id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.025 Rolnummer: A. 225109/VII-40261 Zaak: Arrest 250025 - Milieuvergunningen - 09/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-22 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-20 00:33 Fiche Arrest nr 250.025 van 9 maart 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 250.025 van 9 maart 2021 in de zaak A. 225.109/VII-40.261 In zake : de VZW NATUURPUNT BEHEER, VERENIGING VOOR NATUURBEHEER EN LANDSCHAPSZORG IN VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter De Smedt kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Matthias Strubbe tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN Tussenkomende partij: de BVBA QUIRYNEN AGRI FARMING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Surmont kantoor houdend te 2300 Turnhout Collegestraat 11 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 3 mei 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 18 januari 2018 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Turnhout van 24 augustus 2017, houdende weigering van de milieuvergunning aan de bvba Quirynen Agri Farming voor het exploiteren van een grondwaterwinning, gelegen aan de Roodhuisstraat te Turnhout, gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde vergunning wordt verleend. VII-40.261-1/33 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De bvba Quirynen Agri Farming heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 3 juli 2018. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 januari 2021. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Karolien Beké, die loco advocaten Peter De Smedt en Matthias Strubbe verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Niels Vansimpsen, die loco advocaat Jan Surmont verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. VII-40.261-2/33 III. Feiten 3. De aanvraag heeft betrekking op een perceel aan de Roodhuisstraat te Turnhout. Het perceel is volgens het bij koninklijk besluit van 30 september 1977 vastgestelde gewestplan Turnhout gelegen in agrarisch gebied met ecologisch belang. Het maakt deel uit van het habitatrichtlijngebied “BE2100024 - Vennen, heiden en moerassen rond Turnhout” en het vogelrichtlijngebied “BE2101538 - Arendonk, Ravels, Merksplas, Oud-Turnhout en Turnhout”. 4. Nadat, volgens de verzoekende partij, tussenkomende partij zandwegen met relicten van duingrasland heeft omgezet naar akkerland voor de maïsteelt, met bijhorende grondwaterwinning, dient laatstgenoemde een aanvraag in ter regularisatie van deze vergunningsplichtige activiteiten. Het college weigert op 4 augustus 2016 de vergunning te verlenen omwille van een ontbrekende passende beoordeling. 5. Op 4 mei 2017 dient de tussenkomende partij een nieuwe vergunningsaanvraag in voor een grondwaterwinning voor de beregening van maïs met een maximaal debiet van 720 m³/dag en 17.500 m³/jaar. 6. Tijdens het openbaar onderzoek van 24 mei 2017 tot en met 22 juni 2017, dient de verzoekende partij samen met “Natuurpunt Turnhoutse Kempen” een bezwaar in waarin op de aanwezigheid van een aantal habitattypes wordt gewezen in de omgeving van het betrokken terrein en op de negatieve gevolgen van het aangevraagde project voor deze habitattypes. 7. Op 22 juni 2017 brengt het Agentschap voor Natuur en Bos (hierna: ANB) een ongunstig advies uit, waarin, samengevat, wordt gesteld dat de gemaakte passende beoordeling onvolledig is en de uitgevoerde VII-40.261-3/33 grondwatermodellering dient te worden aangepast en rekening dient te worden gehouden met opmerkingen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. 8. Op 24 augustus 2017 weigert het college de milieuvergunning te verlenen op basis van dit negatief advies. 9. Op 21 september 2017 dient de tussenkomende partij een beroep in bij de verwerende partij tegen de beslissing van het college. 10. In graad van beroep worden volgende adviezen ingewonnen: - afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -projecten - Milieu (20 november 2017?): voorwaardelijk gunstig advies, waarbij tevens wordt verwezen naar de bijzondere voorwaarden, geformuleerd door ANB; - de Vlaamse Milieumaatschappij (hierna VMM) - dienst Grondwater en Lokaal Waterbeheer - afdeling Operationeel Grondwaterbeheer (28 november 2017): bevestiging oorspronkelijk voorwaardelijk gunstig advies, waarbij expliciet naar het advies van ANB wordt verwezen, dat de passende beoordeling gunstig dient te adviseren. 11. Op 19 december 2017 wordt de exploitant door de Provinciale Milieuverguningscommissie (hierna: PMVC) gehoord, waarna een gunstig advies wordt verstrekt. De milieutechnische evaluatie in het advies luidt: “4. Milieutechnische evaluatie - De AMV verleent een gunstig advies. De AMV is van oordeel dat het beroep als gegrond kan worden beschouwd en de vergunning kan worden verleend omdat: • de exploitant in graad van beroep alle noodzakelijk geachte stukken heeft bezorgd; • het INBO deze stukken heeft ingekeken en meent dat de aanvraag nu wel gunstig kan worden beoordeeld; • de AOW de aanvraag reeds eerder gunstig had beoordeeld. - De AOW bevestigde haar oorspronkelijk, voorwaardelijke gunstige advies. Dit houdt in dat de AOW een gunstig advies verleent op voorwaarde dat de passende beoordeling gunstig geadviseerd wordt door het ANB. - Het ANB meldde per mail van 30 november 2017 dat de nieuwe grondwatermodellering de gevraagde informatie bevat, maar dat zij zich wel vragen stelde bij een conclusie die getrokken wordt: Ter hoogte van de VII-40.261-4/33 bespreking van scenario 4 wordt gesteld dat na 7 dagen pompen, meer dan 5 cm, maar minder dan 10 cm grondwaterverlaging te verwachten valt voor de dichtstbijzijnde droogtegevoelige vegetatie. Meer dan 5 cm, er wordt dus een negatief effect verwacht. Er wordt vervolgens gesteld dat er volledig herstel optreedt na 7 dagen niet pompen. Verder merkt het ANB op dat onderstaande conclusie wordt genomen, die niet correct is: „Indien er gedurende een intensieve irrigatieperiode aan 350 m³/dag wordt onttrokken (ook voor onttrekkingsputten in de buurt), zal de daling van het grondwater lager blijven dan 5 cm in droogtegevoelige gebieden, op voorwaarde dat niet langer dan 7 dagen wordt onttrokken, waarna een rustperiode dient te volgen van tenminste 7 dagen (scenario 4).‟ Na 7 dagen pompen wordt er echter wel een daling van meer dan 5 cm verwacht op de droogte gevoelige vegetatie, wat ook vermeldt staat in het dossier. De conclusie die getrokken wordt, dient herbekeken te worden. Het ANB meent dat er eveneens een nieuwe/aangepaste passende beoordeling dient opgemaakt te worden waarin de nu relevante scenario‟s - deze besproken in het nieuwe grondwatermodel - worden opgenomen. Na het ontvangen van deze passende beoordeling kan het ANB overgaan tot de opmaak van een formeel advies. • De vertegenwoordiger van de exploitant verduidelijkt ter zitting dat in scenario 4 na 7 dagen pompen de grondwaterverlaging net meer dan 5 cm zal bedragen voor de dichtstbijzijnde droogtegevoelige vegetatie. De exploitant stelt daarom voor om het aantal dagen dat er grondwater wordt onttrokken te wijzigen van 7 naar 6, met een herstelperiode van 7 dagen. Op die manier kan de grondwatertafel zich voldoende herstellen. Er wordt ook opgemerkt dat scenario 4 weinig zal voorkomen. - De PMVC volgt het gunstige advies van de AMV alsook het gunstige advies van de AOW betreffende het beheer van de grondwatervoorraad. Om tegemoet te komen aan bovenstaande opmerking uit het advies van het ANB stelt de PMVC voor om een bijkomende bijzondere voorwaarde op te leggen”. 12. Naar aanleiding van een schrijven van de dienst Omgevingsvergunningen van de provincie Antwerpen, concludeert het ANB op 22 december 2017: “Het Agentschap voor Natuur en Bos beschikt op basis van voorliggend dossier over onvoldoende informatie zodat een betekenisvolle aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszone niet met zekerheid kan uitgesloten worden. Gelet op het voorzorgsbeginsel en artikel 36ter, §4 van het decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu van 21.10.1997 kan de vergunning niet verleend worden”. VII-40.261-5/33 13. Op 18 januari 2018 besluit de deputatie om het beroep in te willigen en de gevraagde vergunning te verlenen. Dit is de bestreden beslissing, die volgende overwegingen vermeldt: “Gelet op de ligging van de inrichting in een agrarisch gebied met ecologisch belang van het gewestplan Turnhout; Overwegende dat gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de adviezen van de AGOP-M, de AOW en de PMVC, zoals hierboven weergegeven, in aanmerking worden genomen; dat mits naleving van de door de PMVC voorgestelde voorwaarden, tegemoet wordt gekomen aan de opmerking van het ANB over de passende beoordeling; Overwegende dat voor de evaluatie van de elementen aangebracht door de beroeper, gehoord door de PMVC, verwezen wordt naar het advies van de PMVC, zoals