id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.948 Rolnummer: A. 233031/IX-9844 Zaak: Arrest 249948 - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 02/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-05 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-20 00:27 Fiche Arrest nr 249.948 van 2 maart 2021 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 249.948 van 2 maart 2021 in de zaak A. é.031/IX-9844 In zake: 1. de vzw TWEEDEVERBLIJVERS/RESIDENTS SECONDAIRES 2. Philippe DUBERNARD 3. Rita VAN LOO 4. Marc GILLES 5. Hélène DIELEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Reiner Tijs en Joram Maes kantoor houdend te 2000 Antwerpen Nassaustraat 37-14 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nicolas Bonbled, Thomas Eyskens en Junior Geysens kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 22 februari 2021, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van: ―- Art. 7 van het Ministerieel Besluit d.d. 26 januari 2021 houdende wijziging van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken […] jo. het hierdoor gewijzigde art. 21, §1 van het Ministerieel Besluit d.d. 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken […]. - Art. 6 van het Ministerieel Besluit d.d. 6 februari 2021 houdende wijziging van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende IX-9844-1/16 dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken […] jo. het hierdoor gewijzigde art. 28 van het Ministerieel Besluit d.d. 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken.‖ II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 maart 2021, om 10.30 uur. Staatraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaten Reiner Tijs, Joram Maes en Amber Simons, die verschijnen voor de verzoekende partijen en advocaten Thomas Eyskens en Junior Geysens, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten en regelgeving 3.1. De voorbije maanden heeft de verwerende partij maatregelen getroffen om de bevolking te behoeden voor de verspreiding van het coronavirus IX-9844-2/16 Sars-CoV-2 en om de ziekte tegen te gaan die wordt veroorzaakt door dit virus, Covid-19. Omdat fysieke nabijheid tussen personen een grote aanstoker is van de overdracht van het virus, hebben veel maatregelen betrekking op het maximaal uitsluiten van (het risico
- op)zulke contacten. Hierdoor worden diverse plaatsen en vormen van menselijke interactie, zoals sectoren van het economisch leven en van de vrijetijdsbesteding, getroffen door meer of minder ingrijpende regels, gaande tot de verplichte sluiting van handelszaken, het stilleggen van bepaalde activiteiten of verplaatsingsverboden. Naargelang de mate waarin het virus zich verspreidt of onder controle lijkt, de besmettingsgraad, de belasting van de ziekenhuizen en andere parameters – zoals de nieuwste wetenschappelijke inzichten omtrent het virus – ziet de verwerende partij zich verplicht om haar beleid met regelmaat aan te passen. 3.2. De huidige betwisting heeft betrekking op maatregelen voor reizen naar het buitenland voor personen die hun hoofdverblijfplaats hebben in België. De eerste verzoekende partij treedt op namens het collectieve belang van haar leden, namelijk eigenaars van tweede verblijven. De tweede tot vijfde verzoekende partijen stellen een tweede verblijf te hebben in het buitenland – respectievelijk in Frankrijk, Spanje, Frankrijk en Griekenland – en gegriefd te zijn door de beperkende maatregelen die in het ministerieel besluit van 26 januari 2021 zijn bepaald, verlengd bij het ministerieel besluit van 6 februari 2021 tot 1 april 2021, waardoor zij niet langer naar hun tweede verblijf kunnen afreizen. De tweede verzoeker is bovendien gegriefd omdat hij door de beperkende maatregelen momenteel een specifiek pand met uitzonderlijk karakter in Frankrijk niet kan bezichtigen met het oog op een eventuele aankoop. 