← België

Arrest 250015 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 09/03/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.015 Rolnummer: A. 226403/X-17347 Zaak: Arrest 250015 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 09/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-23 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-20 00:27 Fiche Arrest nr 250.015 van 9 maart 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 250.015 van 9 maart 2021 in de zaak A. 226.403/X-17.347 In zake : 1. Tonny DEMUYTERE 2. Dries DEMUYTERE 3. Steven VANDENABEELE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marleen Ryelandt kantoor houdend te 8200 Brugge Gistelse steenweg 472 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : 1. de PROVINCIE WEST-VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46/1 bij wie woonplaats wordt gekozen 2. het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bergé en Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47/001 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 11 oktober 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 21 juni 2018 van de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen, houdende de definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan „afbakening kleinstedelijk gebied Waregem-herziening (Waregem, Anzegem, Wielsbeke)‟, beperkt “tot het deelRUP Blauwpoort”. X-17.347-1/30 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 243.629 van 7 februari 2019 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoekers hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen en de verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 januari 2021. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Marleen Ryelandt, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Samuel Mens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de eerste verwerende partij en advocaat Stijn Clerx, die loco advocaten Jan Bergé en Kristien Vanderheiden verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. X-17.347-2/30 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Met een besluit van 28 juni 2012 stelt de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan (PRUP) voor de afbakening van het kleinstedelijk gebied Waregem vast. Op 16 oktober 2012 keurt de bevoegde Vlaamse minister het voormelde plan goed. Het omvat de vijf deelplannen Afbakeningslijn, Blauwpoort, Zuidelijk regionaal bedrijventerrein, Regenboogstadion en Europoint. Het deelplan Zuidelijk regionaal bedrijventerrein situeert zich ten zuiden van het stadscentrum van Waregem, aan de overzijde van de E17-autosnelweg. 3.2. Wat het deelplan „Blauwpoort‟ betreft, wordt het PRUP op vraag van onder meer eerste en derde verzoeker bij ‟s Raads arrest nr. 224.313 van 9 juli 2013 geschorst en bij ‟s Raads arrest nr. 230.151 van 10 februari 2015 vernietigd. 3.3. Omdat het PRUP werd voorafgegaan door een planmilieueffectrapport (hierna: plan-MER) dat is opgemaakt overeenkomstig het ongrondwettig bevonden “integratiespoor”, beslist de provincie West-Vlaanderen om de procedure tot opmaak van een plan-MER te hernemen overeenkomstig het “generieke spoor”. 3.4. De publieke consultatie over het plan-MER levert geen bezwaren op en de dienst Milieueffectrapportage (hierna: de dienst Mer) van de Vlaamse overheid keurt het plan-MER op 21 december 2015 goed. 3.5. Op 23 februari 2017 vindt een eerste plenaire vergadering over het nieuwe voorontwerp van het PRUP voor de afbakening van het kleinstedelijk X-17.347-3/30 gebied Waregem plaats. Naar aanleiding daarvan wordt beslist om het deelplan Europoint niet langer te handhaven. Op 16 oktober 2017 vindt een tweede plenaire vergadering over het voormelde voorontwerp plaats. 3.6. Op 25 januari 2018 stelt de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen het ontwerp van het PRUP voorlopig vast. 3.7. Gedurende het openbaar onderzoek over het ontwerpplan worden 113 bezwaarschriften ingediend, onder anderen door eerste en derde verzoeker. 3.8. De provinciale commissie voor ruimtelijke ordening (Procoro) van de provincie West-Vlaanderen verleent op 17 mei 2018 een advies over het dossier, waarbij de bezwaren van eerste en derde verzoeker worden verworpen. 3.9. Met een besluit van 21 juni 2018 stelt de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen het PRUP „afbakening kleinstedelijk gebied Waregem-herziening (Waregem, Anzegem, Wielsbeke)‟ definitief vast. Dit PRUP omvat de volgende vier deelplannen: „Afbakeningslijn‟, „Zuidelijk regionaal bedrijventerrein‟, „Blauwpoort‟ en „Regenboogstadion‟. 3.10. Wat het bestreden deelplan „Blauwpoort‟ (hierna: het deel- PRUP) betreft, wordt de gewestplanbestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied omgezet naar een zone voor gemengd regionaal bedrijventerrein voor het meest oostelijke deel (dichtst bij de op- en afrit van de autosnelweg) en naar een zone voor landbouw voor het meest westelijke deel. Tussen die twee delen in worden de woningen langs de Kleithoekstraat in een zone voor wonen ondergebracht, met een groenbuffer ten opzichte van de nieuwe bedrijvenzone. Het grafisch plan met benaderende aanduidingen luidt: X-17.347-4/30 zone voor landbouw groenbuffer zone voor wonen gemengde regionale bedrijvigheid In de toelichtingsnota bij het PRUP wordt nog de volgende grafische afbeelding met betrekking tot de begrenzing van het bedrijventerrein aangegeven: X-17.347-5/30 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.1. Verzoekers roepen in een eerste middel de schending in van de artikelen 4.1.4, § 1, 4.1.7, 4.2.5, § 1, 4.2.7, §§ 1 en 2, en 4.2.8, §§ 1 en 2, van het decreet van 5 april 1995 „houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid‟ (hierna: DABM), van artikel 7 “van het planMER besluit”, van de artikelen 3 tot en met 15 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2007 „betreffende de milieueffectrapportage over de plannen en programma‟s‟, van de artikelen 3 tot en met 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 18 april 2008 „betreffende het integratiespoor voor milieueffectrapportage over een ruimtelijk uitvoeringsplan‟, van “de formele en materiële motiveringsplicht” en van het rechtszekerheidsbeginsel. X-17.347-6/30 Zij menen dat “opnieuw dezelfde fout gemaakt wordt als bij het vorige vernietigde deelgebied Blauwpoort van het PRUP” en verwijzen in dit verband naar ‟s Raads arrest nr. 230.151 van 10 februari 2015. Er zou geen ernstig onderzoek zijn gebeurd van het nulalternatief en ten onrechte zou er van uitgegaan zijn “dat een verantwoording van de behoefte aan bedrijventerreinen de inhoud van een planmilieueffectrapport (plan-MER) te buiten gaat”. Een plan- MER moet “een onderzoek [...] omvatten van de ontwikkeling die zal plaatsvinden als het plan niet wordt uitgevoerd evenals een verantwoording van de (niet-)selectie van die optie als redelijk alternatief”. Dat inzake de behoefte aan hectaren bedrijventerrein naar een afbakeningsstudie wordt verwezen, verhelpt het probleem niet. De gemaakte extrapolaties geven volgens verzoekers geen blijk van “gedegen wetenschappelijk geografisch onderzoek”, en het “gegoochel[...] met bruto en netto cijfers” en het “nattevingerwerk” in het dossier vormen geen onderbouwde berekening van de mogelijke behoefte. Voorts is er sprake van een studie van de provincie voor de planperiode 2017-2027 die met het aanbod uit de monitor bedrijventerreinen wordt geconfronteerd, maar deze documenten maakten geen deel uit van het plan-MER en verzoekers stellen er geen kennis van te hebben. “Helemaal cryptisch” wordt het volgens verzoekers waar in het plan-MER wordt erkend dat de berekening van de behoefte aan bedrijventerrein “geen exacte wetenschap” is maar een “inschatting” blijft. In dat opzicht is er sprake van “onzekere premisses”. Ook inzake de geopperde fasering en “fragmentaire invulling” van het kwestieuze berijventerrein wordt geen duidelijkheid geschapen. Evenmin blijkt op grond van welke aannemelijke criteria “de zoekzones” werden beoordeeld. Het plan-MER voldoet niet aan “de gegeven richtlijnen” en de bepalingen en vereisten van het DABM. Het goedkeuringsbesluit van het plan-MER moet overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing gelaten worden. Verzoekers menen dat selectief toepassing werd gemaakt van een reeks “criteria en argumenten”. Ook werden “een aantal milieu-effecten zo goed als niet onderzocht”, zoals de verwachte geluidshinder die enkel werd beoordeeld “in functie van het naleven van de (versoepelde) normen” en die niet cumulatief werd bekeken. Tot slot zijn volgens verzoekers een aantal negatieve milieueffecten op onvoldoende wijze “vertaald in de flankerende maatregelen en de stedenbouwkundige voorschriften”, meer X-17.347-7/30 bepaald wat het aspect mobiliteit betreft. Het herinrichten van het op- en afrittencomplex hangt af van het agentschap Wegen en Verkeer (AWV) en is “derhalve totaal rechtsonzeker”. Ook “andere voorgestelde milderende maatregelen op het vlak van verkeer worden niet doorvertaald in de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP”. De vooropgestelde “milieuzonering” en buffering ten opzichte van de woningen langs de Kleithoekstraat worden onvoldoende concreet in de voorschriften omschreven. 4.2. In hun memorie van wederantwoord stellen verzoekers dat de conclusies die de eerste verwerende partij uit de toelichtingsnota bij het PRUP en het plan-MER trekt, “verkeerd” zijn en dat de cijfers niet kloppen. De site Blauwpoort is volgens hen de enige “waar geen economische bestemming voorhanden is en landschappelijk waardevol agrarisch gebied is”. De andere drie zoekzones sluiten bij het bestaande bedrijventerrein aan. Voor de site „Blauwpoort‟ kan de impact op de open ruimte niet worden gemilderd en is de ontsluiting niet voorhanden. 4.3. In hun laatste memorie doen verzoekers nog gelden dat de dienst Mer zelf heeft toegegeven dat een onderzoek van het nultarief “duidelijk impliceert dat de behoefte aan bijkomend bedrijventerrein dient te worden onderzocht en dient te worden verantwoord”, dat de vraag rijst hoe zij in staat kunnen zijn om zich een duidelijk beeld van de behoeftenberekening te vormen en dat van hen niet kan verwacht worden dat zij op “wetenschappelijke wijze” de cijfers in het rapport van de provincie weerleggen. Verzoekers betogen verder dat het rapport van de provincie een beleidsdocument is “dat tot andere conclusies komt dan de effectieve studie REBEL”. Zij stellen verder dat zij niet de verplichting hebben om reeds in de kennisgevingsfase van het plan-MER kritiek te uiten op de vergelijkingswijze van de locatiealternatieven, “dan wel om zelf andere redelijke alternatieven naar voor te schuiven”. Wat de geluidshinder betreft, betogen verzoekers dat het plan-MER diende gebruik te maken van het nieuw richtlijnenboek van de administratie LNE van februari 2011. X-17.347-8/30 Beoordeling 5.1. Verzoekers bekritiseren het onderzoek naar de behoefte aan het aantal hectaren bedrijventerreinen in het kader van de opmaak van het deel- PRUP. Hun verwijzing naar ‟s Raads arrest nr. 230.151 van 10 februari 2015 in dit verband is niet pertinent. Met de eerste verwerende partij moet immers worden vastgesteld dat de plannende overheid inmiddels een studie liet opmaken om de vraag naar bedrijventerreinen te berekenen voor de planperiode 2017- 2027, zoals voorzien in het provinciaal ruimtelijk structuurplan van de provincie West-Vlaanderen. In het plan-MER wordt met betrekking tot de behoefte aan bijkomende bedrijventerreinen het volgende gesteld: “2.2.2 Ruimte voor bedrijvigheid 2.2.2.1 Bepaling van de taakstelling voor bijkomende bedrijventerreinen De basis voor het bestemmen van bedrijventerreinen wordt gevonden in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Enerzijds worden hierin economische knooppunten geselecteerd waar een aanbod- beleid voor bedrijvigheid gevoerd moet worden. Anderzijds wordt ook een taakstelling per provincie vastgelegd. Het is in het Provinciale Structuurplan dat beleidsmatig vastgelegd wordt hoe deze taakstelling verdeeld moet worden over de verschillende soorten economische knooppunten en de hoofddorpen. In de verschillende provinciate afbakeningsprocessen wordt de behoefte aan bijkomende bedrijventerreinen berekend: • Afbakening Diksmuide: 9 ha • Afbakening Tielt: 42 ha • Afbakening Veume: geen impact op ruimtebalans • Afbakening Waregem: 40 tot 60 ha • Afbakening Menen: 52,8 ha (Wervik: 2 tot 16