hierboven weergegeven; Overwegende dat voor de toetsing van de aanvraag aan de kenmerken van het watersysteem, en aan de doelstellingen en beginselen van artikel 5, 6 en 7 van het decreet Integraal waterbeleid kan verwezen worden naar het advies van de PMVC; Overwegende dat voor de toetsing van de aanvraag aan artikel 26bis en artikel 36ter,§ 3 en § 4 van het Natuurdecreet kan verwezen worden naar het advies van de PMVC; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico‟s voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het ingediende beroep gegrond te verklaren, het collegebesluit op te heffen en de gevraagde vergunning te verlenen”. IV. Onderzoek van de ontvankelijkheid 14. De tussenkomende partij voert volgende exceptie aan: “9. Natuurpunt vzw stelt in haar verzoekschrift op te treden als milieuvereniging. Zij meent toegang tot Uw Raad te hebben omdat zij, blijkens haar statutaire doelstellingen, beoogt natuurgebieden veilig te stellen, in beheer te nemen en verder te ontwikkelen en in het algemeen op te komen voor de ruimtelijke en milieucondities voor de duurzame instandhouding en optimale ontwikkeling van natuurwaarden. In casu verwijst Natuurpunt vzw naar haar territoriaal werkingsgebied, met name het Vlaams Gewest, en de ligging van het bestreden project daarin. VII-40.261-6/33 In het bijzonder stelt Natuurpunt vzw dat zij een drieledige schade vreest: „(
- i)schade aan habitats en soorten op het betrokken perceel zelf, (
- ii)schade aan de percelen die eigendom zijn van [Natuurpunt vzw] en (iii) schade aan de natuurwaarden en habitattypes in de omgeving‟. Verder stelt Natuurpunt vzw dat zij eigenaar zou zijn van enkele omliggende percelen die erkend zouden zijn als natuurreservaat. De vergunde grondwaterwinning zal een negatieve invloed hebben op de droogtegevoelige habitats en weidevogels en de beregening van de akker zal het behoud en herstel van de duingraslanden bemoeilijken of zelfs onmogelijk maken, aldus Natuurpunt vzw. Dit relaas zou haar het rechtens vereiste belang verschaffen. […] Welnu, in casu moet worden vastgesteld dat Natuurpunt vzw in haar betoog tal van stellingen verkondigt, doch daarvoor niet het minste bewijs biedt. QAF heeft het raden naar de stukken / informatie waarin deze beweringen van Natuurpunt vzw worden bevestigd. Het lijkt thans enkel te gaan over loutere beweringen vanwege Natuurpunt vzw zonder enige verantwoording. In de huidige stand is er inderdaad geen enkel gegeven dat de vrees van Natuurpunt vzw onderschrijft, laat staan dat zou vaststaan dat er „een redelijkerwijze aannemelijk risico‟ op schade voorhanden zou zijn. Het louter verwijzen naar habitattypes en -soorten, al dan niet in combinatie met bepaalde instandhoudingsdoelstellingen, kan niet volstaan. Geen van de geponeerde stellingen worden overigens bevestigd in de adviezen van ANB waarachter Natuurpunt vzw zich geregeld verschuilt, wel integendeel. De loutere aanwezigheid van bepaalde habitattypes en vogels op zich noopt uiteraard niet tot de conclusie dat er een gevaar is. Dit wordt alleszins niet beaamd door het ANB of het INBO. Evenmin wordt aannemelijk gemaakt dat de vergunde grondwaterwinning de specifieke instandhoudingsdoelstellingen, waarvan sprake, in het gedrang zou brengen of zelfs nog maar dat er daadwerkelijk een betekenisvolle aantasting dreigt. Het betoog van Natuurpunt vzw blijft totaal op de vlakte. Daarbij valt het ook op dat Natuurpunt vzw bij het belang niet ingaat op de in de bestreden beslissing opgelegde bijzondere voorwaarde waarmee tegemoet wordt gekomen aan het door het ANB problematisch geachte scenario 4 uit de passende beoordeling. (cfr. infra) 11. Het beroep van Natuurpunt vzw is bijaldien onontvankelijk”. 15. De verzoekende partij beroept zich op de artikelen 3.4, 9.3 en 2.4 van het Verdrag van Aarhus en de rechtspraak en repliceert dat het volstaat dat zij redelijkerwijze aannemelijk maakt dat er een risico bestaat van een bedreiging voor of schade aan haar collectief belang, opdat zij op ontvankelijke wijze een beroep tegen een beslissing kan indienen. Zij heeft dit te dezen ook gedaan. De stelling dat dit loutere beweringen zouden betreffen, klopt niet, er werd gebruik VII-40.261-7/33 gemaakt van gegevens uit de databank waarnemingen.be, informatie uit het S-IHD rapport voor de betrokken speciale beschermingszone (hierna: SBZ), het managementplan Natura 2000 (versie 1.0) dat voor de betrokken SBZ werd opgemaakt en informatie uit de adviezen die tijdens de administratieve procedure zijn uitgebracht. In de mate erop wordt gewezen dat zij niet zou aantonen dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken SBZ in het gedrang zouden worden gebracht en zij evenmin zou ingaan op de opgelegde bijzondere voorwaarde in de bestreden beslissing, merkt zij op dat dit een discussie ten gronde betreft. De exceptie dient te worden verworpen. Beoordeling 16. Wanneer een vzw die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor de Raad van State optreedt, is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang, dat zij optreedt ter verdediging van een collectief belang, dat haar maatschappelijk doel door de bestreden handeling kan worden geraakt, en dat niet blijkt dat dit maatschappelijk doel niet meer of niet meer werkelijk wordt nagestreefd. 17. Artikel 4, eerste lid, van de statuten van de verzoekende partij bepaalt: “De vereniging heeft tot doel de duurzame instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van de natuur. Zij beoogt in het bijzonder natuurgebieden veilig te stellen, in beheer te nemen en verder te ontwikkelen en op te komen voor de ruimtelijke en milieucondities voor de duurzame instandhouding en optimale ontwikkeling van natuurwaarden. Evenzeer beoogt de vereniging de openstelling van de door haar beheerde natuurgebieden voor zachte vormen van recreatie en toerisme, die de draagkracht van het gebied respecteren”. Het maatschappelijk doel van de verzoekende partij is, alleen al in zoverre het gericht is op de bescherming en het beheer van natuurgebieden, voldoende duidelijk en specifiek. Het valt niet samen met de behartiging van het algemeen belang, noch met het persoonlijk belang van bepaalde leden van de vereniging. VII-40.261-8/33 Het door de verzoekende partij bestreden project en de in de bestreden vergunning vermelde beschermde gebieden zijn gelegen in het werkingsgebied van de verzoekende partij. Het beroep is gericht tegen een milieuvergunning voor een grondwaterwinningsinstallatie in een agrarisch gebied met ecologisch belang, een habitatrichtlijngebied en een vogelrichtlijngebied, die de door de verzoekende partij aangehaalde habitats, soorten en natuurwaarden van die gebieden nadelig kan beïnvloeden, en kadert in de statutaire doelstellingen van de verzoekende partij. Dit geldt des te meer gelet op het belang dat aan het advies van het ANB in de administratieve procedure wordt gegeven door de betrokken adviserende instanties, en dat op zijn minst kritisch is over de schommelingen van de grondwaterspiegel door de vergunde activiteiten. De verzoekende partij getuigt van het rechtens vereiste belang. V. Onderzoek van het eerste middel Standpunten van de partijen 18. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 6, derde lid, van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: habitatrichtlijn) juncto artikel 36ter, §§ 3 en 4, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna: natuurbehouddecreet), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), artikel 11 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna: milieuvergunningsdecreet), de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheids- en het voorzorgsbeginsel, zoals vervat in artikel 1.2.1, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM). VII-40.261-9/33 In een eerste onderdeel zet zij uiteen dat overeenkomstig artikel 36ter, § 4 van het natuurbehouddecreet de vergunningverlenende overheid de vergunning slechts mag verlenen indien de uitvoering van de activiteit geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale beschermingszone kan veroorzaken, wat onderzocht dient te worden in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen. De bestreden beslissing vergunt een grondwaterwinning die tot een daling van het grondwaterpeil ter hoogte van een aantal droogtegevoelige habitats zal leiden. Een stijging en stabilisering van het grondwaterpeil is nochtans een conditio-sine-qua-non voor het bereiken van een goede staat van instandhouding van een aantal habitattypische soorten die in de omgeving voorkomen en die zich in een ongunstige staat van instandhouding bevinden. Voor deze habitattypes geldt een herstelbeleid, dat een toename in oppervlakte en in kwaliteit vooropstelt. Elke ingreep die in deze omstandigheden een verdere achteruitgang van de huidige natuurtoestand inhoudt, is op zich genomen betekenisvol. De bestreden beslissing houdt