← België

Arrest 249956 - Niet begeleide minderjarigen - 03/03/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.956 Rolnummer: A. 229264/XIV-38163 Zaak: Arrest 249956 - Niet begeleide minderjarigen - 03/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-22 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-20 00:27 Fiche Arrest nr 249.956 van 3 maart 2021 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 249.956 van 3 maart 2021 in de zaak A. 229.264/XIV-38.163 In zake : Noman OMARZAI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pauline Delgrange kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefaan Verbouwe en Rutger Robijns kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Verzoeker dient op 2 oktober 2019 met een enig verzoekschrift een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 9 september 2019 waarbij wordt vastgesteld dat verzoeker “niet voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 „Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen‟ van de programmawet van 24 december 2002”, waardoor zijn plaatsing onder de hoede door de dienst Voogdij van rechtswege vervalt op de datum van de kennisgeving van de bestreden beslissing. XIV-38.163-1/9 II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 246.992 van 6 februari 2020 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 december 2020, om 14.30 uur. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Mieke Van Den Broeck, die loco advocaat Pauline Delgrange verschijnt voor verzoeker, en advocaat Rutger Robijns, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. XIV-38.163-2/9 III. Feiten
  4. Verzoeker komt België binnen en hij dient op 9 augustus 2019 een verzoek om internationale bescherming in. Hij verklaart alsdan van Afghaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 30 april
  5. Verzoeker wordt onder de hoede geplaatst door de dienst Voogdij doch de dienst Vreemdelingenzaken uit twijfels over zijn leeftijd. In het Universitair Ziekenhuis Sint-Rafaël te Leuven ondergaat verzoeker op 27 augustus 2019 een medisch onderzoek teneinde zijn leeftijd te schatten. De arts besluit dat verzoeker “op datum 27-08-2019 een leeftijd heeft van 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. Op 9 september 2019 beslist de dienst Voogdij dat verzoeker “niet voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 „Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen‟ van de programmawet van 24 december
  6. Bijgevolg vervalt de plaatsing onder de hoede van Jongeheer Noman OMARZAI door de dienst Voogdij van rechtswege op de datum van de kennisgeving van deze beslissing.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Uiteenzetting van het middel
  7. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van artikel 7 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: de voogdijwet) , van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟, van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 „tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk XIV-38.163-3/9 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet van 24 december 2002‟ (hierna: het koninklijk besluit van 22 december 2003) en van het zorgvuldigheidsbeginsel en de motiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoeker voert aan dat naar luid van artikel 7, § 3, van de voogdijwet “ingeval van twijfel over de uitslag van het medisch onderzoek, […] met de jongste leeftijd rekening [wordt] gehouden”, waarbij volgens hem het bestuur moet uitgaan van de ondergrens die wordt bepaald door de afwijkingsmarge. Verzoeker laat gelden dat dit in casu niet is gebeurd vermits het klinisch onderzoek “overeen[stemt] met een individu jonger dan 18 jaar en de jongste leeftijd dus een leeftijd jonger dan 18 jaar is. Hij vervolgt dat dit niet wordt tegengesproken door het radiologisch onderzoek van de tanden, waaruit blijkt dat verzoeker ouder dan 16 jaar is, hetgeen niet betekent dat hij ouder dan 18 jaar is. Daarenboven besluit het medisch onderzoek volgens verzoeker (verkeerdelijk) tot een leeftijd van 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar. Verzoeker wijst erop dat “[h]et zou kunnen zijn dat [hij] exact 18 jaar was op het moment van het onderzoek, situatie die niet voorzien werd in de wet, gezien in geval van twijfel de betrokkene al[s] minderjarige beschouwd moet worden”. Volgens verzoeker is er dus absoluut geen zekerheid dat hij ouder is dan 18 jaar en hij diende bijgevolg als minderjarige te worden beschouwd. Tot slot laat verzoeker noteren dat hij in Oostenrijk als minderjarige werd beschouwd. Beoordeling
  8. Verzoeker haalt in het opschrift van het middel artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 aan doch hij gaat nergens in de uiteenzetting van het middel in op deze bepaling en hij geeft dan ook niet aan op welke wijze ze zou zijn geschonden met de bestreden beslissing. Het enige middel is in die mate niet-ontvankelijk. XIV-38.163-4/9
  9. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de bestreden beslissing wordt vermeld. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. Te dezen geeft de bestreden beslissing de conclusie van dat onderzoek weer, waaruit wordt afgeleid dat verzoeker meer dan 18 jaar oud is. Bovendien maakt het verslag van het medisch onderzoek deel uit van het administratief dossier en vermeldt de bestreden beslissing uitdrukkelijk de mogelijkheid om dat verslag te raadplegen. Verzoeker heeft er duidelijk kennis van kunnen nemen vermits hij het verslag van het medisch onderzoek bij het inleidend verzoekschrift heeft gevoegd en hij in het middel ingaat op de verschillende deelonderzoeken. Het enige middel is ongegrond wat de voorgehouden schending betreft van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟.
