← België

Arrest 250021 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 09/03/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.021 Rolnummer: A. 227319/X-17433 Zaak: Arrest 250021 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 09/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-19 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-20 00:29 Fiche Arrest nr 250.021 van 9 maart 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 250.021 van 9 maart 2021 in de zaak A. 227.319/X-17.433 In zake : Luc VERMEIREN woonplaats kiezend te 9280 Lebbeke Bellestraat 39 tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586, bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 30 januari 2019, strekt tot de nietigverklaring van “de (ongedateerde) beslissing Minister van Buitenlands Beleid en Onroerend Erfgoed om geen subsidie toe te kennen voor het project „Malta-onderzoek bevestigt het Romeins kadaster in het Nervisch gebied als oudste nog bestaande getuige van [de] verovering van Gallië door Julius Caesar‟ waarvan het bestaan aan verzoeker werd bericht per mail op 4 december en bij aangetekend schrijven op 7 december 2018”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Inge Vos heeft een verslag opgesteld. X-17.433-1/15 Verzoeker en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 oktober
  3. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Verzoeker, en advocaat Eline Schroyens, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Juridisch kader en feiten
  5. Door de Vlaamse regering wordt op 27 oktober 2017 beslist om, in verband met de zogenaamde „Malta-opgravingen‟, vanaf 2018 jaarlijks 1 miljoen euro beschikbaar te maken voor archeologisch vervolgonderzoek via een projectsubsidie „archeologisch syntheseonderzoek‟. De projectsubsidie is verankerd in het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei
  6. Het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014 schrijft in artikel 10.3.8, eerste en tweede lid, voor wat volgt: - “De ontvankelijke projectvoorstellen worden beoordeeld aan de hand van de volgende criteria: 1° het participatieve karakter van het project en de bijdrage van het project aan de vergroting van het maatschappelijke draagvlak voor de erfgoedzorg en de uitstraling bij de beoogde doelgroep(en); 2° de maatschappelijke relevantie van het project; X-17.433-2/15 3° het duurzame karakter en de voorbeeldfunctie van het project; 4° de projectstructuur; 5° de financiële en organisatorische haalbaarheid van het project.” - “Voor de beoordeling van de ontvankelijke projectvoorstellen binnen de module onderzoek worden de volgende bijkomende criteria gehanteerd: 1° de wetenschappelijke relevantie van het project; 2° de verscheidenheid van de bronnen of sites; 3° de wetenschappelijke omkadering van het project.” Het ministerieel besluit van 7 juni 2018 „houdende de nadere regels voor de projectoproep voor het jaar 2018 voor de uitvoering van archeologisch syntheseonderzoek‟ (hierna: het ministerieel besluit van 7 juni 2018) bepaalt in artikel 1 dat de projectoproep voor het jaar 2018 archeologisch syntheseonderzoek als thema heeft voor projectsubsidieaanvragen voor de module onderzoek. In artikel 4 worden de criteria in het hiervoor geciteerde artikel 10.3.8, eerste en derde lid, van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014 verduidelijkt. Door het agentschap Onroerend Erfgoed wordt ook een “toelichting bij het indienen van een aanvraag voor een projectsubsidie „archeologisch syntheseonderzoek 2018‟” beschikbaar gesteld.
