id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.975 Rolnummer: A. 232838/XII-9040 Zaak: Arrest 249975 - Overheidsopdrachten - 04/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-05 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-20 00:29 Fiche Arrest nr 249.975 van 4 maart 2021 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 249.975 van 4 maart 2021 in de zaak A. 232.838/XII-9040 In zake: de BV MAENHOUT AUTOMOTIVE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Victor Petitat kantoor houdend te 8000 Brugge Ter Pannestraat 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEMEENTE KRUISEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carlos De Wolf kantoor houdend te 9680 Maarkedal Etikhovestraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen en eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Charlotte De Wolf kantoor houdend te 9000 Gent Fortlaan 95 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
(2)uitgevaardigd teneinde de voorschriften omtrent voertuigen aan te passen XII-9040-10/16 omwille van de ontoereikendheid van de geldende voorschriften ten aanzien van het gezichtsveld aan de zijkant en de voor- en achterzijde van het voertuig. Het gaat bijgevolg precies om de problematiek van de dode hoek. In de voormelde bijlage 16 wordt het volgende vermeld: “Onder ‘klasse spiegel’ worden alle inrichtingen verstaan die een of meer kenmerken of functies gemeen hebben. Zij worden als volgt ingedeeld: klasse I: ‘binnenspiegels’, waarmee het in punt 5.1 van hoofdstuk III voorgeschreven gezichtsveld wordt verkregen; klassen II en III: ‘buitenspiegels, zogenoemde hoofdspiegels’, waarmee de in de punten 5.2 en 5.3 van hoofdstuk III voorgeschreven gezichtsvelden worden verkregen; klasse IV: ‘buitenspiegels, zogenoemde breedtespiegels’, waarmee het in punt 5.4 van hoofdstuk III voorgeschreven gezichtsveld wordt verkregen; klasse V: ‘buitenspiegels, zogenoemde trottoirspiegels’, waarmee het in punt 5.5 van hoofdstuk III voorgeschreven gezichtsveld wordt verkregen; klasse VI: ‘vooruitkijkspiegels’, waarmee het in punt 5.6 van hoodfstuk III voorgeschreven gezichtsveld wordt verkregen.” De spiegels klasse IV, klasse V en klasse VI blijken aldus betrekking te hebben op de spiegels voor de dode hoek. De verzoekende partij lijkt op het eerste gezicht dan ook terecht te stellen dat uit haar offerte bleek dat het aangeboden voertuig standaard is uitgerust met dodehoekspiegels. Zij lijkt er te mogen van uit te gaan dat een aanbestedende overheid weet wat wordt bedoeld met spiegels klasse IV, klasse V en klasse VI. Minstens heeft de verwerende partij in haar vraag om toelichting niet aangegeven dat zij niet begrijpt waar de vermeldingen klasse IV, klasse V en klasse VI op de rechterfoto uit de technische gegevens naar verwijzen. De vaststelling in het verslag van nazicht, dat in de offerte nergens staat vermeld dat het voertuig is uitgerust met dodehoekspiegels, lijkt aldus niet in overeenstemming te zijn met de feitelijke gegevens van de offerte zodat de motivering van de bestreden beslissing op dit punt wat de feiten betreft ondeugdelijk is. Minstens blijkt aldus uit het verslag van nazicht dat de verwerende XII-9040-11/16 partij de gegevens opgenomen in de offerte van de verzoekende partij op onvoldoende zorgvuldige wijze heeft onderzocht. 10.