3.3. Artikel 21, § 1, van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 ‗houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus IX-9844-3/16 Covid-19 te beperken‘ (BS 28 oktober 2020) (hierna: het covidbesluit) bepaalde aanvankelijk – onder hoofdstuk 8 ‗Grenzen‘ – met betrekking tot het reizen van en naar België: ―§ 1. Niet essentiële reizen naar België zijn verboden. § 2. In afwijking van de eerste paragraaf is het toegelaten om: 1° te reizen naar België vanuit alle landen van de Europese Unie, van de Schengenzone en naar het Verenigd Koninkrijk; 2° te reizen naar België vanuit de landen die zijn opgenomen in de lijst bekendgemaakt op de website van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken.‖ Overeenkomstig artikel 28 van het covidbesluit zijn de maatregelen opgenomen in dit besluit van toepassing tot 19 november 2020. 3.4. Na eerdere wijzigingen, niet van belang voor deze zaak, wordt bij artikel 7 van het ministerieel besluit van 26 januari 2021 ‗houdende wijziging van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken‘ (BS 26 januari 2021) artikel 21, § 1, van het covidbesluit vervangen. Het luidt dan: ―Niet-essentiële reizen naar het buitenland zijn verboden voor personen die hun hoofdverblijfplaats hebben in België. Niet-essentiële reizen naar België zijn verboden voor personen die hun hoofdverblijfplaats hebben in het buitenland. De reizen zoals bepaald in bijlage 2 van dit besluit worden beschouwd als essentieel. Voor de overeenkomstig het tweede lid toegelaten reizen, is de reiziger ertoe gehouden de digitale of papieren verklaring op eer, waarvan het modelformulier is bekendgemaakt op de website ‗info-coronavirus.be‘ van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, voorafgaand aan de reis, in te vullen, te ondertekenen en bij zich te dragen gedurende de integrale reis. Indien gebruik wordt gemaakt van een vervoerder, is deze ertoe gehouden te controleren dat de reizigers bedoeld in het derde lid, voorafgaand aan de boarding, een verklaring op eer hebben ingevuld. Bij gebrek aan deze verklaring, is de vervoerder ertoe gehouden het boarden te weigeren. De vervoerder controleert bij aankomst op Belgisch grondgebied opnieuw dat de verklaring op eer werd ingevuld. IX-9844-4/16 Bij gebrek aan deze verklaring op eer of bij valse, misleidende of onvolledige informatie in deze verklaring, kan in voorkomend geval de binnenkomst geweigerd worden overeenkomstig artikel 14 van de Schengengrenscode of artikel 43 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.‖ Bijlage 2 bij het covidbesluit, gevoegd als bijlage 1 bij het ministerieel besluit van 26 januari 2021, leert welke reizen voor de toepassing van artikel 21, § 1, van het covidbesluit als essentieel worden beschouwd: ―1° de reizen om louter professionele redenen, met inbegrip van de reizen van beroepssporters met een topsportstatuut, professionelen uit de cultuursector, en journalisten, bij het uitoefenen van hun professionele activiteit; 2° de reizen van diplomaten, ministers, Staats- en regeringsleiders; de reizen van het personeel van internationale organisaties en instellingen, en van personen uitgenodigd door deze internationale organisaties en instellingen waarvoor de fysieke aanwezigheid noodzakelijk is voor de goede werking van deze organisaties en instellingen; de reizen van het personeel van diplomatieke en consulaire posten en van personen uitgenodigd door deze posten waarvoor de fysieke aanwezigheid noodzakelijk is voor de goede werking van deze posten; de reizen van leden van het Europees Parlement in het kader van hun functies; 3° de reizen omwille van dwingende gezinsredenen, met name: - reizen die gerechtvaardigd zijn door gezinshereniging, in de zin van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; - bezoeken aan een echtgenoot of partner, die niet onder hetzelfde dak woont, voor zover een aannemelijk bewijs geleverd kan worden van een stabiele en duurzaam onderhouden relatie; - reizen in het kader van co-ouderschap; - reizen in het kader van begrafenissen of crematies van verwanten of van aanverwanten in eerste en tweede graad, of van naasten voor zover een aannemelijk bewijs geleverd kan worden van een stabiele en duurzaam onderhouden relatie met deze naaste; - de reizen in het kader van burgerlijke of religieuze huwelijken van verwanten of aanverwanten in eerste en tweede graad; 4° de reizen omwille van humanitaire redenen, in het