een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken SBZ‟s in, minstens kan een dergelijke aantasting niet worden uitgesloten. In de verdere toelichting bij dit onderdeel stelt zij dat volgende habitattypes voorkomen in de onmiddellijke nabijheid van de vergunde activiteit: é0 dw, 4010, 6230 en 91E0. De habitattypes die voorkomen in de omgeving van de grondwaterwinning bevinden zich in een ongunstige staat van instandhouding. Er geldt voor deze habitattypes een herstelbeleid waarbij de IHD‟s een toename in oppervlakte en kwaliteit vooropstellen. Een van de grootste knelpunten betreft de hydrologie en het grondwaterpeil. Uit het S-IHD rapport voor het betrokken habitatrichtlijngebied blijkt dat alle vier deze habitattypes zich (globaal dan wel lokaal) in een (minstens gedeeltelijke) aangetaste staat van instandhouding bevinden. Wijzigingen van de natuurlijk hydrologie en ontwatering zijn hier één van de oorzaken van. Tevens geeft het S-IHD rapport aan dat verdroging één van de grootste knelpunten voor habitats én soorten is. Verder is nog vast te stellen dat in (onder meer) het managementplan Natura 2000 (versie 1.0) een aantal “prioritaire inspanningen” worden opgesomd voor het betrokken habitatrichtlijngebied. Prioritaire inspanningen zijn inspanningen die door de Vlaamse regering werden vastgesteld teneinde de instandhoudingsdoelstellingen VII-40.261-10/33 van een bepaalde SBZ te bereiken. Zij zijn derhalve vereist om een gunstige staat van instandhouding te bereiken en te behouden. Het betrokken deelgebied, waarin zowel het perceel waar de bestreden beslissing betrekking op heeft als het perceel van verzoekende partij is gelegen, is onder meer aangewezen voor de verwezenlijking van prioritaire inspanning nr. 4, die er onder meer in bestaat: “Het opheffen van lokale knelpunten hydrologie is noodzakelijk, zodat herstel en toename van grondwaterafhankelijke habitattypes duurzaam gerealiseerd kan worden en een voldoende tot goede SVI bereikt kan worden. Hierbij dient rekening gehouden met het feit dat een zodanige oppervlakte van deze habitattypes voorzien dient te worden dat een duurzaam behoud, herstel en ontwikkeling mogelijk is. Ook leef- en foerageergebieden van een aantal tot doel gestelde Bijlage I-soorten situeren zich in de vochtige tot natte sfeer (blauwborst, blauwe kiekendief, grote zilverreiger, kemphaan, regenwulp). Het herstel van de natuurlijke hydrologie (kwel-infiltratie relatie) impliceert mogelijk ook maatregelen in inzijggebieden buiten de SBZ. Maatregelen kunnen gaan van versnelde omvorming van naaldhout (beperken verdamping), het dempen van waterafvoerende grachten in bossen in de inzijggebieden tot meer civieltechnische ingrepen. In de meeste gevallen zal in functie van het opheffen van lokale knelpunten verder onderzoek noodzakelijk zijn naar de technische mogelijkheden en concrete afstemming van het peilbeheer, rekening houdend met andere aanwezige functies in en buiten de SBZ”. Zij stelt dat de Raad van State reeds heeft geoordeeld dat in het geval habitats van een betrokken gebied zich globaal gezien niet in een goede lokale staat van instandhouding bevinden, elke ingreep die een achteruitgang van de huidige natuurtoestand betekent, op zich genomen betekenisvol is. Daarnaast erkende de Raad van State dat ook herstelmaatregelen vervat zitten onder de “instandhouding” van een habitat en/of soort en dat de staat van instandhouding van een habitat pas als gunstig kan worden beschouwd wanneer onder andere het natuurlijke verspreidingsgebied van die habitat en de oppervlakte van die habitat binnen het betrokken gebied stabiel zijn of toenemen. Dat is te dezen ook het geval. De bestreden beslissing vergunt een grondwaterwinning die tot een daling van het grondwaterpeil zal leiden. Uit het (tweede) advies van ANB van 22 december 2017 blijkt dat bij de bespreking van scenario 4 in de (aangevulde) passende beoordeling er wordt gesteld dat na zeven dagen pompen méér dan 5 centimeter, maar minder dan 10 centimeter grondwaterverlaging te verwachten valt voor de dichtstbijzijnde droogtegevoelige vegetatie. Hieruit blijkt reeds dat er sprake is van een VII-40.261-11/33 betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken SBZ. De verlaging van het grondwaterpeil houdt een meetbaar en aantoonbaar gevolg in voor de staat van instandhouding van de betrokken habitats. Het feit dat het slechts gaat om de verlaging met een aantal centimeter is irrelevant: nu de habitats zich in een aangetaste staat van instandhouding bevinden en er hersteldoelen spelen, is elke achteruitgang van de huidige natuurtoestand betekenisvol. Om dezelfde reden is ook de voorwaarde dat het aantal dagen dat grondwater wordt onttrokken moet worden gewijzigd van 7 naar 6 niet dienstig. Deze voorwaarde belet namelijk niet dat er geen verlaging van het grondwaterpeil plaatsvindt. Het bestreden project houdt een betekenisvolle aantasting in van de natuurlijke kenmerken van de betrokken SBZ. Minstens kan een dergelijke aantasting niet worden uitgesloten. In een tweede onderdeel zet zij uiteen dat uit het advies van INBO enkel blijkt dat de gevolgen van de grondwaterverlaging ten aanzien van actuele habitats en de zoekzones voor habitats in een straal van 700 meter rond het betrokken terrein in kaart werden gebracht, wat strijdig is met de rechtspraak van het Hof van Justitie om gebieden die nog niet zijn gebruikt om habitat te verschaffen (potentiële gebieden), uit te sluiten bij de beoordeling van negatieve effecten van de vergunningsplichtige activiteit op de betrokken SBZ. Het (tweede) ongunstige advies van 22 december 2017 van ANB waaruit blijkt dat zij op basis van de voorliggende passende beoordeling “over onvoldoende informatie [beschikt] om betekenisvolle aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een speciale beschermingszone uit te sluiten”, wordt in de bestreden beslissing zelfs niet vermeld, waardoor, gelet op de onvolledige passende beoordeling, de verwerende partij in die omstandigheden niet kon voorhouden dat er redelijkerwijs geen twijfel bestond dat er geen schadelijke gevolgen zouden zijn voor de natuurlijke kenmerken van de betrokken SBZ‟s. In de verdere toelichting bij dit middelonderdeel stelt de verzoekende partij dat, zelfs indien de aanvullingen die op basis van het advies van INBO in de passende beoordeling zouden zijn verwerkt, de passende beoordeling onvolledig/ontoereikend is. De tweede versie van de passende beoordeling, waarvan de verzoekende partij geen kennis heeft, blijkt zich te beperken tot alle droogtegevoelige habitats en hun zoekzones in een straal van ongeveer 700 meter, VII-40.261-12/33 wat haaks staat op de rechtspraak en indruist tegen de doelstelling van de habitatrichtlijn, omdat gebieden die nog niet zijn gebruikt om habitat te verschaffen (namelijk potentiële gebieden), worden uitgesloten. Ook die gebieden moeten worden meegenomen bij het uitvoeren van een passende beoordeling. Dit geldt des te meer wanneer er voor het betrokken gebied hersteldoelen zijn vooropgesteld. De (herwerkte) passende beoordeling is derhalve onvolledig. In een derde onderdeel betoogt de verzoekende partij dat na het openbaar onderzoek de passende beoordeling door de tussenkomende partij aanzienlijk werd bijgestuurd, wat aanleiding heeft gegeven tot de bestreden beslissing en het opleggen van bijzondere vergunningsvoorwaarden, waarbij de conclusies van deze herwerkte passende beoordeling van decisieve invloed waren op de uitkomst van het besluitvormingsproces. In die omstandigheden is dan ook sprake van een miskenning van de waarborgen van het openbaar onderzoek. In de verdere toelichting laat de verzoekende partij gelden dat de ter inzagelegging van de stukken tijdens het openbaar onderzoek derden-belanghebbenden moet toelaten voldoende inzicht te krijgen in de beoogde exploitatie zodat zij op nuttige wijze hun bezwaarrecht kunnen uitoefenen. Nadien mag het voorwerp van de aanvraag niet meer essentieel worden gewijzigd. Bijkomende stukken indienen die, zonder het eigenlijke voorwerp van het aangevraagde te wijzigen, strekken tot verduidelijking, aanvulling of verbetering zijn wel toegelaten. Die mogelijkheid geldt niet voor stukken die essentieel zijn voor een volledige en correcte inschatting van de aan de exploitatie verbonden nadelen en risico‟s. Er is sprake van een uitholling van het openbaar onderzoek wanneer derden-belanghebbenden bij de uitoefening van hun inzage- en bezwaarrecht geen kennis kunnen krijgen van gegevens of documenten zonder dewelke de vergunning niet kan worden verleend. Te dezen was er in het aanvraagdossier tijdens het openbaar onderzoek, een onvolledige passende beoordeling. Dit blijkt ook uit de adviezen van ANB en INBO. Na het openbaar onderzoek heeft de aanvrager de passende beoordeling herwerkt. Er werd een nieuw openbaar onderzoek georganiseerd. Hoewel deze “tweede versie” volgens het advies van ANB van 22 december 2017 nog steeds onvolledig was, besliste de verwerende partij op basis van deze passende beoordeling om de vergunning te VII-40.261-13/33 verlenen. De conclusies van deze passende beoordeling, waarvan derden geen kennis hadden, hebben aldus een decisieve invloed gehad op de uitkomst van het besluitvormingsproces, waardoor het openbaar onderzoek werd uitgehold. 