  1. ha)• Afbakening Torhout: 25 ha De oppervlaktes uit de afbakeningsprocessen werden op basis van concrete planinitiatieven bijgesteld. In het Provinciate Structuurplan West- Vlaanderen werd daarom een lijst opgenomen waarbij, binnen de taakstelling RSV, reeds oppervlaktes gevrijwaard worden voor deze knooppunten waar bedrijventerreinen voorzien worden. Afbakeningsprocessen: • Afbakening Diksmuide: 15,4 ha • Afbakening Tielt: 42 ha • Afbakening Veume: geen impact op ruimtebalans • Afbakening Waregem: 55 ha • Afbakening Menen: 58,5 ha X-17.347-9/30 • Afbakening Torhout: 20 ha Specifieke economische knooppunten: • Wingene „De Hille‟: 23,5ha • Wielsbeke „Breestraat‟: 10ha • Kortemark „Staatsbaan‟: 30ha Dit betreft netto taakstellingen, na aftrek van de restpercelen en inbreidingsmogelijkheden binnen de bestaande bedrijventerreinen. De oppervlaktes uit het PRS zijn de oppervlaktes die binnen de plan-MER- procedure onderzocht worden op hun milieueffecten. Het is bij de opmaak van het Provinciaal Ruimtelijk Uitvoeringsplan (PRUP) dat de exacte oppervlakte aan bijkomende bedrijventerreinen vastgelegd wordt. In het kader van een mogelijke fasering binnen een PRUP zal beroep gedaan worden op geactualiseerde behoeftecijfers. De Provincie laat een studie opmaken om de vraag naar bedrijventerreinen te berekenen voor de planperiode 2017- 2027, zoals bepaald in het Provinciaal Structuurplan West-Vlaanderen. Een inschatting van de behoefte aan bijkomende bedrijventerreinen wordt bekomen door deze vraag te confronteren met het aanbod uit de monitor bedrijventerreinen (POM/ Provincie). Het berekenen van de vraag naar bedrijventerreinen is echter geen exacte wetenschap, maar blijft een inschatting. Daarom moeten deze cijfers genuanceerd toegepast worden. De vraag naar bedrijventerreinen is namelijk onderhevig aan diverse factoren zoals de conjunctuur. Het bestemmen van nieuwe zones voor bedrijventerreinen neemt ook steeds meer tijd in beslag, mede omwille van de schaarse geschikte ruimte. Het is daarom van belang ook op langere termijn voldoende ruimte te vrijwaren op de meest geschikte locaties. Enkel dan kan er binnen een aanvaardbare periode bijkomende ruimte voorzien worden wanneer het beschikbare aanbod ingevuld raakt. Indien de geactualiseerde behoefte groter is dan onderzocht in de plan- MER, zal dit echter wel de consequentie inhouden dat de oppervlakte in het PRUP niet groter kan zijn dan deze onderzocht in de plan-MER. Hierbij kan aangestipt worden dat de cumulatieve oppervlakte van de zoekzones die onderzocht worden in dit plan-MER (zie verder) groter is dan de taakstelling van 55 ha. Wanneer de geactualiseerde behoefte kleiner is, kan hierop geanticipeerd worden bij de opmaak van het PRUP door een fasering op te nemen, op basis van de berekende behoefte. Het is belangrijk te voorkomen dat er enerzijds een te groot aanbod ontstaat en anderzijds nodeloos grote gebieden fragmentair ingevuld raken. Op deze wijze wordt enerzijds rekening gehouden met de economische realiteit op korte en middellange termijn en anderzijds met een duurzaam aanbodbeleid op lange termijn”. De resultaten van de studie voor de periode 2017-2027 waren op de datum van de tweede plenaire vergadering over het voorontwerp van het PRUP beschikbaar, lagen tijdens het openbaar onderzoek ter inzage en werden als bijlage bij de toelichtingsnota bij het PRUP gevoegd. Verzoekers tonen de onwettigheid van de gevolgde werkwijze niet aan en overtuigen er niet van dat X-17.347-10/30 het onderzoek van de plannende overheid naar de behoefte aan bijkomend bedrijventerrein in de regio niet afdoende zou zijn. Dat de bijgebrachte berekeningen “geen exacte wetenschap” maar eerder een “inschatting” zijn, toont nog niet aan dat de plannende overheid onzorgvuldig te werk is gegaan. Waar verzoekers eerst in hun memorie van wederantwoord en hun laatste memorie een nieuwe kritiek op de kwestieuze studie en het door de plannende overheid gehanteerde cijfermateriaal uiten, is dit laattijdig en is het middel onontvankelijk. De desbetreffende exceptie van de eerste verwerende partij is gegrond. 5.2. In het plan-MER wordt inzake het alternatievenonderzoek onder meer het volgende gesteld: “Er kunnen op verschillende niveau[s] alternatieven beschouwd worden. Hierbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen beleidsalternatieven, locatiealternatieven en uitvoeringsalternatieven. Alle redelijke alternatieven zullen beschreven en beoordeeld worden in het MER.” En ook nog: “In de afbakeningsstudie van het KSG Waregem werden 15 zoekzones onderzocht […], die allen aansluiten op bestaande bedrijventerreinen, m.u.v. de 3 zoekzones 8, 9 en 10 langs de N382. De zones 0, 1, 2, 4, 7 en 12 werden niet weerhouden omdat ze gelegen zijn in een rivier- of beekvallei die deel uitmaakt van de natuurlijke structuur op Vlaams (Leievallei) of provinciaal niveau (vallei Gaverbeek) of van een open ruimtecorridor. Zones 1 en 2 overlappen bovendien met het gepland stadsrandbos (zie §2.1.4).[…] De resterende 9 zoekzones worden ten opzichte van elkaar afgewogen op basis van volgende criteria: • Ontsluitingsmogelijkheden (met strengere criteria voor regionale dan voor lokale bedrijvigheid); • Haalbaarheid (kosten voor verwerving, verhouding bruto/netto- oppervlakte, aanwezigheid van nutsleidingen); • Inpassing in de omgeving (versterking economische structuur, aantasting open ruimte, landbouw of woonomgeving); • Milieueffecten (=voorwerp van onderhavig plan-MER). Voor de regionale bedrijventerreinen werd als bijkomende voorwaarde gesteld dat de zone op zichzelf of in aansluiting met een bestaand terrein minstens 20 ha aaneengesloten oppervlakte moet hebben. Op basis van dit X-17.347-11/30 criterium komen vier zoekzones in aanmerking voor regionale bedrijvigheid: • Zone 5: uitbreiding d‟Hooie • Zone 11: Blauwpoort • Zone 13: uitbreiding Vijverdam • Zone 14: uitbreiding Brabantstraat Deze vier zones (zie ook figuur 2-4) worden (volwaardig) onderzocht in dit plan-MER. Elk van deze zones is op zich te klein om aan de totale behoefte te voldoen. Daarom wordt een combinatie van twee of meerdere terreinen onderzocht. Anderzijds bedraagt de gecumuleerde oppervlakte van de vier zoekzones ca. 85 ha, ruimschoots groter dan de taakstelling van 55 ha, waardoor de zoekzones niet allemaal in hun geheel moeten aangesneden worden om aan de taakstelling te voldoen. In het plan-MER wordt als „worst case‟ uitgegaan van een volledige invulling van alle vier deze terreinen. De zoekzones 3, 6, 8, 9 en 10 komen niet in aanmerking als regionaal bedrijventerrein, omdat ze te klein zijn, maar wel als lokaal bedrijventerrein” De vier aangenomen zoekzones voor regionale bedrijvigheid worden in het plan-MER elk afzonderlijk besproken. 