bijzonder: - reizen om medische redenen of de verderzetting van een medische behandeling; - reizen om bijstand of zorg te verlenen aan een oudere, minderjarige, gehandicapte of kwetsbare persoon; - bezoeken in het kader van palliatieve zorgen; IX-9844-5/16 5° de reizen die studiegerelateerd zijn, in het bijzonder de reizen van leerlingen, studenten en stagiairs, die in het kader van hun studies een vorming volgen en onderzoekers met een gastovereenkomst; 6° de reizen naar het aangrenzende land door inwoners van grensgemeenten en hun directe buurgemeenten als onderdeel van het dagdagelijkse leven voor de activiteiten die eveneens in het land van hoofdverblijfplaats toegelaten zijn en noodzakelijk zijn; reizen naar het aangrenzende land door inwoners van grensregio‘s als onderdeel van het dagdagelijkse leven voor de activiteiten die eveneens in het land van hoofdverblijfplaats toegelaten zijn en noodzakelijk zijn, voor zover hiervan een aannemelijk bewijs geleverd kan worden; 7° de reizen om zorg te dragen voor dieren; 8° de reizen in het kader van juridische verplichtingen, voor zover noodzakelijk en dit niet digitaal kan gebeuren; 9° de reizen om dringende herstellingen te laten uitvoeren in het kader van de veiligheid van een voertuig; 10° de reizen in het kader van een verhuizing; 11° de doorreizen.‖ Ook artikel 28 van het covidbesluit wordt vervangen. De maatregelen zijn nu van kracht tot 1 maart 2021. Voornoemd artikel 7 van het ministerieel besluit van 26 januari 2021, dat in werking is getreden op 27 januari 2021, maakt het eerste voorwerp uit van de voorliggende vordering, althans in zoverre het artikel 21, § 1, van het covidbesluit vervangt. 3.5. Bij artikel 6 van het ministerieel besluit van 6 februari 2021 ‗houdende wijziging van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken‘ (BS 7 februari 2021) verlengt de minister, door middel van een wijziging van artikel 28 van het covidbesluit, de maatregelen tot 1 april 2021. Deze bepaling, die in werking is getreden op 13 februari 2021, maakt het tweede voorwerp uit van de voorliggende vordering. IX-9844-6/16 IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid 5. Na een algemeen betoog stellen de verzoekende partijen in hun inleidend verzoekschrift met betrekking tot de uiterst dringende noodzakelijkheid van hun vordering ―in concreto‖: ―A. De gewone schorsingsprocedure zou onherroepelijk te laat komen. 46. De normale doorlooptijd van een gewone schorsingsprocedure beloopt enkele maanden (4 à 6 maanden is niet uitzonderlijk). De bestreden maatregelen hebben uitwerking tot 1 april 2021. Een uitspraak hierover in een gewone schorsingsprocedure (en zeker in een vernietigingsprocedure) zou dan ook alleszins te laat komen. Deze laattijdigheid zou er in de praktijk bovendien toe leiden, zoals hierna verder uiteengezet, dat de verzoekende partijen een direct en bijzonder zwaarwichtig nadeel zou moeten ondergaan, waarbij bovendien ook belangrijke (grond)rechten en vrijheden in het gedrang worden gebracht en waartegen geen ander effectief rechtsmiddel zou kunnen worden aangewend om het dreigend nadeel te voorkomen. De schorsing bij UDN is in de Belgische rechtspraktijk dan ook de meest geëigende en gepaste (en mogelijk zelfs de enig mogelijke effectieve) vordering om dit dreigend nadeel te voorkomen. B. Direct en bijzonder zwaarwichtig nadeel dat verzoekende partijen niet dienen te ondergaan in afwachting van de uitkomst van een gewone schorsings- en/of vernietigingsprocedure B. 1 In hoofde van alle verzoekende partijen 47. De aantasting van fundamentele grondrechten en vrijheden is steeds een zwaarwichtige aangelegenheid, zoniet zouden deze rechten niet in de grondwet worden beschermd of zouden ze niet langer als fundamenteel aanzien hoeven te worden. Zowel het grondwettelijk beschermd gelijkheidsbeginsel, als het IX-9844-7/16 internationaal beschermd eigendomsrecht als de Europeesrechtelijke grondslagen inzake vrij verkeer (in dit geval van personen) vormen de grondslagen van de Westerse en Europeesrechtelijke democratieën. De inperking daarvan is weliswaar niet geheel onmogelijk, maar blijft niettemin alleszins steeds