19. De verwerende partij repliceert: Eerste onderdeel “Hierover dient te worden gesteld dat het ANB per mail van 30 november 2017 meldde dat de nieuwe grondwatermodellering de gevraagde informatie bevat, maar dat zij zich wel vragen stelde bij een conclusie die getrokken wordt: Ter hoogte van de bespreking van scenario 4 wordt gesteld dat na 7 dagen pompen, meer dan 5 cm, maar minder dan 10 cm grondwaterverlaging te verwachten valt voor de dichtstbijzijnde droogtegevoelige vegetatie. Meer dan 5 cm, er wordt dus een negatief effect verwacht. Er wordt vervolgens gesteld dat er volledig herstel optreedt na 7 dagen niet pompen. Verder merkt het ANB op dat onderstaande conclusie wordt genomen, die niet correct is: „Indien er gedurende een intensieve irrigatieperiode aan 350 m³/dag wordt onttrokken (ook voor onttrekkingsputten in de buurt), zal de daling van het grondwater lager blijven dan 5 cm in droogtegevoelige gebieden, op voorwaarde dat niet langer dan 7 dagen wordt onttrokken, waarna een rustperiode dient te volgen van ten minste 7 dagen (scenario 4).‟ Na 7 dagen pompen wordt er echter wel een daling van meer dan 5 cm verwacht op de droogtegevoelige vegetatie, wat ook vermeld staat in het dossier. De conclusie die getrokken wordt, dient herbekeken te worden. Het ANB meent dat er eveneens een nieuwe/aangepaste passende beoordeling dient opgemaakt te worden waarin de nu relevante scenario's - deze besproken in het nieuwe grondwatermodel - worden opgenomen. Na het ontvangen van deze passende beoordeling kan het ANB overgaan tot de opmaak van een formeel advies. Op de zitting van de PMVC merkte de vertegenwoordiger van de exploitant op dat in scenario 4 na 7 dagen pompen de grondwaterverlaging meer dan 5 cm zal bedragen voor de dichtstbijzijnde droogtegevoelige vegetatie. De exploitant stelt daarom voor om het aantal dagen dat er grondwater wordt onttrokken te wijzigen van 7 naar 6, met een herstelperiode van 7 dagen. Op die manier kan de grondwatertafel zich voldoende herstellen. Er wordt ook opgemerkt dat scenario 4 weinig zal voorkomen. Op grond van deze overwegingen kwam de deputatie tot de conclusie dat volgende bijzondere voorwaarden dienden te worden opgelegd, net om te voorkomen dat er sprake zou zijn van een significante grondwaterverlaging: - Beregening is in de maanden mei, juni, juli, augustus en september enkel toegelaten tussen 17 uur „s avonds en 11 uur „s morgens. - Bij een continue onttrekking van grondwater gedurende 50 dagen met een maximaal debiet van 50 m³/dag (= scenario 4 uit het aangepaste grondwatermodel), mag er maximaal gedurende 6 opeenvolgende dagen VII-40.261-14/33 grondwater onttrokken worden. Vervolgens dient er een herstelperiode van minimaal 7 dagen in acht genomen te worden. Daarenboven wordt opgemerkt dat, zoals ook letterlijk wordt weergegeven in het bestreden besluit, mits naleving van de voorgestelde voorwaarden, tegemoet wordt gekomen aan de opmerking van het ANB over de passende beoordeling. Het is net door het opleggen van deze voorwaarden dat de deputatie de grondwaterverlaging wilde voorkomen of alleszins zoveel mogelijk beperken. Tevens wordt opgemerkt dat verzoeker stelt dat de grondwaterverlaging tussen de 5 cm en 10 cm zou liggen (quod non), wat hoe dan ook niet kan worden aanzien ais een significante en betekenisvolle grondwaterverlaging. Daarenboven wordt nog benadrukt dat de ANB zelf stelt dat er een volledig herstel optreedt na 7 dagen niet pompen, zodat het alleszins onjuist is te beweren dat de voorgestelde voorwaarden onvoldoende zouden zijn en er sprake zou zijn van een grondwaterverlaging. Hieruit vloeit voort dat ook ANB erkent, in tegenstelling tot wat verzoeker beweert, dat de situatie als gevolg van deze vergunning alleszins niet dermate is dat er voor een aantasting van de habitats moet worden gevreesd. Het eerste middelonderdeel is derhalve ongegrond”. Tweede onderdeel “Hierop dient ten eerste te worden gerepliceerd met te verwijzen naar de repliek zoals gegeven in het eerste middelonderdeel. Verder wordt verwezen naar het feit dat ook de AMV een gunstig advies verleende en van oordeel is dat het beroep als gegrond kan worden beschouwd en de vergunning kan worden verleend omdat: - de exploitant in graad van beroep alle noodzakelijk geachte stukken heeft bezorgd; - het INBO deze stukken heeft ingekeken en meent dat de aanvraag nu wel gunstig kan worden beoordeeld; - de AOW de aanvraag reeds eerder gunstig had beoordeeld. De AOW bevestigde haar oorspronkelijke, voorwaardelijk gunstige advies. Dit houdt in dat de AOW een gunstig advies verleent op voorwaarde dat de passende beoordeling gunstig geadviseerd wordt door het ANB, wat in casu ook gebeurde. De gehanteerde straal van 700 meter is in dergelijke gevallen gebruikelijk en het is uiteraard onmogelijk om over onbeperkte afstand een zoekzone voor habitats te verrichten, zoals verzoeker suggereert. De deputatie kan immers betrouwen op de deskundigheid van betrokkenen. Met betrekking tot de verleende adviezen stelt vaststaande rechtspraak van de Raad van State dat indien de bevoegde overheid vaststelt dat een advies op een grondige, objectieve en functiegerichte wijze werd opgesteld, ze dit advies mag verheffen tot het hare (R.v.St., 27 augustus 1992, nr. 40.149), wat in casu dan ook is gebeurd. Het tweede middelonderdeel is derhalve ongegrond”. VII-40.261-15/33 Derde onderdeel “Hierover dient te worden gesteld dat wat betreft het gevoerde openbaar onderzoek door de stad Turnhout alle geldende regels werden gevolgd. De stad heeft inzage verleend in alle op het moment van het openbaar onderzoek voorhanden zijnde documenten. Meer kon ze op dat moment uiteraard niet doen. Uiteraard kan men documenten waar men op het moment van het openbaar onderzoek nog geen beschikking over had, niet ter inzage leggen. De op het moment van openbaar onderzoek geldende passende beoordeling werd kenbaar gemaakt, zoals voorgeschreven in de geldende wetgeving. Daarenboven kan verzoeker op geen enkele wijze het bewijs leveren dat er hier sprake is van een schending van het openbaar onderzoek. Voor het overige wordt verwezen naar de argumentatie zoals vermeld in het eerste en tweede middelonderdeel. Het eerste middel is ongegrond”. 20. De tussenkomende partij repliceert: “I. Eerste onderdeel 17. Het ganse betoog van Natuurpunt vzw steunt hier zoals gezegd op de bemerking van het ANB dat bij scenario 4 van de passende beoordeling wordt gesteld dat na 7 dagen pompen meer dan 5cm (maar minder dan 10
- cm)waterverlaging te verwachten valt voor de dichtstbijzijnde droogtegevoelige vegetatie (doch niet voor de overige zones!). Dit verwacht „negatief effect‟ zou in strijd zijn met de instandhoudingsdoelstellingen. 18. Artikel 6, derde lid van de Habitatrichtlijn voorziet in het systeem van de passende beoordeling. In essentie komt het erop neer dat elk vergunningplichtige activiteit, plan of project welke zich bevindt in of nabij een Natura 2000-gebied (speciale beschermingszone) en die een betekenisvolle aantasting kan veroorzaken op de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, onderworpen moet worden aan een passende beoordeling. Als de vergunningverlenende overheid wordt gevat door een aanvraag, dient zij er zorg voor te dragen, door het opleggen van voorwaarden of het weigeren van de vergunning, dat er geen vermijdbare schade aan de natuur ontstaat. 19. Welnu, dit laatste is precies wat de verwerende partij heeft gedaan. Het relaas van Natuurpunt vzw over de staat van verdroging van de grondwaterstand en het eventuele negatieve impact op de besproken habitattypes is nu eenmaal de reden waarom QAF bij de aanvraag een passende beoordeling heeft gevoegd. Dit wordt erkend op p. 2 van de passende beoordeling: „(...) Het voorwerp van de aanvraag betreft een grondwaterwinning gelegen binnen habitat- en vogelrichtlijngebied. De onttrekking zou aangewend worden om de omliggende akkers te beregenen. Mogelijks kan de onttrekking een invloed hebben op het grondwater in de omgeving. Gezien VII-40.261-16/33 dit grondwater belangrijk is voor de instandhouding van bepaalde Europees beschermde habitats en soorten, dient het effect van de grondwaterwinning te worden onderzocht Eerst wordt een situering gegeven van de aandachtsgebieden in de omgeving van het bedrijventerrein. Vervolgens zal de invloed van de onttrekking op de omgeving worden nagegaan.