5.3. Verzoekers tonen de onwettigheid van de voormelde overwegingen, waaronder de voorwaarde dat de zone op zichzelf of in aansluiting met een bestaand terrein minstens 20 ha aaneengesloten oppervlakte moet hebben, niet aan. Zij overtuigen er niet van dat dit criterium de grenzen van de redelijkheid zou te buiten gaan of anderszins onwettig zou zijn. 5.4 Verzoekers tonen met hun betoog dat geen onderzoek van het nulalternatief zou zijn gebeurd de onwettigheid van het bestreden deel-PRUP niet aan. Het plan-MER beschrijft voor alle disciplines („Mens - mobiliteit‟, „Geluid en trillingen‟, „Lucht‟, „Bodem‟, „Grondwater‟, „Oppervlaktewater‟, „Fauna en Flora‟, „Landschap, Bouwkundig Erfgoed en Archeologie‟ en „Mens - Ruimtelijke en Sociale Aspecten‟) uitvoerig de bestaande toestand. Op bladzijde 49 van het plan-MER wordt voorts uitgelegd dat als nulalternatief de “referentietoestand” wordt genomen, zonder de effecten van het voorgenomen planinitiatief. Gezien het planopzet erin bestaat te voldoen aan een onderbouwde behoefte aan bijkomende ruimte voor bedrijven in de regio Waregem, diende het nulalternatief niet als reëel en redelijk alternatief in het plan-MER onderzocht, maar werd het terecht gehanteerd als referentietoestand en toetsingskader bij het X-17.347-12/30 onderzoek van de effecten van de onderzochte locatiealternatieven, zoals ook in de plan-MER-richtlijnen werd vooropgesteld. Minstens tonen verzoekers het tegendeel niet aan. 5.5. Verzoekers‟ kritiek met betrekking tot de fasering en “fragmentaire invulling” van het bedrijventerrein, waaromtrent onvoldoende duidelijkheid zou worden geschapen, kan evenmin bijval vinden. Zoals de eerste verwerende partij op goede grond aanvoert, werd de gefaseerde aansnijding van het bedrijventerrein voorafgaand aan de geactualiseerde behoefteberekening slechts als een mogelijkheid in het plan-MER gezien: “In het kader van een mogelijke fasering binnen een PRUP zal beroep gedaan worden op geactualiseerde behoeftecijfers”. Gelet op de uitkomst van die behoefteberekening bleek een fasering finaal niet nodig. Verzoekers tonen de onwettigheid van deze werkwijze niet aan. 5.6. Verder wordt volgens verzoekers in het plan-MER “een aantal milieu-effecten zo goed als niet onderzocht”, zoals de verwachte geluidshinder die enkel “in functie van het naleven van de (versoepelde) normen” en niet cumulatief zou zijn beoordeeld. Dienaangaande voeren de verwerende partijen in hun memorie van antwoord op goede grond aan dat uit het rapport het tegendeel blijkt. In het plan-MER wordt de gevolgde methodiek voor de beoordeling van de factor geluid gemotiveerd. De geluidsimpact van het geviseerde deelgebied „Blauwpoort‟ wordt uitvoerig onderzocht (plan-MER, p. 102 tot en met 108). Verzoekers overtuigen er niet van dat met cumulatieve effecten geen rekening zou zijn gehouden. De vaststelling in de plan-MER dat het “geen zin [heeft] om een bedrijventerrein strenge normen en dus beperkingen op te leggen t.a.v. een wooncluster indien het actueel geluidsniveau aldaar veel hoger is - b.v. o.i.v. het verkeer op de E17 - en de bijdrage van het nieuw bedrijventerrein aan het omgevingsgeluid daardoor (quasi) verwaarloosbaar zou zijn”, volstaat daarvoor niet. 5.7. Waar verzoekers eerst in hun laatste memorie aanvoeren dat het plan-MER diende gebruik te maken van het nieuw richtlijnenboek van de X-17.347-13/30 administratie LNE van februari 2011, is dit laattijdig en is het middel onontvankelijk. 5.8. Wat verzoekers‟ kritiek op het niet doorvertalen van een aantal maatregelen uit het plan-MER betreft, moet worden opgemerkt dat zij het overzicht op de bladzijden 61, 65 en 67 van de toelichtende nota bij het PRUP inzake de uit het plan-MER vertaalde maatregelen niet bij hun kritiek betrekken. Hoe de ontsluiting van het bedrijventerrein zal worden geregeld en georganiseerd, wordt op de bladzijden 20-24 van die nota uitgebreid beschreven. Daar wordt bijvoorbeeld ook uitgelegd dat de tussenkomst van AWV, gezien de ingrepen die op en aan de gewestweg N382 moeten gebeuren, via een stappenplan en met een vooropgestelde timing zal geschieden. Verzoekers betrekken de voormelde gegevens evenmin bij hun uiteenzetting. Ook wat de geviseerde buffering van de bedrijvenzone betreft, merkt de eerste verwerende partij terecht op dat verzoekers de gegevens in de toelichtende nota bij het PRUP onbesproken laten, en dat de groenbuffers op het grafisch plan van het deel-PRUP verordenend zijn vastgelegd, zodat de breedte van deze buffers bekend is en verplicht wordt opgelegd. In de toelichtingsnota wordt deze breedte bovendien nog grafisch toegelicht (zie randnummer 3.10). In het licht van het voorgaande overtuigt verzoekers‟ kritiek niet. 5.9. Het middel wordt verworpen B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 6.1. Verzoekers roepen in een tweede middel de schending in van de artikelen 1.2.1, § 2, 3°, 1.2.1, § 2, en 1.2.1, § 3, DABM, de artikelen 6, 8, 13, 14, X-17.347-14/30 16, §§ 1 en 4, en 25 van het decreet van 21 oktober 1997 „betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu‟ (hierna: het decreet natuurbehoud), en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “waaronder” het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel, de motiveringsplicht, het standstill- beginsel, het voorzorgsbeginsel en “het beginsel van preventief handelen”. Verzoekers klagen het verlies aan ecologische waarden aan. Zij menen dat er een “achteruitgang van de milieukwaliteit” is inzake “de luchtkwaliteit in de onmiddellijke omgeving, waaronder fijn stof”, dat er “lichtverstoring en geluidshinder” is, alsook een “aantasting van de open ruimte en de groene corridor in een verstedelijkte omgeving”. De voorziene groenbuffers noemen verzoekers een “onvoldoende compensatie”. Binnen de perimeter van het deel-PRUP worden “geen natuurzones bijgecreëerd”. 6.2. In hun laatste memorie doen verzoekers nog gelden dat in het plan-MER niet of nauwelijks wordt onderzocht wat de effecten zijn op het landschap “en in die zin op de mens en omwonenden” en dat de aantasting van de open ruimte niet kan gemilderd worden door groenbuffers, “al dan niet met een ecologische „inkleding‟”. Beoordeling 7.1. In het plan-MER wordt onder de hoofding „Invloed op landschappelijke structuren en perceptieve kenmerken‟ met betrekking tot het kwestieuze gebied „Blauwpoort‟ het volgende gesteld: “Gebied Blauwpoort heeft een vrij hoge intrinsieke landschappelijke waarde, maar anderzijds gaat het om een relatief klein gebied (ca. 700x600
  2. m)dat langs drie zijden ingesloten wordt door weginfrastructuur en industriële en residentiële bebouwing. Zelfs aan de westzijde wordt het zichtveld in belangrijke mate beknot door de discontinue bebouwing langs de Kleithoekstraat en is er een beperkte visuele connectie met het westelijk open ruimtegebied rond de Gaverbeek (dat ca. 3x zo groot is). Voorts is het historisch aandoend open landschap in feite van vrij recente datum, aangezien het gebied tot ver in de 19de eeuw grotendeels bebost was (uitloper Spitaalbossen, zie Vander Maelenkaart). Op grond van deze elementen wordt het effect als matig negatief beoordeeld.” X-17.347-15/30 En nog: “Enigszins ter compensatie van het verlies van gebied Blauwpoort, is het aangewezen om te streven naar een verhoging van de beeld- en belevingswaarde in het gebied ten westen ervan, tussen de E17, de Kleithoekstraat/Industrielaan en de Vichtsesteenweg, dat doorsneden wordt door de Gaverbeek. Daarbij moet gestreefd worden naar een verhoging van de landschappelijke corridorfunctie van de Gaverbeek.” De in het deel-PRUP voorziene bedrijfsbestemming betreft derhalve een zone die is ingesloten tussen bebouwing en infrastructuren. In westelijke richting voorziet het deel-PRUP voorbij de Kleithoekstraat in een herbevestiging van de bestemming agrarisch gebied. 