  7. Er worden 21 projectvoorstellen ingediend, die alle door het agentschap Onroerend Erfgoed ontvankelijk worden verklaard. Ze zijn vervolgens op 12 oktober 2018 onderzocht door een jury, bestaande uit drie internationale experten uit een buurland, drie experten van de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed, en twee personeelsleden van het agentschap Onroerend Erfgoed, onder wie de voorzitter van de jury. Met betrekking tot de “Beoordelingswijze” wordt in het verslag van de jury uiteengezet: “De voorzitter stelde per projectvoorstel de evaluatie voor die door hem was gemaakt en gaf ook duiding en motivering bij de toegekende scores, gebaseerd op de verduidelijking van de criteria zoals opgenomen in het ministerieel besluit van 7 juni
  8. Na elke korte voorstelling werd gevraagd naar de scores van de andere juryleden die eveneens met X-17.433-3/15 argumenten omkleed instemden met het voorstel ofwel andere scores voorstelden. Na per projectvoorstel een discussie gevoerd te hebben werd telkens unaniem beslist welke scores zouden worden toegekend aan het behandelde projectvoorstel. Deze scores leverden na het overlopen van alle projectvoorstellen meteen ook een rangschikking van de projectvoorstellen op.” Bij de toekenning van de scores hanteren de juryleden een beoordelingsleidraad (“Verduidelijking van de beoordelingscriteria”), waarin zij hun beoordelingswijze verduidelijken voor elk beschouwd criterium, te weten de acht criteria in artikel 10.3.8, eerste en derde lid, van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014, waarvan het eerste en het achtste criterium elk in twee criteria zijn opgesplitst. Spil van de beoordeling is de projectfiche, zijnde de fiche met de puntentoekenning voor elk van de tien criteria, die moet worden gelezen in samenhang met de uitgeschreven beoordeling. Negentien projectvoorstellen worden positief geadviseerd, twee projectvoorstellen negatief. Bij die laatste is het voorstel van verzoeker. Het krijgt 40 op 100 voor de generieke criteria (
  9. participatieve karakter,
  10. vergroting draagvlak,
  11. maatschappelijke relevantie,
  12. duurzame karakter en voorbeeldfunctie,
  13. projectstructuur, en
  14. financiële en organisatorische haalbaarheid) en 25 op 100 voor de specifieke criteria voor wetenschappelijke projecten (
  15. wetenschappelijke relevantie,
  16. verscheidenheid van de bronnen of sites,
  17. de wetenschappelijke omkadering: projectteam, en
  18. de wetenschappelijke omkadering: begeleiding). De uitgeschreven beoordeling luidt voluit: “Dit projectvoorstel scoort laag zowel op de generieke criteria als op de specifieke criteria voor wetenschappelijke projecten. Dit wil niet zeggen dat omtrent dit onderwerp geen goed voorstel kan uitgewerkt worden. Wat de wetenschappelijke criteria betreft ontbreekt een echte stand van zaken van het onderzoek. Bij de wetenschappelijke begeleiding (en ook bij het projectteam) is de specifieke expertise met het Romeinse kadaster en met provinciaal Romeinse archeologie niet aanwezig. Bij de bronnen ontbreekt het sinds kort online beschikbaar primitief kadaster, een voor dit soort onderzoek uitermate geschikte bron. Ook lijkt veel meer data nodig om te kunnen aantonen wat men wil aantonen. De samenwerking blijft beperkt hoofdzakelijk tot een bedrijf en een vrijwilliger en de interactie blijft beperkt. Een artikel in een heemkundig X-17.433-4/15 tijdschrift wordt niet beschouwd als een uitgewerkte communicatie-actie naar het grote publiek. Er wordt in het projectvoorstel geen concreet vervolgonderzoek voorzien en de maatschappelijke relevantie wordt niet concreet gemaakt. Score op basis van de criteria: 40/100 voor de generieke criteria en 25/100 voor de specifieke criteria voor wetenschappelijke projecten. Samen 65/
  19. Subsidieerbaar bedrag (90%): 21150 euro.” Op 22 oktober 2018 stelt het agentschap Onroerend Erfgoed voor om het advies van de jury over de hele lijn te volgen. Voorgesteld wordt aan de Vlaamse minister van Buitenlands Beleid en Onroerend Erfgoed om negen projectaanvragen te honoreren voor een totaal van 1 miljoen euro. Negen andere projecten voldoen aan de voorwaarden maar krijgen geen subsidie. Twee projecten, waaronder dat van verzoeker, voldoen niet aan de voorwaarden. De minister verklaart zich hiermee akkoord op 26 oktober