een zwaarwichtige aangelegenheid aangezien deze als wezenlijk onderdeel van de Westerse verworvenheden en democratieën mee de identiteit zelf vormen van de personen die erdoor beschermd worden. Net zoals de traditionele vrijheden inzake godsdienst, onderwijs, vrije meningsuiting edm., zijn ook het respect voor de gelijke behandeling van de burgers, het respect voor eigendomsrechten en de Europeesrechtelijke vrij-verkeerbeginselen (en zeker de onderlinge samenhang hiertussen) dermate diep geworteld dat zij als essentieel aanzien dienen te worden in die mate dat zij het ‗esse(re)‘ nl. het ‗Zijn‘ zelf van de ‗Zijnden‘ in onze Westerse rechtstelsels zelf bepalen. Als het ‗Zijn‘ van deze ‗Zijnden‘ zelf wordt aangetast, dan is dit bijzonder ernstig. ‗Wezen‘-lijke aspecten van de (unieke) eigen aard en identiteit van de burgers zelf worden hiermee geraakt. De mogelijkheid om in een ander land een eigendom te verwerven, daar vrij naartoe te kunnen reizen en daar het beheer, genot, gebruik- en beschikkingsrecht van te hebben, is niet zomaar een luxe van rijke burgers, het vormt het fundament van de Westerse en Europeesrechtelijke vrijheid die burgers toelaat om in een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht zich te ontplooien door te reizen en verblijven in andere landen, daar eigendom te verwerven en/of daar de liberaliteiten van te genieten, ondergedompeld te worden in een ander klimaat, een andere cultuur diepgaand te ervaren enz. De onmogelijkheid hiervan door maatregelen die overigens ook niet strikt beperkt zijn, maar in tegendeel nog een verlening vormen, raakt wezenlijk aan de identiteit, het zijn zelf en de vrijheidsbeleving van de burgers die hierdoor getroffen worden. Dit is een meer dan bijzonder zwaarwichtig nadeel waarmee onherstelbaar gekrast wordt op de ziel zelf van de verzoekende partijen. 48. Naast voorgaande uiteenzetting welke op zich zou kunnen volstaan om het direct en bijzonder zwaarwichtig nadeel in hoofde van de diverse verzoekers aan te tonen, wordt hierna nog verder ingegaan op een aantal zwaarwichtige nadelen die geheel eigen zijn aan de situatie van de diverse verzoekende partijen. B.2 In hoofde van de heer Dubernard 49. Gelet op het uitzonderlijke karakter van de woning — en de vrees dat de woning hierdoor zeer snel zal verkocht worden — wenst de heer Dubernard zo spoedig mogelijk naar Frankrijk te reizen met het oog op een bezichtiging van de nieuw aan te kopen woning. Rekening houdende met de oorspronkelijke duur van de reisbeperkingen, had de heer Dubernard reeds een bezichtiging op 5 maart 2021 ingepland (er van uit gaande dat het verbod op niet-essentiële reizen op dat ogenblik reeds zou zijn afgelopen). Een uitstel van de bezichtiging naar 5 maart 2021 was/is reeds een onredelijk risico dat volledig door de heer Dubernard werd/wordt gedragen; het staat de verkoper (en het makelaarskantoor) immers vrij om in de tussentijd het pand reeds te verkopen aan een lokale koper, die hiervoor geen buitenlandse reis dient te ondernemen. 50. Ten gevolge van de inwerkingtreding van art. 7 MB 6 februari 2021 wordt de geldigheidsduur van de actuele COVID-maatregelen, vervat in IX-9844-8/16 MB 28 oktober 2020, echter verlengd tot 1 april 2021. Van de heer Dubernard kan thans onmogelijk verwacht worden dat hij de eerste bezichtiging van zijn droomwoning nog verder uitstelt tot na 1 april 2021, waarbij hij
- a)het risico loopt dat de woning in de loop van de komende zes weken wordt verkocht en
- b)hij tot op heden zelfs geen zekerheid heeft dat het verbod op niet-essentiële reizen niet verder zal worden verlengd. 51. De heer Dubernard ziet zich dan ook genoodzaakt om Uw Raad via onderhavige UDN-procedure te vatten. De uitkomst van een reguliere schorsings- en vernietigingsprocedure zou onherroepelijk te laat komen daar de woning, die thans op de markt wordt aangeboden, op elk moment aan een concurrerende koper — die niet getroffen wordt door het Belgische reisverbod — kan worden verkocht. De belangen van de heer Dubernard als potentiële koper kunnen enkel worden veilig gesteld door een zo spoedig mogelijke schorsing van de thans bestreden artikelen, niet in het minst omdat, van zodra de woning verkocht is aan een derde partij, het nadeel in hoofde van de heer Dubernard een onomkeerbaar en definitief karakter zal hebben. Op dat ogenblik zal hem immers definitief de kans zijn ontnomen om de bewuste, uitzonderlijke woning aan te kopen. 