7.2. Wat het verlies aan open ruimte betreft, wordt in de toelichtingsnota bij het PRUP nog uiteengezet dat een en ander binnen de principes van het RSV kadert: “34.4. Relatie met het RSV Op Vlaams niveau werd tussen Kortrijk en Waregem een open ruimte verbinding voorzien. De inrichting van het plangebied als bedrijventerrein wordt hiertegen afgewogen. Hieruit blijkt dat er geen strijdigheid is met de open ruimte verbinding op Vlaams niveau. Dit wordt als volgt gemotiveerd: - Het open landbouwgebied Blauwpoort wordt aan drie zijden ingesloten door bebouwing en infrastructuren: in het noorden door de wijk ter Biest, in het oosten door de N382 en de daarachter gelegen woonwijken en KMO- zone, en in het zuiden door de E17 en het erachter gelegen industriegebied Vijverdam. Zelfs aan de westzijde wordt de visuele link met het aanpalend open ruimtegebied rond de Gaverbeek in belangrijke mate verstoord door de lintbebouwing langs de Kleithoekstraat. Het gebied dat als bedrijventerrein ontwikkeld wordt is precies in deze ingesloten zone gelegen. Hierdoor kan gesteld worden dat de impact op de open ruimte verbinding beperkt is. - De aansnijding van dit gebied getuigt van compacte ontwikkeling omwille van een goede aansluiting op de bestaande bebouwing en infrastructuren (E17, N382). [...] - Het gebied wordt ruimtelijk begrensd door de Gaverbeek en de Maalbeek met de bijhorende overstromingszone als grensstellende elementen. Een verdere inname van de open ruimte tussen Kortrijk en Waregem is hierdoor niet mogelijk. - Het gebied tussen het bedrijventerrein en de Gaverbeek en het gebied ten westen van de Kleithoekstraat worden als agrarisch gebied herbevestigd. X-17.347-16/30 - Bij het invullen van de taakstelling bedrijvigheid moet steeds open ruimte aangesneden worden. Er zijn geen alternatieven waarbij ingesloten open ruimte gebieden aangesneden kunnen worden. Het aansnijden van Blauwpoort is de minste aantasting van de open ruimte. - Een alternatief zou het aansnijden van de open ruimte ten zuiden van de Brabantstraat kunnen zijn. Deze optie werd echter niet weerhouden omdat dit hier de deuren naar verdere toekomstige uitbreiding open zet omwille van het ontbreken van duidelijk grensstellende elementen vanuit de open ruimte in dit gebied. Het aansnijden van de ruimte [t]en zuiden van de Brabantstraat heeft bijgevolg een meer negatieve impact op de open ruimte verbinding tussen Kortrijk en Waregem. De opties op Vlaams niveau worden hierdoor geschonden. Conclusie: De inrichting van het plangebied Blauwpoort is niet in strijd met de open ruimte verbinding op Vlaams niveau.” 7.3. Zoals de eerste verwerende partij opmerkt, blijkt voorts uit het plan-MER en uit de toelichtende nota bij het deel-PRUP dat het verlies van natuur- en ecologische waarden door de bestemmingswijziging slechts als een “licht negatief” effect wordt beoordeeld. Verzoekers geven in hun verzoekschrift zelf aan dat in het plan-MER wordt gesteld dat “de biologische waarden in het projectgebied niet als zeer belangrijk beschouwd kunnen worden” en dat “het verlies aan waardevolle elementen beperkt is”. Waar in het plan-MER niettegenstaande het voormelde wordt overwogen dat “een uitgewerkte compensatie wenselijk is voor het project”, moet worden vastgesteld dat in de stedenbouwkundige voorschriften van het deel-PRUP voor de verschillende groenbuffers verschillende vereisten van ecologische en landschappelijke aard zijn opgenomen. Verzoekers tonen niet aan dat een en ander “weinig redelijk en zorgvuldig” zou zijn. Met hun loutere bewering dat “[h]et voorzien van groenzones, dan wel bufferzones [niet] kan beschouwd worden als een aanvaardbare compensatie”, tonen zij geen schending van de aangevoerde rechtsregels aan. 7.4. Het middel wordt verworpen. X-17.347-17/30 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 8.1. Verzoekers roepen in een derde middel de schending in van artikel 2.2.2, §1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) en van het rechtszekerheidsbeginsel. Zij betogen dat de stedenbouwkundige voorschriften van een PRUP voldoende rechtszeker moeten zijn. De ontwikkeling van het bestreden deel-PRUP hangt van een aantal voorwaarden af, waaronder “een aanpassing van de verkeersinfrastructuur” om het gebied te kunnen ontsluiten. In de stedenbouwkundige voorschriften wordt daaromtrent bepaald dat voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein pas vergunningen kunnen worden verleend “zodra gestart wordt met de werken van de herinrichting van het op- en afrittencomplex”. Dit laatste is echter grotendeels de bevoegdheid van AWV waarop de provincie geen enkele vat heeft. Zodoende blijft er onzekerheid bestaan “nopens de hoeveelheid oppervlakte [die] zal worden ontwikkeld in de zoekzone Blauwpoort als regionale bedrijvenzone”. Ook bevatten de voorschriften van het deel-PRUP volgens verzoekers “geen enkele bindende bepaling ivm de breedte van de aan te leggen groenbuffers”. Zeker omdat het bedrijventerrein een oppervlakte van minimaal 35 hectare moet beslaan, zal aan de breedte van de buffer afbreuk worden gedaan. Tenslotte is “de milieuzonering” van het bedrijventerrein volledig “overgelaten aan de terreinbeheerder”, wat ook voor onduidelijkheid zorgt. 8.2. In hun memorie van wederantwoord stellen verzoekers dat de koppeling van de realisatie van het bedrijventerrein aan het opstarten van de wegeninfrastructuurwerken de planmaatregelen afhankelijk maakt van “een onzekere gebeurtenis in de tijd”. Zij wijzen erop dat “blijkbaar” ook een verbindingsweg tussen het bedrijventerrein en de Industrielaan is voorzien, teneinde aldus een lus te maken met het zuidelijk regionaal bedrijventerrein, en zij betogen dat het “niet duidelijk [is] tot wiens bevoegdheid [dit] behoort”. X-17.347-18/30 Voorts menen zij dat er wel degelijk onzekerheid bestaat omtrent de precieze breedte van de buffers. 