← België

Arrest 249978 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 05/03/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.978 Rolnummer: A. 226857/IX-9466 Zaak: Arrest 249978 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 05/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-17 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-20 00:27 Fiche Arrest nr 249.978 van 5 maart 2021 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 249.978 van 5 maart 2021 in de zaak A. 226.857/IX-9466 In zake: Miriam BOUZOUITA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Annick Boljau kantoor houdend te 2170 Merksem Ringlaan 40 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de UNIVERSITEIT GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Matthias Castelein kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 30 november 2018, strekt tot de nie- tigverklaring van “de beslissing tot niet benoeming van [Miriam Bouzouita] als hoofddocent in het kader van haar tenure track aanstelling dd. 8 oktober 2018, waarvan kennisgegeven met brief dd. 8 oktober 2018”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 244.474 van 14 mei 2019 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. IX-9466-1/35 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laat- ste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 februari
  3. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Shanna Schuerewegen, die loco advocaat Annick Boljau verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eenslui- dend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoekster is met ingang van 1 oktober 2012 aangesteld als docent bij de Universiteit Gent in het tenure track traject voor een periode van vijf jaar op grond van artikel V.3, tweede lid, VCHO en artikel 4, § 2, van het reglement van de Universiteit Gent van 12 september 2003 „betreffende de be- noeming of aanstelling, de bevordering, de evaluatie en het beroep van de leden van het Zelfstandig Academisch Personeel‟ (“ZAP-reglement”). IX-9466-2/35 3.
  6. Artikel 10, § 1, tweede lid, van het ZAP-reglement bepaalt over de mogelijke vaste benoeming van een docent tenure track het volgende: “De docent tenure track wordt na afloop van de aanstellingstermijn door de raad van bestuur vast benoemd in de graad van hoofddocent op basis van een gunstige beoordeling van de gepersonaliseerde doelstellingen door de faculteitsraad die zich bij deze beoordeling laat adviseren door de facultaire ZAP-evaluatiecommissie. Deze beoordeling start uiterlijk zes maanden voor het einde van de aanstelling om afgewerkt te worden uiter- lijk één maand voor de einddatum van de aanstelling. De beoordeling wordt grondig gemotiveerd op basis van de gepersonaliseerde doelstellin- gen c.q. de beoordelingscriteria die bij het voorstel tot aanstelling werden gevoegd. In geval van benoeming dient deze beoordeling gunstig te zijn. In geval deze beoordeling niet gunstig is, eindigt de aanstelling. Ten laat- ste op de dag waarop de aanstellingsperiode verloopt, sluit het universi- teitsbestuur met de betrokkene een arbeidsovereenkomst voor een bepaal- de duur. Deze duur is gelijk aan de minimum duur die in het geval van de betrokkene is opgelegd om het voordeel van de werkloosheidsuitkering in België te kunnen genieten.” 3.
  7. Na beraadslaging op 7 en 15 juni 2017 adviseert de facultaire ZAP-evaluatiecommissie dat verzoekster “niet voldoet aan alle criteria vermeld in haar Tenure Track overeenkomst”. Meer bepaald worden de criteria voor on- derzoek en dienstverlening niet behaald. De commissie “betreurt […] te moeten vaststellen dat de samenwerking tussen mevrouw Bouzouita en de overige leden van de afdeling Spaanse taalkunde bijzonder moeilijk verloopt en dat de docent niet bijdraagt aan een goede sfeer en teamspirit binnen de afdeling, doch deze integendeel in het gedrang brengt”. Deze beoordeling heeft evenwel geen dadelijk gevolg. Omwille van de zwangerschap van verzoekster wordt haar aanstelling immers met een bijkomende termijn van één jaar verlengd, zulks met toepassing van artikel 14, § 10, van het ZAP-reglement en artikel V.29, derde lid, VCHO. 3.
  8. Op 13 juni 2018 acht de facultaire ZAP-evaluatiecommissie dat verzoekster niet voldoet aan alle criteria vermeld in haar tenure track overeen- komst. De commissie acht de criteria voor onderwijs „behaald‟. De criteria voor onderzoek zijn “vanuit kwantitatief oogpunt behaald, de bemerkingen met be- IX-9466-3/35 trekking tot de aanhoudende poging om het aangekondigde maar niet gerealiseer- de boek te verdisconteren blijven problematisch”. Voor „dienstverlening‟ stelt de commissie: “Mevrouw Bouzouita organiseert en neemt deel aan groepsactiviteiten van de vakgroep/afdeling en is lid van interne en externe adviescommis- sies en -raden. De commissie betreurt evenwel te moeten vaststellen dat de samenwerking tussen mevrouw Bouzouita en diverse overige leden van de afdeling Spaanse taalkunde bijzonder moeilijk verloopt en dat de docent niet bijdraagt aan een goede sfeer en team spirit binnen de afde- ling, doch deze integendeel in het gedrang brengt. Daarvan is bij herha- ling melding gemaakt bij de decaan, de vakgroepvoorzitter, de facultaire ombudspersonen en de vertrouwenspersoon. Pogingen om verbetering te bewerkstelligen hebben evenwel niet het gewenste resultaat opgeleverd. Na eerdere gesprekken die zijn gevoerd nadat de problemen met drs. [HS] zijn gemeld, werd in de loop van 2017 andermaal gewag gemaakt van het problematisch functioneren van mevr. Bouzouita, dit in een gesprek met de decaan en ombudspersoon (12 mei 2017) op vraag van voormalige werknemers van de vakgroep/afdeling die de instelling ondertussen had- den verlaten. Een aantal medewerkers heeft aangegeven om die reden de UGent te hebben verlaten.” 3.
  9. Op 4 juli 2018 adviseert de faculteitsraad het tenure track dos- sier van verzoekster ongunstig. Op deze raadsvergadering, zo is te lezen in het verslag ervan, “schetst de decaan kort de chronologie van het behandelen van de zaak Bouzouita op het niveau van het decanaat vanaf november 2016”. Die chronologie loopt van 5 november 2016 tot 19 maart 2018: “- 5 november 2016: decaan ontvangt mail van [HS]. - 6 november 2016: antwoord van decaan aan [HS] met uitnodiging voor een gesprek, in cc. [de vakgroepvoorzitter J] en [ombudspersoon K]. - 7 november 2016: [HS] geeft aan reeds in Spanje te zijn en te zullen te- rugkeren naar Latijns Amerika (gevolg van verstrijken verblijfsvergun- ning). - 7 november 2016: overleg over deze zaak op het decanaat, aanwezig: decaan, [J] (als VG voorzitter) Myriam B en [RE]. Er wordt besloten een remediëringstraject ivm de werksituatie binnen de afdeling Spaans op te starten. - 2 december 2016: VG voorzitter [J] koppelt terug naar ombudspersoon [K.] en decaan; hij maakt melding van een naar zijn aanvoelen goed ver- lopen gesprek op dinsdag 29 november en meldt dat een vervolgoverleg IX-9466-4/35 op 16 december zal plaatsvinden. Hij vermeldt tevens een nakend onder- houd met [EF] (een doctoranda Spaans die zich ook voortijdig heeft te- ruggetrokken). - 12 mei 2017: gesprek op vraag van [ST] (postdoc bij Spaanse taalkunde die onder meer de reden voor haar vroegtijdig ontslag komt toelichten) en [P.], enkel [ST] neemt deel aan het gesprek. Dit gaat door in aanwezig- heid van ombudspersoon [B] die hierover naderhand een schriftelijk ver- slag maakt. Melding van eerdere gesprekken met ombudspersoon [K] nav. het vertrek van [HS], met vermelding van het vroegtijdig vertrek van [EF]. In dit ge- sprek geeft [ST] te kennen dat er, sinds de gesprekken van eind december weinig veranderd is en dat de sfeer in de groep Spaanse taalkunde zeer slecht is. Het optreden van Myriam Bouzouita wordt daarbij als problema- tisch beschreven en ervaren. - 7 juni 2017: de TT evaluatie commissie stelt haar beslissing over het dossier van mev. Bouzouita uit en neemt zich voor extra informatie in te winnen. - 13 juni 2017: overleg tussen decaan en hoofd juridische dienst ivm pro- cedure in zake TT evaluaties, er wordt geadviseerd om TT beoordeling met een jaar uit te stellen, en ook duidelijk gesteld dat betrokkene in deze niet moet worden gehoord. - 15 juni 2017: ombudspersoon [K] stuurt nota‟s door ten behoeve van de commissie over het functioneren van betrokkenen, hij geeft zowel visie van Myriam Bouzouita als van [CV] (vertrokken in januari 2017 na amper een jaar postdocmandaat opgenomen te hebben) en [ST] weer. Deze ge- sprekken hebben plaats gegrepen in oktober
