← België

Arrest 249972 - Wegverkeer van goederen - 04/03/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.972 Rolnummer: A. 227740/XII-8710 Zaak: Arrest 249972 - Wegverkeer van goederen - 04/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-16 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-20 00:29 Fiche Arrest nr 249.972 van 4 maart 2021 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 249.972 van 4 maart 2021 in de zaak A. 227.740 /XII-8710 In zake:

  1. Francis LANGEWOUTERS
  2. de NV BECKERS VEEVOERBEDRIJF bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frederik Vanden Bogaerde kantoor houdend te 8800 Roeselare Kolenkaai 4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST dat woonplaats kiest bij het agentschap Wegen en Verkeer gevestigd te 1000 Brussel Koning Albert II-laan 20 bus 4 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 27 maart 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer van 28 januari 2019, waarbij aan Francis Langewouters een administratieve geldboete wordt opgelegd van 6.000 euro en de nv Beckers Veevoerbedrijf burgerrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van deze geldboete. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. XII-8710-1/8 Auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 november
  5. Staatsraad Johan Bovin heeft de stand van de zaak uiteengezet. Advocaat Guy Goossens, die loco advocaat Frederik Vanden Bogaerde verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. Op 18 januari 2018 wordt een geleed voertuig, dat wordt bestuurd door Francis Langewouters, de eerste verzoekende partij, rijdend voor rekening van de nv Beckers Veevoerbedrijf, de tweede verzoekende partij, door de wegeninspectie gecontroleerd op de autosnelweg E 314 te Bekkevoort, richting Brussel. Bij de controle wordt vastgesteld dat het voertuig overladen is. Op de tweede as van de oplegger bedraagt de overlading 3.490 kg, hetzij 34.9%. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, eerste en tweede lid, van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: decreet bijzonder wegtransport). XII-8710-2/8 3.
  8. Na het verstrijken van de vervaltermijn van zestig dagen waarover de procureur des Konings beschikt om aan de wegeninspecteur- controleur zijn voornemen mee te delen om al dan niet strafvervolging in te stellen, beslist de wegeninspecteur-controleur op 30 mei 2018 om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 6.000 euro op te leggen. De tweede verzoekende partij wordt burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld voor de betaling van de administratieve geldboete. 3.
  9. Op 8 juni 2018 tekenen de verzoekende partijen bezwaar aan tegen die beslissing. Op 13 september 2018 heeft een hoorzitting plaats waarop de verzoekende partijen besluiten neerleggen. Op 26 september 2018 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete op te leggen van 6.000 euro en dat de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van deze administratieve geldboete. 3.
  10. Op 3 oktober stellen de verzoekende partijen tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken. Op 29 november 2018 vindt een hoorzitting plaats waarbij de verzoekende partijen opnieuw besluiten neerleggen. Op 28 januari 2019 beslist de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 6.000 euro op te leggen en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete. Dit is de bestreden beslissing. Deze beslissing wordt met een aangetekend schrijven van dezelfde dag aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht. XII-8710-3/8 IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Uiteenzetting van het middel
  11. In een enig middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en van de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) in zoverre in de bestreden beslissing wordt geweigerd om getuigen te horen. De verzoekende partijen stellen dat de verbalisering van de overladingsinbreuken sterk geautomatiseerd is aangezien het proces-verbaal voor dergelijke overladingsinbreuken wordt afgedrukt rechtstreeks op grond van het weegprogramma van de weegbrug waarbij de verbalisanten enkel een reeks gegevens invullen. Alle processen-verbaal inzake overlading in het Vlaamse Gewest worden op dezelfde wijze vastgesteld, ongeacht of zij door wegen- inspecteurs of andere verbalisanten werden getekend. In die omstandigheden lijkt het de verzoekende partijen onontbeerlijk om de betrokken verbalisanten te kunnen horen als getuigen omtrent de concrete omstandigheden van het beweerde misdrijf en de interceptie van het voertuig. Zo wensen zij verduidelijking omtrent de juiste omstandigheden en plaats van onderschepping van het voertuig, de overbrenging ervan naar de weegbrug, de uiterlijke staat van het voertuig, de eigenlijke weegverrichtingen waarbij niet is geweten of er dynamisch dan wel statisch werd gewogen en of er bij dynamische bewegingen meerdere wegingen plaatsvonden. De ondervraging zou net dienen om eventuele problemen bij de weging aan het licht te brengen. Aangezien de administratieve geldboete te dezen dient te worden beschouwd als een straf in de zin van artikel 6 EVRM, beschikken de verzoekende partijen op grond van artikel 6.
  12. EVRM over het recht om getuigen XII-8710-4/8 à décharge te doen oproepen en te ondervragen. De motivering in de bestreden beslissing om het verzoek af te wijzen voldoet niet. Het is niet omdat het getuigenverhoor enige organisatie vergt, dat het verzoek terzijde kan worden geschoven, ook niet omwille van de korte termijnen waaraan de procedure voor het opleggen van een administratieve geldboete is onderworpen. Bovendien was er tussen de hoorzitting en de bestreden beslissing nog ruim anderhalve maand wat meer dan voldoende tijd was om een getuigenverhoor te organiseren.
