id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.955 Rolnummer: A. 229108/XIV-38152 Zaak: Arrest 249955 - Niet begeleide minderjarigen - 03/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-22 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-20 00:28 Fiche Arrest nr 249.955 van 3 maart 2021 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 249.955 van 3 maart 2021 in de zaak A. 229.108/XIV-38.152 In zake: Fithi BERHANE TWELDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaatPieter-Jan De Block kantoor houdend te 1060 Brussel Sint-Bernardusstraat 96-98 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefaan Verbouwe en Rutger Robijns kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Verzoeker dient met een enig verzoekschrift op 14 september 2019eenvordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring invan de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 26 juli 2019 waarbij wordt vastgesteld dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen”, van de programmawet van 24 december 2002, waardoor zijn plaatsing onder de hoede door de dienst Voogdij van rechtswege vervalt op de datum van de kennisgeving van de bestreden beslissing. II. Verloop van de rechtspleging XIV-38.152-1/12
- Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 december 2020, om 14.20 uur. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. AdvocaatPieter-Jan De Block, dieverschijnt voor verzoeker, en advocaat Rutger Robijns, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoeker is België binnengekomennaar eigen zeggen op 5 juli 2019 en hij dient op 11 juli 2019 een verzoek om internationale bescherming in. Hij verklaart alsdan van Eritrese nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 5 december
- Verzoeker wordt onder de hoede geplaatst door de dienst Voogdij doch de dienst Vreemdelingenzaken uit twijfels over de leeftijd van betrokkene. XIV-38.152-2/12 In hetUniversitair Ziekenhuis Antwerpen te Edegemondergaat verzoeker op 17 juli 2019 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker ouder is dan 18 jaar. Op 26 juli 2019 beslist de dienst Voogdij dat verzoeker “niet voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 „Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen‟ van de programmawet van 24 december
- Bijgevolg vervalt de plaatsing onder de hoede van Jongeheer Fithi BERHANE TEWELDEdoor de dienst Voogdij van rechtswege op de datum van de kennisgeving van deze beslissing.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991„betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen‟, van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 „betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen‟(hierna: de vreemdelingenwet), van artikel 7 van Titel XIII, hoofdstuk 6, “voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen”, van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: de voogdijwet), van het recht van verdediging en van de zorgvuldigheidsplicht. Hij licht dit als volgt toe: “Eerste Onderdeel: Overwegende dat de verwerende partij dient zijn beslissing opgemotiveerde wijze te nemen. De uitdrukkelijke motiveringsplicht vervat in de artikelen 2 en3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijkemotivering van de bestuurshandelingen heeft tot doel debelanghebbende in kennis te stellen van de redenen waarom dedesbetreffende administratieve overheid tot de bestredenbeslissing is gekomen zodat de betrokkene in staat is te wetenof het wenselijk is zich tegen die handeling te XIV-38.152-3/12 verweren met demiddelen die het recht hem verschaft. In de akte moeten de juridische en feitelijke overwegingenworden vermeld die aan de bestreden beslissing ten grondslagliggen en deze moeten afdoende zijn, wat betekent dat demotivering pertinent en draagkrachtig moet zijn. Het eerstehoudt in dat de redengeving