  10. - 15 juni 2017: de commissie stelt vast dat mevr. Bouzouita vooralsnog niet beantwoordt aan de vereisten van de TT overeenkomst maar besluit haar omwille van een niet opgenomen extra jaar (omwille van zwanger- schap) een jaar uitstel te verlenen, wat de kans geeft om ook op het vlak van aantallen publicaties de gestelde doelstellingen te halen. - 29 juni 2017: op vraag van de decaan, voorzitter van de commissie wordt ook contact gelegd met de uitgeverij Arco/libros die op 3 juli for- meel antwoorden dat het boek waarvan sinds 2011 wordt beweerd dat het „accepted‟ en zelfs „forthcoming‟ is nooit bij hen is aangeboden. - 20 maart 2018: decaan consulteert directeur doza met de vraag of het „opsmukken‟ van de bibliografie een zaak voor de cwi is of niet, antwoord op 21 maart (dit antwoord houdt in dat onderwijsgerelateerde zaken geen materie is voor de cwi, en dat de opsmuk van de biblio best met betrokke- ne wordt besproken) - 19 maart 2018: gesprek met MB en Vg voorzitter, decaan en beleidsme- dewerkster [W] over de door MB voorgelegde bibliografie.” Het verslag vervolgt: “Op grond van deze gegevens en na uitvoerige discussie kwam de com- missie tot de conclusie [dat] mevrouw Bouzouita een structureel probleem IX-9466-5/35 heeft met leiding geven. Dit doet uiteraard niets af aan het feit dat zij goed kan samenwerken met sommige collega‟s of binnen een onderzoeksgroep. Evenwel heeft ondertussen een grote groep medewerkers de Faculteit ver- laten, de Faculteit kan niet anders dan dit patroon kritisch bekijken. Het einde van een Tenure Track periode is een uitgelezen moment om te be- slissen of de Faculteit verder wil met de betrokkene voor de volgende de- cennia – daarvoor dient nu net een Tenure Track aanstelling. De [pro- decaan] vult aan dat hij in dit dossier enkele grote problemen ziet. Me- vrouw Bouzouita had tijdens de benoemingsprocedure formeel bevestigd dat haar boek aanvaard was bij de uitgeverij. Zonder deze bevestiging zou de beoordelingscommissie haar kandidatuur zelfs niet verder in overwe- ging genomen hebben; zij zou dan als het ware het „toegan[g]sticket‟ tot het ambt niet hebben gehad. Nu blijkt dat die publicatie nooit werd gerea- liseerd. De [pro-decaan] noemt dit gegeven een zeer ernstige integriteits- kwestie. Voorts constateerde de huidige evaluatiecommissie ernstige pro- blemen in het leidinggeven. De [pro-decaan] betreurt het dat leidingge- vende capaciteiten niet apart en expliciet beoordeeld worden in deze pro- cedure, en alleen wat onhandig bij het onderdeel dienstverlening onderge- schoven worden. En nochtans is het een essentieel punt voor het op lange termijn goed functioneren van een team. Mevrouw […] wenst hier aan toe te voegen dat zij als ombudspersoon ook betrokken werd bij één van de gesprekken betreffende mevrouw Bouzouita. Zij bevestigt dat zij de in- druk had dat dit niet over een geïsoleerd probleem ging. Zij herinnert de Raadsleden ook aan een brief van het AAP (dd 20/2/2018) met betrekking tot welzijnsbeleid waarin gesteld wordt dat de Faculteit dergelijke pro- blemen doorgaans geïsoleerd beschouwt. Zij stelt tevreden vast dat hier een uitspraak gedaan werd over de totaliteit van het dossier. Als lid van de onderzoeksraad is zij bovendien hard geschrokken van de onregelmatig- heden in het onderzoeksdossier. Zij betreurt het sterk dat mevrouw Bou- zouita niet alleen foutieve informatie verstrekte in het aanstellingsdossier, maar dat zij dit bewuste boek systematisch is blijven gebruiken als „aan- vaard‟ in latere aanvragen. Dit is onaanvaardbare concurrentievervalsing en zou aan de Commissie Wetenschappelijke Integriteit moeten gemeld worden. Mevrouw […] betwist de verdiensten van mevrouw Bouzouita in de Dialing-onderzoeksgroep niet, maar was onaangenaam getroffen door de begeleidende mail bij de petitie die werd doorgestuurd, omdat die ten- dentieus is. Hierin worden namelijk speculaties gedaan over de betrok- kenheid van andere leden van Spaanse Taalkunde, en dus onrechtstreeks over het andere ZAP-lid, [RE]. Deze insinuaties vindt zij onterecht. Aan- gezien geen van de ondertekenaars bij Spaanse Taalkunde werkt, zijn zij volgens haar niet gemachtigd om hierover uitspraken over te doen. De heer […] drukt zijn waardering uit over het werk van de commissie. Het verslag had misschien wat scherper gesteld kunnen worden; het was im- mers niet gemakkelijk voor de Raadsleden om hieruit een geïnformeerd oordeel te distilleren. Hij betreurt het dat bij de raadsleden daardoor de indruk kan worden gevoed dat de Raad functioneert als tribunaal. De heer […] stelt dat de enige vraag waar de Raad op moet antwoorden is of zij vindt dat de commissie haar werk goed gedaan heeft of niet, de rest ligt IX-9466-6/35 buiten de bevoegdheid van de vergadering. De heer […] vindt dat dit het geval is; de nieuwe elementen die ter tafel werden gebracht waren zijns inziens erg overtuigend. Mevrouw […] vult aan dat men in een dergelijk verslag er ook voor opteert om zo discreet mogelijk te werk te gaan – dat is in elk geval de hoofdreden om niet alles in detail weer te geven. De de- caan stelt ook dat het commissiewerk enigszins bemoeilijkt werd door het verplicht handhaven van de drie criteria; de leidinggevende capaciteiten worden zo onder de parameter „goede sfeer‟ ondergebracht, wat geenszins een ideale manier van werken is. Het besluit van de commissie ligt in de lijn van de zorgzaamheid die de Faculteit wenst aan de dag te leggen met haar medewerkers, getuige hiervan onder andere het charter voor docto- raatsstudenten en het pilootproject rond de relatie tussen promotores en doctorandi dat binnenkort opgestart zal worden. Hij betwist uitdrukkelijk dat mevrouw Bouzouita door de commissie geviseerd werd; zoals kan blijken uit de toegeleverde informatie, hebben de commissie en de be- leidsmedewerker deze casus grondig onderzocht. Bovendien onderlijnt hij ook dat aan mevrouw Bouzouita vorig jaar net extra kansen werden ge- gund wat betreft de criteria wetenschappelijk onderzoek, door haar een extra jaar voor te stellen. Deze criteria worden qua publicaties dit jaar ook gehaald. De heer […] is blij met de gegeven toelichting; hij pleit ervoor dat er ook naar een hoger echelon toe duidelijk gecommuniceerd zou worden. De decaan bevestigt dat dit zo zal gedaan worden, het is trouwens het Bestuurscollege dat hier een uitspraak over doet. De […] voorzitter van de vakgroep taalkunde [J] is het ermee eens dat er problemen zijn op vlak van functioneren en wetenschappelijke integriteit. Hij vraagt om dit dossier bij de commissie wetenschappelijke integriteit voor te leggen. Hij vindt het moedig dat de commissie hier heeft gekozen voor een duidelijke stellingname op vlak van welzijn, en niet enkel kwantitatief heeft afge- toetst. Hij vraagt zich echter af of de Raad voldoende geïnformeerd is over de klachten aangaande de leidinggevende capaciteiten van mevrouw Bouzouita, en blijft een oordeel erg moeilijk vinden. Hij is het wel eens […] dat de stemming van de Raadsleden het vertrouwen betreft in de werking en het besluit van de commissie. De decaan antwoordt dat hij de geheime stemming zal aanvragen over de beoordeling van de Tenure Track dossiers. Raadsleden kunnen zich scharen achter het oordeel van de commissie door „ja‟ te stemmen, bij een „neen‟ drukt het Raadslid uit dat hij of zij hier niet mee akkoord is. Een onthouding is ook mogelijk. De [pro-decaan] voegt nog toe dat de commissie wetenschappelijke integriteit bijzonder veel tijd nodig heeft om tot een advies te komen, en dat een snelle uitspraak verwacht is voor de beoordeling van de Tenure Tracks. Er ontspint zich een korte discussie over de monografie van mevrouw Bou- zouita. De heer […] stelt dat dit boek in 2012 al opgegeven werd als „ac- cepted‟; de uitgeverij stelde in 2017 dat titel noch auteur bij hen bekend was, het manuscript werd pas in 2018 ingestuurd, en het is nog steeds niet officieel aanvaard. Mevrouw […]vraagt hoe het met de huidige doctoraat- studenten gesteld is, en of zij gehoord werden. Mevrouw [RE] geeft een korte toelichting over de huidige doctoraatsstudenten en de assistent bin- nen de afdeling Spaanse Taalkunde. Eén van hen heeft slechts twee of IX-9466-7/35 drie weken aan de UGent doorgebracht en verhuisde terug naar Stock- holm, het gaat immers om een joint doctorate met de universiteit van Stockholm. Hij waardeerde de inhoudelijke inbreng van mevrouw Bouzo- uita sterk, maar vond het een onmogelijke taak om zijn doctoraat hier in Gent te schrijven. Een andere doctoraatsstudent is pas een maand geleden in Gent gearriveerd uit Venezuela. De nieuwe assistent is in november 2017 gestart, al in december signaleerde ze problemen in de samenwer- king. De heer […] benadrukt dat hier duidelijke [aanwijzingen] zijn voor ernstige tekortkomingen. Er is weldegelijk een probleem van integriteit, dat los staat van de problemen rond leidinggeven. De Raadsleden stellen geen verdere vragen. De decaan vraagt de geheime stemming aan. Hij verduidelijkt dat de Raadsleden „ja‟ kunnen stemmen als ze het eens zijn met het advies van de commissie, of „neen‟ wanneer ze dat niet zijn, of zich kunnen onthou- den. De Raad gaat over tot de geheime stemming. Het resultaat van de geheime stemming betreffende mevrouw Bouzouita luidt als volgt: 34 stemmen ja, 10 stemmen neen, 2 onthoudingen De Raad adviseert het Tenure Track dossier van prof. Miriam Bouzouita ongunstig. De criteria voor onderwijs werden behaald: de onderwijsevalu- atie van mevrouw Bouzouita zijn gunstig te noemen, er was begeleiding van bachelor- en masterscripties, en verschillende initiatieven werden ontplooid in het kader van onderwijsontwikkeling en -professionalisering. De criteria voor onderzoek werden vanuit kwantitatief oogpunt behaald, zowel op het vlak van publicaties als op het vlak van doctoraatsbegelei- ding. Wel vindt de raad, in navolging van de commissie, de aanhoudende pogingen van betrokkene om het aangekondigde maar niet gerealiseerde boek (arcos libros) te laten meetellen in wetenschappelijke onderzoeks- aanvragen en -evaluaties, erg problematisch. Ze beschouwt dit als een ernstig probleem van wetenschappelijke integriteit. De criteria voor dienstverlening werden niet behaald. Naast het feit dat mevrouw Bouzoui- ta zich verdienstelijk maakte in verschillende interne en externe advies- commissies en -raden, noteert de raad een falen op het vlak van leiding- geven, evenals ernstige en door de facultaire ombudspersonen, de vak- groepvoorzitter en de decaan bevestigde klachten vanwege verschillende doctoraatsstudenten, dit niettegenstaande verschillende gesprekken en po- gingen tot remediëring tijdens de afgelopen twee jaren op het niveau van de vakgroep en het decanaat.” 3.