52. De heer Dubernard toont hiermee wel degelijk aan dat er sprake is van een uiterst dringende noodzakelijkheid in de zin van art. 17, §4 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State d.d. 12 januari 1973. B.3 In hoofde van mevrouw Van Loo 53. Zoals reeds bij het belang in hoofde van mevrouw Van Loo werd opgemerkt, is de inhoud van het tuinhuis van haar buitenverblijf momenteel volledig overgeleverd aan de weerselementen. Ook in La Nucia voorspelt men volgende week enkele regendagen, hetgeen ontegensprekelijk verdere gevolgschade aan de inhoud van het tuinhuis van mevrouw Van Loo zal opleveren [afbeelding]. 54. Bovendien loopt mevrouw Van Loo elke dag het risico dat de inhoud van het tuinhuis wordt ontvreemd, nu het niet langer is afgesloten en op eenvoudige wijze van bovenaf — door het gat in het dak — kan worden betreden. 55. Van mevrouw Van Loo kan thans onmogelijk verwacht worden dat zij deze actuele toestand, dewelke ontegensprekelijk bijzonder nadelig voor verzoekende partij is en elke dag een bijkomend risico op (gevolg- en/of diefstal-)schade inhoudt, nog duldt t.e.m. 1 april 2021, het (voorlopige) ogenblik waarop het huidige verbod op niet-essentiële reizen zou aflopen. Gelet op de specifieke inplanting van het tuinhuis van mevrouw Van Loo, achteraan op haar perceel (dat aan de voorzijde volledig is afgesloten), kan zij ook geen andere omwonenden aanspreken om een noodreparatie uit te voeren. Zij wenst de integrale inhoud van het tuinhuis daarentegen in de vakantiewoning zelf onder te brengen. Mevrouw Van Loo heeft als enige een sleutel van het tuinhuis (de voorgevel met slotvaste deur bleef overeind staan) én de vakantiewoning zelf, zodat haar persoonlijke aanwezigheid in Spanje essentieel en noodzakelijk is. Een dergelijke persoonlijke aanwezigheid wordt thans echter verhinderd door art. 21, §1 MB 28 oktober 2020 en dit minstens nog t.e.m. 1 april 2021. 56. Mevrouw Van Loo ziet zich dan ook genoodzaakt om Uw Raad via onderhavige UDN-procedure te vatten. De uitkomst van een reguliere schorsings- en vernietigingsprocedure zou onherroepelijk te laat komen om IX-9844-9/16 haar belangen veilig te stellen, nl. d.m.v. het verijdelen van verdere gevolgschade aan de inhoud van het bijgebouw en/of d.m.v. het treffen van voorlopige, bewarende maatregelen teneinde diefstal van de inhoud van het tuinhuis te vermijden. Het veiligstellen van de belangen van mevrouw Van Loo kan alleszins geen weken/maanden op zich laten wachten, reden waarom zij zich bij UDN tot Uw Raad wendt. B.4 In hoofde van de heer Gilles 57. Ook in het geval van de heer Gilles zou het doorlopen van een reguliere schorsings- en vernietigingsprocedure geen soelaas bieden. De actuele toestand ter plaatse houdt een onmiddellijk risico op verdere (gevolg)schade in. Deze gevolgschade, bestaande uit het verder afkalven van de bergwand, zou bovendien niet alleen gevolgschade in hoofde van de heer Gilles teweeg brengen, maar vormt ook voor het openbaar domein en de openbare veiligheid een ernstig risico dat te allen tijde vermeden dient te worden. De persoonlijke belangen van de heer Gilles (niet alleen ter voorkoming van verdere schade op zijn eigen terrein maar ook ter voorkoming van schade op het openbaar domein en de daarmee gepaard gaande aansprakelijkheid) kunnen enkel gevrijwaard worden door een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de thans voor Uw Raad bestreden bepalingen, daar enkel een dergelijke UDN-schorsing de gevolgschade en de daarmee gepaard gaande onomkeerbare aantasting van de belangen van de heer Gilles kan vermijden. 