- Met betrekking tot de vooras van het voorgestelde voertuig moet met de verzoekende partij worden vastgesteld dat in haar offerte in haar gedetailleerde beschrijving van de fabrieksopties van het voorgestelde voertuig werd vermeld dat de “aslastverdeling 9.000 kg vooras” inhield, hetgeen ook in het verslag van nazicht werd vastgesteld : “in offerte staat dit” . In de technische gegevens van de fabrikant wordt op bladzijde 4 onder “Gewichten” wel vermeld dat de maximale “wettelijke” belasting op de vooras 8.000 kg bedraagt maar op bladzijde 7 van deze technische gegevens wordt onder “Assen” eveneens vermeld dat de betrokken as een maximale “technische” belasting heeft van 9.000 kg. In het bestek wordt in de technische voorschriften ook verwezen naar die “technische” draagcapaciteit van de vooras van tenminste 9 ton en niet naar de voornoemde maximale “wettelijke” belasting. In tegenstelling tot wat de verwerende partij stelt in haar nota, lijkt de verzoekende partij in haar verzoekschrift aldus geen nieuwe gegevens voor te leggen waarmee bij de beoordeling van de offertes de verwerende partij geen rekening heeft kunnen houden. De passages waarnaar de verzoekende partij in haar verzoekschrift verwijst, betreffen op het eerste gezicht uittreksels uit de offerte zoals deze werd ingediend. De verwerende partij blijkt in haar vraag tot nadere informatie gericht aan de verzoekende partij, in tegenstelling tot haar vraag omtrent de tegenstrijdige gegevens in de offerte over de inhoud van de brandstoftank, overigens ook geen vragen te hebben gesteld omtrent de informatie in de offerte aangaande de draagcapaciteit van de vooras. Gelet hierop lijkt de vaststelling in het verslag van nazicht, dat in de offerte van de verzoekende partij voor de vooras een draagcapaciteit van 9 ton wordt vermeld, maar dat in de bijlagen bij de offerte voor de vooras een draagcapaciteit wordt vermeld van 8 ton op het eerste gezicht niet correct want niet in overeenstemming met de gegevens van de offerte van de verzoekende partij. In een bijlage bij die offerte wordt immers wel degelijk de in het bestek gevraagde “technische” belasting van 9 ton vermeld. De verwerende partij lijkt technische en wettelijke belasting dooreen te hebben gehaald. XII-9040-12/16 Ook wat de belasting van de vooras betreft steunt de motivering van de bestreden beslissing aldus niet op correcte gegevens. Minstens dient opnieuw te worden vastgesteld dat de verwerende partij de gegevens van de offerte van de verzoekende partij op het eerste gezicht op onvoldoende zorgvuldige wijze heeft onderzocht.
- In het verslag van nazicht wordt bij de beoordeling aan de hand van het derde gunningscriterium, subcriterium 3.1., ook nog overwogen dat “de chauffeur zich [bij de proefrit] niet comfortabel voelde” en “ het aangeboden voertuig zonder enige opbouw [was] wat toch anders rijden is.” Uit de omschrijving van het betrokken subgunningscriterium in het bestek blijkt dat de mate waarin het voertuig beantwoordt aan de minimumeisen van het bestek en eventuele extra technische en functionele kenmerken heeft, ook zal worden beoordeeld aan de hand van een demorit. In die zin lijkt er, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij aanvoert op het betrokken punt, geen sprake te zijn van het hanteren van een niet in het bestek aangekondigd gunningscriterium. De verzoekende partij stelt echter, op het eerste gezicht terecht, vast dat uit het verslag van nazicht niet blijkt waarom de proefrit van de andere inschrijvers veel beter werd beoordeeld in vergelijking met de proefrit van de verzoekende partij. De beoordeling in het verslag van nazicht met betrekking tot de proefrit met het voertuig van de verzoekende partij is inderdaad beperkt tot de vaststelling dat de bestuurder zich minder comfortabel voelde, zonder dat wordt verduidelijkt in welke zin hij zich minder comfortabel voelde, laat staan dat deze vaststelling gekoppeld wordt aan de minimumeisen of “(extra) technische en functionele kenmerken van het voertuig” die zouden worden beoordeeld. De verzoekende partij krijgt aldus geen enkele toelichting over welke aspecten problematisch werden bevonden, zoals zulks het geval kan zijn op het vlak van bijvoorbeeld het zitcomfort, de besturing van het voertuig, de vering op de assen, het remsysteem of een slechte geluidsisolatie van de cabine. De verzoekende partij lijkt dan ook niet afdoende te kunnen begrijpen op grond van welke redenen de XII-9040-13/16 demorit met haar voertuig als minder comfortabel werd ervaren. Een dergelijke motivering die de betrokkene niet in staat stelt met kennis van zaken te beoordelen of het zin heeft zich in rechte tegen de beslissing te verweren, strijdt dan ook met de vereisten van een afdoende formele motivering.