  11. Op 6 september 2018 bezorgt verzoekster extra documentatie aan de voorzitter van het bestuurscollege. Op 7 september 2018 beslist het bestuurscollege “het voorstel over professor Miriam Bouzouita terug te sturen naar de faculteit op basis van het IX-9466-8/35 dossier en met de vraag tevens de bijkomende aangeleverde gegevens te bekij- ken”. 3.
  12. De decaan verschaft op 28 september 2018 volgende bijko- mende toelichting: “
  13. Zoals beklemtoond in het verslag van de Faculteitsraad van 4 juli 2018 werden de criteria voor onderwijs en onderzoek door mevrouw Bouzouita behaald. De discussie over het al dan niet aanvaard zijn (sinds 2011) van een boekpublicatie die als „forthcoming‟ reeds verdisconteerd werd bij de aanstelling van mevrouw Bouzouita in 2012 is op zich niet relevant voor het verder beoordelen van de TT. In antwoord op het eerste argument in de brief d.d. 5 september 2018 aan mevrouw Bouzouita aan de rector (boek Arco/Libros), heeft zij, niettegenstaande daar herhaaldelijk werd naar gevraagd door de facultaire administratie, geen formeel bewijs van aanvaarding van de publicatie kunnen voorleggen, behalve een mail d.d. 16 maart 2011 (geforward op 8 mei 2018) waarin [LGT] zijn interesse be- toont voor een inleidend handboek over grammaticalisatie in de reeks Cuadernos del espanol. Navraag vanuit de faculteit naar aanleiding van de eerste TT-evaluatie eind juni 2017 leerde evenwel dat op dat ogenblik nog steeds geen publicatie in voorbereiding was bij Arco/Libros (mail 3 juli 2017). Het aanhoudend als „accepted‟ of „forthcoming‟ verwijzen door- heen de TT-periode naar een boek dat nog niet „submitted‟ was, blijft voor de ZAP-evaluatiecommissie een laakbare praktijk.
  14. Het belangrijkste argument waarop de Faculteitsraad zich heeft ge- steund om in het geval van mevrouw Bouzouita een negatief advies te verlenen, heeft, zoals in de eindconclusies benadrukt, te maken met het problematisch functioneren als leidinggevende en als collega binnen de afdeling Spaanse taalkunde. Verwijzend naar punt 2 in de brief van me- vrouw Bouzouita, gaat het hier om meer dan om een geïsoleerd geval, maar om een recurrent probleem dat de samenwerking met medewerkers van verschillende geledingen betreft. De chronologie van meldingen en gesprekken in het verslag van de Faculteitsraad van 4 juli (pp. 45-46) mag duidelijk maken dat er op verschillende niveaus (vakgroep, vertrouwens- persoon, vakorganisaties, ombudspersoon, decanaat) problemen zijn ge- signaleerd. Dit heeft de ZAP-evaluatiecommissie er toe doen besluiten aan de faculteit het negatief advies over te maken. Zoals vermeld op p. 47 van het verslag: „dit ligt in de lijn van de zorgzaamheid die de faculteit wenst aan de dag te leggen met haar medewerkers, getuige hiervan onder andere het charter voor doctoraatsstudenten‟. Uit de geheime stemming die daarop is georganiseerd blijkt dat de meerderheid van de faculteitsraad deze beoordeling heeft gevolgd: 34 stemmen tegen 10 bij 2 onthoudin- gen.” IX-9466-9/35 3.
  15. Op 28 september 2018 beslist het bestuurscollege met vier stemmen voor en drie stemmen tegen “dat de gepersonaliseerde doelstellingen voor [verzoekster als] ZAP-lid niet behaald werden en dat de aanstelling als do- cent tenure track met ingang van 1 oktober 2018 beëindigd wordt”. De beraadslaging wordt als volgt genotuleerd: “Met betrekking tot het dossier van professor Miriam Bouzouita, is het voorstel van de faculteit ongewijzigd gebleven. Wel hebben de decaan en de afdeling Juridische Zaken een aanvullende nota geschreven. Deze laat- ste nota omvat een impliciete aanbeveling om bij een negatieve evaluatie een interne hoorprocedure – die thans niet bestaat – te organiseren. De heer [SB] blijft het dossier ten gronde gammel vinden. Het argument dat betrokkene een gebrek aan leiderschap vertoont, is volgens spreker onvoldoende uitgewerkt. Bij twijfel zou het voorstel in het voordeel van het personeelslid moeten worden geadviseerd. Professor [HvL] beaamt dat het een zwak dossier is met een gammele ar- gumentatie. De academisch beheerder wijst erop dat de procedure wel formeel correct is. De vicerector wijst erop dat dit deze werkwijze ook te maken had met de timing. De faculteit had maar een zeer beperkte tijd tussen het terugsturen van het dossier en de agendering van het punt op het volgend Bestuurscol- lege om te reageren. Bovendien is de procedure loodzwaar. De heer [SB] vindt dit een waardeloos argument. Het probleem is dat thans moet worden beslist: benoemen of einde contract. Er is geen tus- senweg mogelijk. Dit is een duidelijk geval waarbij betrokkene haar aan- stelling zou moeten worden verlengd zonder haar onmiddellijk te benoe- men. Professor [HvL] betreurt dat er te weinig tekst is en te weinig concrete fei- ten om een degelijk oordeel te vellen.” 3.
  16. Verzoekster wordt van deze beslissing in kennis gesteld met een aangetekende brief van 8 oktober
  17. Deze kennisgeving vermeldt de be- roepsmogelijkheid bij de Raad van State. 3.
  18. Op 6 november 2018 stelt verzoekster bij de rector “met toe- passing van artikel 14 en 15 van het [ZAP-reglement]” beroep in tegen deze be- slissing en zij vraagt om “de beslissing inzake [haar] herbenoeming te herzien […] minstens een beroepscommissie samen te roepen”. IX-9466-10/35 3.
  19. Op 20 november 2018 antwoordt de rector dat het bezwaar- schrift “ongeldig” is en niet voorgelegd zal worden aan de beroepscommissie: “U stelt dit bezwaar in met toepassing van artikel 14 en artikel 15 van het Reglement betreffende de benoeming of aanstelling, de bevordering, de evaluatie en het beroep van de leden van het Zelfstandig Academisch Per- soneel (ZAP). Deze artikelen handelen evenwel over de reguliere evalua- tie van ZAP-leden en de interne beroepsmogelijkheid in dat kader. Tegen de beslissing tot niet-benoeming in het kader van een tenure track- aanstelling staat geen interne beroepsmogelijkheid open. Zoals vermeld onderaan het aangetekend schrijven van 8 oktober 2018, waarbij de be- streden beslissing u ter kennis werd gebracht, is er enkel een verhaalsmo- gelijkheid bij de Raad van State als administratief rechtscollege (de pro- cedure wordt nader toegelicht in het schrijven).” IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep 4.