duidelijk in verband moet staan metde bestreden beslissing, het tweede dat de aangehaalde redenenmoeten volstaan om de beslissing te dragen. Dat dit niet geschied is, minstens op zeer gebrekkigewijze, blijkt uit het feit dat de bestreden beslissing geenexacte informatie meedeelt over welke medische onderzoeken nuwerden uitgevoerd om de leeftijd van verzoekende partij vast testellen. Dat de resultaten van het onderzoek niet in detail werdenbetekend aan [verzoeker], dit samen met debestreden beslissing. Hij kon bijgevolg op dat moment deze resultaten niet verifiëren. Er is bijgevolg zeker een gebrekkige motivering van de bestredenbeslissing, minstens een schending van hetzorgvuldigheidsbeginsel aangezien de resultaten niet in detailkonden worden nagekeken. Bovendien dient de beslissing ook te motiveren in welkemate de resultaten van het desbetreffend onderzoek kan wordenaanvaard rekening houdende met hun beperkte betrouwbaarheid,zeker voor wat betreft de verschillende resultaten voor personenmet een andere afkomst. De motivering van de bestreden beslissing schiet hierin tekort. De omstandigheid dat de resultaten niet samen met debestreden beslissing werden betekend, zodat verzoekendepartij onmogelijk kon weten op welke motieven exact debestreden beslissing is gemotiveerd, maakt de schendingvan de formele motiveringsplicht uit. Dat verzoeker immers over stavingsstukken beschikte die destellingname van de Dienst Voogdij integraal tegenspreken. (Cfr.Stuk 3-4) Overwegende dat de bestreden beslissing slechts in eenbijzonder een summiere motivering voorziet, zonder verderedetails over de gebeurde onderzoeken prijs te geven. Dat er namelijk mogelijks meerdere onderzoeken werden uitgevoerdmet elk een verschillend resultaat van leeftijdsschatting. Zo bestaat er onder andere de orthopantomogram, dehandpolsradiografie en radiografie op basis van het sleutelbeen. Dat de details van de eventueel uiteenlopende resultaten nietwerden meegedeeld op het moment van kennisname van de bestredenbeslissing. Dat verzoekende partij zich er ook niet van kan vergewissen datde jongste leeftijd in aanmerking werd genomen door de DienstVoogdij. Dat de motivering van de bestreden beslissing dan ookvanzelfsprekend volledig ontoereikend is. In het licht van bovenstaande argumenten zijn de redenendie worden aangegeven noch voldoende noch afdoende gemotiveerdzodat men kan besluiten dat de beslissing de motiveringsplichtheeft geschonden. Tweede onderdeel: Verzoekende partij benadrukt andermaal dat de resultatenvan de onderzoeken niet in detail en samen met de bestredenbeslissing werden betekend aan verzoekende partij. Het was hem toen bijgevolg ook niet mogelijk om deze resultatente gaan weerleggen. Dat verzoeker immers over stavingsstukken beschikte die destellingname van de Dienst Voogdij integraal tegenspreken. Dat dit op dan ook op ondubbelzinnige wijze het recht vanverdediging in hoofde van verzoekende partij in het gedrang heeftgebracht. Verzoekende partij bekritiseert de gehanteerde methode. XIV-38.152-4/12 Op medisch vlak bestaan er (in theorie) diverse methodes om deleeftijd van een bepaalde persoon te onderzoeken. Een van deoudste methodes betreft het leeftijdsonderzoek via eenröntgenfoto van de linker hand en de pols, op basis waarvan, aande hand van de atlas van Greulich en Pyl, iemands zogenaamdeskeletleeftijd wordt vastgesteld (de rijping of volgroeiing vanhet skelet), waaruit men vervolgens de reële (of zogehetenchronologische) leeftijd van de betrokkene inschat. Nauw hiermee verwant zijn de medische testen waarmee iemands(skelet) leeftijd wordt nagetrokken via een onderzoek van degebitsontwikkeling (volgroeiing van de wijsheidstanden). Andereleeftijdsonderzoeken zijn veeleer gericht op de externe kenmerkenvan de lichaamsbouw in het algemeen of op de ontwikkeling van desecundaire geslachtskenmerken. Er