  10. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan achttien jaar. Artikel 7, § 2 van die wet bepaalt dat, indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de betrokkene jonger is dan 18 jaar en mits voldaan is aan enkele voorwaarden, een voogd wordt aangewezen. Indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de persoon in kwestie de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, dan vervalt de plaatsing onder de hoede van de dienst Voogdij van rechtswege. Nu het medisch onderzoek door de wet zelf is ingesteld als bewijsmiddel om na te gaan of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt indien er twijfel is omtrent zijn leeftijd, blijkt geen schending van artikel 7 van de voogdijwet, van de materiëlemotiveringsplicht of van het zorgvuldigheidsbeginsel door de bestreden beslissing te steunen op het resultaat van dergelijk onderzoek. XIV-38.163-5/9 Naar luid van artikel 7, § 3, van de voogdijwet wordt ingeval van twijfel over de uitslag van het medisch onderzoek rekening gehouden met de jongste leeftijd. Te dezen blijkt uit het verslag van het medisch onderzoek dat de arts zich steunt op een drieledig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Overigens heeft de wetgever met de medische leeftijdstest niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te achterhalen, doch enkel uitsluitsel te krijgen dat de betrokkene al dan niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie is derhalve ook bepalend voor de in het voornoemde artikel 7, § 3, bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens daarvan in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. In de huidige zaak bedraagt deze op het ogenblik van het medisch onderzoek (dus voordat de bestreden beslissing werd genomen) “20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. Te dezen blijkt het verslag van het door een college van twee artsen uitgevoerde medische onderzoek op omstandige wijze de onderzoeksmethodiek en het verloop van het deskundig onderzoek te beschrijven. Inzonderheid wordt de wetenschappelijkheid van de door hen gebruikte meervoudige test als onderzoeksmethode toegelicht, met inbegrip van de beperkingen van elk der deelonderzoeken waaruit die bestaat, alsook de correctiefactoren of standaarddeviaties die hieraan wetenschappelijk tegemoet komen. Dat er verschillen bestaan tussen de resultaten van de deelonderzoeken, doet geen afbreuk aan het feit dat daaruit een eindconclusie kan worden afgeleid. Dat een kort klinisch tandheelkundig onderzoek, waarvan uitdrukkelijk wordt gesteld dat het slechts om een “eerste impressie” gaat, wijst op een “individu jonger dan 18 jaar” doet hieraan evenmin afbreuk. Verzoeker toont niet aan dat de eindconclusie van het medisch verslag in strijd is met de XIV-38.163-6/9 voornoemde vaststellingen, vermits op basis van de hand/polsradiografie een “biologisch matuur skelet” blijkt wat neerkomt “op een leeftijd van minstens 18 jaar” en op basis van de radiografie van de sleutelbeenderen “een gemiddelde leeftijd van rond de 20 jaar met een standaarddeviatie van ongeveer 2 jaar” blijkt. In het medisch verslag wordt overigens duidelijk aangegeven, wat de hand/polsradiografie betreft, dat wanneer de skeletale groei beëindigd is, het individu biologisch gezien matuur is en het voor jongens over een persoon ouder dan 18 jaar gaat. Bovendien wordt duidelijk aangegeven dat “In het geval van een volledig beëindigde skeletale groei opgemerkt ter hoogte van het handpolsgewricht, (…) het resultaat van de handpolsradiografie niet meer (zal) meetellen voor de eigenlijke leeftijdsschatting, net omdat men niet juist kan vaststellen sinds hoeveel dagen, maanden of jaren deze groei volledig beëindigd is”. Met andere woorden, uit de hand/polsradiografie blijkt de biologische maturiteit van de betrokkene, doch deze test geeft geen uitsluitsel over de eigenlijke leeftijd precies omdat deze enkel bevestigt of de betrokkene