  20. Wat de toekenning van de subsidies betreft, gebeurt dat onder het voorbehoud van het akkoord van de inspecteur van financiën, dat op 20 november 2018 wordt verleend. Met een brief van 7 december 2018 wordt verzoeker meegedeeld dat de minister beslist heeft geen subsidie voor zijn aanvraag toe te kennen. Voor verdere informatie en feedback wordt hij verwezen naar de voorzitter van de jury. Hierom gevraagd, deelt de voorzitter van de jury op 6 december 2018 aan verzoeker de projectfiche en de uitgeschreven beoordeling van de jury mee, wat zijn aanvraag betreft. X-17.433-5/15 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  21. Verzoeker leidt een eerste middel af uit de schending van de formelemotiveringsplicht. Volgens een eerste middelonderdeel is niet aan de formelemotiveringsplicht voldaan als de mededeling van de motieven afhankelijk wordt gemaakt van het initiatief van de betrokkene. In een tweede middelonderdeel bekritiseert verzoeker in het verzoekschrift dat de formele motieven hem niet in de mogelijkheid stellen te vernemen op grond van welke precieze gegevens tot zijn score voor de criteria „projectstructuur‟ (5/10), „financiële en organisatorische haalbaarheid‟ (10/20) en „wetenschappelijke relevantie‟ (0/40) werd gekomen. Beoordeling
  22. De formele motiveringsplicht dient een doel. Ze strekt er hoofdzakelijk toe om de betrokkene in staat te stellen met kennis van zaken voor zijn rechten op te komen. Te dezen is dat doel bereikt. Vooraleer verzoeker zich tot de Raad van State richtte, kreeg hij kennis van de motieven voor de afwijzing van zijn project. Hij bestrijdt ze in zijn tweede middel. In de gegeven omstandigheden mag de formele motiveringsplicht dan strikt genomen wel geschonden zijn, het heeft verzoeker niet in zijn belangen geschaad. Het eerste middelonderdeel verantwoordt bijgevolg geen vernietiging. X-17.433-6/15
  23. Wat het tweede middelonderdeel betreft, is het niet zo dat de beoordeling van de criteria „projectstructuur‟, „financiële en organisatorische haalbaarheid‟ en „wetenschappelijke relevantie‟ élke formele motivering ontberen. Immers is voor elk criterium aan verzoeker een cijfer toegekend. Wat de criteria „projectstructuur‟ en „financiële en organisatorische haalbaarheid‟ betreft, kreeg verzoeker de helft van de punten. Hiermee gaf de jury kennelijk aan maar half overtuigd te zijn van de overzichtelijkheid van de projectstructuur en van een effectieve en efficiënte taakverdeling. Wat de financiële en organisatorische haalbaarheid van het project betreft, moet een score van 10/20 er blijkens de beoordelingsleidraad van de jury op wijzen dat de inschatting van de kostprijs van het project realistisch is ten aanzien van de doelstellingen en verwachte resultaten, maar dat de voorgestelde personeelsinzet en begroting niet volledig in lijn zijn met het projectplan. In zoverre die quotering voor verzoeker te summier was om afdoende de beoordeling inzichtelijk te maken die zijn projectvoorstel wat deze twee criteria betreft te beurt was gevallen opdat hij er zich met kennis van zaken tegen kon verweren, heeft hij nagelaten dat in zijn verzoekschrift duidelijk te maken. Daarin beperkte hij zich ter zake louter tot de vaststelling dat voor de scores “géén motivatie” werd gegeven, niets meer.
  24. Anders is het wat het cijfer aangaat dat de jury voor „wetenschappelijke relevantie‟ toekende. Verzoeker scoorde 0 op 40, wat volgens de gebruikte beoordelingsleidraad betekent dat het kaderstellende, innoverende of aanvullende karakter van het project niet wordt aangetoond. Naar verzoeker doet gelden was “hier een omstandige motivering op zijn plaats”. Weliswaar, zo merkt hij op, wordt door de jury in dit verband overwogen dat een stand van zaken van het onderzoek zou ontbreken, maar deze X-17.433-7/15 stand van zaken van het onderzoek is volgens hem niet per se vereist – meer bepaald als ervoor werd gekozen, zoals hij deed, om de wetenschappelijke relevantie aan te tonen aan de hand van “de onderzoeksvragen die zijn geformuleerd volgens het model van Clarke uit 1968”. Verzoeker vergist zich. De opgave van een stand van zaken van het onderzoek wordt wel degelijk vereist. Het is zelfs een ontvankelijkheidsvereiste. Bij de aanvraag van de projectsubsidie is verplicht een projectomschrijving bij te voegen waaromtrent werd toegelicht dat ze “minstens” een omschrijving van de uitgangssituatie bevat: “Hiermee vragen we je om de stand van zaken van het onderzoek te beschrijven en dus aan te geven welke vraag je wenst te beantwoorden met het project.” Bovendien wordt door de jury niet overwogen dat bij verzoeker iedere stand van zaken van het onderzoek zou ontbreken, maar alleen dat wat hij bijbracht, nader beschouwd, geen “echte”, toereikende, stand van zaken van het onderzoek was. Dat wordt noch in het besproken middelonderdeel noch elders in het verzoekschrift bekritiseerd. Evenmin doet verzoeker aannemen dat het ontbreken van een echte status quaestionis als uitgangssituatie, niet afdoende zou zijn om te motiveren dat het kaderstellende, innoverende of aanvullende karakter van het project niet is aangetoond en dat ervoor geen punten kunnen worden gegeven.