  20. In de memorie van wederantwoord merkt verzoekster op dat in de mededeling van de bestreden beslissing op 8 oktober 2018 enkel is vermeld dat haar benoemingsdossier op 28 september 2018 aan het bestuurscollege is voorgelegd en dat zij naar best vermogen het voorwerp van het beroep heeft trachten te omschrijven. 4.
  21. Uit de – weliswaar niet perfecte – omschrijving van het voor- werp in het inleidend verzoekschrift evenals uit de aangevoerde middelen blijkt onmiskenbaar dat verzoeksters beroep gericht is tegen de sub 3.8 vermelde be- slissing van het bestuurscollege, waarbij haar aanstelling wordt beëindigd, welke dateert van 28 september
  22. De verwerende partij heeft dit niet anders begrepen, gelet op haar verweer in de memorie van antwoord. Haar exceptie die – op grond van de vermelding door verzoekster van een beslissing “dd. 8 oktober 2018” – uitgaat van de zienswijze dat niet de voormelde beslissing, maar wel de kennisgeving ervan is aangevochten, getuigt van sofisme. Ze wordt verworpen. IX-9466-11/35 V. Ontvankelijkheid van het beroep
  23. De verwerende partij werpt de laattijdigheid van het beroep op. In het auditoraatsverslag wordt op beredeneerde wijze uiteengezet dat het ver- zoekschrift binnen de voorgeschreven termijn van zestig dagen is ingediend. Daarop verklaart de verwerende partij in haar laatste memorie zich hieromtrent te gedragen naar de wijsheid van de Raad van State. De Raad acht het wijs aan de exceptie waarin de verwerende partij duidelijk niet volhardt, geen enkel gewicht te geven. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  24. Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 15 van het ZAP-reglement. Verzoekster licht toe: “De beslissing zoals kennisgegeven bij brief dd. 8 oktober 2018 maakt geen gewag van deze interne beroepsmogelijkheid. Meer nog, na toezen- ding van het interne beroep, liet de Universiteit Gent weten dat geen in- tern beroep mogelijk zou zijn. De beslissing schendt het ZAP reglement.” Beoordeling
  25. Artikel 15 van het ZAP-reglement betreft de mogelijkheid om beroep in te stellen “tegen de reguliere evaluatie (zoals beschreven in artikel 14)”. De thans bestreden beslissing heeft geen uitstaans met deze reguliere evaluatie. Meer nog, artikel 14, § 3, eerste lid, van het ZAP-reglement stelt uitdrukkelijk dat docenten die “voor het eerst zijn aangesteld in het tenure trackstelsel in een tijde- lijk dienstverband voor een termijn van 5 jaar […] niet aan reguliere evaluaties [worden] onderworpen”. IX-9466-12/35 De rector heeft dan ook terecht mogen antwoorden aan ver- zoekster dat het bij artikel 15 van het ZAP-reglement georganiseerd administra- tief beroep niet van toepassing is op haar situatie, aangezien het beroep van ver- zoekster niet was gericht tegen een “reguliere evaluatie”. Het middel, dat zonder enige argumentatie van het tegendeel uitgaat, faalt naar recht. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  26. Het tweede middel is genomen uit de schending van artikel 14 van het ZAP-reglement. Verzoekster stelt: “Artikel 14 van het ZAP reglement stelt uitdrukkelijk dat niet gunstige evaluaties dienen medegedeeld per aangetekend schrijven. Ditzelfde artikel bepaalt dat indien de facultaire evaluatiecommissie neigt een niet-gunstige uitspraak te doen m.b.t. de reguliere evaluatie van den ZAP lid, het ZAP lid dient te worden gehoord. Nog steeds ditzelfde artikel bepaalt dat de eindconclusie van de commis- sie bij consensus dient te worden genomen, bij gebreke waaraan beroep dient gedaan op één of meerdere deskundige. In weerwil tot de uitdrukkelijke bewoordingen van het ZAP reglement, werd verzoekster de niet-gunstige advies niet aangetekend aan haar be- zorgd, werd zij niet gehoord, werd de beslissing niet bij consensus werd genomen, werd geen deskundige toegevoegd.” Beoordeling
  27. Zoals hiervóór al is opgemerkt over artikel 15, ziet ook artikel 14 van het ZAP-reglement enkel op de zogenaamde reguliere evaluatie, wat de samenstelling en de werkwijze van de beoordelingscommissie betreft. Enkel arti- kel 14, § 3, eerste lid, van het ZAP-reglement vermeldt de eindbeoordeling van IX-9466-13/35 de tenure track docenten, maar net om aan te geven dat die eindbeoordeling géén reguliere evaluatie is. Het middel, dat van het tegendeel uitgaat, faalt naar recht. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  28. Het derde middel luidt “schending van de motiveringsplicht”. Het wordt door verzoekster als volgt toegelicht: “De bestreden beslissing schendt „de algemene motiveringsvereiste‟ evenals van de formele motiveringsplicht, zoals deze is geregeld in de ar- tikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 13 van het decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van bestuursdocumenten in de diensten en instellingen van de Vlaamse regering. Hoewel zulke beslissing een uiterst nauwkeurige motivering vereist, wordt in deze akte geen enkele melding gemaakt van de juridische noch de feitelijke redenen waarop de beslissing zou zijn genomen. De formele motiveringsplicht is nochtans geen doel op zich, maar een middel om de legaliteit van de handeling na te gaan. In de kennisgeving van de niet-benoeming tot hoofddocent wordt geen enkele motivering gegeven aan verzoekster. De beslissing zelf stelt slechts dat ik, op basis van een beslissing van het bestuurscollege, niet werd be- noemd tot hoofddocent. Niet meer. De beslissing van het bestuurscollege werd zelfs niet gevoegd. Ook na aangetekende aanmaning hiertoe (bij monde van de raadsman dd. 25 oktober 2018) werd geen kopie van de be- slissing van het bestuurscollege ontvangen. Minstens vormt het ontbreken van enige mogelijkheid tot kennisname van de motivering van het Bestuurscollege een duidelijke schending van de algemene motiveringsvereiste. De motiveringsplicht is ontegensprekelijk geschonden.” Beoordeling
  29. Verzoekster preciseert in het inleidend verzoekschrift niet hoe “de algemene motiveringsvereiste” concreet zou zijn geschonden. IX-9466-14/35 In die mate is het middel niet ontvankelijk. In de memorie van wederantwoord vult verzoekster het middel aan met enkele opmerkingen over de motivering die “manifest foutief” is. Die opmerkingen zijn evenwel laattijdig, want ze konden reeds in het inleidend ver- zoekschrift zijn aangevoerd. Deze laattijdige aanvulling van het middel is onont- vankelijk. Voorts wordt de aangevoerde schending van “artikel 13 van het decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van bestuursdocumen- ten in de diensten en instellingen van de Vlaamse regering” niet toegelicht. Ook in die mate is het middel niet ontvankelijk. Het middel wordt hierna nog enkel onderzocht in zoverre de schending van de formelemotiveringsplicht, als bedoeld in de wet van 29 juli 1991, wordt aangevoerd.
  30. Het bestuurscollege heeft in zijn beslissing van 28 september 2018 weliswaar geen uitdrukkelijke motivering opgenomen die verder reikt dan de vaststelling dat de gepersonaliseerde doelstellingen niet zijn behaald. Verzoekster weerspreekt niet dat een kopie van die beslissing haar op 12 november 2018 is bezorgd via een zogenaamde “wetransfer”, samen met haar personeelsdossier en een reeks andere documenten, zoals voorbereiden- de stukken van de vergadering van het bestuurscollege, een verslag van de verga- dering van het bestuurscollege van 7 september 2018 en een verslag van de ver- gadering van de ZAP-evaluatiecommissie van 7 juni
  31. Het volstaat uit oogpunt van de formelemotiveringsplicht, zoals opgelegd bij de formelemotiveringswet van 29 juli 1991, dat verzoekster de rede- nen kan achterhalen die de verwerende partij tot haar oordeel hebben gebracht IX-9466-15/35 opdat zij zich op het vlak van de motieven ertegen kan verweren met de middelen die het recht haar ter beschikking stelt. Met de bestreden beslissing schaart het bestuurscollege zich achter het advies van de faculteitsraad van 4 juli 2018 en wordt het geacht zich de motieven van de faculteitsraad eigen te maken. Uit de bijlagen bij het verzoekschrift en de stukken van het administratief dossier blijkt voorts dat verzoekster kennis had van dit advies. Uit haar “intern beroep” van 6 november 2018 mag bovendien worden afgeleid dat zij ook kennis had van het onderliggende dossier. Het doel van de formelemotiveringsplicht is aldus bereikt, wat betreft de redenen waarom verzoekster volgens het bestuurscollege haar geperso- naliseerde doelstellingen niet heeft bereikt. Dat die redenen niet andermaal uit- drukkelijk worden herhaald in de bestreden beslissing, heeft de belangen van ver- zoekster niet geschaad. Ook in die mate is het middel niet ontvankelijk, bij gebrek aan belang.