8.3. In hun laatste memorie doen verzoekers nog gelden dat wat de ontsluiting en het op- en afrittencomplex betreft, er geen duidelijke datum is “tegen wanneer dit dient uitgevoerd te zijn door AWV/MOW [departement Mobiliteit en Openbare Werken]. Er is ook geen duidelijke datum en timing voor de fietsinfrastructuur”. Tevens betogen zij dat het grafisch plan geen breedtes inzake de groenbuffer opgeeft. Beoordeling 9.1. Anders dan verzoekers dit zien, houdt het stedenbouwkundig voorschrift van (onder meer) artikel 1.21 van het deel-RUP, dat erin voorziet dat “pas omgevingsvergunningen [kunnen] afgeleverd worden voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein (dus ook voor de aanleg van wegenis of grondwerken) zodra gestart [wordt] met de werken van de herinrichting van het op- en afrittencomplex”, geen schending van het rechtszekerheidsbeginsel in. Stedenbouwkundige voorschriften van een RUP kunnen gelet op artikel 2.2.6 “van die aard zijn dat ze een tijdelijk ruimtegebruik toelaten, na verloop van tijd in werking treden, dat de inhoud op een bepaald tijdstip verandert of dat een onderdeel van een voorschrift in werking treedt als de opgenomen voorwaarde vervuld is”. Anders dan verzoekers dit blijkbaar zien, is het tijdstip van de inwerkingtreding te dezen wel degelijk duidelijk bepaalbaar. Op bladzijde 23 van de toelichtende nota bij het deel-PRUP wordt voorts verduidelijkt dat de betreffende investeringen en ingrepen middels een stappenplan en met een vooropgestelde timing zullen gebeuren. Dat voor de realisatie van de infrastructuurwerken de tussenkomst van AWV vereist is, nu de geviseerde werken op de gewestweg N382 betrekking hebben, is niet van aard om het bestreden deel-PRUP te vitiëren. 9.2. Waar verzoekers nog rechtsonzekerheid met betrekking tot de breedte van de in het deel-PRUP voorziene groenbuffers aanvoeren, zij herhaald X-17.347-19/30 dat de locatie van die groenbuffers op het grafisch plan van het deel-PRUP verordenend is vastgelegd, en dat uit dit plan en de toelichtingsnota afdoende de breedte van de buffers blijkt. Op dat vlak is er van enige onzekerheid of onduidelijkheid geen sprake. 9.3. Wat het door verzoekers aangeklaagde gebrek aan een nadere “milieuzonering” binnen het bedrijventerrein betreft, maken zij niet duidelijk waarom zulks tot de verplichte inhoud van het bestreden deel-PRUP zou moeten behoren. De eerste verwerende partij voert in haar memorie van antwoord op goede grond aan dat nog niet geweten is welke ondernemingen en bedrijven zich op het bedrijventerrein zullen vestigen, zodat het moeilijk is om een milieuzonering reeds in het deel-PRUP vast te leggen. In de toelichtende nota bij het deel-PRUP wordt in dit verband gesteld dat milieuzonering “niet direct vertaalbaar [is] in stedenbouwkundige voorschriften” en dat het “[b]ovendien [...] zeer belangrijk [is] dat het systeem voldoende flexibel is, wat moeilijk verenigbaar is met „harde‟ planbestemmingen en voorschriften”. Opgemerkt kan bovendien worden dat artikel 1.18 van de stedenbouwkundige voorschriften een inrichtingsstudie vereist: “Bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning, attest voor de realisatie van wegenis of buffers dient een inrichtingsstudie voor de volledige zone te worden gevoegd.[...]” 9.4. Het middel wordt verworpen. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 10. Verzoekers roepen in een vierde middel de schending in van de Richtlijn 96/62/EG van de Raad van 27 september 1996 „inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit‟, de Richtlijn 1999/30/EG van de Raad van 22 april 1999 „betreffende de grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofdioxiden, zwevende deeltjes en lood in de lucht‟, afdeling 2.5.4 van X-17.347-20/30 Vlarem II en de bijlagen 2.5.5.2 en 2.5.5.3 van Vlarem II, en van het standstill- beginsel vervat in artikel 1.2.1, § 2, DABM. Zij betogen dat uit het plan-MER blijkt dat de ontwikkeling van het bedrijventerrein „Blauwpoort‟ “een sterk verkeersgenererend effect zal hebben”, wat de luchtkwaliteit zal aantasten. Het “actueel beschermingsniveau in de omgeving” zal op dat vlak aanzienlijk verminderen, zeker nu er “geen betrouwbare inschatting” kan worden gemaakt van de impact, daar niet geweten is welke bedrijven zich waar precies zullen vestigen. Opnieuw hebben verzoekers het in dit kader over een gebrek aan “milieuzonering”. Ook menen zij dat bij de opmaak van het deel-PRUP geen rekening is gehouden met de sedert 2010 strenger geworden normen voor fijn stof en zwevende deeltjes. Beoordeling 11.1. In de toelichtingsnota bij het PRUP worden de conclusies inzake de discipline „Lucht‟ als volgt weergegeven: “Discipline lucht Het verkeer dat gegenereerd wordt door de geplande ontwikkelingen i.k.v. het KSG Waregem heeft relevante luchteffecten t.h.v. bewoning op de N43 ten oosten van de N382. Dit is in hoofdzaak het gevolg van de bijkomende verkeersemissies van het regionaal bedrijventerrein D‟Hooie. Het niet realiseren van deze zoekzone zou de negatieve effecten quasi volledig wegnemen. Daardoor zou ook de bijdrage t.h.v. de N382 tot onder de grenswaarde van 3% van de immissienorm voor NO2 zakken. Er kan gesteld worden dat de bijkomende oppervlakte regionaal bedrijventerrein zoveel mogelijk langs de E17, met ontsluiting vlakbij het oprittencomplex en in een zone van de N382 met weinig of geen bewoning, moet ingeplant worden. Uiteraard is een maximaal gebruik van de fiets en het openbaar vervoer steeds aan te bevelen om de verkeersemissies te beperken. Met betrekking tot geur- en stofhinder vanwege de bijkomende bedrijvigheid moet een preventief beleid gevoerd worden, met toepassing van de afstandsregels t.o.v. woonkernen van de VNG. Eventuele emissiepunten (schouwen) binnen het bedrijfsperceel worden best zo ver mogelijk van bewoning geplaatst. Om de nodige flexibiliteit te garanderen, wordt zonering i.f.v. geur- en stofhinder, zoals geluidszonering, het best op het niveau van het terreinbeheer geregeld. In de toelichtingsnota van het RUP kan wel het principe van de zonering i.f.v. het beperken van geur- en stofhinder opgenomen worden.” X-17.347-21/30 Verzoekers stellen weliswaar te vrezen dat de tenuitvoerlegging van het deel-PRUP een invloed zal hebben op de luchtkwaliteit in de omgeving, maar slagen er niet in om de voormelde conclusies en de uitgebreide bevindingen inzake het aspect „lucht‟ onder de punten 5.3 en 7.3.3 van het plan-MER te weerleggen. Zij tonen niet afdoende aan dat bij de beoordeling van de luchtkwaliteit niet met de recentste grenswaarden is gewerkt. 11.2. De aangevoerde schendingen zijn voorts te vaag en te algemeen om tot de onwettigheid van het bestreden deel-PRUP te kunnen leiden. Het staat niet aan de Raad van State om in de plaats van verzoekers op zoek te gaan naar gebeurlijke schendingen van de aangevoerde rechtsregels, waaromtrent de eerste verwerende partij tegenwerpt dat ze voor het merendeel zijn opgeheven, zonder dat verzoekers het tegenspreken. 