id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.026 Rolnummer: A. 225266/VII-40277 Zaak: Arrest 250026 - Milieuvergunningen - 09/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-22 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-20 00:27 Fiche Arrest nr 250.026 van 9 maart 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 250.026 van 9 maart 2021 in de zaak A. 225.266/VII-40.277 In zake :
- Joël HEYNDERICKX
- Dieter GOOSSENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Reiner Tijs kantoor houdend te 2000 Antwerpen Nassaustraat 37-41 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN Tussenkomende partijen:
- de NV STYLIN‟ ART
- de NV SMEETS & CO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Liesbeth Peeters kantoor houdend te 2500 Lier Vismarkt 37 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 22 mei 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 22 februari 2018 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grobbendonk van 2 oktober 2017, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de nv Smeets & Co en de nv Stylin‟Art voor het exploiteren van een inrichting voor het bewerken van spaanderplaten, gelegen aan de Industrieweg 13 te Grobbendonk, ongegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd mits vervanging en aanvulling van de bijzondere voorwaarden. VII-40.277-1/20 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De nv Stylin‟Art en de nv Smeets & Co hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 20 augustus
- De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekers en de tussenkomende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 januari
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joram Maes, die loco advocaat Reiner Tijs verschijnt voor de verzoekers, en advocaat Liesbeth Peeters, die verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- VII-40.277-2/20 III. Feiten
- De tussenkomende partijen dienen op 31 mei 2017 een milieuvergunningsaanvraag in om op het perceel gekend als afdeling 1, sectie D, nr. 239Y, een inrichting te exploiteren voor de bewerking van spaanderplaten voor de volgende rubrieken: - Rubriek 2.3.4.1.a.2.1: verbrandingsinstallatie voor resthout met een nominaal vermogen van 3 MW, met een verbrandingscapaciteit van 0,63 ton resthout/uur en een opslagsilo van 1000 m³; - Rubriek 3.2.2.a: lozen van huishoudelijk afvalwater in de openbare riolering; - Rubriek 6.4.1: opslag van 20.300 liter olie en 60 kg vet; - Rubriek 12.2.1: hoogspanningscabine met een individueel nominaal vermogen van 630 kVA; - Rubriek 12.2.1: hoogspanningscabine met een individueel nominaal vermogen van 2510 kVA; - Rubriek 12.3.2: batterijladers met een totaal geïnstalleerd vermogen van 184 kW; - Rubriek 15.1.2: het stallen van 35 voertuigen en aanhangwagens; - Rubriek 16.3.1.1: 3 compressoren met een totale geïnstalleerde drijfkracht van 117,5 kW; - Rubriek 17.3.2.2.1: de opslag van 158 kg coating PLZ/II in een vat; - Rubriek 17.3.7.1.a: opslag van 160 kg reinigingsmiddel in een vat; - Rubriek 17.4: opslag van 300 liter en 1037,5 kg gevaarlijke stoffen in kleine verpakking; - Rubriek 19.3.2.a: mechanische behandeling van hout met een totaal geïnstalleerde drijfkracht van 1489 kW; - Rubriek 19.6.1.c: opslag van 81.655 m³ spaanderplaten in een lokaal; - Rubriek 29.5.4.1.a: metaalbewerkingsmachines met een totaal geïnstalleerde drijfkracht van 12,5 kW. In vergelijking met de eveneens aangevraagde stedenbouwkundige vergunning voor het project, maakt het dichtst bij het woongebied, waar de verzoekers wonen, gelegen gebouw van de inrichting, geen deel uit van de milieuvergunningsaanvraag. VII-40.277-3/20
- Het college verleent op 2 oktober 2017 de gevraagde milieuvergunning.
- Naar aanleiding van het beroep van onder meer de verzoekers tegen het besluit van het college, worden volgende adviezen ingewonnen: - de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (12 december 2017): voorwaardelijk gunstig advies; - de AGOP-Milieu (19 december 2017): voorwaardelijk gunstig (er wordt ondermeer gewezen op het feit dat de cel-MER reeds had meegedeeld dat de aangevraagde activiteit niet mer-plichtig is); - de Vlaamse Milieumaatschappij (zonder datum): (lozen van afvalwater en emissie van afvalgassen) voorwaardelijk gunstig. Op 23 januari 2018 worden de verzoekers en de aanvragers gehoord door de Provinciale Milieuvergunningscommissie die vervolgens een gunstig advies verleent.
- Op 22 februari 2018 neemt de deputatie het bestreden besluit waarin wordt overwogen: “Gelet op het advies d.d. 23 januari 2018 van de Provinciale Milieuvergunningscommissie (PMVC); op volgende elementen uit dit advies:
- Horen van de partijen […]
- Evaluatie voorwerp besluit - De omschrijving en rubrieken zoals opgenomen in het collegebesluit, kunnen worden behouden.
