van de percelen/gebouwen [...] door middel van de stedenbouwkundige richtlijnen [wordt] gestuurd.” Het woonomgevingsplan wordt ook “onmiddellijk inzetbaar” genoemd “als instrument bij de behandeling van omgevingsvergunningsaanvragen”. De stedenbouwkundige “richtlijnen” voor ‘Landschapswijk’, waaronder verzoekers’ eigendommen ressorteren, bevatten concreet geformuleerde voorschriften die betrekking hebben op onder meer de toegelaten X-17.306-13/16 functies, typologie van gebouwen, kavelgroottes binnen verkavelingen en normen betreffende woondichtheid en afstandsregels (zie randnummer 3.3). Zij leggen op dwingende en concrete wijze vast onder welke voorwaarden vergunningen binnen het betrokken gebied mogen verleend worden. Zo bijvoorbeeld wordt wat de “typologie” bij “courante aanvragen” betreft, gesloten bebouwing slechts mogelijk geacht indien “het creëren van een open en halfopen bebouwing niet mogelijk is door een te beperkte perceelsbreedte en/of indien aangesloten moet worden bij minstens een bestaande [wachtgevel]”. Halfopen bebouwing is enkel mogelijk indien “het creëren van een open bebouwing niet mogelijk is door een te beperkte perceelsbreedte en/of indien aangesloten moet worden bij een bestaande wachtgevel”. Het maximale bouwprofiel binnen de bebouwde landschapswijk is “2 bouwlagen + dakverdieping”. Wat de “verdichting via verkavelen betreft”, wordt bepaald dat verkavelingen gericht zijn op de realisatie van open bebouwingsvormen met “een kavelgrootte van min. 2500 m²”, “een groen/terreinindex van de kavels bedraagt min. 0,9” en “een perceelsbreedte van minimaal 35 m”. Verdichting “via meergezinswonngen” wordt “[n]iet toegelaten”. Wat de “specifieke aanvragen” betreft – dit zijn aanvragen die betrekking hebben op een terrein waarvan de oppervlakte gelegen in woongebied groter of gelijk is aan 1 ha – worden bijvoorbeeld inzake “omgevings- en woonkwaliteit” dwingende, concrete voorwaarden opgelegd. Zo moeten “[m]inimum 50% van het totaal aantal woningen [...] aanpasbare of aangepaste woningen” zijn, zijn “[m]eergezinswoningen [...] enkel toegelaten aan een (publiek toegankelijke) groenzone”, moet “[d]e minimale afstand tussen de gebouwen en de projectgrens [...] minimaal 10 meter [zijn]” en moeten “[g]ebouwen [...] maximaal uit drie bouwlagen, incl. dakverdieping [bestaan]”. 7.4.3. Gelet op de dwingende aard van de stedenbouwkundige “richtlijnen”, mede in het licht van de toelichting met betrekking tot de toepassing ervan, blijkt het woonomgevingsplan verordenend bedoeld en aan de X-17.306-14/16 vergunningverlenende overheid geen ruimte te laten om de “richtlijnen” naargelang van de concrete toedracht van de aanvraag niet te volgen. 7.5. Gelet op wat voorafgaat, diende de verwerende partij overeenkomstig artikel 4.2.3, §§ 2 en 3, DABM, na te gaan of het woonomgevingsplan aan een plan-MER moest onderworpen worden. 7.6. Anders dan de verwerende partij in haar laatste memorie meent, is de voormelde onrechtmatigheid wel degelijk van aard om een invloed op de draagwijdte van de genomen beslissing te kunnen uitoefenen. Voorts werd de verzoekende partijen, eigenaars of opstalhouder binnen het plangebied, door het niet-uitvoeren van de plan-MER- of screeningtoets wel degelijk een waarborg ontnomen. Het staat niet aan de verwerende partij om te bepalen wat de verzoekende partijen met betrekking tot hun eigendom mogen wensen. De ontvankelijkheidsexceptie wegens gemis aan belang van de verwerende partij is ongegrond. 7.7. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. VII. Kosten 8. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’, zoals het is ingevoegd bij de wet van 26 april 2017. Dit betekent dat de bijdrage, bedoeld in voormeld artikel slechts éénmaal is verschuldigd per verzoekschrift, ongeacht het aantal partijen. Bijgevolg is er aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdrage. X-17.306-15/16 BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de gemeenteraad van de gemeente Vosselaar van 27 juni 2018 waarbij het woonomgevingsplan, bestaande uit een zoneringsplan en een richtlijnenboek, wordt goedgekeurd, en wordt beslist dit plan voor te leggen aan de provincie als beleidsmatig gewenste ontwikkeling. 2. Dit arrest dient te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 800 euro, een bijdrage van 20 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verzoekende partijen. De onterecht betaalde bijdragen van 60 euro dienen te worden terugbetaald. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.306-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.944 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div