‟ Het is in die passende beoordeling dat de grootste knelpunten op het vlak van de impact op en het behoud van de lokale hydrologie wordt besproken in functie van de aanvraag. Natuurpunt vzw faalt voorts in haar betoog dat de door de Vlaamse Regering beoogde gunstige staat van instandhouding van de betreffende speciale beschermingszone zou worden doorkruist. In het bijzonder maakt Natuurpunt vzw niet aannemelijk dat de bestreden beslissing een aanvraag vergund heeft die effectief een betekenisvolle achteruitgang van de huidige staat veroorzaakt. Hier dient met klem te worden gewezen op de bijzondere voorwaarde die de verwerende partij QAF heeft opgelegd (art. 4, §3): „§3. Bijzondere: - Beregening is in de maanden mei, juni, juli, augustus en september enkel toegelaten tussen 17 uur „s avonds en 11 uur ‟s morgens. - Bij een continue onttrekking van grondwater gedurende 50 dagen met een maximaal debiet van 50 m³/dag (scenario 4 uit het aangepaste grondwatermodel), mag er maximaal gedurende 6 opeenvolgende dagen grondwater onttrokken worden. Vervolgens dient er een herstelperiode van minimaal 7 dagen in acht genomen te worden.‟ 20. Eén en ander is het gevolg van de volgende bevindingen. In de passende beoordeling werd als volgt overwogen: „Verdroging Teneinde de invloedstraal van de grondwaterwinning na te gaan en de invloed van de winning op de gevoelige receptoren (de habitattypen of zoekzones, zie bijlage 1) te bepalen, werd een grondwatermodellering uitgevoerd met het programma MODFLOW. Deze studie werd uitgevoerd door een erkende MER-deskundige water Peter Hermans. De studie is vervat in bijlage 4. Ter bepaling van de invloedstraal dient men te beschikken over een reeks gegevens, waaronder de geologie van de onderzoekslocatie, de grondwaterstand, de diepte van de onttrekking, andere onttrekkingen... Deze werden onderzocht en bepaald binnen de studie. Met behulp van deze gegevens werd de invloedstraal nagegaan waar de contour van de grondwaterafdaling maximaal 5 centimeter bedraagt Dit is conform de regels bij de opmaak van een MER, teneinde droogtegevoelige vegetatie te vrijwaren van een verdrogend effect.‟ De gehanteerde contour werd aldus bepaald in functie van de gevoelige zones in de omgeving, alsook in functie van de verwachte vermindering van de grondwaterstand met maximaal 5 centimeter. Dit is ook een gebruikelijke werkwijze bij de opmaak van MER-studies. Bij de MODFLOW werden daarnaast een reeks simulaties uitgevoerd waarin gedurende een bepaalde periode water wordt onttrokken aan een bepaald debiet, gevolgd door een periode stilstand (niet pompen). VII-40.261-17/33 Uit deze studie is gebleken dat er geen significante invloed kan worden verwacht uitgaande van de grondwaterwinning op de omgeving en andere winningen voor de gewenste toestand indien er maximaal 2 dagen zijn aan de maximale continue onttrekking, gevolgd door 1 dag stilstand (recuperatie). Tegelijkertijd werd hierin besloten dat er in de praktijk nooit continu wordt gepompt aan een maximaal debiet, laat staan op dergelijke korte periode. In een advies dd. 22 juni 2017 stelde het ANB dat de passende beoordeling onvolledig zou zijn en daarvoor verwees het ANB naar het onderzoek dat op haar verzoek door het INBO werd uitgevoerd. […] Het INBO adviseerde op 20 juni 2017 dat de „voorgestelde aanpak voor de grondwatermodellering (…) grotendeels [voldoet] om een inschatting te maken van de te verwachten verlaging van het grondwaterpeil‟. […] Tezelfdertijd maakte het INBO enkele opmerkingen waarover QAF meer uitsluitsel diende te geven. Om die reden stelde het ANB op p. 2/3 van haar advies dat: „de uitgevoerde grondwatermodellering dient te worden aangepast o.b.v. de bemerkingen van het INBO‟. De gevraagde informatie werd door QAF -n.a.v. de beroepsprocedure bij de verwerende partij- bezorgd met een e-mail dd. 12 oktober 2017 […] met de volgende toelichting: „Bij deze bezorgen wij jullie de bijkomende gevraagde modelleringen van het INBO en ANB omtrent het dossier van [QAF] voor een beregeningsput gelegen te Watertappingsstraat z/n in Turnhout. Daarnaast bezorgen wij u ook nog de communicatie die we gevoerd hebben met Toon van Daele van INBO. In deze communicatie hebben wij het één en ander verduidelijkt omtrent de opgemaakte modellering en de gestelde vragen van INBO. Wij hopen met deze extra informatie voldoende verduidelijking te hebben gegeven bij de opmerkingen en vragen omtrent het dossier.‟ Uiteindelijk heeft het INBO geen verdere bemerkingen op deze bijgebrachte informatie gegeven. Een gunstig standpunt werd ingenomen. Enkel het ANB heeft, ditmaal zonder te steunen op een advies van het INBO, op 22 december 2017 nog aangegeven dat er bij scenario 4 ter hoogte van de droogtegevoelige vegetatie na zeven dagen pompen [net] méér dan 5 cm grondwaterverlaging te verwachten valt. Dit (tijdelijk) gegeven op zich zou niet aanvaardbaar zijn, aldus het ANB. Tegelijkertijd gaf het ANB evenwel ook aan dat er inderdaad een volledig herstel optreedt, zelfs in bedoeld scenario, na zeven dagen niet pompen. Het ongunstige standpunt van ANB werd niet bijgetreden door de afdeling Milieuvergunningen (AGOP-M) in haar advies dd. 20 november 2017, evenmin door de afdeling Operationeel Waterbeheer. Teneinde aan de finale zienswijze van het ANB tegemoet te komen, heeft de PMVC op voorstel van de adviseur van QAF aan de verwerende partij gesuggereerd om het aantal dagen onttrekking in scenario 4 te verminderen, doch met behoud van de oorspronkelijke herstelperiode. Hierdoor wordt verzekerd dat de grondwatertafel de mogelijkheid heeft om zich te herstellen tot het bestaande niveau. Natuurpunt vzw stelt niet dat dit niet juist zou zijn en/of niet zou volstaan, laat staan dat zij zulks zou aantonen. VII-40.261-18/33 Eén en ander uiteraard onverminderd de vaststelling dat scenario 4 (zijnde een intensieve periode van onttrekking aan een zeer hoog debiet) in de praktijk omzeggens nooit, minstens zeer weinig voorkomt. Natuurpunt vzw toont niet aan dat de alsdan opgelegde bijzondere voorwaarde niet volstaat om de door haar gevreesde achteruitgang te voorkomen. Er is evenmin sprake van een permanente verlaging van het grondwaterpeil met een aantal centimeters. Dankzij de periode van recuperatie, die in het meest extreme scenario nog eens groter werd gemaakt dat de irrigatieperiode zelf, vermocht de verwerende partij in alle redelijkheid oordelen dat ook de betreffende droogtegevoelige vegetatie wordt gevrijwaard. Dit geldt zoals gezegd eens te meer in de situatie dat het ANB zelf niet betwist dat er zelfs bij een langere irrigatieperiode na zeven dagen recuperatie een volledig herstel plaatsvindt. 21. Het eerste onderdeel is bijgevolg ongegrond. ii. Tweede onderdeel 22. De stelling van Natuurpunt vzw is in eerste instantie terug te voeren tot de bemerking van het INBO op 20 juni 2017 dat „het aangewezen [is] om voor alle habitats binnen een straal van ongeveer 700 m de berekende verlaging weer te geven en dit steeds aan de rand van de betrokken habitat of zoekzone die het dichtst bij de winning gelegen is‟ In de aanvullende gegevens (in graad van administratief beroep), zoals blijkt uit de e-mail dd. 5 oktober 2017 aan het INBO […], heeft QAF verduidelijkt dat „in een straal van 700m (...) de verlagingen voor droogtegevoelige habitats, aan de rand van de desbetreffende habitats, [zijn] opgelijst‟. Als verantwoording wordt in de passende beoordeling het volgende overwogen: „Criterium grondwaterdaling De invloed van de winning wordt beoordeeld op basis van de contour voor een grondwaterdaling van 5 cm (droogtegevoelige vegetatie) en 50 cm (grondwaterwinningen in de omgeving). Gezien de grondwaterwinningen in de omgeving zich allen verder bevinden dan de droogtegevoelige vegetatie en de vijver, worden enkel deze laatste receptoren beschouwd in de evaluatie.‟ Het is uiteraard geenszins onredelijk om bij een theoretische inschatting van de verwachte schommelingen op het grondwaterpeil uit te gaan van de gekende mogelijke droogtegevoelige zones / vegetaties binnen de betreffende speciale beschermingszone. Uit de geciteerde rechtspraak van Uw Raad dd. 12 mei 2017 (nr. 238.181) volgt hoegenaamd niet dat wat Natuurpunt vzw voorhoudt, met name dat de ganse speciale beschermingszone in kaart zou moeten worden gebracht en in het bijzonder ook de delen ervan die nog niet zijn gebruikt om habitat te verschaffen. In die zaak werd in de passende beoordeling immers uitdrukkelijk erkend dat een zone gekwalificeerd als „zuurminnend eikenbos‟ ingevolge het gewestelijk RUP effectief zal verdwijnen, doch dit zou geen probleem zijn omdat dit bostype „nog niet volledig tot het oude bostype habitat 9190‟ zou VII-40.261-19/33 behoren en slechts de „potentie daartoe‟ had, aldus de passende beoordeling. Dergelijke situatie is hier uiteraard niet aan de orde. In casu werden geenszins potentiële habitats buiten beschouwing gelaten, laat staan in de wetenschap dat deze mogelijks negatief zouden worden geraakt door de aanvraag. De enige relevante receptoren die volgens de MER-deskundige konden worden gevonden en als dusdanig ook mee werden genomen in de studie betroffen de naburige droogtegevoelige vegetaties en de noordoostelijk gelegen vijver. Dit wordt niet tegengesproken door Natuurpunt vzw. In dat verband valt het inderdaad op dat Natuurpunt vzw niet aangeeft welke andere zones / habitats dan wél bepaalde potenties zouden hebben gehad dewelke als gevolg daarvan noodzakelijk mee in rekening hadden moeten zijn gebracht. De in de passende beoordeling gehanteerde straal van 700m is bovendien een betrouwbare en voldoende perimeter om de impact van één en ander in te schatten, zonder dat kan worden verwacht dat over een onbeperkte afstand de impact naar (andere) zoekzones / (niet-actuele) habitats wordt onderzocht. 