- Stedenbouwkundige verenigbaarheid - Er werd geen advies van de PSA ontvangen. Dit advies wordt geacht stilzwijgend gunstig te zijn. - Het schepencollege verleende op 18 april 2016 een bouwvergunning, de deputatie bevestigde dit besluit in beroep op 28 juli
- Thans loopt er nog een procedure voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen. - De inrichting is volgens het gewestplan Herentals-Mol gelegen in industriegebied. - De PMVC is van oordeel dat de aanvraag principieel stedenbouwkundig verenigbaar is.
- Milieutechnische evaluatie - De adviezen van de AGOP-M en de OVAM zijn gunstig. VII-40.277-4/20 - De VMM behoudt haar oorspronkelijke advies. Hierin werden 2 voorwaarden opgenomen, dewelke overgenomen werden in het collegebesluit. - De PMVC merkt op dat de inrichting gelegen is aan het Albertkanaal en dat een laad- en loskade voorhanden is. De PMVC acht het dan ook opportuun dat gebruikgemaakt wordt van transport over het water en stelt hieromtrent een bijzondere voorwaarde voor. - De PMVC volgt de gunstige adviezen. - De exploitant vroeg in eerste aanleg afwijking op artikel 5.2.1.2.§2 (m.b.t. plaatsen van een weegbrug) en artikel 5.2.1.5.§5 (m.b.t. 5 meter breed groenscherm) van Vlarem II. In het overwegende gedeelte van het collegebesluit wordt gesteld dat de afwijkingen toegestaan kunnen worden, doch dit wordt niet zo opgenomen als bijzondere voorwaarde. De PMVC stelt voor om de bijzondere voorwaarden aan te vullen met deze afwijkingen.
- Natuurtoets - De aanvraag werd getoetst aan artikel 26bis en artikel 36ter,§3 en §4 van het Natuurdecreet. Er werd geoordeeld dat een passende beoordeling geen meerwaarde biedt. Gelet op het voorwerp van de aanvraag, de gegevens in het dossier en de uitgebrachte adviezen is in het kader van de milieuvergunning de natuurtoets niet relevant.
- Watertoets - Gelet op het feit dat de inrichting niet gelegen is in (mogelijk) overstromingsgevoelig gebied en gelet op het voorwerp van de aanvraag, de gegevens in het dossier en de uitgebrachte adviezen kan in alle redelijkheid worden geoordeeld dat in het kader van de milieuvergunning de watertoets voor de gevraagde activiteiten niet relevant is.
- Evaluatie beroep - Het beroep kan ongegrond verklaard worden.
- Evaluatie van het collegebesluit - Het collegebesluit kan worden bevestigd, mits wijziging van de bijzondere voorwaarden als volgt: De 5de bijzondere voorwaarde wordt vervangen door het volgende: - In afwijking van artikel 5.2.1.5.§5 van Vlarem II dient geen groenscherm van 5 meter rondom de ganse inrichting voorzien te worden. Het groenscherm dient aangelegd te worden zoals voorzien in de stedenbouwkundige vergunning. Volgende bijzondere voorwaarden worden bijkomend opgelegd: - In afwijking van artikel 5.2.1.2.§2 van Vlarem II dient geen geijkte weegbrug voorzien te worden. - Binnen een termijn van 5 jaar na vergunningverlening dient de exploitant aan te tonen dat 10% van het totale transport per schip via het Albertkanaal gebeurt; Gelet op de ligging van de inrichting in industriegebied volgens het gewestplan Herentals-Mol; Gelet op het feit dat het schepencollege op 18 april 2016 een bouwvergunning verleende en de deputatie dit besluit in beroep op 28 juli 2016 bevestigde; Overwegende dat gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, VII-40.277-5/20 verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de adviezen van de AGOP-M, de OVAM en de PMVC, zoals hierboven weergegeven, in aanmerking worden genomen; Overwegende dat derhalve het beroep ongegrond kan worden verklaard en het collegebesluit kan worden bevestigd, mits wijziging van de bijzondere voorwaarden zoals voorgesteld door de PMVC; Overwegende dat voor de evaluatie van de elementen aangebracht door de beroeper, gehoord door de PMVC, verwezen wordt naar het advies van de PMVC, zoals hierboven weergegeven; Overwegende dat voor de toetsing van de aanvraag aan de kenmerken van het watersysteem, en aan de doelstellingen en beginselen van artikel 5, 6 en 7 van het decreet Integraal Waterbeleid kan verwezen worden naar het advies van de PMVC; Overwegende dat voor de toetsing van de aanvraag aan artikel 26bis en artikel 36ter,§3 en §4 van het Natuurdecreet kan verwezen worden naar het advies van de PMVC; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico‟s voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het ingediende beroep ongegrond te verklaren en het collegebesluit te bevestigen mits vervanging en aanvulling van de bijzondere voorwaarden zoals hierboven vermeld”.