  25. Uit wat voorafgaat, wordt geconcludeerd dat het tweede middelonderdeel geen vernietiging rechtvaardigt. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  26. Verzoeker voert in een tweede middel de schending van de materiëlemotiveringsplicht aan. X-17.433-8/15 Concreet doet verzoeker in het verzoekschrift in de eerste plaats gelden dat de zin “Wat de wetenschappelijke criteria betreft ontbreekt een echte stand van zaken van het onderzoek” geen van de vooropgestelde acht criteria betreft. Vervolgens oefent verzoeker kritiek uit op de beoordeling van, respectievelijk, criteria 9 en 10, criterium 8, criterium 1, criterium 2, criterium 4, en criterium
  27. Hij meent dat de betrokken motiveringen niet draagkrachtig zijn en niet uitgaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn. Beoordeling
  28. In de bestreden beslissing volgt de Vlaamse minister de beoordeling van de jury. Die beoordeling is het unanieme resultaat van het overleg in de schoot van een expertencommissie. Van de Raad van State, die een wettigheidsrechter is, mag niet verwacht worden dat hij die beoordeling gaat nawegen of overdoen. Ook volstaat het niet dat verzoeker de juistheid van de beoordeling alleen maar betwijfelt of zonder meer ontkent, opdat hij er de onwettigheid van doet aannemen. Bij haar beoordeling beschikte de jury over een zekere marge of vrijheid. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar hij brengt wel mee dat verschillende appreciaties denkbaar zijn die niettemin elk wettig zijn, omdat ze ieder binnen de grenzen van het recht, inbegrepen van de redelijkheid, blijven. Concreet, is het voor verzoeker zaak om voldoende overtuigend aan te tonen dat de motivering van de jury, en dus de Vlaamse minister, berust op gegevens die incorrect zijn of waarvan het uitgesloten moet worden geacht dat een zorgvuldig en redelijk handelende overheid er dezelfde conclusies als de verwerende partij uit zou trekken.
  29. Anders dan verzoeker meent, is de beoordeling met betrekking tot “de wetenschappelijke criteria” wel degelijk te linken aan de criteria van het X-17.433-9/15 Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014, en slaat ze op de criteria bedoeld in artikel 10.3.8, derde lid, waaronder de wetenschappelijke relevantie van het project.
  30. De gehanteerde criteria 9 en 10 houden verband met de wetenschappelijke omkadering van het project. Ze worden in het ministerieel besluit van 7 juni 2018 als volgt verduidelijkt: “de wetenschappelijke kwaliteiten, de kennis en ervaring van het projectteam en de wetenschappelijke begeleiding, de relevante elementen uit hun curriculum vitae en hun referenties voor hun bijdrage aan het project”. Verzoeker heeft zowel voor “de wetenschappelijke omkadering: projectteam” als voor “de wetenschappelijke omkadering: begeleiding” 7,5 punten op 15 gekregen, wat er volgens de gehanteerde beoordelingsleidraad op wijst dat “één of meerdere expertise ontbreken”. Meer in het bijzonder motiveert de jury: “Bij de wetenschappelijke begeleiding (en ook bij het projectteam) is de specifieke expertise met het Romeinse kadaster en met provinciaal Romeinse archeologie niet aanwezig.” Dat is volgens verzoeker feitelijk onjuist. Hij vermeldt daartoe de verwijzing in zijn projectvoorstel naar B. Vanmontfort, B. Le Teuff, de Antwerpse Vereniging voor Romeinse Archeologie en BAAC België. Waar verzoeker in zijn aanvraag van de projectsubsidie de voldoende precieze gegevens – curricula vitae, referenties – bijbrengt die ervan doen blijken dat er bij hen een specifieke expertise met betrekking tot het Romeinse kadaster en provinciaal Romeinse archeologie voorhanden is, wordt in het verzoekschrift niet toegelicht en is ook niet spontaan duidelijk. Verzoeker brengt in die omstandigheden de besproken beoordeling niet in het gedrang.