23. Het tweede onderdeel is bijaldien ongegrond. iii. Derde onderdeel 24. De visie van Natuurpunt vzw dat het bijbrengen van nieuwe informatie in casu problematisch zou zijn omdat daardoor de regels van het openbaar onderzoek zouden zijn gefnuikt, kan niet worden bijgetreden. Op p. 24 van haar verzoekschrift geeft Natuurpunt vzw terecht aan dat het voorwerp van de aanvraag en de dossiersamenstelling „in beginsel‟ niet mag gewijzigd worden in de loop van de vergunningenprocedure. Er zijn inderdaad diverse uitzonderingen op dit uitgangspunt. In de praktijk wordt bovendien in de rechtspraak, zeker voor milieuvergunningsaanvragen, een eerder soepele houding aan de dag gelegd, wat ook nodig wordt geacht om de milieuvergunningsprocedure werkbaar te houden. (zie: G. VERHELST, „Drie stelregels in verband met het aanvullen van de vergunningsaanvraag en cours de route‟, TOO 2016, nr. 3, 418) 25. In casu is vooreerst het voorwerp van de aanvraag ongewijzigd gebleven. De vergunningsplichtige indelingsrubriek is dezelfde gebleven zodat vanuit deze invalshoek niemand in zijn of haar verwachtingen werd verschalkt. 26. Verder is het zo dat het de aanvrager toegelaten is om zijn of haar aanvraag te verduidelijken, aan te vullen of te verbeteren, bijvoorbeeld in functie van de resultaten van het openbaar onderzoek of op verzoek van een adviesverlenende instantie. (zie o.a.: RvS 21 juni 2012, nr. 219.884 i.v.m. een akoestische studie; RvS27 februari 2014, nr. 226.569 i.v.m. een aanvullende veiligheidsstudie) Welnu, in casu zijn de door QAF bijgebrachte gegevens in de loop van de beroepsprocedure het rechtstreekse gevolg van het bezwaar tijdens het openbaar onderzoek en het advies van ANB in combinatie met dat van het INBO. VII-40.261-20/33 Zulks staat niet ter discussie. Dit wordt ook niet betwist door Natuurpunt vzw. Zelfs een volledig nieuwe / bijkomende studie zou in die optiek kunnen worden aanvaard om de geuite kritiek te weerleggen. (zie: RvS 24 april 2014, nr. 227.165) 27. Daarnaast heeft het ANB als adviesverlenende instantie zich opnieuw kunnen uitspreken over de bijgebrachte informatie, hetgeen zij ook heeft gedaan. Er kan dus niet worden gezegd dat de verwerende partij zich in een technische aangelegenheid zoals te dezen niet heeft omringd met de vereiste wetenschappelijke en gespecialiseerde inlichtingen uitgaande van een adviesverlenende instantie. (zie: RvS 7 juli 2011, nr. 214.498 en RvS 5 juni 2008, nr. 183.800) De verwerende partij heeft zich aldus met de vereiste zorgvuldigheid laten inlichten over een deskundige aangelegenheid. 28. Ten slotte kan in casu niet worden gesteld dat de bijgebrachte informatie als „essentiële stukken‟ moeten worden beschouwd in de zin dat zonder deze informatie derde-belanghebbenden niet konden inschatten welke hinder en risico‟s aan de exploitatie verbonden zijn en die mogelijks van aard zijn hun leefomgeving of belangen nadelig te beïnvloeden. Het arrest Mertens van Uw Raad dd. 19 juni 2014 (nr. 227.742) wordt in dit verband tevergeefs door Natuurpunt vzw aangehaald. Aldaar werd immers geoordeeld dat niet kan worden aanvaard dat een aanvraag die geen passende beoordeling bevatte, ofschoon zulks wél vereist was, naderhand nog wordt aangevuld met dergelijke passende beoordeling terwijl deze niet in openbaar onderzoek had gelegen en dit stuk tevens als essentieel werd beschouwd. In casu was er uiteraard wel degelijk een passende beoordeling gevoegd bij de aanvraag die slechts op enkele punten door QAF, in functie van de bemerkingen van het INBO, werd aangepast / verduidelijkt. Er kan dus hoegenaamd niet gezegd worden dat Natuurpunt vzw geen concrete inschatting zou hebben kunnen maken van de eventuele hinder en/of nadelen met als gevolg dat haar inspraakrechten zouden zijn uitgehold. De vergelijking met bovenvermeld arrest van Uw Raad gaat bijgevolg geenszins op. Het loutere feit dat de verwerende partij finaal de aanvraag ondanks de (alsnog) door het ANB onvolledig geachte passende beoordeling heeft ingewilligd, speelt bij dit alles uiteraard geen enkele rol vermits het elk bestuur toegelaten is om gemotiveerd af te wijken van een advies, te meer alwaar de verwerende partij in casu kon steunen op diverse andere gunstige adviezen en een bijzondere vergunningsvoorwaarde heeft opgelegd teneinde elke mogelijke discussie uit te sluiten. Louter volledigheidshalve kan bovendien de vraag worden gesteld welk belang Natuurpunt vzw bij dit betoog kan doen gelden vermits zij zich gegriefd acht door het feit geen kennis te hebben gehad van een document dewelke, volgens haar, onvolledig en onjuist zou zijn. 29. Het derde middel is dan ook onontvankelijk, minstens ongegrond”. VII-40.261-21/33 21. De verzoekende partij dupliceert in haar laatste memorie wat het eerste onderdeel betreft, dat haar kritiek erin bestaat dat op basis van de gegevens uit de passende beoordeling en de adviezen, ten onrechte tot de conclusie werd gekomen dat er geen sprake zou zijn van een betekenisvolle aantasting en de aanvraag de toets aan artikel 36ter, §§ 3 en 4 van het natuurbehouddecreet doorstaat. Zij kan enkel vaststellen dat de aanvrager, de adviserende instanties en de vergunningverlenende overheid abstractie maken van de huidige staat van instandhouding, de bedreigingen en knelpunten van het gebied, de prioritaire inspanningen én de vooropgestelde instandhoudingsdoelstellingen, die een toename van de kwaliteit vooropstellen (onder andere het herstel van de lokale hydrologie). Nochtans moet de vraag of het bestreden project een betekenisvolle aantasting kan veroorzaken voor de natuurlijke kenmerken van de betrokken SBZ in het licht van deze elementen worden beoordeeld. De passende beoordeling is ontoereikend op dit vlak. Voorts moet worden vastgesteld dat het bestreden project gepaard gaat met een verlaging van de grondwaterstand. De bestreden beslissing laat namelijk toe dat gedurende zes opeenvolgende dagen grondwater kan worden onttrokken, wat resulteert in de verlaging van de grondwaterstand, hetgeen haaks staat op de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken SBZ. Het oppompverbod na deze periode doet hieraan geen afbreuk, temeer daar het S-IHD rapport stelt dat grondwaterschommelingen moeten worden vermeden. Dit geldt des te meer nu de IHD‟s uitgaan van hersteldoelen en de betrokken habitats zich in een aangetaste staat van instandhouding bevinden (onder andere omwille van wijzigingen van de natuurlijke hydrologie en ontwatering), hetgeen inhoudt dat elke ingreep die een achteruitgang van de huidige natuurtoestand betekent, op zich genomen betekenisvol is. Het argument dat er geen sprake zou zijn van een permanente verlaging van het grondwaterpeil is niet nuttig, aangezien een stabilisering van de grondwaterstand wordt nagestreefd. De verwerende partij oordeelde ten onrechte dat er geen sprake kan zijn van een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken SBZ. De passende beoordeling is gebrekkig. Met betrekking tot het tweede onderdeel wijst de verzoekende partij erop dat door uit te gaan van een dubbele restrictie (met name het onderzoek te beperken tot een straal van 700 meter en binnen die 700 meter enkel te kijken VII-40.261-22/33 naar zoekzones en actuele habitats) het in de passende beoordeling gevoerde onderzoek niet voldoet aan de verplichtingen uit artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn. Dit geldt des te meer nu de zoekzones nog niet zijn vastgesteld door de Vlaamse regering, maar slechts een voorlopige aanduiding betreffen. Dat verzoekende partij niet zou aangeven welke zones wel potenties hebben om nieuwe habitats te ontwikkelen, is niet nodig: voor het volledige deelgebied wordt een toename in kwaliteit en oppervlakte van bepaalde habitats vooropgesteld. Het hele gebied, dat om die reden is aangewezen als SBZ, moet dan ook worden beschouwd als potentieel van belang. Bij het derde onderdeel stelt de verzoekende partij vast dat noch de tussenkomende, noch de verwerende partij betwist dat de herwerkte passende beoordeling niet ter inzage heeft gelegen tijdens het openbaar onderzoek en noch de tussenkomende, noch de verwerende partij betwist dat deze herwerkte passende beoordeling aanleiding heeft gegeven tot het opleggen van een bijzondere voorwaarde, waardoor de vergunning kon worden verleend. Volgens de rechtspraak is er sprake van een uitholling van het openbaar onderzoek wanneer derden-belanghebbenden bij de uitoefening van hun inzage- en bezwaarrecht geen kennis kunnen krijgen van gegevens of documenten zonder dewelke de vergunning niet kan worden verleend. Dit is het geval wanneer de nieuwe gegevens of documenten aan de basis liggen van een of meerdere bijzondere exploitatievoorwaarden zonder dewelke de vergunning niet had kunnen worden verleend of de conclusies van die gegevens of documenten van decisieve invloed waren op de uitkomst van het beslissingsproces. 