zijn ook testen, de zogenaamdesociaalpedagogische leeftijdsonderzoeken, waarbij hoofdzakelijkvia vraaggesprekken, gepeild wordt naar het intellectueleontwikkelingsniveau, evenals de psychologische en emotionelematuriteit van een persoon. In de beslissing wordt niet gemeld welke methode er specifiekwerd gehanteerd om een leeftijdsonderzoek te doen, terwijl erverschillende vormen van onderzoeken zijn. Omtrent het inzetten van deze methodes om de leeftijd van niet-begeleideminderjarige vreemdelingen vast te stellen, bestaat ernogal wat verzet in de medische wereld zelf. De aangevoerde bezwaren zijn zowel medisch-wetenschappelijk alsmedisch-ethisch van aard.(Documentloze Vreemdelingen, Grondrechtenbescherming doorheen de Belgischeen internationalerechtspraak vanaf 1985, Steven Bouckaert, Maklu, p 759.) Een eerste bezwaar, van wetenschappelijk-methodologische aard,luidt dat de medische leeftijdsonderzoeken, ansich nietontwikkeld werden met de bedoeling om de reële leeftijd van eenbepaald persoon zo precies mogelijk te kunnen vaststellen. Een tweede wetenschappelijk bezwaar houdt verband met het risicovan een te grote foutenmarge. Nogal wat van deleeftijdsonderzoeken zijn geschraagd op onderzoeksgegevens vaaktientallen jaren geleden. Sindsdien verloopt delichaamsontwikkeling van jongeren in het algemeen echter in eenverhoogd tempo. Specifiek naar niet-begeleide minderjarigevreemdelingen toe stelt zich bovendien het probleem dat deontwikkeling van de botstructuur mede afhangt van factoren dieverband houden met de levenswijze, de voedingsgewoonten en vooralde etnische afkomst. Hetzelfde geldt voor de ontwikkeling van hetgebit. Aangezien omzeggens alle medische leeftijdsonderzoeken (opbasis van fysieke lichaamskenmerken) stoelen oponderzoeksgegevens omtrent de lichaamsontwikkeling van blankeAmerikaanse of Engelse jongeren uit de middenklasse en debiologische ontwikkeling van met name negroïde jongeren gemiddeldeen sneller verloop kent, is het risico reëel dat men de leeftijdop basis van de thans gehanteerde onderzoeksgegevens onnauwkeurigvaststelt. Bijkomen zouden de (fysieke) leeftijdsonderzoeken inonvoldoende mate rekening houden met groeistoringen op grond vanondervoeding, of ziekte, of nog met het verrichten van zware(fysieke) arbeid en de invloed daarvan op delichaamsontwikkeling. Er is ook een gelijkaardig bezwaar: de onderzoeksmethode houdtonvoldoende rekening met de specifieke achtergrond van niet-begeleidebuitenlandse minderjarigen, wordt ook geuit tenoverstaan van het zogenaamd sociaalpedagogischeleeftijdsonderzoek. Dergelijk onderzoek vereist allereerst en innog sterkere mate dan bij lichamelijke leeftijdstesten, eenkwaliteitsvolle communicatie tussen de onderzoeker en debetrokken minderjarige, hetgeen bij niet-begeleide buitenlandseminderjarige er helaas niet is. (Documentloze Vreemdelingen,Grondrechtenbescherming doorheen de Belgische en internationalerechtspraak vanaf 1985, StevenBouckaert, Maklu, p 761.) XIV-38.152-5/12 De kritiek op de uitgevoerde methode/test was jaren geledenreeds een punt van grote discussie maar de dag van vandaag is ditook nog steeds het geval. Verzoekende partij verwijst hiervoor naar volgende passage (Dewaarde van medische beeldvorming bij de bepaling van deskeletleeftijd – 2009-2010;http://lib.ugent.be/fulltxt/RUG01/001/458/904/RUG01-001458904_20 11_0001_AC.pdf ,geraadpleegd op 16.10.2017): „Conclusies
- Er bestaan veel leeftijdsschattende methoden, met elkhun specifieke voor- en nadelen. De kwaliteit van de manuele methodenzijn meestal zeer vergelijkbaar. De grootste verschillen tussen demethoden zijn vaak te wijten aan de verschillen tussen dereferentiepopulaties waarop ze gebaseerd zijn.
- Vooral denutritionele toestand en de socio-economische status beïnvloeden deskeletalematuratiesnelheid. Een etnische invloed is nog niet vollediguitgesloten.