58. Enkel in geval van een dergelijke UDN-schorsing zou de heer Gilles im- mers onmiddellijk naar zijn buitenverblijf in Draguignan kunnen afreizen en daar de nodige herstellingswerken én voorlopige maatregelen kunnen treffen. Deze werken, die alleszins niet kunnen wachten tot de voorlopige einddatum van het reisverbod (1 april 2021), zouden nochtans elke vorm van bijkomende, quasi-onomkeerbare schade (= het verder afbrokkelen van de bergwand) effectief vermijden. Het veiligstellen van de belangen van de heer Gilles kan alleszins geen weken/maanden op zich laten wachten, reden waarom hij zich bij UDN tot Uw Raad wendt. B.5 In hoofde van mevrouw Dielen 59. Mevrouw Dielen is eveneens genoodzaakt om Uw Raad via onderhavige UDN-procedure te vatten. De toestand ter plaatse zorgt voor een onmiddellijk risico op verdere (gevolg)schade, die bestaat uit het vermijden van verdere (gevolg)schade aan het dak en de waterleidingen, en bij uitbreiding mogelijk zelfs de inboedel van haar verblijf.[foto] 60. De uitkomst van een reguliere schorsings- en vernietigingsprocedure zou onherroepelijk te laat komen om haar belangen veilig te stellen. Zij dient haar buitenlandse eigendom (zowel haar woning als de olijfbomen op haar terrein) zo spoedig mogelijk sneeuwvrij te maken, dit teneinde vermijdbare schade aan haar buitenlands domein tegen te gaan. Het uitvoeren van deze werken kan in elk geval net wachten tot 1 april 2021, de voorlopige einddatum van het reisverbod, reden waarom ook zij zich bij UDN tot Uw Raad wendt. 61. Zelfs indien de sneeuw gedurende de reeds zeer korte behandelingstermijn van onderhavige UDN-procedure gedeeltelijk zou dooien, is het voor mevrouw Dielen nog steeds van uiterst dringend belang om haar woning te bezoeken, de hoogstwaarschijnlijk reeds door het uitzonderlijke winterweer toegebrachte, onvermijdbare schade te inspecteren en daden van IX-9844-10/16 bewaring te stellen teneinde verdere (gevolg)schade aan haar woning in Griekenland tegen te gaan. C. Diligentie C.1 In hoofde van alle verzoekende partijen 62. Een termijn van 2 à 3 weken om een UDN in te stellen kan als redelijk aanzien worden. Een complex dossier vergt ook meer tijd. De maatregelen dateren van eind januari. Het verzoekschrift UDN van medio februari. Dit is redelijk te verantwoorden. De maatregelen werden ook geheel onverwacht en zonder veel ruchtbaarheid verlengd. Bovendien zijn er ook heel wat verschillende situaties die getroffen worden en in kaart gebracht moesten worden (dikwijls ook met informatie uit het buitenland, dewelke enige tijd onderweg is). Bovendien zijn er ook diverse welgevende bepalingen van nationale, internationale en/of Europeesrechtelijke aard die in de zaak betrokken dienen te worden. In de gegeven concrete omstandigheden kan in redelijkheid niet gesteld worden dat de verzoekers niet dilligent gehandeld zouden hebben bij het indienen van het verzoekschrift bij UDN. 63. Uw Raad heeft in het kader van een zeer recent en eveneens COVID-gerelateerd arrest reeds expliciet geoordeeld dat een UDN-procedure, ingesteld binnen een termijn van +- twee weken na het ontstaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid, van een afdoende diligent optreden in hoofde van verzoekende partijen getuigt. C.2 In hoofde van de heer Dubernard 64. Zoals reeds werd aangegeven, worden de belangen van de heer Dubernard op onevenredige wijze geschaad door de verlenging van het verbod op niet-essentiële reizen tot 1 april 2021, hetgeen zijn eerder ingeplande bezichtiging op 5 maart 2021 (dewelke reeds rekening hield met de initiële duur van het reisverbod) volledig uitsluit. 65. De verlenging van de duurtijd van het verbod op niet-essentiële reizen gebeurde middels invoering van art. 6 van het Ministerieel Besluit d.d. 6 februari 2021 (BS zondag 7 februari 2021). Onderhavig verzoekschrift wordt ingediend binnen een termijn van twee weken, te rekenen vanaf de datum van publicatie en inwerkingtreding van voormeld artikel. 