  32. De enkele vaststelling dan weer, dat verzoekster haar geperso- naliseerde doelstellingen niet behaalt, is – gelet op artikel 10, § 1, tweede lid, van het ZAP-reglement – afdoende als formeel motief van haar niet-benoeming. In die mate is het middel ongegrond.
  33. Het middel is (groten)deels onontvankelijk, deels ongegrond. IX-9466-16/35 D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  34. Het vierde middel is genomen uit de schending van “het begin- sel der tegensprekelijkheid”. Verzoekster adstrueert het middel als volgt: “In het verslag van de Faculteitsraad werd reeds vastgesteld dat het advies werd genomen op basis van nieuwe stukken, nieuwe informatie, nieuwe uitspraken,…dewelke niet werden medegedeeld. Noch bij de mededeling van het verslag van de Faculteitsraad, noch voorafgaandelijk aan het ad- vies van de raad. Zo werd bv. gewag gemaakt van problemen met nieuwe personeelsleden, kwam de vertrouwenspersoon tussen en maakte bezwaren, werd gespro- ken over zogenaamde afspraken over remediëring,…en dit alles zonder voorlegging van enig stavingsdocument. In de beslissing van 8 oktober 2018 is er nog meer. Waar eerder werd gesteld dat het dossier zou worden teruggezonden, werd beslist. Verzoekster heeft er dan ook het raden naar of het dossier werd teruggezonden, of er bijkomend materiaal werd verzameld, wat deze stukken inhielden, en hoe het dossier, waarop het Bestuurscollege zich ba- seerde, was samengesteld. Zelfs na aangetekende ingebrekestelling, bij monde van de raadsman van verzoekster, werd geen inzage verleend. De rechten van verdediging van verzoekster zijn dan ook ernstig geschon- den.” Beoordeling 17.
  35. Met de bestreden beslissing beslist het bestuurscollege ver- zoekster niet te benoemen tot hoofddocent. De rechten van verdediging of de hoorplicht vinden behoudens een bepaling in anders luidende zin geen toepassing bij beslissingen over benoemingen en bevorderingen, zelfs niet ten opzichte van kandidaten die voor benoeming worden afgewezen. Het middel, dat van het tegendeel uitgaat, faalt in die mate naar recht. IX-9466-17/35 17.
  36. Daargelaten in welke mate de hoorplicht voorts als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur in deze zaak van toepassing is, in de mate waarin wordt geoordeeld dat verzoekster haar gepersonaliseerde doelstellingen niet heeft behaald, vereist dit beginsel hoe dan ook niet dat verzoekster in persoon moet kunnen verschijnen. Aangenomen wordt dat ook aan het hoorrecht voldaan wordt, indien de belanghebbende dit op schriftelijke wijze kan uitoefenen. Toegepast op de voorliggende zaak blijkt dat verzoekster een brief heeft bezorgd aan de faculteitsraad, die op de vergadering van 4 juli 2018 integraal werd voorgelezen. Verzoekster heeft voorts op 6 september 2018 haar bezwaren aan het bestuurscollege voorgelegd, wat overigens aanleiding heeft gegeven tot een vraag van het bestuurscollege om bijkomende informatie, wat aantoont dat haar bezwaren in overweging zijn genomen. Verzoekster zet niet uiteen hoe dit bezwaarschrift niet zou volstaan om haar standpunt aan het bestuur voor te leggen. In die mate is het middel niet ontvankelijk. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
  37. Het vijfde middel luidt “schending van het gelijkheidsbegin- sel”. In de toelichting bij het middel komt ook de schending van de materiëlemo- tiveringsplicht ter sprake. Verzoekster zet uiteen dat geen vaste criteria werden gehan- teerd door de verwerende partij om tot een beslissing te komen. Uit geen enkel element blijkt bovendien dat voor de overige kandidaten dezelfde criteria werden gehanteerd. Mocht dat toch het geval zijn, dan blijkt nergens of aan de in aan- merking genomen criteria “dezelfde draagwijdte, waarde en prioriteit werd gege- ven voor alle kandidaten zodat niet kan worden beoordeeld of de andere kandida- IX-9466-18/35 ten meer wetenschappelijke activiteiten en meer wetenschappelijke publicaties hebben gehad dan verzoekster”. Volgens verzoekster is er ook sprake van een schending van de materiëlemotiveringsplicht, want het advies van de evaluatiecommissie is “behept met onwaarheden” en houdt geen rekening met haar “bijzondere verdiensten”. Het is incorrect dat het boek waarnaar verzoekster verwijst in aanvragen van we- tenschappelijke projecten gedurende haar tenure track steeds als „accepted‟ werd vermeld, zonder dat dit effectief het geval was. Het boek werd wel degelijk aan- vaard. Verzoekster verwijst naar een verklaring van de uitgeverij.
  38. Verzoekster herhaalt het middel in de memorie van wederant- woord, aangevuld met voorbeelden die volgens haar illustreren dat zij en colle- ga‟s aan verschillende maatstaven zijn onderworpen op het vlak van de waarde- ring van publicaties. Met betrekking tot haar “bijzondere verdiensten” legt zij nu uit dat dit ziet op haar coördinatie van een onderzoeksgroep en haar vele activitei- ten “binnen de Historische Taal- en Letterkunde (bv. secretaris examencommis- sie,…)”. Beoordeling
  39. Voor zover verzoekster het ontbreken van “vaste criteria” voor de beoordeling van alle docenten laakt, faalt het middel in rechte. Overeenkom- stig artikel 10, § 1, tweede lid, van het ZAP-reglement wordt de docent tenure track na afloop van de aanstellingstermijn immers vastbenoemd in de graad van hoofddocent na een gunstige beoordeling van “gepersonaliseerde” doelstellingen. Bij deze beoordeling komt verzoekster niet in concurrentie met andere kandidaten en wordt zij niet vergeleken met derden, maar worden haar prestaties afgewogen aan de voorheen vastgestelde gepersonaliseerde doelstellingen. Verzoekster moet voorts worden geacht haar gepersonaliseerde doelstellingen te kennen. IX-9466-19/35 Hoe dan ook, pas in haar memorie van wederantwoord en bij- gevolg laattijdig geeft verzoekster in concreto aan met wie zij zich vergelijkt en gaat zij enigszins concreet in op een beweerd ongelijke beoordeling van verdien- sten en publicaties. Het middel is wat dit aspect betreft bijgevolg in ieder geval onontvankelijk. Een schending van het gelijkheidsbeginsel is niet aangetoond.
  40. Voor zover verzoekster voorts de materiëlemotiveringsplicht geschonden noemt, omdat het advies van de evaluatiecommissie waarop de be- streden beslissing steunt geen rekening heeft gehouden met de “bijzondere ver- diensten” van verzoekster, laat zij opnieuw na in het inleidend verzoekschrift toe te lichten waarop die bijzondere verdiensten slaan, zodat het middel op dit punt evenmin kan worden onderzocht. De uiteenzetting in de memorie van wederant- woord is laattijdig. Louter ten overvloede mag worden aangestipt dat de beoorde- ling van verzoekster aangeeft dat zij “organiseert en [deelneemt] aan groepsacti- viteiten van de vakgroep/afdeling en […] lid [is] van interne en externe advies- commissies en -raden”.
  41. Voor zover verzoekster ten slotte de materiëlemotiveringsplicht eveneens geschonden noemt, omdat het advies van de evaluatiecommissie is “be- hept met onwaarheden”, werkt zij dit enkel uit met betrekking tot de opmerkin- gen van de evaluatiecommissie over één welbepaald boek. Verzoekster vergist zich evenwel over het belang van deze op- merkingen. De relevante passus uit de beoordeling van de faculteitsraad van 4 juli 2018 inzake onderzoek, waarmee het bestuurscollege heeft ingestemd, luidt: “De criteria voor onderzoek werden vanuit kwantitatief oogpunt behaald, zowel op het vlak van publicaties als op het vlak van doctoraatsbegelei- ding. Wel vindt de raad, in navolging van de commissie, de aanhoudende pogingen van betrokkene om het aangekondigde maar niet gerealiseerde boek (arcos libros) te laten meetellen in wetenschappelijke onderzoeks- aanvragen en -evaluaties, erg problematisch. Ze beschouwt dit als een ernstig probleem van wetenschappelijke integriteit.” IX-9466-20/35 Het is duidelijk dat voornoemde beoordeling een vingerwijzing inhoudt op het vlak van ethiek, die er evenwel niet aan in de weg staat dat ver- zoekster het bedoelde criterium „onderzoek‟ heeft behaald. Uit de voorliggende stukken blijkt immers dat de verwerende partij met de bedoelde publicatie al re- kening had gehouden bij de aanstelling van verzoekster – het “werd […] reeds verdisconteerd bij haar aanstelling”, aldus de beoordelingscommissie – en dat zij ze om die reden hoe dan ook niet meer een tweede maal in rekening heeft ge- bracht voor de beoordeling van de criteria voor onderzoek tijdens de periode waarin de gepersonaliseerde doelstellingen behaald moesten worden. Ook zonder deze publicatie werd het minimum aantal publicaties, vereist voor dit criterium, behaald – dit in tegenstelling tot het jaar voordien. Zoals de decaan nogmaals aangeeft in zijn aanvullende toelichting op 28 september 2018, “werden de crite- ria voor onderwijs en onderzoek door [verzoekster] behaald”: “De discussie over het al dan niet aanvaard zijn (sinds 2011) van een boekpublicatie die als „forthcoming‟ reeds verdisconteerd werd bij de aanstelling […] in 2012 is op zich niet relevant voor het verder beoorde- len van de TT.” In zoverre heeft verzoekster geen belang bij haar grief en is het middel eveneens onontvankelijk.