- De ontwikkelingsfasen van de mediale epifyse van declavicula zijn zeer gespreid over verschillende jaren. Dit zorgt ervoordat de meerwaarde van de techniek beperkt is. Preciezere resultatenkunnen verkregen worden door resultaten van soortgelijkematuriteitsindicatoren te combineren of verdere stratificatie van deontwikkelingsfasen.‟ En volgende passage in Niet-Begeleide minderjarige in België,Onthaal, terugkeer en Integratie(https://dofi.ibz.be/sites/dvzoe/NL/Documents/Brochure_mineur_NL.pdf , p. 28,geraadpleegd op 16.10.2017): „Er moet ook opgemerkt worden dat de test voor leeftijdsbepalingcontroversieel is. Sommige ngo‟s zijn er tegen omdat erwetenschappelijk bewijs bestaat dat de medische tests niet betrouwbaarzijn omdat er vaak een foutenmarge van twee jaar is en omdat factorenzoals de socio-economische situatie, etnische of geografischeafstamming, ziekte e.d. de ontwikkeling van een kind kunnen beïnvloeden.Er wordt gezegd dat de dienst Voogdij met deze medische test doorgaatomdat er geen alternatieven zijn. Momenteel zijn wetenschappers enmedische onderzoekers met aanvullend onderzoek bezig.‟ Dus in hoeverre zijn de leeftijdsonderzoeken betrouwbaarals er van de medische wereld zelf zoveel bezwaar en kritiek opis. Dat de arts en de verwerende partij op onzorgvuldig wijzeen onredelijk zijn geweest door de leeftijd te schatten op 21,2jaar met vermelding van een standaardeviatie van 1,9 jaar. Dat zijn onredelijk zijn geweest, wordt ondersteund door stukken3-4 die aan huidig verzoekschrift worden toegevoegd en welkestaven dat verzoekende partij dat minderjarig is (Stukken 3, 4). Stuk 3 betreft de geboorteakte van verzoekende partij, waaruitblijkt dat hij geboren is op 05.12.2004; Stuk 4 is een officieel stuk dat werd opgevraagd door de UNHCRbij hun collega‟s in Malta, waar verzoeker bij aankomst werdgeregistreerd als niet begeleide minderjarige en overigens enkelemaanden verbleef. Uit onderhavig stuk blijkt dat na een leeftijdstest eengeboortedatum werd weerhouden van 01.06.
- Dat het UNHCR bovendien het nodige deed om deze documenten overte maken aan de Dienst Voogdij ter heropening van het dossier vanverzoekende partij. Dat de leeftijdstest gedaan in Malta op zijn minst dezelfdewaarde dient te worden toegekend als deze in België en dat deminderjarigheid in hoofde van verzoekende partij dan ook meer danplausibel is. Dat deze stukken bovendien aantonen dat de bestreden beslissingvoorziet in een ontoereikende motivering. Dat bovendien de motivering in haar onderdeel : … „op 11 juli 2019twijfel omtrent de leeftijd van de betrokkene heeft geuit, omdat haar broer in2014 bij zijn asielaanvraag heeft verklaard dat zijn zus 14 jaar oud is. …‟ volkomen nergens op XIV-38.152-6/12 slaat. Derde Onderdeel: schending van artikel 7, §3 van Titel XIII – Hoofdstuk VI„Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen‟ van deprogrammawet van 24.12.2002 Vernoemd artikel 7, §3 bepaalt het volgende: „§
- Wanneer de dienst Voogdij of de overheden bevoegd voorasiel, toegang tot het grondgebied, verblijf en verwijderingtwijfel koesteren omtrent de leeftijd van de betrokken persoon,laat de dienst Voogdij onmiddellijk een medisch onderzoek dooreen arts uitvoeren teneinde na te gaan of deze persoon al danniet jonger is dan 18 jaar. Het medisch onderzoek geschiedt onder toezicht van de dienstVoogdij. De kosten van dat medisch onderzoek zijn ten laste vande overheid die het heeft gevraagd. Ingeval de dienst Voogdij uiteigen beweging een onderzoek laat verrichten, zijn de kosten tenlaste van die dienst. §
- Wanneer uit het medisch onderzoek blijkt dat betrokkeneminder dan 18 jaar oud is, wordt gehandeld overeenkomstig artikel
- Wanneer uit het medisch onderzoek blijkt dat betrokkene meer dan18 jaar oud is, vervalt de hoede door de dienst Voogdij vanrechtswege. De dienst Voogdij stelt daarvan onmiddellijk debetrokkene in kennis, alsook de overheden bevoegd voor asiel,toegang tot het grondgebied, verblijf en verwijdering, en iedereandere betrokken overheid. §