66. Daarenboven dient opgemerkt te worden dat de heer Dubernard — los van de verlenging van de maatregelen sowieso uiterst diligent optreedt, daar het eerste contact met de makelaar dateert van resp. 15 en 17 februari 2021. De woning werd ook maar op 15 februari 2021 online aangeboden; de advertentie werd voor het laatst aangepast/geactualiseerd op 17 februari 2021. De uiterst dringende noodzakelijkheid in hoofde van de heer Dubernard ontstond principieel dan ook maar vanaf de publicatie (én kennisname) van de advertentie van het buitenverblijf en het daaropvolgende contact met de makelaar op 15 februari jl. Onderhavig verzoekschrift wordt binnen een termijn van één week vanaf het ontstaan van voormelde UDN ingediend en getuigt dan ook van de nodige diligentie in hoofde van de heer Dubernard. C.3 In hoofde van mevrouw Van Loo 67. Mevrouw Van Loo werd op 1 februari 2021 via WhatsApp in kennis gesteld van de schade aan haar buitenverblijf. De nood om zich naar Spanje te begeven werd in hoofde van mevrouw Van Loo pas uiterst dringend noodzakelijk op het ogenblik van kennisname van de schade. Onderhavig IX-9844-11/16 verzoekschrift wordt binnen een termijn van 21 dagen vanaf de kennisname van de schade neergelegd en getuigt ook in hoofde van mevrouw Van Loo van een afdoende diligent optreden. C.4 In hoofde van de heer Gilles 68. De heer Gilles werd op 3 februari 2021 via WhatsApp in kennis gesteld van de schade aan zijn buitenverblijf. De nood om zich naar Frankrijk te begeven werd in hoofde de heer Gilles pas uiterst dringend noodzakelijk op het ogenblik van kennisname van de schade. Onderhavig verzoekschrift wordt binnen een termijn van 19 dagen vanaf de kennisname van de schade neergelegd en getuigt ook in hoofde van de heer Gilles van een afdoende diligent optreden. C.5 In hoofde van mevrouw Dielen 69. Mevrouw Dielen werd op 15 februari 2021 via haar webcam in kennis gesteld van de schade aan haar buitenverblijf. De nood om zich naar Griekenland te begeven werd in hoofde van mevrouw Dielen pas uiterst dringend noodzakelijk op het ogenblik van kennisname van de schade. Onderhavig verzoekschrift wordt binnen een termijn van 7 dagen vanaf de kennisname van de schade neergelegd en getuigt ook in hoofd[e] van mevrouw van Dielen van een afdoende diligent optreden.‖ Beoordeling 6. De Raad van State heeft in zijn rechtspraak met betrekking tot het vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid al zo vaak eraan herinnerd dat de toepassing van de schorsingsprocedure ‗bij uiterst dringende noodzakelijkheid‘ een ernstige verstoring teweegbrengt in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, dat ze de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt en de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang brengt. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven. Ze mag slechts worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. De feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen, dienen overeenkomstig artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‗tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‘ in het verzoekschrift te worden aangevoerd. IX-9844-12/16 7. De verzoekende partijen betogen in de eerste plaats dat de mogelijkheid om in een ander land een eigendom te verwerven, daar vrij naartoe te kunnen reizen en daar het genots- en beschikkingsrecht van te hebben, het fundament vormt van de Westerse en Europeesrechtelijke vrijheid. De beperking hiervan raakt wezenlijk aan de identiteit zelf van de verzoekende partijen. De Raad van State deelt de zienswijze van de verzoekende partijen niet dat de inperking van deze fundamentele grondrechten en vrijheden alleszins steeds een zwaarwichtige aangelegenheid is, en bijgevolg op zich zou kunnen volstaan om het nadeel in hoofde van de verzoekende partijen aan te tonen. Of de bestreden beslissing de fundamentele grondrechten en vrijheden miskent, betreft de voorwaarde van een ernstig middel. De voorwaarde van een uiterst dringende noodzakelijkheid, namelijk de voorwaarde of de onwettige beslissing de verzoekende partijen gebeurlijk in een zodanig urgente toestand doen belanden dat zelfs een schorsing volgens de gewone schorsingsprocedure nog te laat dreigt te komen, is van de eerste voorwaarde te onderscheiden en laat zich er niet zonder meer toe herleiden. Dit heeft de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak recent nog bevestigd in zijn arrest nr. 249.313 van 22 december 2020. De verzoekende partijen blijven ertoe gehouden om, naast het aanvoeren van een ernstig middel, aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens ook het bestaan van een uiterste hoogdringendheid inzichtelijk en aannemelijk te maken. 