  42. Het middel wordt verworpen. F. Zesde middel Standpunt van de partijen
  43. Het zesde middel luidt “schending van het zorgvuldigheidsbe- ginsel”. Verzoekster herhaalt dat “het kwestieuze boek” bij Arco Libros wel degelijk werd aanvaard voor publicatie, terwijl de bestreden beslissing steunt op het verwijt dat die publicatie nooit zou zijn gerealiseerd. IX-9466-21/35 Vervolgens gaat verzoekster in op de verwijten op vlak van het criterium „dienstverlening‟. Haar wordt een structureel probleem met leidingge- ven verweten, waardoor verschillende medewerkers de faculteit verlaten zouden hebben. Dit is niet correct. Wat doctorandus HS betreft, blijkt dat hij zijn docto- raat niet heeft stopgezet omwille van een moeilijke samenwerking met verzoek- ster maar door problemen in zijn functioneren in 2016 (dronkenschap op veld- werk, niet opdagen op afspraken, onprofessionele behandeling van informanten) en de vaststelling dat meer dan 50% van zijn veldwerkdata “lijkt gefabriceerd te zijn”. Wat MML betreft, blijkt dat hij niet “slechts twee of drie weken” maar wel meer dan drie maanden in Gent aanwezig was en dat hij om persoonlijke redenen niet langer kon blijven. Wat VC betreft, schrijft de faculteitsraad dat zij reeds na één maand problemen in de samenwerking signaleerde. VC omschrijft de sa- menwerking echter als verrijkend en zeer positief. Tevens wordt verwezen naar een nakend onderhoud met EF die zich als doctoranda voortijdig heeft terugge- trokken, doch EF geeft aan terug met verzoekster te willen samenwerken. Dit toont volgens verzoekster aan dat de verwerende partij zich niet heeft geïnformeerd over alle relevante elementen van het dossier.
  44. De verwerende partij antwoordt op dit middel zeer kort, enkel wat volgt: “Dit zesde middel valt deels samen met het vijfde middel. Het benoemingsdossier (stuk 10) en de diverse mails en historiek (stuk 24) die in het administratief dossier zijn opgenomen, zijn op zich reeds een afdoende bewijs van de zeer grondige werkwijze waarmee verweren- de partij het oordeel over de al dan niet benoeming van verzoekende partij tot hoofddocent heeft behandeld. Alleen al de mail van uitgeverij van 30 juli 2018 waarin verklaard wordt dat louter een boekvoorstel werd aanvaard in 2011 en het manuscript pas in 2018 werd ingediend (stuk 22) is een afdoende én objectieve grond - het stuk wordt immers door verzoekende partij zelf aangebracht - om te besluiten dat er wel degelijk een verkeerde voorstelling van zaken is ge- geven omtrent de status van het bewuste boek. Ook uit het benoemingsdossier blijkt dat de samenwerking binnen haar vakgroep eerder problematisch te noemen is. IX-9466-22/35 Verzoekende partij bewijst ook niet het tegendeel. Zo bijvoorbeeld dient vastgesteld te worden dat de ondertekenaars van de „DiaLing‟-steunbrief niet behoren tot de vakgroep Spaans (stuk 23). Het oordeel hieromtrent komt toe aan verwerende partij. Uw Raad vermag hoogstens dit oordeel te toetsen aan de redelijkheid en de zorgvuldigheid. Welnu, met hetgeen voorligt, kan moeilijk geoordeeld worden dat dit on- redelijk en/of onzorgvuldig is.”
  45. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoekster haar toelichting bij het middel. Zij voegt eraan toe dat MML “tot op vandaag” onder haar begeleiding werkt. Zij betwist dat er problemen waren met LR en voegt een verklaring bij in die zin. EF heeft ondertussen weer gesolliciteerd. De bewering van de verwerende partij dat de steunbetuigingen van collega‟s “niet van Spaans zouden zijn”, toont de onzorgvuldigheid van de verwerende partij eens te meer aan: VC, MML en AV, “die van Spaans zijn”, tekenden de steunbrief. KM en KdB, “eveneens van Spaans”, betuigden hun steun evenzeer.
  46. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat het oor- deel van de facultaire evaluatiecommissie steunt op een zorgvuldig onderzoek “en dit op basis van meerdere verklaringen en bevragingen”. Het feit “dat niet alles en iedereen bij naam en toenaam wordt vermeld in de beslissing van de fa- culteitsraad” evenals het feit “dat de verklaringen slechts beperkt zijn weergege- ven”, heeft te maken met de vertrouwelijkheid van een aantal verklaringen, afge- legd bij de ombudsdienst. De verwerende partij “beseft heel goed dat het verhaal door- gaans twee kanten heeft en dat beweringen van een medewerker gekleurd kunnen zijn in de positieve of negatieve zin, naargelang de medewerker het al dan niet goed kan vinden met de betrokkene”. Het is ook niet omdat verzoekster met en- kele leden van de afdeling Spaanse Taalkunde goed kan functioneren, dat er geen problemen zijn of kunnen zijn met de andere leden van de afdeling en dat dit niet te wijten zouden zijn aan haar gebrek aan leiderschap. IX-9466-23/35 De verwerende partij stelt, de verklaringen van HS “met de nodige omzichtigheid” te hebben behandeld. Bovendien zijn ze slechts een on- derdeel van een aanhoudend probleem. Vervolgens geeft de verwerende partij een uitvoerig overzicht van de klachten van HS. Zij wijst op het overleg op het decanaat en het remedië- ringstraject waartoe werd besloten. Zij wijst op een e-mail van de vakgroepvoor- zitter die op 2 december 2016 aan de decaan meldt dat hij na het overleg op het decanaat “nog enkele collega‟s van de afdeling en ook enkele afgestudeerden van vorig jaar […] over de vloer gekregen had” waaruit bleek dat “er duidelijk nog veel wrevel is over de manier van optreden van [verzoekster]”. Het handelen van verzoekster werd dus wel degelijk binnen haar afdeling als problematisch erva- ren. Haar klacht over de wetenschappelijke integriteit van HS “staat los van het oordeel dat de facultaire evaluatiecommissie moet nemen over [verzoekster] en haar al dan niet bevordering”. Dat HS een fout in zijn doctoraatsonderzoek be- gaan zou hebben, betekent niet dat hij hierdoor het recht verliest om aan te tonen dat ook de houding van verzoekster niet correct is. Vooral de verklaringen van ST zijn revelerend voor de negatie- ve werksfeer en de verantwoordelijkheid van verzoekster hierin. Het vertrek van MML is een “non-issue”, nergens wordt be- weerd dat dit aan verzoekster te verwijten is of dat MML negatief stond tegen- over verzoekster. Hetzelfde geldt voor VC. De persoon die in 2017 na één maand problemen signaleerde was LR. Het gesprek met EF vond plaats op 2 december
  47. EF “had plannen om een doctoraatsvoorstel in te dienen maar heeft afgehaakt onder de onhoudbare psychische druk die [verzoekster] volgens haar creëerde”. IX-9466-24/35 Wat de door verzoekster voorgelegde steunbetuigingen betreft, werpt de verwerende partij tegen dat het subjectief betuigen van steun binnen of buiten de vakgroep niets afdoet aan het problematisch leidinggeven van verzoek- ster. Beoordeling
  48. Artikel V.3, tweede lid, VCHO luidt: “Binnen de formatie van het zelfstandig academisch personeel kunnen de universiteiten docenten aanstellen in het tenure trackstelsel, waarvan de aanstellings- en benoemingsvoorwaarden worden beschreven in artikel V.29.” Artikel V.29 VCHO luidt: “In afwijking van het bepaalde in artikel V.28 worden de in artikel V.3, tweede lid bedoelde docenten aangesteld voor een termijn van 5 jaar. In- dien het universiteitsbestuur aan het einde van die termijn de prestaties van een docent gunstig beoordeelt, wordt het betrokken personeelslid zonder nieuwe vacature benoemd in de graad van hoofddocent. De beoor- deling wordt grondig gemotiveerd op basis van de academische verdien- sten van de docent in het tenure trackstelsel. Het universiteitsbestuur legt voorafgaandelijk de criteria vast voor de be- oordeling van de docenten in het tenure trackstelsel en maakt deze in de universiteit bekend. In geval van zwangerschap of langdurige en ernstige ziekte tijdens de termijn van de aanstelling wordt op verzoek van de betrokken docent de aanstelling met een bijkomende termijn van een jaar verlengd.” Artikel 10, § 1, tweede lid, van het ZAP-reglement is hiervóór sub 3.2 aangehaald.