de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, zodat “De resultaten van de andere twee radiologische onderzoeken (…) dan determinerend (zijn)”. De hand/polsradiografie maakt aldus onderdeel uit van het meervoudig onderzoek, maar is dus enkel duidend en niet determinerend voor de eigenlijke leeftijdsschatting aangezien enkel kan worden vastgesteld of de betrokkene minstens 18 jaar oud is, hetgeen te dezen het geval is. Aldus wordt duidelijk uiteengezet waarom de hand/polsradiografie niet wordt meegerekend bij de schatting van de leeftijd. Met betrekking tot de resultaten op basis van de radiografie van de tanden wordt in het medisch verslag aangegeven dat de wijsheidstanden de laatste tanden zijn die afgevormd worden en die op de leeftijd van 16 tot 23 jaar de enige tanden zijn die nog in ontwikkeling zijn. Op basis van de radiografie van de tanden wordt evenwel vastgesteld dat de wijsheidstanden niet aanwezig zijn en een leeftijdsschatting op basis van de aanwezige tanden die allemaal volledig afgevormd zijn resulteert in een leeftijd ouder dan 16 jaar, nu het onmogelijk is om te bepalen hoeveel dagen, maanden en jaren deze tanden reeds afgevormd zijn. De artsen wijzen er in het verslag uitdrukkelijk op dat, bij gebrek aan wijsheidstanden, “het niet mogelijk (is) een dentale leeftijdsschatting uit te voeren die een antwoord kan geven op de vraag van de meerderjarigheid”. Uit het feit dat er geen wijsheidstanden aanwezig waren, XIV-38.163-7/9 blijkt niet dat de leeftijdsschatting niet zou kunnen worden gemaakt op basis van de twee andere tests. Aldus was het resultaat van de radiografie van het sleutelbeen doorslaggevend voor de eigenlijke leeftijdsschatting, die ondersteund wordt door de hand/polsradiografie, die aangaf dat verzoeker minstens 18 jaar is. De leeftijdsschatting steunt derhalve op twee van de drie gebruikelijke testen die uitgevoerd worden om de leeftijd te bepalen en die de eerste impressie van het klinisch onderzoek tegenspreken. Naast de radiografie van het sleutelbeen bevestigde de hand/polsradiografie immers dat verzoeker minstens 18 jaar oud is. In het licht van het voorgaande ontkracht verzoeker niet dat het medisch onderzoek met de vereiste deskundigheid is gebeurd en dat de arts bij de beoordeling van de objectieve gegevens die hem voorlagen, rekening heeft gehouden met alle gegevens die in de huidige stand van de wetenschap gemeenzaam worden aanvaard om te besluiten dat verzoeker op dat ogenblik ouder was dan 18 jaar. Verzoeker verwijst tot slot naar een stuk uit Oostenrijk waaruit zou blijken dat hij minderjarig is. Uit niets blijkt echter dat hij dat stuk heeft meegedeeld aan de verwerende partij alvorens de bestreden beslissing werd genomen of dat de verwerende partij er toen kennis van had of moest hebben. De fiche niet-begeleide minderjarige die zich in het administratief dossier bevindt vermeldt integendeel dat verzoeker “geen” documenten heeft voorgelegd. Verzoeker kan er zich dan ook niet op beroepen om tot de onwettigheid van de bestreden beslissing te besluiten. Het enige middel is ongegrond wat de voorgehouden schending betreft van artikel 7 van de voogdijwet en van de aangehaalde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. V. Over de vordering tot schorsing
  11. Deze zaak vereist slechts korte debatten zodat er grond is om toepassing te maken van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus XIV-38.163-8/9 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟. Er is bijgevolg geen grond meer om de vordering tot schorsing te onderzoeken. BESLISSING
  12. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
  13. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
  14. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, waarnemend voorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.163-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.956 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.992 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.