8. Wat het risico ten nadele van de tweede verzoeker betreft, dat de ―droomwoning‖ die hij wenst te bezichtigen in de komende weken reeds zal zijn verkocht, volstaat de vaststelling dat deze eventuele snelle verkoop aan een derde persoon hypothetisch is. De tweede verzoeker toont niet op overtuigende wijze aan dat dit pand, omwille van haar beweerd uitzonderlijk karakter, op zo korte termijn zal worden verkocht en een vergelijkbaar pand in de nabije toekomst niet meer zal IX-9844-13/16 worden aangeboden. Evenmin toont de tweede verzoeker aan welke concrete stappen hij voor de aankoop reeds heeft ondernomen in die mate dat het mislopen ervan meer is dan een gemiste kans. 9. Voor zover de derde tot vijfde verzoekende partijen aanvoeren dat aan hun woning – waaromtrent zij overigens geen eigendomsakte voorleggen – dringende herstellingen dienen te worden uitgevoerd, tonen zij niet aan dat de schadelijke gevolgen dermate ernstig zijn dat zij ze niet kunnen ondergaan tijdens een ‗gewone‘ schorsingsprocedure. Alhoewel begrip wordt opgebracht voor de zorgen die schade aan een woning met zich kan meebrengen, kan in redelijkheid niet worden aangenomen dat die herstellingen een uiterst dringende behandeling van de vordering zou vergen. De schade van de derde en vierde verzoekende partijen betreft schade aan een tuinhuis, respectievelijk een tuinmuur, en niet aan de woning zelf. De vierde verzoekende partij zet ook niet nader uiteen welke goederen in het beschadigde tuinhuis worden bewaard en wat de waarde ervan is. De schade van de vijfde verzoekende partij is dan weer louter hypothetisch; nergens in het verzoekschrift wordt aangetoond dat de woning en olijfboomgaard werkelijk schade lijden ten gevolge de hevige sneeuwval. Daarbij komt nog dat geen van de verzoekende partijen aantonen waarom eventuele herstellingen of het vermijden van navolgende schade niet vanop afstand kan worden georganiseerd. Stellen dat zij de enige persoon zijn die in het bezit is van de sleutel, komt zeer ongeloofwaardig over. Als eigenaar van een tweede verblijf in het buitenland nalaten een netwerk van buren of aannemers te organiseren of een lasthebber aan te stellen – omdat, zoals ter zitting wordt beweerd, het hun vrije keuze is om dat niet te doen – getuigt in ieder geval van een zekere graad van onzorgvuldigheid die, in geval van een noodsituatie, niet ter staving van de ernst van de schade kan worden aangevoerd. IX-9844-14/16 Ook wordt vastgesteld dat minstens de derde en vierde verzoekende partijen ten aanzien van de dreiging op onherstelbare schade niet zeer diligent hebben gehandeld, aangezien zij reeds begin februari op de hoogte waren van de schade aan hun tweede verblijf, en zij pas drie weken later in rechte opkomen tegen de onmogelijkheid ernaar af te reizen; minstens maakt dit getalm de ernst van de imminente schade minder geloofwaardig. Voor zover de raadsman van de vijfde verzoekster ter zitting foto‘s toont waaruit schade aan een tuinmuur en olijfbomen anno 2021 wel zou blijken, wordt vastgesteld dat, gelet op een vergelijkbare schade in 2019, het ook aan de vijfde verzoekster toekwam extra maatregelen te nemen om toekomstige schade te voorkomen of op afstand dringend te laten herstellen. 10. Uit wat voorafgaat blijkt dat de verzoekende partijen niet met voldoende precieze en nauwkeurige gegevens doen blijken van de urgentie die voor een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid vereist is. 11. Er is derhalve niet voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die cumulatief vervuld moeten zijn opdat een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zou kunnen worden ingewilligd. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. 2. De verzoekende partijen worden, elk voor een vijfde, verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 1000 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-9844-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9844-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.948 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div