  49. Bij de aanstelling van verzoekster als docent tenure track zijn op voorstel van de faculteitsraad haar gepersonaliseerde doelstellingen met het oog op benoeming tot hoofddocent vastgesteld. IX-9466-25/35 De op vlak van interne dienstverlening door verzoekster niet behaalde gepersonaliseerde doelstelling in het resultaatsgebied „dienstverlening‟ luidt: “De docent draagt bij aan een goede sfeer en teamspirit binnen de vak- groep / centrum en neemt deel aan het interne overleg en de onderlinge afstemming van de taken (zoals kan blijken uit het bijwonen van vak- groep- en opleidingscommissievergaderingen).”
  50. De opmerkingen van verzoekster omtrent de stand van publica- tie van een boek bij Arco Libros zijn niet ontvankelijk, om de reden hiervóór aangegeven sub
  51. Dit betekent, óók, dat de overwegingen in het advies van de faculteitsraad of de (uitvoerige) opmerkingen van de leden van de faculteitsraad bij de bespreking van verzoeksters dossier die betrekking hebben op dit manu- script, voor de beoordeling van dit middel niet relevant zijn. De verwerende partij kan er niet nuttig naar verwijzen. Uit niets blijkt immers, wat er van de “integri- teitskwestie” ook weze, dat ze betrekking zou hebben op de gepersonaliseerde doelstelling „dienstverlening‟ en daarop effectief betrokken werd. Dit kan dus geenszins verantwoorden waarom het bestuurscollege oordeelt dat verzoekster die doelstelling niet heeft bereikt, wat het enige dragende motief is van de bestre- den beslissing.
  52. Dat verzoekster deze doelstelling volgens de verwerende partij niet behaalt, ligt aan haar “problematisch functioneren als leidinggevende en als collega”, zoals de decaan het kernachtig samenvat in zijn brief van 28 september 2018 aan het bestuurscollege. Met de woorden van de facultaire beoordelings- commissie, is het probleem “dat de samenwerking tussen [verzoekster] en de ove- rige leden van de afdeling Spaanse taalkunde bijzonder moeilijk verloopt en dat de docent niet bijdraagt aan een goede sfeer en teamspirit binnen de afdeling, doch deze integendeel in het gedrang brengt”, “[e]en aantal medewerkers heeft aangegeven om die reden de UGent te hebben verlaten”. De faculteitsraad noteert “een falen op het vlak van leidinggeven, evenals ernstige en door de facultaire IX-9466-26/35 ombudspersonen, de vakgroepvoorzitter en de decaan bevestigde klachten van- wege verschillende doctoraatsstudenten, dit niettegenstaande verschillende ge- sprekken en pogingen tot remediëring tijdens de afgelopen twee jaren op het ni- veau van de vakgroep en het decanaat”.
  53. Om de redenen die hierna worden uiteengezet, is de Raad van State niet in staat om ter dege na te gaan of het dossier met de vereiste zorgvul- digheid is onderzocht. Dit betreft zowel het verwijt op het vlak van leidinggeven als het verwijt over klachten van doctoraatsstudenten.
  54. De enige persoon van wie aan de hand van de stukken van het administratief dossier met zekerheid kan worden vastgesteld dat hij de universi- teit heeft verlaten wegens een conflict met verzoekster, is doctorandus HS. Een conflict met één doctorandus volstaat echter niet om een algemeen gebrek aan leiding of begeleiding aan te tonen. Belangrijker nog om dit conflict in context te plaatsen, is de vaststelling dat de verwijten tweerichtings- verkeer blijken te zijn. Verzoekster heeft zelf reeds vóór het vertrek van HS mel- ding gemaakt van problemen, onder meer inzake dronkenschap en het niet nako- men van afspraken. In een op 12 april 2019 door de rector bijgevallen rapport van de commissie Wetenschappelijke Integriteit wordt aangenomen dat HS “fabrica- ted and falsified research data” (stukkenbundel verzoekster, bijlage 14), zodat al minstens die klacht van verzoekster zelfs gegrond blijkt te zijn. Dit moest de verwerende partij aanzetten om bedachtzaam om te gaan met de verklaringen van HS en ze niet voetstoots voor waar aan te nemen. De verwerende partij beweert in te zien dat elk verhaal twee kanten heeft en stelt omzichtig te hebben gehan- deld. Uit het dossier blijkt echter niet hoe de verwerende partij de beschikbare gegevens tegenover elkaar heeft afgewogen en op grond van welke bijkomende stappen of inzichten zij de verklaringen van HS geloofwaardig mocht achten en een zwaarder gewicht mocht geven, en zijn vertrek aan een falen van verzoekster mocht verwijten. Het schrijven van de rector van 12 april 2019 laat veeleer door- schijnen dat de rector tevreden is met dit vertrek, omdat daarom niet meer opge- IX-9466-27/35 treden moet worden naar aanleiding van het rapport van de commissie Weten- schappelijke Integriteit. Bij haar laatste memorie voegt de verwerende partij als ver- trouwelijk stuk nog de nota die als bijlage ging bij het e-mailbericht van HS aan de decaan van 5 november 2016, zonder evenwel aan te tonen dat die nota ook aan de beoordelingscommissie of de faculteitsraad bekend was ten tijde van hun advies en dat zij of het bestuurscollege over die nota stelling hebben genomen. De wederwaardigheden tussen HS en verzoekster lijken aldus niet met de vereiste zorgvuldigheid te zijn onderzocht.
  55. Die vaststelling alléén, zou evenwel niet volstaan om het mid- del bij te vallen. Immers betreft het verwijt aan verzoekster – noodzakelijk, om afdoende te zijn – niet “een geïsoleerd geval”, maar “een recurrent probleem dat de samenwerking met de medewerkers van verschillende geledingen betreft”, aldus alweer de decaan in zijn brief van 28 september
  56. Maar dan moet het “recurrent” karakter van verzoeksters falen wel zo zijn terug te vinden in het dossier. Dat is nu net het probleem. Allereerst schrijft de verwerende partij in de bestreden beslis- sing zelf dat verzoekster het wel goed kan stellen met sommige leden van de af- deling – wat ook bevestiging vindt in de steunbetuigingen die verzoekster bij- brengt. Dit sluit niet uit, zoals de verwerende partij terecht opmerkt, dat verzoek- ster overhoop ligt met anderen en dat zij over het algemeen slecht leiding geeft. Dat moet dan wel des te zorgvuldiger worden onderzocht. IX-9466-28/35 Verzoekster heeft een feedbackmoment gehad op 4 december 2015, zo is te lezen in stuk 13 van het administratief dossier, maar een verslag van dit of enig ander tussentijds feedbackmoment ontbreekt. Er kan dus niets mee worden gestaafd. In het verslag van de faculteitsraad geeft de decaan een chrono- logie van feiten. Dit overzicht laat begrijpen dat gesprekken zijn gevoerd met onder meer verzoekster en de ombudspersonen, maar het leert weinig concreets over de inhoud van de problemen – naast de voormelde kwestie met HS en met de boekpublicatie – en de verantwoordelijkheden ervoor: - De chronologie vangt aan met de e-mail van HS aan de decaan, maar hiervóór is al opgemerkt dat een conflict met één doctoraatsstudent niet volstaat om een permanent falen aan te tonen, dat de bijlage bij de e-mail nooit aan de faculteits- raad voorgelegd lijkt te zijn en dat niet blijkt of het verhaal “met twee kanten” zorgvuldig is onderzocht. - De chronologie vermeldt wel een “remediëringstraject ivm de werksituatie bin- nen de afdeling Spaans”, maar over de aanleiding ertoe, de bespreking ervan of de inhoud van het traject en de opvolging ervan blijkt niet dat de faculteitsraad is geïnformeerd en ontbreekt ook elk stuk in het administratief dossier. Uit niets blijkt of dit alles enkel te maken heeft met de begeleiding van HS, of ook over andere incidenten ging. - De chronologie vermeldt gesprekken waarvan geen neerslag voorhanden is en waarvan ook niet blijkt dat de inhoud nader is toegelicht aan de faculteitsraad, terwijl verzoekster laat uitschijnen dat die gesprekken alweer enkel verband hou- den met de begeleiding van HS, in welk geval ze niet pertinent zijn om het vast en terugkerend karakter van een gezagsprobleem bij verzoekster aan te tonen. - De chronologie maakt melding van een nota van “ombudsgesprekken” in okto- ber 2016 met verzoekster over de begeleiding van HS, die zoals gezien niet perti- nent is om het duurzaam falend leiderschap van verzoekster of de klachten van ándere collega‟s te onderbouwen. - De chronologie maakt melding van een nota van “ombudsgesprekken” in okto- ber 2016 met twee collega‟s (CV en ST) over het functioneren van verzoekster, IX-9466-29/35 maar alweer hoofdzakelijk beperkt tot de begeleiding van HS. Die nota is voorts een loutere weergave door de ombudsman van de zienswijze van deze personen, zonder beoordeling of toelichting over de aanleiding of de opvolging ervan. - De chronologie maakt melding van een gesprek op 12 mei 2017 met één collega (ST); uit het verslag over dit gesprek blijkt wel dat ST “blijvende problemen rond het functioneren” van verzoekster aanklaagt die zij concreet maakt – maar die anderzijds niet opgevolgd lijken te zijn: “[ST] zegt dat er niet veel veranderd is en dat de sfeer in de groep Spaan- se Taalkunde zeer