11.3. Het middel wordt verworpen. E. Zesde middel Uiteenzetting van het middel 12.1. Verzoekers roepen in een zesde middel de schending in van artikel 8, 1, artikel 5, 4°, en artikel 6 van het decreet van 18 juli 2003 „betreffende het integraal waterbeleid‟ (hierna: het DIWB), van het standstill-beginsel, van de artikelen 8 en 16 van het decreet natuurbehoud, van artikel 2.2.2, § 1, VCRO en van “de bepalingen van het uitvoeringsbesluit van de Vlaamse Regering dd. 14 oktober 2011, van toepassing en in werking sinds 1 maart 2012”, alsook van het zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel. Zij betogen dat uit het plan-MER blijkt dat alle rivier- en beekvalleien in en rond het kleinstedelijk gebied Waregem “overstromingsgevoelig” zijn, zo ook de Gaverbeekvallei waarnaar het gebied „Blauwpoort‟ afwatert. De komst van de regionale bedrijvenzone zal veel bijkomende verharding meebrengen, wat volgens het plan-MER “flankerende X-17.347-22/30 maatregelen” noodzaakt “om wateroverlast te voorkomen”. Nochtans blijkt dat die maatregelen, “waaronder een bufferbekken”, pas zullen worden afgewogen “geval per geval” bij de beoordeling van specifieke aanvragen. Het plan-MER acht dergelijk bufferbekken nochtans noodzakelijk. Een en ander werd dus niet doorvertaald in de stedenbouwkundige voorschriften van het deel-PRUP, “althans niet op bindende wijze”. Essentiële zaken worden “doorgeschoven naar de vergunningsverlenende overheid”. Daar komt volgens verzoekers nog bij dat de watertoets in het plan-MER niet werd uitgevoerd overeenkomstig “het aangepast uitvoeringsbesluit” en met inachtname van “de meest recente watertoetskaarten”. 12.2. In hun memorie van wederantwoord verwijzen verzoekers nog naar ‟s Raads schorsingsarrest nr. 243.627 van 7 februari 2019, dat op het deelplan „zuidelijk regionaal bedrijventerrein‟ van hetzelfde PRUP betrekking heeft en dat volgens hen een gelijkaardig middel ernstig bevindt. 12.3. In hun laatste memorie doen verzoekers nog gelden dat de groenbuffers voor meerdere functies – akoestische/visuele buffer en waterbuffer – zullen kunnen worden gebruikt, wat volgens hen een tegenstelling inhoudt. Beoordeling 13.1. Vooreerst moet worden vastgesteld dat het bestreden deel- PRUP volgens het plan-MER niet overstromingsgevoelig is. Omdat dit deelgebied afwatert naar de Gaverbeek, waar luidens de watertoets in de toelichtende nota bij het PRUP wel “een mogelijke kans op overstroming” bestaat, beveelt het plan-MER maatregelen aan om het waterbergend vermogen van het gebied „Blauwpoort‟ te waarborgen wanneer dit tot regionaal bedrijventerrein wordt omgevormd. 13.2. In navolging van het voormelde legt artikel 0.4 van de stedenbouwkundige voorschriften voor het bestreden deel-PRUP uitdrukkelijk op dat “[h]et waterbergend vermogen van het plangebied [...] door de realisatie van nieuwe bebouwing en verharding niet [mag] verminderd worden”. Artikel 1.1.2 X-17.347-23/30 van de stedenbouwkundige voorschriften van het deel-PRUP laat in het gebied voor gemengde regionale bedrijvigheid “[a]lle voorzieningen, bovengrondse en ondergrondse constructies in functie van buffering en infiltratie van hemelwater” toe, en ook in de groenbuffers A en B zijn “gemeenschappelijke bufferbekkens” mogelijk “in functie van het opvangen en verzamelen van hemelwater op de bedrijventerreinen” (stedenbouwkundige voorschriften 3.1 en 4.1 van het deel- PRUP). Artikel 1.17 van de stedenbouwkundige voorschriften van dit deelplan voorziet dan weer dat de opvang van hemelwater zoveel mogelijk collectief moet aangelegd worden, en artikel 0.2 van de voorschriften laat “[i]ndividuele ingrepen in kader van waterhuishouding [...] in het ganse plangebied” toe voor zover daardoor grote collectieve voorzieningen niet onmogelijk worden gemaakt. Hetzelfde voorschrift voorziet uitdrukkelijk dat waterbuffering bij voorkeur binnen dezelfde bestemming gebeurt als de functie waarvoor wordt gebufferd, met uitzondering van waterbuffering binnen de groenbuffers die ook mag worden voorzien voor andere (aanpalende) functies. 13.3. Uit wat voorafgaat blijkt dat de planvoorschriften van het bestreden deel-PRUP de nodige aandacht besteden aan het beheren en beheersen van de waterhuishouding in het gebied. 13.4. Dat de voormelde stedenbouwkundige voorschriften van het deel-PRUP nog – in de bewoordingen van verzoekers – “geval per geval” zullen moeten worden toegepast bij het invullen van het gebied voor gemengde regionale bedrijvigheid en het beoordelen van vergunningsaanvragen, is eigen aan de methodiek van het werken met stedenbouwkundige voorschriften die als dwingend kader dienen voor het vergunningenbeleid. Van het op verboden wijze “doorschuiven” van de waterproblematiek naar het vergunningenniveau is te dezen geen sprake. 13.5. Voorts wijst de eerste verwerende partij er op dat de toelichtingsnota bij het bestreden PRUP een “vernieuwde watertoets” omvat, die is gebaseerd op “de meest actuele watertoetskaart”. In de toelichtingsnota bij het PRUP wordt in dit verband het volgende overwogen: X-17.347-24/30 “In het plangebied komt geen effectief overstromingsgevoelig gebied voor. Ter hoogte van de Gaverbeek is er een mogelijkse kans op overstroming. Bij de invulling van het momenteel nog grotendeels onbebouwde gebied zal de verharde oppervlakte en dakoppervlakte aanzienlijk toenemen. Bij de aanleg van verhardingen dient rekening gehouden te worden met het Hemelwaterbesluit om voldoende infiltratie naar het grondwater te behouden. In het RUP worden voldoende buffer- en infiltratiecapaciteit bij de inrichting van bedrijventerrein en bedrijfspercelen voorzien. Indien rekening gehouden wordt met de wettelijke bepalingen kan geoordeeld worden dat er geen schadelijk effect wordt veroorzaakt. Verzoekers blijken deze watertoets in hun uiteenzetting niet te vermelden of ten gronde te betwisten. 13.6. Verzoekers kunnen in hun memorie van wederantwoord niet dienstig verwijzen naar ‟s Raads arrest nr. 243.627 van 7 februari 2019 tot schorsing van het deelplan „zuidelijk regionaal bedrijventerrein‟ van het PRUP, waarvan de gegevens zeer met deze van de huidige zaak verschillen, zoals de omstandigheid dat de Procoro, in navolging van ongunstige adviezen van het gemeentebestuur van Anzegem en de provinciale dienst Waterlopen, oordeelde dat een “planologische oplossing” voor de waterproblematiek nodig is. 13.7. In zoverre verzoekers eerst in hun laatste memorie nog aanvoeren dat het gebruik van de groenbuffers voor meerdere functies – akoestische/visuele buffer en waterbuffer – een tegenstelling inhoudt, moet, daargelaten de vraag naar de tijdigheid van dit betoog, met de eerste verwerende partij worden vastgesteld dat een waterbuffer in de groenbuffer eventueel “kan” voorzien worden, wat niet uitsluit dat de waterbuffer elders wordt aangelegd indien de akoestische/visuele functie van de groenbuffer erdoor in het gedrang zou komen. 