  31. Criterium 8 betreft de verscheidenheid van de bronnen of sites. In het ministerieel besluit van 7 juni 2018 wordt verduidelijkt dat het gaat om “de X-17.433-10/15 verscheidenheid en kwaliteit van de gebruikte archeologische, geschreven, cartografische en geografische bronnen waar nuttig en nodig”. Verzoeker scoort 10 op 30 voor het criterium. In het juryverslag wordt ter zake gemotiveerd: “Bij de bronnen ontbreekt het sinds kort online beschikbaar primitief kadaster, een voor dit soort onderzoek uitermate geschikte bron. Ook lijk[en] veel meer data nodig om te kunnen aantonen wat men wil aantonen.” Volgens verzoeker ontbreekt het primitief kadaster niet omdat hij in zijn aanvraag verwijst naar een website die op haar beurt verwijst naar nog een andere website waarin het primitief kadaster als een onderdeel vervat zou zijn. Die andere website heet ook vermeld te zijn op pagina 180 van een boek dat verzoeker aan de dienst bezorgde . Een en ander volstaat naar de mening van de Raad van State niet opdat de bron geacht kan worden in de aanvraag behoorlijk ter sprake te zijn gebracht en opdat het geciteerde motief voor verkeerd kan worden gehouden. Het ontbreken van het primitief kadaster houdt, voorts, genoeg verband met het criterium van de verscheidenheid én de kwaliteit van de bronnen. De omstandigheid, ten slotte, dat het motief dat meer data nodig lijken verwonderlijk of “bevreemdend” overkomt, staaft nog niet dat het verkeerd of onwettig zou zijn. 15.
  32. Criterium 1 en 2 luiden: “het participatieve karakter van het project en de bijdrage van het project aan de vergroting van het maatschappelijke draagvlak voor de erfgoedzorg en de uitstraling bij de beoogde doelgroep(en)”. Ze worden in het ministerieel besluit van 7 juni 2018 aldus verduidelijkt: “a) het project brengt samenwerkingsverbanden tot stand tussen de verschillende geledingen van de archeologische sector, zoals universiteiten, bedrijven, lokale overheden, bovenlokale overheden en vrijwilligers zoals metaaldetectoristen; X-17.433-11/15 b) het project omvat minstens één publieksgerichte communicatieactie over de onderzoeksresultaten, waarvan het bereik en de impact bij de doelgroep in de aanvraag [wordt] aangetoond.” De jury kent verzoeker respectievelijk 10/20 en 5/10 toe, waarmee blijkens de beoordelingsleidraad wil zijn aangegeven dat twee partners uit de archeologiesector bij verzoekers project betrokken zijn en dat de doelgroep van de communicatieactie beperkt wordt bereikt. In het juryverslag wordt geëxpliciteerd: “De samenwerking blijft beperkt hoofdzakelijk tot een bedrijf en een vrijwilliger en de interactie blijft beperkt. Een artikel in een heemkundig tijdschrift wordt niet beschouwd als een uitgewerkte communicatie-actie naar het grote publiek.” 15.
  33. Naar verzoeker in zijn “plan van aanpak” uiteenzet, wordt het hele project uitgevoerd door hemzelf samen met (het studiebureau) BAAC. Dat bij bepaalde instanties of personen advies wordt ingewonnen en voor het communicatieluik een beroep op hulp wordt gedaan, is niet van aard te ondergraven dat de participatie in hoofdzaak beperkt blijkt tot een bedrijf en een vrijwilliger. 15.
  34. Met verzoeker wordt vastgesteld dat er in zijn aanvraag inderdaad wordt vermeld dat de resultaten van het project zullen worden verspreid “via websites, publicaties, media, voordrachten en hoorcollege[s]…”, maar meer dan een algemene frase is het niet. Concreet wordt hij alleen met betrekking tot bijdragen in thuiskrant De Kramiek (geraamde kostprijs 530 euro) en in het tijdschrift van de Heemkring Lebbeke (geraamde kostprijs 430 euro). In dit licht doet verzoeker niet aannemen dat de beoordeling van zijn project qua “vergroting draagvlak” ondeugdelijk is. 16.