- Ten slotte kan nog worden opgemerkt dat, hoewel in de vraag tot bijkomende informatie ook de afwezigheid van een achterbumper ter sprake kwam, hieromtrent in het verslag van nazicht bij de offerte van de verzoekende partij dan weer geen enkele opmerking werd gemaakt. Aldus lijkt te mogen worden aangenomen dat die vermeende afwezigheid bij de beoordeling van de offerte niet als een negatief punt in aanmerking werd genomen, wat de verwerende partij overigens ook lijkt te bevestigen in haar nota stellende “niet of hoogstens onrechtstreeks in de beoordeling meegenomen” . Die conclusie wordt nog ondersteund door het feit dat in de beoordeling van een andere offerte een dergelijke afwezigheid wel werd vermeld. De opmerking van de verwerende partij in haar nota, dat het bedenkelijk is dat het in de offerte aangeboden voertuig niet zou hebben voldaan aan de wettelijke vereisten die hieromtrent in het bestek waren opgenomen, is op het eerste gezicht dan ook niet relevant voor de beoordeling van de offerte van de verzoekende partij. Nog minder blijkt de verwerende partij dit euvel als een substantiële onregelmatigheid te hebben beschouwd. De offerte van de verzoekende partij werd immers uitdrukkelijk regelmatig verklaard. Er is ten slotte nergens sprake in de briefwisseling noch in het verslag van nazicht van een regularisatie van een onregelmatigheid in de betrokken offerte.
- Gelet op al het voorgaande moet worden vastgesteld dat de beoordeling van de offerte van de verzoekende partij voor het eerste subcriterium van het derde gunningscriterium, zoals opgenomen in het verslag van nazicht dat integraal deel uitmaakt van de bestreden beslissing, voor een deel van de motieven gesteund lijkt op gegevens waarvan het feitelijk bestaan niet naar behoren is bewezen, dan wel dat de in aanmerking genomen gegevens niet afdoende formeel werden gemotiveerd. Minstens lijkt op die punten de verwerende partij de offerte van de verzoekende partij en de aanvullend gegeven toelichting door de verzoekende partij onvoldoende zorgvuldig te hebben onderzocht. XII-9040-14/16 Het beperkte puntenverschil van 1,59 punten op 100 tussen de scores van de verzoekende partij en de gekozen inschrijver leidt aldus tot de conclusie dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de opdracht werd gegund aan de economisch meest voordelige offerte. Het middel is in de besproken mate ernstig. VI. De impliciete weigeringsbeslissing
- De verzoekende partij vordert tevens de schorsing van de tenuitvoerlegging van de impliciete weigeringsbeslissing om de opdracht te gunnen aan de verzoekende partij. De verzoekende partij laat evenwel na om in haar verzoekschrift aannemelijk te maken dat er uitzonderlijke omstandigheden voorhanden zijn die rechtvaardigen dat de Raad van State te dezen gebruik zou moeten maken van de bijzondere jurisprudentiële techniek waarbij een impliciete weigering zou worden nietigverklaard wat dan tevens de schorsing van de tenuitvoerlegging van die impliciete weigering met zich zou kunnen meebrengen. Het ernstig bevinden van het enig middel leidt er in elk geval niet toe dat vast zou komen te staan dat de verwerende partij niet anders mag dan de opdracht aan de verzoekende partij te gunnen. De Raad van State mag immers niet vooruit lopen op de invloed die een herbeoordeling op grond van de correcte feitelijke gegevens zou hebben op de rangschikking. De vordering is bijgevolg niet ontvankelijk voor zover ze is gericht tegen de beslissing om de opdracht niet aan de verzoekende partij te gunnen. VII. Besluit
- Het enig middel is in de besproken mate ernstig en rechtvaardigt dan ook de schorsing van de tenuitvoerlegging van de gunningsbeslissing. XII-9040-15/16 BESLISSING
- De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kruisem van 18 januari 2021 waarin de opdracht voor de aankoop van een vrachtwagen met autolaadkraan wordt gegund aan de bv Ampe.
- De vordering wordt voor het overige verworpen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Dierk Verbiest Silja Doms XII-9040-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.975 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.984 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div