13.8. Het middel is ongegrond. X-17.347-25/30 F. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel 14.1. Verzoekers roepen in een vijfde middel de schending in van “het principe van duurzame ruimtelijke ordening vooropgesteld door artikel 1.1.4. van het VCRO”, van de richtinggevende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) “met betrekking tot gedeconcentreerde bundeling”, alsook van het rechtszekerheids-, zorgvuldigheids-, redelijkheids-, zuinigheids- en materiëlemotiveringsbeginsel. Zij betogen dat de inplanting van het regionale bedrijventerrein „Blauwpoort‟ een aantal negatieve effecten tot gevolg zal hebben “die werden uiteengezet in het plan-MER”. Volgens hen worden die problemen grotendeels naar het vergunningverlenend niveau “en ook naar andere overheden” doorgeschoven, en bestaat er geen enkele garantie dat zij “oplosbaar” zijn. Hierdoor komt de ruimtelijke draagkracht van het gebied in gevaar en is het deel- PRUP “onaanvaardbaar”. Verzoekers wijzen op de geluidshinder en stellen dat enkel een “milieuzonering” dat kan verhelpen. Zij wijzen in verband met dit alles naar hun eerste en derde middel. Om een oppervlakte van 35 hectaren aan bedrijfszone te verkrijgen, wordt volgens hen zelfs “een versmalling van de aan te leggen buffer” doorgevoerd. Ook andere milieueffecten worden “op een kunstmatige wijze gemanipuleerd” en “niet op het planniveau geregeld en opgelost”. Voorts betogen verzoekers dat het deel-PRUP ingaat tegen de functie van openruimtecorridor van het gebied en stellen zij dat dit in strijd is met het principe van de gedeconcentreerde bundeling van het RSV. Zij menen dat “het enigszins beweerdelijk ingesloten karakter van het gebied Blauwpoort [...] nog geen reden [is] om deze laatste openruimtecorridor, in strijd met de beleidsprincipes van het RSV te gaan inpalmen en versnipperen”. Het voorrang geven aan economische belangen, zoals hier gebeurt, dient “afdoende en voldoende gemotiveerd te worden, wat in casu niet het geval is”. X-17.347-26/30 14.2. In hun laatste memorie doen verzoekers nog gelden dat het van onzorgvuldig beleid getuigt “om een laatste openruimtecorridor aan te snijden”. Beoordeling 15.1. Verzoekers overtuigen er met hun betoog niet van dat het deel- PRUP op een onaanvaardbare wijze bepaalde aspecten naar het vergunningen- en uitvoeringsniveau zou doorschuiven. In zoverre zij zich in dit verband op hun eerste en derde middel beroepen, zij verwezen naar de beoordeling van die middelen. Verzoekers maken verder niet aannemelijk dat de stedenbouwkundige voorschriften van het deel-PRUP voor de bedrijvenzone meer gedetailleerde inrichtingsmaatregelen diende te bevatten. In het plan-MER wordt, zoals gezien, als aanbeveling weliswaar gesteld dat een “milieuzonering” aangewezen is, maar wordt tevens bevestigd dat zulks niet ruimtelijk naar de planvoorschriften te vertalen is. 15.2. De kritiek van verzoekers op de “versmalling van de aan te leggen buffer” wordt door de Procoro als volgt beantwoord: “Het bezwaar dat er te weinig buffering is voorzien is ongegrond. De uitwerking van de buffering is conform de plan-MER en de milderende maatregelen werden consequent doorvertaald in het RUP. Uit het planMER kwam naar boven dat een buffer ten opzichte van de N382 (de wijk Zavelberg) weinig zin heeft omwille van het verkeerslawaai.Wat betreft de bufferzone ten opzichte van de wijk De Biest moest er voorzien worden in een minimale afstandsbuffer van 150 meter en verder in een visuele groenbuffer. Het feit dat de groenbuffer ten opzichte van de Kleithoekstraat niet breed genoeg meer is door de integratie van de waterbuffer is ongegrond. De buffer is conform de plan-MER breed genoeg en de integratie van de waterbuffer kan voor een kwalitatieve inrichting van de buffer zorgen die meerwaarde kan bieden voor de inwoners van de Kleithoekstraat. Ten opzichte van de Kleithoekstraat wordt voorzien in een ruime dichte groene buffer. De bezwaarschrijver verwijst naar het planMER waarbij werd bekeken inzake geluid hoe breed de buffer dient te zijn. Hierbij werd gekeken of de combinatie buffer van 150 meter + beperking kengetal tot 55dbA/m² wel nuttig is. Uit het onderzoek blijkt dat een buffer van 75 meter ook kan volstaan, eerste paragraaf p 108, dit staat los van de tweede paragraaf die dan aangeeft dat hierdoor het streefcijfer X-17.347-27/30 van 35ha wel kan gehaald worden. Bijkomend dienen alle toekomstige vergunningsaanvragen sowieso getoetst te worden op niveau van hinder. In de VLAREM II zijn er verschillende normen opgenomen inzake geluid waaraan deze vergunningsaanvragen getoetst worden. Handhaving zorgt voor de naleving van de vergunning(svoorwaarden). PROCORO wil er dus op wijzen dat hier moet gekeken worden naar de combinatie van de vertaling van het planMER naar de groenbuffer en het latere vergunningsluik met VLAREM-normen.” Verzoekers betrekken het voormelde antwoord niet bij hun uiteenzetting. Hun kritiek kan niet overtuigen. 15.3. Verzoekers‟ opsomming van negatieve effecten van het deel- PRUP, die enkel voor het aspect „geluid‟ wordt uitgewerkt, en dan nog middels een selectieve weergave van het plan-MER, volstaat voorts evenmin om een schending van artikel 1.1.4 VCRO te doen aannemen. 15.4. Wat de aangevoerde schending van het RSV betreft, gaan verzoekers in hun verzoekschrift voorbij aan hetgeen in de toelichtende nota bij het deel-PRUP in dat verband wordt gesteld (zie randnummer 7.3). Het volstaat om ook dit middelonderdeel als ongegrond te verwerpen. 15.5. Gelet op wat voorafgaat, tonen verzoekers geen schending van de aangevoerde rechtsregels aan. 15.6. Het middel wordt verworpen. 16. Het beroep moet hoe dan ook als ongegrond verworpen worden. V. Kosten 17. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017 „tot oprichting van een X-17.347-28/30 Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand‟, zoals het is ingevoegd bij de wet van 26 april 2017. Dit betekent dat de bijdrage, bedoeld in voormeld artikel slechts éénmaal is verschuldigd per verzoekschrift, ongeacht het aantal partijen. Bijgevolg is er aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdragen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 1200 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro die verschuldigd is aan elk van de verwerende partijen. De onterecht betaalde bijdragen ten bedrage van 80 euro dienen te worden terugbetaald aan de verzoekende partijen. X-17.347-29/30 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.347-30/30 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.015 Gerelateerde publicatie(
  3. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.629 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.