← België

Arrest 249954 - Niet begeleide minderjarigen - 03/03/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.954 Rolnummer: A. 228810/XIV-38121 Zaak: Arrest 249954 - Niet begeleide minderjarigen - 03/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-22 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-20 00:32 Fiche Arrest nr 249.954 van 3 maart 2021 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 249.954 van 3 maart 2021 in de zaak A. 228.810/XIV-38.121 In zake : Irfan HASHIMI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Xavier Medats kantoor houdend te 1930 Zaventem Brussel Luchthaven Nationaal 1K bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefaan Verbouwe en Rutger Robijns kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep tot nietigverklaring, ingesteld op 13 augustus 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 18 juni 2019 waarbij wordt vastgesteld dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 „Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen‟ van de programmawet van 24 december 2002”, waardoor zijn plaatsing onder de hoede door de dienst Voogdij van rechtswege vervalt op de datum van de kennisgeving van de bestreden beslissing. XIV-38.121-1/9 II. Verloop van de rechtspleging
  2. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 december 2020, om 14.10 uur. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Xavier Medats, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Rutger Robijns, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. Verzoeker is België binnengekomen en hij dient op 27 mei 2019 een verzoek om internationale bescherming in. Hij verklaart alsdan van Afghaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 22 december
  5. Verzoeker wordt onder de hoede geplaatst door de dienst Voogdij doch de dienst Vreemdelingenzaken uit twijfel over de leeftijd van betrokkene. In het Universitair Ziekenhuis Antwerpen te Edegem ondergaat verzoeker op 5 juni 2019 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker “op datum van XIV-38.121-2/9 05-06-2019 een leeftijd heeft van ouder dan 18 jaar, waarbij 22,5 jaar met een standaarddeviatie van 1,7 jaar een goede schatting is”. Op 18 juni 2019 beslist de dienst Voogdij dat verzoeker “niet voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 „Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen‟ van de programmawet van 24 december
  6. Bijgevolg vervalt de plaatsing onder de hoede van Jongeheer Irfan HASHIMI door de dienst Voogdij van rechtswege op de datum van de kennisgeving van deze beslissing.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Uiteenzetting van het middel
  7. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van artikel 7 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 „Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen‟ van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: de voogdijwet), van artikel 25.5 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 „betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking)‟ (hierna: richtlijn 2013/32), van “de formele en materiële motiveringsplicht zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen‟” (hiern: de wet van 29 juli 1991), van de motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur en van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 „tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002‟ (hierna: het koninklijk besluit van 22 december 2003). In een eerste middelonderdeel “twijfel omtrent leeftijd verzoeker wordt niet gepreciseerd” voert verzoeker aan dat in de bestreden XIV-38.121-3/9 beslissing niet wordt gemotiveerd wat de twijfels omtrent zijn verklaarde leeftijd inhouden of welke aanwijzingen de dienst Vreemdelingenzaken had om te twijfelen aan verzoekers verklaarde leeftijd. Uit die beslissing blijkt niet dat een algemene verklaring is afgelegd of dat andere relevante aanwijzingen zijn voorgelegd aan verzoeker waaruit de geuite twijfels omtrent zijn leeftijd moeten blijken. Verzoeker acht dit in strijd met artikel 7 van de voogdijwet en artikel 25.5 van richtlijn 2013/