22. In de laatste memorie stelt de verwerende partij met betrekking tot het eerste middelonderdeel dat de bijzondere voorwaarden werden opgelegd “net om te voorkomen dat er sprake zou zijn van een significante grondwaterverlaging”, dat hiermee werd tegemoet gekomen “aan de opmerking van het ANB over de passende beoordeling”, dat een grondwaterverlaging tussen de 5 centimeter en 10 centimeter “hoe dan ook niet kan worden aanzien als een significante en betekenisvolle grondwaterverlaging”. VII-40.261-23/33 Beoordeling 23. Artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn luidt: “Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo‟n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden”. De geschonden geachte paragrafen van artikel 36ter van het natuurbehouddecreet luiden in de op het geding toepasselijke versie: “§ 3 Een vergunningsplichtige activiteit die, of een plan of programma dat, afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma‟s, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, dient onderworpen te worden aan een passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone. De verplichting tot het uitvoeren van een passende beoordeling geldt ook indien wegens het verstrijken van de lopende vergunning van de vergunningsplichtige activiteit een nieuwe vergunning moet worden aangevraagd. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de passende beoordeling. Voor een plan of programma zoals gedefinieerd in artikel 4.1.1, § 1, 4°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, alsook de wijziging ervan, waarvoor, gelet op het betekenisvolle effect op een speciale beschermingszone, een passende beoordeling is vereist, is hoofdstuk II van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid van toepassing. Wat betreft een plan of programma als vermeld in het vierde lid, dat geen ruimtelijk uitvoeringsplan is, maakt de passende beoordeling deel uit van de documenten die de initiatiefnemer bij het onderzoek tot milieueffectrapportage, vermeld in titel IV, hoofdstuk II, afdeling 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, bezorgt aan de dienst, bevoegd voor milieueffectrapportage. Als de initiatiefnemer een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de VII-40.261-24/33 verplichting inzake milieueffectrapportage indient als vermeld in artikel 4.2.3, § 3ter, van het voormelde decreet, maakt de passende beoordeling deel uit van dat verzoek. Als een plan-MER wordt opgemaakt, wordt de passende beoordeling daarin geïntegreerd. Bij een plan of programma als vermeld in het vierde lid, dat een ruimtelijk uitvoeringsplan is, maakt de passende beoordeling, als er geen plan-MER moet worden opgemaakt, zo mogelijk al deel uit van de startnota, vermeld in artikel 2.2.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, en in elk geval van de scopingnota, vermeld in het voormelde artikel. Als uit de scopingnota blijkt dat een plan-MER moet worden opgemaakt, wordt de passende beoordeling in het plan-MER geïntegreerd. Indien een vergunningsplichtige activiteit overeenkomstig artikel 4.3.2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid onderworpen is aan de verplichting tot opmaak van een project-MER, wordt overeenkomstig hoofdstuk III van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid een project-MER opgemaakt. De passende beoordeling wordt geïntegreerd in het project-MER of in het gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de verplichting tot het opstellen van een project-MER, vermeld in artikel 4.3.3, § 4, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. De Vlaamse Regering kan nadere regels van integratie en herkenbaarheid van de passende beoordeling in de milieueffectrapportage bepalen. Indien een vergunningsplichtige activiteit of een plan of programma niet onderworpen is aan de verplichting tot milieueffectrapportage overeenkomstig de wetgeving in uitvoering van de project-MERrichtlijn of de plan-MERrichtlijn, vraagt de administratieve overheid steeds het advies van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen in verband met de inhoud en de vorm van de passende beoordeling. §4 De overheid die over een vergunningsaanvraag, een plan of programma moet beslissen, mag de vergunning slechts toestaan of het plan of programma slechts goedkeuren indien het plan of programma of de uitvoering van de activiteit geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale beschermingszone kan veroorzaken. De bevoegde overheid draagt er steeds zorg voor dat door het opleggen van voorwaarden er geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan ontstaan. […]”. Artikel 11 van het milieuvergunningsdecreet in de op het geding toepasselijke versie luidt: “Artikel 11 §1 Behoudens andersluidende bepalingen, wordt elke beslissing over een vergunningsaanvraag voorafgegaan door een openbaar onderzoek dat VII-40.261-25/33 wordt ingesteld volgens de modaliteiten en binnen de termijnen bepaald door de Vlaamse regering. §2 Op initiatief van het college van burgemeester en schepenen kan voor alle vergunningsplichtige inrichtingen een informatievergadering worden georganiseerd. Voor de inrichtingen van de eerste klasse waarvoor een milieueffect- of veiligheidsrapport wordt vereist, moet ten minste één informatievergadering worden georganiseerd. Een informatievergadering is niet vereist als door de overheid bij wie de aanvraag is ingediend of de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage, beslist wordt dat er geen milieueffectrapport vereist is. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels in verband met de organisatie van deze vergadering”. Luidens de in het geding toepasselijke versie van artikel 17, eerste lid, van het milieuvergunningsdecreet dient de beslissing over de vergunningsaanvraag met redenen omkleed te zijn. Artikel 50, 3°, b), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning in de op het geding toepasselijke versie, bepaalt dat de uitspraak in beroep “een gemotiveerde beslissing” moet omvatten “over de aanspraken en bezwaren die door de indiener(
- s)van het beroep werden gesteld”. Luidens artikel 2 van de motiveringswet moeten alle bestuurshandelingen met individuele strekking uitdrukkelijk worden gemotiveerd en luidens artikel 3 van de motiveringswet moet de motivering de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en moet de motivering afdoende zijn. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals opgelegd door de motiveringswet, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid VII-40.261-26/33 tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Bij milieuvergunningen kan de overheid van de uitgebrachte adviezen afwijken, op grond van een eigen beoordeling, zo lang die niet kennelijk onredelijk is en op afdoende wijze wordt verantwoord. Een beslissing die de feitelijke en juridische gronden vermeldt en die de fundamentele redenen doet kennen waaruit kan worden afgeleid waarom andersluidende adviezen niet worden gevolgd, beantwoordt in beginsel aan de vereisten van een afdoende formele motivering. Aldus is de beslissingnemende overheid, in het kader van de formele motiveringsplicht, niet verplicht zich ten aanzien van elk advies afzonderlijk uit te spreken waarom het niet wordt bijgetreden. Dit geldt nog minder ten aanzien van bepaalde punten of onderdelen van een welbepaald advies. Wanneer evenwel de overheid afwijkt van een voorafgaand advies dat op duidelijke en concrete elementen is gesteund, moet dit des te concreter en preciezer worden vermeld in haar eigen motivering. In dergelijke gevallen mag de overheid zich niet beperken tot het niet-gemotiveerd tegenspreken van het advies, doch dient zij integendeel duidelijk te maken, in de genomen beslissing, waarom zij van oordeel is dat het uitgebrachte advies niet kan worden gevolgd. De materiëlemotiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Die motieven moeten steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Zij moeten kenbaar, feitelijk juist en draagkrachtig zijn. Zij moeten de beslissing dus rechtens kunnen dragen en verantwoorden. Bij het onderzoek van de vraag naar de materiële motivering van de bestreden beslissing moet de Raad van State derhalve