- Ingeval van twijfel over de uitslag van het medischonderzoek, wordt met de jongste leeftijd rekening gehouden.‟ Dat de bestreden beslissing slechts in een bijzonder een summieremotivering voorziet, zonder verdere details over de gebeurdeonderzoeken prijs te geven. Dat er door verzoekende partij niet kon worden uitgemaakt of ermeerdere onderzoeken werden uitgevoerd, al dan niet. Meer, welkede eventueel uiteenlopende resultaten waren van deze onderzoeken. Zo bestaan zoals vermeld (cfr. supra)meerdere soortenonderzoeken. Elke met vaak verschillende resultaten. Dat verzoekende partij ten eerste niet kon verifiëren of ereffectief meerdere onderzoeken gebeurden. Welke onderzoeksmethoden er specifiek werden gebruikt. Wat despecifieke resultaten zijn geweest en of - indien er eensignificante discrepantie was tussen de resultaten onderling - dejongste leeftijd werd weerhouden in het onderzoek. Dat verzoekende partij niet op afdoende wijze werd ingelicht overde resultaten. Dat verzoekende partij zich ook niet op gepastewijze kon verdedigen tegen de conclusie die werd getrokken uithet medisch onderzoek in kwestie. Dat dit volledig in strijd is met artikel 7, §3 van Titel XIII –Hoofdstuk VI „Voogdij over niet-begeleide minderjarigevreemdelingen‟ van de programmawet van 24.12.
- Overwegende dat in geval van twijfel wat betreft de leeftijd,moet worden rekening gehouden met de jongste leeftijd. Dat dit in casu door verzoekende partij niet kon wordengeverifieerd, gezien deze stukken niet werden betekend samen metde bestreden beslissing, noch kon verzoeker zich zoals eerdervermeld niet op passende wijze verdedigen tegen de conclusie-nameingevolge het (de) medisch(e) onderzoek(en). Dat de aangevochten beslissing - artikelen 2 en 3 van de Wet van29 juli 1991, betreffende de uitdrukkelijke motivering vanadministratieve bestuurshandelingen evenals van artikel 62 van dewet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot hetgrondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering vanvreemdelingen, artikel 7, §3 van Titel XIII - Hoofdstuk VI„Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen‟ van deprogrammawet van 24.12.2002 en het zorgvuldigheidsbeginsel -schendt, door te beslissen dat verzoekende partij een XIV-38.152-7/12 leeftijdkan worden toegeschreven van ouder dan 18 jaar en waarbij 21,2jaar met een standaarddeviatie van 1,9 jaar een geode schattingis.” Beoordeling Eerste middelonderdeel
- De schending van artikel 62 van de vreemdelingenwet kan niet op ontvankelijke wijze worden aangevoerd tegen de bestreden beslissing, die met toepassing van de voogdijwet en dus niet van de vreemdelingenwet is genomen.
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de bestreden beslissing wordt vermeld. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke verschillende medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. Te dezen geeft de bestreden beslissing de conclusie van dat onderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker meer dan 18 jaar oud is.Bovendien maakt het verslag van het medisch onderzoek, waarin ook wordt aangegeven welke deviatiemarge wordt gehanteerd, deel uit van het administratief XIV-38.152-8/12 dossier en vermeldt de bestreden beslissing uitdrukkelijk de mogelijkheid om dat verslag te raadplegen. Verzoeker voert niet aan en toont a fortiori niet aan dat hij er geen kennis van kon nemen. Waar verzoeker zich afvraagt of wel degelijk de jongste leeftijd in aanmerking werd genomen, blijkt uit de resultaten van het medisch onderzoek dat de arts op basis van de orthopanthomogramvaststelt dat de wijsheidstanden in stadium G zitten, hetgeen overeenkomt met een leeftijd van 21,2 jaar met een standaarddeviatie van 1,9 jaar, dat hij op basis van de handpolsradiografie besluit tot een volwassen skeletale leeftijd, en dat hij op basis van de radiografie van het sleutelbeen besluit tot een gemiddelde leeftijd van jonger dan 20,8 jaar zonder gekende standaarddeviatie. Op grond van het voorgaande onderzoek komt de arts tot de conclusie dat verzoeker op datum van 17 juli 2019 “een leeftijd heeft van ouder dan 18 jaar, waarbij 21,2 jaar met een standaarddeviatie van een 1,9 jaar een goede schatting is”. Deze conclusie wordt overgenomen in de bestreden beslissing en er blijkt aldus genoegzaam dat de jongste leeftijd in aanmerking werd genomen. Zoals verder nog zal