  8. Verzoeker voegt bij zijn verzoekschrift een door de Afghaanse overheid uitgegeven geboorteakte en zijn geboorteregistratiekaart, samen met de vertaling ervan. Beide documenten vermelden, aldus verzoeker, uitdrukkelijk dat hij, zoals hij heeft verklaard bij de dienst Vreemdelingenzaken, is geboren op 22 december 2004 en bevestigen dus uitdrukkelijk de door hem verklaarde geboortedatum en bijgevolg ook het feit dat hij minderjarig is. Verzoeker stelt dat hij deze documenten niet kon voorleggen bij het indienen van zijn verzoek om internationale bescherming, aangezien hij deze niet bij zich kon hebben tijdens zijn vlucht. In een tweede middelonderdeel “schending van de motiveringsplicht” voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, gelezen samen met artikel 25.5 van richtlijn 2013/32, schendt doordat niet wordt gemotiveerd op basis van welke onderzoeken de arts tot een leeftijd van 22,5 jaar komt en de leeftijdsuitslag van ieder onderzoek afzonderlijk niet wordt vermeld. De bestreden beslissing vermeldt ook nergens dat verzoeker, zoals artikel 25.5 van richtlijn 2013/32 nochtans vereist, werd ingelicht over de gevolgen van het medisch onderzoek op zijn verzoek om internationale bescherming en over de gevolgen van een eventuele weigering om het medische onderzoek te ondergaan op dat verzoek om internationale bescherming. Bovendien blijkt volgens verzoeker op geen enkele manier uit de bestreden beslissing dat hij de gegeven informatie omtrent het medisch onderzoek in een voor hem begrijpelijke taal heeft gekregen. Ten slotte geeft de bestreden beslissing nergens aan dat verzoeker overeenkomstig artikel 25.5 van de richtlijn uitdrukkelijk zou hebben ingestemd met het medisch onderzoek. XIV-38.121-4/9 In een derde middelonderdeel “schending van de zorgvuldigheidsplicht bij het uitvoeren van het medisch onderzoek tot leeftijdsbepaling” acht verzoeker de zorgvuldigheidsplicht en artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 geschonden doordat uit het advies van 20 februari 2010 van de Nationale Raad van de Orde der Artsen blijkt dat de interpretatie van een röntgenfoto geen onfeilbare methode is om de leeftijd van een persoon te bepalen en zowel de botgroei als de dentale criteria afhangen van de etnische, socio-economische, nutritionele en medische factoren eigen aan de persoon. Verzoeker is afkomstig uit Afghanistan en de voormelde factoren verschillen duidelijk tussen een persoon uit de westerse wereld en een persoon uit midden-Azië. Uit de bestreden beslissing blijkt volgens verzoeker op geen enkele manier dat met deze factoren rekening zou zijn gehouden. Verzoeker acht ten slotte de zorgvuldigheidsplicht en artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 geschonden doordat op geen enkel ogenblik werd overgegaan tot een psycho-affectieve test, niettegenstaande de wetgever deze mogelijkheid uitdrukkelijk heeft voorzien. Beoordeling Eerste middelonderdeel
  9. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, XIV-38.121-5/9 opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de beslissing wordt vermeld. Te dezen vermeldt de bestreden beslissing dat de dienst Vreemdelingenzaken twijfel heeft geuit over verzoekers voorgehouden leeftijd en geeft ze de conclusie van het leeftijdsonderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker op 5 juni 2019 een leeftijd had “van ouder dan 18 jaar, waarbij 22,5 jaar met een standaarddeviatie van 1,7 jaar een goede schatting is”. Het is niet vereist dat ook wordt aangegeven waarom verzoekers voorgehouden leeftijd in twijfel werd getrokken. De formelemotiveringsplicht vereist immers niet dat de overheid de gronden van haar motieven specificeert. Naar luid van artikel 25.5, eerste lid, van richtlijn 2013/32 kunnen “de lidstaten [...] in het kader van de behandeling van een verzoek om internationale bescherming besluiten om door middel van een medisch onderzoek de leeftijd van een niet-begeleide minderjarige vast te stellen, wanneer zij, nadat er een algemene verklaring is afgelegd of ander relevante aanwijzingen zijn overgelegd, twijfels hebben over diens leeftijd”. Daargelaten de vraag naar de rechtstreekse werking van deze bepaling, die in het Belgische recht werd omgezet in artikel 7 van de voogdijwet, kan er geen verplichting uit worden afgeleid om aan de vreemdeling, nadat deze laatste een verklaring heeft afgelegd, mee te delen welke de redenen zijn om te twijfelen aan de door de vreemdeling opgegeven leeftijd. Overigens wordt in de “fiche niet begeleide minderjarige” van verzoeker als motief voor de twijfel “baardgroei, g[ee]n documenten” vermeld en bevat het verslag van het medisch onderzoek de deelresultaten van de verschillende uitgevoerde onderzoeken. Deze stukken bevinden zich in het administratief dossier en verzoeker toont niet aan dat hij er geen kennis van heeft kunnen nemen.