onderzoeken of de concrete gegevens van het dossier de vermelde motieven op een deugdelijke wijze onderbouwen. VII-40.261-27/33 Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De zorgvuldigheid verplicht de overheid er onder meer toe om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en ervoor te zorgen dat de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk onderzocht worden, zodat de overheid met kennis van zaken kan beslissen. Artikel 1.2.1, § 2 DABM bepaalt dat het milieubeleid onder meer moet berusten op het voorzorgsbeginsel dat bijgevolg geen concrete en op elke vergunningsaanvraag toepasselijke verplichting is. 24. Het eerste middelonderdeel is gericht op de toestand van de SBZ waarin het betrokken perceel is gelegen. De aanvraag diende te voldoen aan de vereisten gesteld in artikel 36ter van het natuurbehouddecreet. Dit houdt in dat bij de milieuvergunningsaanvraag een passende beoordeling diende te worden gevoegd. Het Hof van Justitie heeft reeds meerdere malen geoordeeld dat een dergelijke beoordeling inhoudt dat, op basis van de beste wetenschappelijke kennis ter zake, alle aspecten van het plan of het project die op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken gebied in gevaar kunnen brengen, moeten worden geïnventariseerd. Rekening houdend met de conclusies van de beoordeling van de gevolgen van het plan of project voor het betrokken gebied, mag de overheid dergelijk plan of project pas goedkeuren nadat zij zekerheid heeft verkregen omtrent het feit dat het geen schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied. De zekerheid dat het plan of project geen schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied is voorhanden “wanneer er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat er geen schadelijke gevolgen zijn”. VII-40.261-28/33 Deze beoordeling mag geen leemten vertonen en moet volledige, precieze en definitieve constateringen en conclusies bevatten die elke redelijke wetenschappelijke twijfel over de gevolgen van de geplande werkzaamheden voor het betrokken beschermde gebied kunnen wegnemen. In de passende beoordeling moet dus melding worden gemaakt van alle mogelijke gevolgen van het plan of project die significant kunnen zijn voor het gebied, met inbegrip van cumulatieve en andere gevolgen die kunnen ontstaan door het plan of project dat wordt beoordeeld, met andere plannen of projecten. De passende beoordeling is geen loutere vormvereiste voor de vergunningsaanvraag maar vergt een specifiek onderzoek dat moet worden gevoerd vooraleer sommige vergunningen kunnen worden verleend. Uit de administratieve procedure blijkt dat in graad van beroep de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -projecten - Milieu en de VMM - dienst Grondwater en Lokaal Waterbeheer - afdeling Operationeel Grondwaterbeheer voorwaardelijk gunstig hebben geadviseerd, mits het ANB eveneens gunstig adviseert. Naar aanleiding van het advies van de PMVC blijkt dat het ANB zich kritisch uitlaat over de voorgelegde passende beoordeling maar toch voorwaardelijk gunstig adviseert. Enkele dagen nadat de PMVC haar advies heeft gegeven blijkt, nadat het ANB een e-mail had verstuurd waarop de verwerende partij zich beroept, een eerder gevraagd advies van het ANB bij de provincie Antwerpen te zijn toegekomen, waarin het ANB duidelijk negatief adviseert. Dit advies is niet in het administratief dossier opgenomen, maar het bestaan ervan wordt niet betwist door de partijen. Noch uit de bestreden beslissing, noch uit enig ander stuk in het dossier blijkt dat met dit laatste advies rekening werd gehouden bij het nemen van de bestreden beslissing. Gelet op het negatieve karakter ervan dient alleszins te worden aangenomen dat de bestreden beslissing werd genomen terwijl er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs twijfel bestaat over schadelijke gevolgen die beschermde soorten in gevaar kunnen brengen. Deze vaststelling klemt nog meer door het herstelbeleid dat te dezen wordt gevoerd en zoals dit wordt verwoord in de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken speciale beschermingszone. Elke ingreep die een achteruitgang betekent van de soorten die zich niet in een goede toestand bevinden dient immers als betekenisvol te worden VII-40.261-29/33 beschouwd. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de voorgenomen activiteiten een invloed hebben op het grondwaterpeil en de beschermde soorten bedreigen. Aldus moet uit de stukken en de bestreden beslissing duidelijk blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen niet in het gedrang komen door de bestreden beslissing. Dat blijkt niet uit de bestreden beslissing. 25. Het eerste middelonderdeel is gegrond. 26. Het tweede onderdeel dient in het licht van de bespreking van het eerste middelonderdeel eveneens gegrond te worden geacht. Rekening houdend met het advies van het ANB van 22 december 2017, dat negatief was, diende de verwerende partij bij haar beoordeling des te duidelijker te verwoorden waarom zij toch de gevraagde activiteit vergunt. Te dezen klemt dat des te meer aangezien uit dit advies blijkt dat het pas op 4 december 2017 werd opgevraagd, dit is na de e-mail waarop de verwerende partij zich in haar beslissing beroept, ondanks het feit dat zijzelf een recentere adviesaanvraag aan het ANB heeft gericht. Dit advies, dat werd verstuurd ruim voordat de bestreden beslissing werd genomen, blijkt vervolgens te zijn genegeerd bij de verdere besluitvorming. In de gegeven omstandigheden kan alleszins niet worden aangenomen dat met zekerheid vaststond dat de beschermde waarden in de SBZ niet worden bedreigd door de vergunde activiteiten. 27. Het tweede onderdeel is eveneens gegrond. 28. In het derde en laatste onderdeel van dit middel acht verzoekende partij de waarborgen van het openbaar onderzoek geschonden doordat het aanvraagdossier een onvolledige passende beoordeling bevatte. Noch het milieuvergunningsdecreet noch de uitvoeringsbesluiten ervan verzetten er zich tegen dat de aanvrager van de vergunning na afloop van het openbaar onderzoek, gebeurlijk op uitdrukkelijk verzoek van het bestuur, bijkomende stukken indient die, zonder het eigenlijke voorwerp van het aangevraagde te wijzigen, strekken tot verduidelijking, aanvulling of verbetering. Meer in het bijzonder sluit artikel 11, § 1, van het VII-40.261-30/33 milieuvergunningsdecreet niet uit dat de vergunningverlenende overheid acht slaat op stukken die in de loop van de procedure door de aanvrager worden ingediend ter weerlegging van de bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek kenbaar zijn gemaakt. Evenwel geldt die mogelijkheid niet voor stukken die essentieel zijn voor een volledige en correcte inschatting van de aan de exploitatie verbonden nadelen en risico‟s. Er is sprake van een uitholling van het openbaar onderzoek wanneer derden-belanghebbenden bij de uitoefening van hun inzage- en bezwaarrecht geen kennis kunnen krijgen van gegevens of documenten zonder dewelke de vergunning niet kan worden verleend. Te dezen blijkt dat een passende beoordeling bij de vergunningsaanvraag werd gevoegd, doch dat deze volgens adviserende instanties in eerste aanleg onvoldoende informatie bevatte. In graad van beroep werd dan door de exploitant toelichting verschaft per e-mail van 5 september 2017. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt daarnaast dat de exploitant “in graad van beroep alle noodzakelijke stukken heeft bezorgd”. In die omstandigheden blijkt aldus dat tijdens het openbaar onderzoek niet alle noodzakelijke stukken aanwezig waren in het aanvraagdossier. De samenlezing van het advies in eerste aanleg waarin wordt aangenomen dat de passende beoordeling bij de aanvraag onvoldoende informatie bevat, en van de bestreden beslissing waarin wordt overwogen dat in graad van beroep alle noodzakelijke stukken werden bijgevoegd, doet besluiten dat tijdens het openbaar onderzoek een essentieel stuk ontbrak bij de vergunningsaanvraag. De verzoekende partij werpt in die omstandigheden terecht op dat het openbaar onderzoek werd uitgehold in haar nadeel. 29. Ook het derde onderdeel is gegrond. 30. Het eerste middel is in al zijn onderdelen gegrond. VII-40.261-31/33 BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 18 januari 2018 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Turnhout van 24 augustus 2017, houdende weigering van de milieuvergunning aan de bvba Quirynen Agri Farming voor het exploiteren van een grondwaterwinning, gelegen aan de Roodhuisstraat te Turnhout, gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde vergunning wordt verleend. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. 3. Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-40.261-32/33 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.261-33/33 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.025 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div