blijken, is het medisch onderzoek door de wet zelf ingesteld als ultiem bewijsmiddel om na te gaan of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt indien er twijfel is omtrent zijn leeftijd. In de bestreden beslissing moest dan ook niet worden gemotiveerd in welke mate de resultaten van datmedisch onderzoek kunnen worden aanvaard rekening houdende met de thans door verzoeker voorgehouden“beperkte betrouwbaarheid” ervan. Verzoeker stelt nog dat hij “over stavingsstukken beschikte die de stellingname van de Dienst Voogdij integraal tegenspreken”, doch hij toont niet aan en voert zelfs niet aan dat hij deze stukken heeft voorgelegd aan de verwerende partij. De verwerende partij kon of moest derhalve geen rekening houden met stukken die voor het eerst bij het verzoekschrift tot nietigverklaring worden gevoegd. XIV-38.152-9/12 Tweede middelonderdeel
- Het recht op verdediging is in beginsel enkel van toepassing in straf- en tuchtzaken. Geen wettelijke of reglementaire bepaling breidt het recht van verdediging uit tot administratieve beslissingen in het kader van de voogdijwet, zoals de bestreden beslissing. Daarom kan een schending ervan te dezen niet op ontvankelijke wijze worden opgeworpen.
- Uit de behandeling van het eerste middelonderdeel blijkt reeds dat de bestreden beslissing de conclusie van het medisch onderzoek bevat, waaruit blijkt dat verzoeker meer dan 18 jaar oud is, en dat het hierbij niet is vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd, noch dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. Deze resultaten bevinden zich in het administratief dossier en zijn door de betrokkene aldus raadpleegbaar, hetgeen overigens uitdrukkelijk in de bestreden beslissing wordt aangegeven. Verzoeker toont niet aan dat hij er geen kennis van heeft kunnen nemen.
- Naar luid van artikel 7, §1,van de voogdijwetlaat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk eenmedisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoonal dan niet jonger is dan 18 jaar. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat, blijkt geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek. Verzoeker weidt uit over de (on)betrouwbaarheid van het medisch onderzoek en de kritiek erop uit een deel van de medische wereld. Hij beperkt zich tot algemene kritiek doch hij toont niet aan dat het medisch onderzoek te dezen ondeskundig, onbetrouwbaar of niet correct is. De wetgeverheeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacteleeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al XIV-38.152-10/12 dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Verzoeker ontkracht aldus niet dathet medisch onderzoek met de vereiste deskundigheid is gebeurd en dat de arts bij de beoordeling van de objectieve gegevens die hem voorlagen, rekening heeftgehouden met alle gegevens die in de huidige stand van dewetenschap gemeenzaam worden aanvaard. Hij toont derhalve niet aan dat het zorgvuldigheidsbeginsel wat dat betreft met de bestreden beslissing is geschonden.
- In de mate dat verzoeker opnieuw verwijst naar de bij het verzoekschrift tot nietigverklaring gevoegde stukken “die de stellingname van de Dienst Voogdij integraal tegenspreken”, kan worden verwezen naar de behandeling van het eerste middelonderdeel. Derde middelonderdeel
- Verzoeker voert in het derde middelonderdeel geen andere kritiek aan op de bestreden beslissing dan deze die hij heeft aangevoerd in het eerste en het tweede middelonderdeel en die werd verworpen. Conclusie
- Het enigemiddel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. V. De vordering tot schorsing
- Deze zaak vereist slechts korte debatten zodat er grond is om toepassing te maken van artikel 93 van hetbesluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van deRaad van State‟. Er is bijgevolg geen grond meer om de vordering tot schorsing verder te onderzoeken. XIV-38.152-11/12 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
- De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, waarnemend voorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.152-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.955 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div