  13. In hun memorie van wederantwoord wijzen de verzoekende partijen er nog op dat het recht om getuigen te ondervragen op grond van artikel 6, § 3, (d), EVRM onverkort geldt, ongeacht de complexiteit van de inbreuk.
  14. In de laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen dat de eerbiediging van de rechten van verdediging ook reeds tijdens de bestuurlijke fase is vereist omdat ze anders illusoir zouden worden tijdens de procedure bij de rechterlijke instantie met volle rechtsmacht. In ondergeschikte orde herhalen zij hun verzoek tot ondervraging van de verbalisanten. Beoordeling
  15. Het door de verzoekende partijen geschonden geachte artikel 6, § 3, (d), EVRM luidt: “
  16. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten: (a) […] (b) […] (c) […] (d) de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge; (e) […].”
  17. Het recht om getuigen te ondervragen betreft geen absoluut recht. Een aangevoerde schending van het recht op getuigenverhoor moet dan ook XII-8710-5/8 steeds worden onderzocht vanuit de vraag of de eventuele weigering van een getuigenverhoor ook effectief heeft geleid tot een schending van het recht op een eerlijk proces. Het komt aan de nationale rechter toe om te beoordelen in een concrete procedure of het ondervragen van een getuige kan bijdragen aan de waarheidsvinding. De verzoekende partijen geven op geen enkele wijze in concreto aan hoe het feit dat de verbalisanten niet als getuige werden opgeroepen, de waarheidsvinding in de weg zou kunnen hebben gestaan. In de eerste plaats hebben de verklaringen van de verbalisanten in het proces-verbaal bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel overeenkomstig artikel 16 van het decreet bijzonder wegtransport. De verbalisanten zijn als het ware officiële getuigen van de vaststellingen die zij opnemen in het proces-verbaal. De verzoekende partijen geven geen enkele concrete reden aan waarom er te dezen zou moeten worden getwijfeld aan de vaststellingen van de verbalisanten en hoe een getuigenverhoor hierover duidelijkheid zou kunnen brengen. Alle inlichtingen met betrekking tot de inbreuk en de omstandigheden van de overlading worden in het proces-verbaal vastgesteld. De verzoekende partijen geven ook geenszins aan welke concrete omstandigheden met betrekking tot de interceptie van het voertuig of de uiterlijke staat van het voertuig zouden kunnen doen twijfelen aan de juistheid van de vaststellingen zoals weergegeven in het proces-verbaal, terwijl de eerste verzoekende partij nochtans aanwezig was bij de interceptie van het voertuig. In dat verband moet ook worden opgemerkt dat deze gegevens werden opgenomen in het proces-verbaal dat binnen de drie dagen werd meegedeeld aan de verzoekende partijen en de tweede verzoekende partij in de bijgevoegde vragenlijst het materieel bestanddeel van het misdrijf niet betwistte. In de bijgevoegde vragenlijst konden de verzoekende partijen ook nadere informatie geven over de precieze omstandigheden van de lading. Het contradictoir karakter van de vaststellingen en de uitgevoerde metingen werd dan ook verzekerd door het feit dat een afschrift van het proces-verbaal, opgesteld door de met het toezicht belaste wegeninspecteur, in overeenstemming met artikel 16 van het decreet bijzonder wegtransport binnen veertien dagen na de vaststelling van de XII-8710-6/8 overlading aan de verzoekende partijen werd bezorgd, zodat vanaf dat ogenblik de betrouwbaarheid of de geldigheid van de uitgevoerde metingen door de verzoekende partijen konden worden betwist. De verzoekende partijen hebben tijdens de bestuurlijke procedure op geen enkel ogenblik enige concrete opmerking gemaakt omtrent de materiële juistheid van de in het proces-verbaal gedane vaststellingen. In die omstandigheden valt niet in te zien hoe de verwerende partij, door te oordelen dat het horen van getuigen niet noodzakelijk was omdat alle inlichtingen aangaande de omstandigheden van de inbreuk werden opgenomen in het proces-verbaal en omdat de verzoekende partijen geen omstandigheden naar voren brachten aangaande de overlading waardoor hieromtrent twijfel zou kunnen ontstaan, een inbreuk zou hebben gepleegd op de rechten van verdediging en het recht op een eerlijk proces in hoofde van de verzoekende partijen.
  18. Ook op het in ondergeschikte orde gevraagde verzoek tot het horen van getuigen hoeft om dezelfde redenen niet te worden ingegaan.
  19. Het middel is niet gegrond. BESLISSING
  20. De Raad van State verwerpt het beroep.
  21. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, en een bijdrage van 20 euro. De onterecht betaalde bijdrage ten bedrage van 20 euro dient aan de verzoekende partijen te worden terugbetaald. XII-8710-7/8 Dit arrest is uitgesproken op vier maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-8710-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.972 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.