  10. Verzoeker verwijst naar documenten die hij bij het verzoekschrift heeft gevoegd, doch, zoals hij zelf aangeeft, deze documenten XIV-38.121-6/9 worden thans voor het eerst meegedeeld en de verwerende partij had er dan ook geen kennis van op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen. Bijgevolg kan verzoeker zich niet dienstig steunen op de voornoemde documenten om tot de onwettigheid van de bestreden beslissing te besluiten. Tweede middelonderdeel
  11. Naar luid van artikel 25.5, derde lid, a), van richtlijn 2013/32, zorgen de lidstaten ervoor dat “de niet-begeleide minderjarige, voordat het verzoek om internationale bescherming wordt behandeld, in een taal die hij begrijpt of waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat hij deze begrijpt, in kennis wordt gesteld van het feit dat mogelijk een medisch onderzoek zal worden verricht om zijn leeftijd vast te stellen” en wordt daarbij “onder meer informatie verstrekt over de onderzoeksmethode en over de mogelijke gevolgen van het medische onderzoek voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, alsook over de gevolgen indien de niet-begeleide minderjarige weigert het medische onderzoek te ondergaan”. Anders dan verzoeker voorhoudt, dient deze informatie niet te worden vermeld in de bestreden beslissing, zodat in dat opzicht geen sprake kan zijn van een schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli
  12. Daarenboven wordt in de “fiche niet-begeleide minderjarige” van verzoeker wel degelijk aangegeven dat verzoeker een document heeft ontvangen betreffende het verloop van het leeftijdsonderzoek en dat hij geen bezwaar heeft geuit tegen dergelijk onderzoek. Verzoeker heeft het leeftijdsonderzoek, waarbij hij was vergezeld van E.K. van de dienst Voogdij, ook zonder probleem laten uitvoeren.
  13. Zoals supra reeds aangegeven, is de bestreden beslissing, wat het medisch onderzoek betreft, formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in die beslissing wordt vermeld. Te dezen geeft de bestreden beslissing de conclusie van dat onderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker meer XIV-38.121-7/9 dan 18 jaar oud is. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke afzonderlijke medische onderzoeken werden uitgevoerd en welke de afzonderlijke resultaten daarvan waren. Bovendien bevindt het verslag van het medisch onderzoek zich in het administratief dossier en voert verzoeker niet aan dat hij er geen kennis van kon nemen. Derde middelonderdeel
  14. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat, blijkt geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel of de materiëlemotiveringsplicht uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek. Verzoeker weidt uit over de voorgehouden onnauwkeurigheid van medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling. Hij beperkt zich tot algemene kritiek doch hij toont niet aan dat het medisch onderzoek te dezen ondeskundig, onbetrouwbaar of niet correct is. Zo blijkt dat de arts eventuele afwijkingen ten gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.
  15. Artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 voorziet weliswaar de mogelijkheid van psycho-affectieve tests, doch er is geenszins sprake van een verplichting bij het uitvoeren van een medisch onderzoek. Noch deze laatste bepaling, noch de zorgvuldigheidsplicht is derhalve geschonden door het niet uitvoeren van psycho-affectieve tests nu de uitslag van het uitgevoerd medisch onderzoek duidelijk is en door verzoeker niet wordt ontkracht met de algemene bewering van het tegendeel. XIV-38.121-8/9 Conclusie
  16. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. BESLISSING
  17. De Raad van State verwerpt het beroep.
  18. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, waarnemend voorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.121-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.954 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.