← België

Arrest 249958 - Niet begeleide minderjarigen - 03/03/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.958 Rolnummer: A. 231049/XIV-38386 Zaak: Arrest 249958 - Niet begeleide minderjarigen - 03/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-22 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-20 00:32 Fiche Arrest nr 249.958 van 3 maart 2021 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 249.958 van 3 maart 2021 in de zaak A. 231.049/XIV-38.386 In zake: Jawed SAHAK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alexander Loobuyck kantoor houdend te 8000 Brugge Langestraat 46/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefaan Verbouwe en Rutger Robijns kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Verzoeker dient met een enig verzoekschrift op 19 mei 2020 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 19 maart 2020 waarbij wordt vastgesteld dat verzoeker “niet voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 „Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen‟, van de programmawet van 24 december 2002”, waardoor zijn plaatsing onder de hoede door de dienst Voogdij van rechtswege vervalt op de datum van de kennisgeving van de bestreden beslissing. XIV-38.386-1/8 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 december 2020, om 15.20 uur. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Daan Lernout, die loco advocaat Alexander Loobuyck verschijnt voor verzoeker, en advocaat Rutger Robijns, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. XIV-38.386-2/8 III. Feiten
  4. Verzoeker komt België binnen en hij dient op 21 februari 2020 een verzoek om internationale bescherming in. Hij verklaart alsdan van Afghaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 31 december
  5. Verzoeker wordt onder de hoede geplaatst door de dienst Voogdij doch de dienst Vreemdelingenzaken uit dezelfde dag twijfels over de leeftijd van betrokkene. In het UZ Sint-Rafaël te Leuven ondergaat verzoeker op 27 februari 2020 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker ouder dan 18 jaar is. Op 19 maart 2020 beslist de dienst Voogdij dat verzoeker “niet voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 „Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen‟ van de programmawet van 24 december
  6. Bijgevolg vervalt de plaatsing onder de hoede van Jongeheer Jawed SAHAK door de dienst Voogdij van rechtswege op de datum van de kennisgeving van deze beslissing.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Uiteenzetting van het middel
  7. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van artikel 7, § 3, van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: de voogdijwet) en van de materiële motiveringsplicht. Verzoeker voert aan dat de bottesten politiek en wetenschappelijk gecontesteerd zijn omdat ze niet betrouwbaar zouden zijn. Hij XIV-38.386-3/8 citeert een passage uit een artikel van Vluchtelingenwerk Vlaanderen en uit Gazet van Antwerpen om te besluiten dat enige voorzichtigheid is vereist bij de interpretatie van leeftijdstesten. Vervolgens verwijst verzoeker naar de resultaten van elke deeltest. Het is hem een raadsel waarom de verwerende partij zonder enige aarzeling lijkt te stellen dat hij meerderjarig is. Volgens hem is het tandheelkundig onderzoek, anders dan de twee andere onderzoeken, niet voor enige interpretatie vatbaar en is hij minderjarig. Evenmin is het verzoeker duidelijk op basis van welke “fysieke kenmerken” en “elementen uit het gesprek” de verwerende partij zonder twijfel meent dat hij meerderjarig is. Hij verwijst dienaangaande naar een arrest van de Raad van State in een volgens hem gelijkaardige zaak. Verzoeker meent ten slotte dat de bestreden beslissing zichzelf tegenspreekt en hij citeert daarbij een passage die volgens hem enkel bijdraagt tot de twijfel of de verwerende partij wel op correcte wijze heeft besloten dat hij meerderjarig is. Beoordeling
  8. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat, blijkt geen schending van de materiëlemotiveringsplicht uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek. Verzoeker weidt uit over de voorgehouden onbetrouwbaarheid van medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling. Hij beperkt zich tot algemene kritiek waarbij hij zich steunt op een in de uiteenzetting van het middel vermeld standpunt van Vluchtelingenwerk Vlaanderen en een artikel uit Gazet van XIV-38.386-4/8 Antwerpen doch uit niets blijkt dat het om een wetenschappelijk standpunt of artikel gaat. Hij toont evenmin aan dat het medisch onderzoek te dezen ondeskundig, onbetrouwbaar of niet correct is. Zo blijkt dat de arts eventuele afwijkingen ten gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Het medisch verslag bevat een uitgebreide uiteenzetting betreffende de gebruikte methodologie. Verzoeker ontkracht aldus niet dat het medisch onderzoek met de vereiste deskundigheid is gebeurd en dat de arts bij de beoordeling van de objectieve gegevens die hem voorlagen, rekening heeft gehouden met alle gegevens die in de huidige stand van de wetenschap gemeenzaam worden aanvaard. Meer concreet blijkt dat de arts zich steunt op een meervoudig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. In het medisch verslag wordt duidelijk verwezen naar de beperkingen van de afzonderlijke testen. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie, en niet de conclusie van ieder deelonderzoek afzonderlijk, is derhalve ook bepalend voor de in het voornoemde artikel 7, § 3, van de voogdijwet bedoelde “jongste leeftijd”. In het medisch verslag wordt uitdrukkelijk aangegeven dat bij twijfel of tegenstrijdige resultaten het voordeel van de twijfel wordt toegekend en “de voorkeur wordt gegeven aan de laagste resulterende en relevante leeftijdsschatting dewelke op basis van één van de drie testen werd bereikt”. Te dezen besluit de arts in het medisch verslag dat “het onmogelijk (is) om de ontwikkeling van de wijsheidstanden correct in te schatten, doch op basis van handpols en clavicula lijkt het aannemelijk om er van uit te gaan dat betrokkene minstens ouder is dan 18 jaar”. Dat er verschillen bestaan tussen de resultaten van de deelonderzoeken, doet geen afbreuk aan het feit XIV-38.386-5/8 dat daaruit een eindconclusie kan worden afgeleid. Verzoeker, die zelf verklaarde geboren te zijn op 31 december 2003 en die derhalve op datum van de leeftijdstest volgens zijn eigen verklaringen meer dan 16 jaar oud is, toont niet aan dat de eindconclusie van het medisch verslag in strijd is met de gedane vaststellingen. Zo gaat verzoeker voorbij aan het klinisch-tandheelkundig onderzoek waarvan in het medisch verslag vastgesteld wordt “dat alle tanden volledig afgerond zijn”, en dat men volgens de eigen ontwikkelde techniek een leeftijd van 14,6 jaar bekomt, maar dat “[g]ezien de algemene gebitsstatus, de maturiteit van het handpolsgewricht en het ontwikkelingsstadium van het claviculaire gewricht, (...) men ervan uit (mag) gaan dat de ontwikkeling van beide wijsheidstanden in de bovenkaak sterk vertraagd verloopt” en dat het “onmogelijk (is) om de ontwikkeling van de wijsheidstanden correct in te schatten, doch op basis van handpols en clavicula lijkt het aannemelijk om er van uit te gaan dat betrokkene minstens ouder is dan 18 jaar”. Bij de handpolsradiografie gaat verzoeker voorbij aan de vaststelling “dat er een volledige fusie is van de distale diaphyse en epiphyse van de radius, wat overeenkomt met een biologisch matuur skelet, onafhankelijk van de gebruikte methode, en wat neer komt op een leeftijd van minstens 18 jaar”. Wat de radiografie van het sleutelbeen betreft, toont het onderzoek volgens de arts aan dat “beide sleutelbeenderen reeds versteend zijn”, wat volgens de arts overeenstemt “met een gemiddelde leeftijd van 26,7 jaar met een standaarddeviatie van 2,3 jaar”. Waar de arts aangeeft dat het onmogelijk is om de ontwikkeling van de wijsheidstanden correct in te schatten, wordt duidelijk aangegeven waarom het resultaat van de radiografie van de tanden niet relevant wordt geacht voor de leeftijdsschatting en niet in aanmerking wordt genomen. Rekening houdend met de twee andere testen, kon aldus besloten worden dat verzoeker minstens 18 jaar en dus meerderjarig is.
  9. In de mate dat verzoeker meent dat niet duidelijk is op basis van welke “fysieke kenmerken” en “elementen uit het gesprek” wordt besloten tot diens meerderjarigheid, bevat het verslag van het gesprek met verzoeker van 11 maart 2020 onder mee de volgende vaststellingen: XIV-38.386-6/8 “Hij is heel stevig gebouwd, baardgroei: ziet er meerderjarig uit. Zou hem beginnen de 20 schatten op basis van het leeftijdsonderzoek. Was oprecht geëmotioneerd en verrast wanneer ik hem de resultaten meedeelde van het LO. Zijn manier van communiceren was zeer matuur, wist goed wat er ging gebeuren, en vertelde heel helder zijn verhaal.” Dit verslag bevindt zich, evenals het verslag van het medisch onderzoek, in het administratief dossier dat door verzoeker kan worden geraadpleegd. Het is aldus duidelijk om welke “fysieke kenmerken” en “elementen uit het gesprek” het gaat.
  10. In zoverre verzoeker verwijst naar ‟s Raads arrest nr. 231.491 van 9 juni 2015 blijkt uit de lezing van dit arrest niet en toont verzoeker evenmin aan dat het om een gelijkaardige zaak zou gaan.
  11. Het enige middel is ongegrond. V. Over de vordering tot schorsing
  12. Deze zaak vereist slechts korte debatten zodat er grond is om toepassing te maken van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟. Er is bijgevolg geen grond meer om de vordering tot schorsing verder te onderzoeken. BESLISSING
  13. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
  14. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
  15. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een XIV-38.386-7/8 rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, waarnemend voorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.386-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.958 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.