  35. Het criterium „het duurzame karakter en de voorbeeldfunctie van het project‟ heeft blijkens het ministerieel besluit van 7 juni 2018 hierop betrekking: X-17.433-12/15 “a) de onderzoeksresultaten laten toe vervolgprojecten uit te voeren, zoals verder doorgedreven syntheseonderzoek of verdere communicatieacties; b) het project beantwoordt aan de codes van wetenschappelijke integriteit die door de Vlaamse Commissie Wetenschappelijke Integriteit onderschreven zijn, namelijk de Ethische code van het wetenschappelijk onderzoek in België en de Europese gedragscode voor wetenschappelijke integriteit.” De jury kent verzoeker 0 punten op 20 toe, wat volgens de beoordelingsleidraad beduidt dat het projectvoorstel geen garanties bevat dat de onderzoeksresultaten vervolgacties zullen toelaten. In het juryverslag heet het: “Er wordt in het projectvoorstel geen concreet vervolgonderzoek voorzien”. 16.
  36. Kennelijk heeft de jury geen vertrouwen erin dat er een reële mogelijkheid bestaat tot vervolgacties. Verzoekers verwijzing naar de “vijf „concrete‟ reeksen van mogelijkheden” die hij in zijn aanvraag opsomde, spreekt dat niet beslissend tegen. De zogenaamde “„concrete‟ reeksen” komen voor in essentie vage en vrijblijvende invallen te zijn: eventueel, “[a]ls het schema bevestigd wordt”, is het bruikbaar als verwachtingskaart; “kan” een aanzet vormen om aanwijzingen “scherp te stellen”; de kijk op de Romeinse tijd “wordt volledig gekanteld”; het raster “is toegankelijk” op een website. 16.
  37. Voor het eerst in de laatste memorie voert verzoeker aan dat de score “ook niet gemotiveerd” is omdat geen punten worden gekoppeld aan het respect voor de code van wetenschappelijke integriteit. Dit is een nieuwe en onontvankelijke grief.
  38. Rest nog verzoekers kritiek met betrekking tot het criterium „maatschappelijke relevantie van het project‟, wat in het ministerieel besluit van 7 juni 2018 wordt toegelicht als volgt: “het project laat toe om de maatschappelijke inbedding van archeologie te verduurzamen, onder meer door: a) voorstellen uit te werken om de kosten-batenbalans van archeologisch onderzoek in het kader van het archeologisch traject bij vergunningsplichtige ingrepen in de bodem te verbeteren; b) voorstellen uit te werken voor innovatieve spill-overs naar andere sectoren; X-17.433-13/15 c) een referentiekader of -collectie te verwezenlijken dat of die bruikbaar is voor archeologisch onderzoek of de ontsluiting van archeologische resultaten.” In het juryverslag staat hierover dat de maatschappelijke relevantie niet concreet wordt gemaakt. Verzoeker is het daar niet mee eens omdat alle drie de aspecten van maatschappelijke relevantie in zijn aanvraag werden “uitgewerkt”. Dat is de jury niet ontgaan. Het motief in het juryverslag moet immers worden gelezen in samenhang met de gegeven punten. Mocht de jury van mening zijn geweest dat verzoeker geen voorstel had gedaan, dan zou hij volgens de beoordelingsleidraad 0 punten op 20 hebben gescoord. Hij kreeg er evenwel 10, wat overeenstemt met “het projectvoorstel bevat een aanzet van één of enkele voorstellen”. Het middelonderdeel toont niet de onjuistheid van de betrokken beoordeling aan.
  39. Het tweede middel wordt in zijn geheel verworpen. C. Conclusie
  40. Wat er van de – door de verwerende partij betwiste – ontvankelijkheid van het beroep ook zij, het beroep moet hoe dan ook worden verworpen bij gebrek aan middelen die een vernietiging kunnen verantwoorden. BESLISSING
  41. De Raad van State verwerpt het beroep.
  42. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op het rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een aan de verwerende partij verschuldigde rechtsplegingsvergoeding van 700 euro. X-17.433-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.433-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.021 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.