slecht is. Medewerkers proberen mw. Bouzouita te mijden. Zij zou een overdreven controle uitoefenen die ook het privéleven van haar medewerkers aantast. Zo krijgen medewerkers vele taken die eerder tot de privé- dan tot de werksfeer behoren. Volgens [ST] maakt mw. Bouzouita collega‟s bewust zwart en stelt zij zich vaak agressief op. Zij zou ook de studenten van [EF] inpikken. Door deze situatie is er nog heel weinig overleg in de groep. Daardoor zouden ook de vermijdbare problemen met [HS] te laat gedetecteerd zijn”. - Het administratief dossier laat niet toe de bewering te controleren dat het vertrek van sommige medewerkers (zoals MML en VC) met een problematisch optreden van verzoekster te maken heeft, hoewel verzoekster dit met stukken en verklarin- gen tegenspreekt. - Verwezen wordt naar een nakend onderhoud met EF maar het administratief dossier mist elk gegeven omtrent dit onderhoud, laat staan een stuk dat onder- bouwt dat zij als doctoranda “heeft afgehaakt onder de onhoudbare psychische druk die [verzoekster] volgens haar creëerde”. Uit de door verzoekster neergeleg- de stukken daarentegen kan worden opgemaakt dat de betrokkene wel graag met verzoekster samenwerkte, hetgeen ook de beweringen van ST enigszins in vraag stelt, minstens had dit de verwerende partij ertoe moeten bewegen dit nader te onderzoeken. Dit overzicht noch de beschikbare stukken maken hard dat, naast HS, het vertrek van andere medewerkers te wijten is aan de sfeer in de groep Spaanse Taalkunde, laat staan omwille van de houding van verzoekster. In haar laatste memorie spoedt de verwerende partij zich zelfs, het vertrek van twee IX-9466-30/35 medewerkers (MML en VC) een “non issue” te noemen. Het argument dat vele medewerkers de UGent hebben verlaten uit onvrede met verzoekster, is onvol- doende zorgvuldig onderzocht. Het andere aspect van de aan verzoekster verweten tekortko- mingen is een falend leiderschap, dat vooral zou moeten blijken uit klachten van medewerkers. In het dossier bevinden zich evenwel geen afzonderlijke klachten. Dit verwijt wordt enkel gestaafd door wat genoteerd is in de nota van de om- budsman over zijn gesprek met ST en CV en het verslag van het gesprek met ST. Dit laatste kan wel als een klacht opgevat worden en stelt het gezag en optreden van verzoekster effectief in vraag. De klacht gaat evenwel uit van één persoon. Het mag bezwaarlijk zorgvuldig worden genoemd een onderhoud met slechts twee medewerkers en een klacht van één van hen, dat niet blijkt gevolgd te zijn door een vorm van doorlichting of wederwoord, blindweg voor waar aan te ne- men. De onderwijskwaliteiten van een docent worden ook niet beoordeeld door slechts één student te bevragen. De bespreking door de faculteitsraad draagt al evenmin ertoe bij om van een zorgvuldig gevoerd onderzoek te overtuigen. Er blijkt niet dat aan de faculteitsraad een adequaat personeelsdossier ter inzage is voorgelegd. Als gezien moesten de leden van de faculteitsraad het stellen met een uiteenzetting van een “chronologie” door de decaan. De vakgroepvoorzitter, toch een persoon die meer vertrouwd is met de gang van zaken in de groep Spaanse Taalkunde, vraagt zich af of de faculteitsraad “voldoende geïnformeerd is over de klachten”, hij “blijft een oordeel erg moeilijk vinden” en merkt op dat “de stemming […] het vertrouwen betreft in de werking en het besluit van de commissie” – wat meer als een gezagsargument klinkt dan als een weloverwogen eigen oordeel en wat vra- gen oproept in hoeverre die faculteitsraad wel de moeite heeft gedaan om de stukken te onderzoeken en tot een eigen beoordeling te komen, eerder dan zich uit te spreken over de geloofwaardigheid van de beoordelingscommissie. IX-9466-31/35 Ook de veronderstelde deskundigheid van de commissie en haar leden ontneemt verzoekster evenwel niet het recht op een zorgvuldige voor- bereiding van de beslissing. En over de werkzaamheden van die commissie – haar beraadslagingen, de haar ter beschikking staande documenten, haar eventue- le onderzoekingen – is in het dossier niets te vinden – laat staan iets wat zou toe- laten de voorgaande kritische overwegingen en vaststellingen over het advies van de faculteitsraad achterwege te laten. Daargelaten in hoeverre de verwerende partij uit het oogpunt van de hoorplicht tot het horen van verzoekster verplicht was bij het nemen van de beslissing zelf, zoals is opgemerkt bij het vierde middel, zou een meer uitvoe- rig en onafhankelijk voorafgaand onderzoek van de klachten over verzoekster, dat verder strekt dan het enkele noteren van verklaringen van twee collega‟s, in- clusief een confrontatie van verzoekster met de klachten of navraag bij de andere leden van de groep Spaanse Taalkunde, in de gegeven omstandigheden getuigen van zorgvuldigheid bij het treffen van een beslissing met verstrekkende gevolgen voor de carrière van de betrokkene. Gewis liep het in de besproken periode in de groep Spaanse Taalkunde niet op rolletjes en was de sfeer zelfs verziekt te noemen. Mogelijk droeg verzoekster daartoe bij. Mogelijk was zij in grote mate (mede) verantwoor- delijk. Het administratief dossier dat in de huidige procedure aan de Raad van State is voorgelegd, laat evenwel niet toe, na te gaan of het bestuurscollege de verantwoordelijkheid hiervoor terecht in die mate bij verzoekster mocht leggen, dat het de conclusie wettigt dat zij de betrokken gepersonaliseerde doelstelling niet heeft behaald. De Raad van State onderstreept dat hij hiermee niet besluit dat de conclusie van het bestuurscollege op zich onjuist is. Hij kan evenwel niet an- ders dan vaststellen dat ze onvoldoende zorgvuldig is gestoffeerd, om de controle door de rechter te kunnen doorstaan. IX-9466-32/35 De Raad valt hiermee het lid van het bestuurscollege bij dat op 28 september 2018 liet optekenen dit “een zwak dossier” te vinden met “te wei- nig tekst” en “te weinig concrete feiten om een degelijk oordeel te vellen”. Ten overvloede moet worden vastgesteld dat de verwerende partij in de memorie van antwoord over het middel geen inhoudelijk verweer voert en slechts opwerpt dat de Raad van State haar oordeel “hoogstens” mag toetsen aan “de zorgvuldigheid” – wat precies datgene is wat verzoekster aan de Raad vraagt met dit middel. In haar laatste memorie lijkt de verwerende partij plots nog de meubels te willen redden, maar deze laattijdige inspanning van haar raadslieden om pas dan de draagwijdte van enkele stukken van het dossier te situ- eren betreft voornamelijk alweer HS en overtuigt de Raad niet – waarbij hij daar- enboven bedenkt dat dit ultiem verweer – welke intrinsieke waarde ze moge heb- ben – overkomt post factum geschreven te zijn, zonder dat die elementen effectief voorlagen toen het bestuurscollege zijn beslissing heeft genomen, of bij de facul- teitsraad ten tijde van zijn advies.
  57. Uit het voorgaande blijkt dat de verwerende partij bij haar be- oordeling niet de nodige zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd om tot haar con- clusie te komen. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. G. Zevende middel Uiteenzetting van het middel
  58. Het zevende middel luidt: “genomen uit de machtsafwending en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur”. Verzoekster betoogt: “Uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur volgt dat bij het uit- oefenen van enige weigeringsbevoegdheid de desbetreffende overheid alle rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen [dient] af te wegen. Voor de belanghebbende mogen de nadelige gevolgen van een besluit niet one- IX-9466-33/35 venredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Het ondoordacht geven van een definitieve negatieve beslissing tot weigering is niet evenredig met het nadeel dat verzoeker door de negatieve beslis- sing lijdt.” Beoordeling
  59. Verzoekster geeft in de aangehaalde toelichting niet de minste precisering over de wijze waarop de verwerende partij zich aan machtsafwending zou hebben bezondigd. Evenmin is duidelijk welke algemene beginselen van be- hoorlijk bestuur verzoekster precies aanvoert en hoe dan ook laat verzoekster na te concretiseren hoe het bestuur die beginselen met de bestreden beslissing ge- schonden zou hebben. Het middel is onontvankelijk. BESLISSING
  60. De Raad van State vernietigt de beslissing van het bestuurscollege van de Universiteit Gent van 28 september 2018 “dat de gepersonaliseerde doelstel- lingen voor [Miriam Bouzouita als] ZAP-lid niet behaald werden en dat de aanstelling als docent tenure track met ingang van 1 oktober 2018 beëindigd wordt”.
  61. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. IX-9466-34/35 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9466-35/35 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.978 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.474 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.