- Bij arrest nr. RvVb-A-1819-0277 van 6 november 2018 vernietigt de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) het besluit van de deputatie van 28 juli 2016 waarbij een stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een bedrijfssite op voormeld perceel. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
- De tussenkomende partijen betwisten het belang van de verzoekers bij hun beroep: “III. GEBREK AAN BELANG IN HOOFDE VAN VERZOEKENDE PARTIJEN
- [...] Het belang van verzoekende partijen is gebaseerd op volgende elementen: Geluidshinder; Gezondheidshinder; Esthetische en visuele hinder; VII-40.277-6/20 In de praktijk komt hun belang neer op de vermeende overlast die zij zullen ondervinden van de oprichting van een magazijn met een hoogte van 20 meter dat evenwel geen deel uitmaakt van de betrokken milieuvergunning. Hoewel de stedenbouwkundige vergunning inderdaad betrekking heeft op de oprichting van twee magazijnen (links magazijn: activiteitenhal - weg dus van de woningen van verzoekende partijen - en rechts magazijn: hoogtechnologisch opslagmagazijn) heeft de heden afgeleverde en hier bestreden milieuvergunning enkel betrekking op het linkse magazijn. Voormelde hinderaspecten kunnen dus nooit verzoekende partijen treffen wiens woning gelegen is op honderden meters van het linkse magazijn.
- Voor zover het rechtse magazijn toch in overweging zou genomen worden, volgende kanttekeningen: Het rechtse magazijn komt op een minimale afstand van 60 m te liggen van de woning van eerste verzoekende partij en 90 m van de woning van tweede verzoekende partij; Tussen het rechtse magazijn en de woningen komt ingevolge de opgelegde vergunningsvoorwaarden een dichte groenbuffer met hoogstammige bomen met een breedte van 40 m tot 65 m. De tuinzones van de betrokken woningen zijn aan de andere kant van het magazijn gelegen. Vanuit de naar deze tuinzones gerichte woonruimtes en slaapkamers, vanop hun terrassen is er dus geen zicht op het magazijn in kwestie. Eén en ander impliceert dat er vanuit de betrokken woningen geen, maximaal een uiterst beperkt zicht zal zijn op het op te richten rechtse magazijn (waar het bestreden besluit dus niet mee te maken heeft). De vermeende schaduwhinder zal in hoofdzaak afkomstig zijn van de bestaande bomen in de Jagersdreef (waar het bestreden besluit dus niet mee te maken heeft). Onderstaande foto betreft een professioneel opgemaakte inschatting van de hoogte van het betrokken magazijn. Hierbij de kanttekening dat deze foto genomen is in januari wanneer de bestaande bomen gedurende een beperkte periode bladloos zijn. Bovendien zal dus nog een bijkomende dichte groenbuffer met hoogstammige bomen met een breedte van 40 m tot 65 m worden aangeplant. […] Onderstaande foto bewijst dat de industriezone op deze locatie reeds aanwezig is van voor
- Van de woningen van verzoekende partijen was geen sprake. Noch van enige buffer. […] De woningen van verzoekende partijen werden tijdens de jaren '90 gebouwd in een zone die voordien mooi bebost was. […] M.a.w., verzoekende partijen kopen/bouwen een woning waarvoor een mooi bosgebied diende te worden vernietigd. Ze vestigen zich naast een reeds decennialang bestaande industriezone waar geen buffer voorzien was. Een gegeven waartegen ze klaarblijkelijk nooit enig bezwaar hadden. […] Wanneer vervolgens de site wordt herontwikkeld en ten hun behoeve een nieuwe dichte groenbuffer moet worden aangeplant met een breedte van maar liefst 40 m tot 65 m menen zij deze totaalontwikkeling te moeten bestrijden. VII-40.277-7/20 En dit in functie van hun non-zicht op een gebufferd magazijn gelegen op een afstand van 60 m tot 90 m. Vervolgens dient men dan een verzoek tot vernietiging in tegen een milieuvergunning die zelfs geen betrekking heeft op de specifieke constructie waartegen men zich verzet”.
- De verzoekers repliceren: “
- Vooreerst merken verzoekende partijen op dat zij zich voor de uiteenzetting van hun belang tegen de milieuvergunning eveneens kunnen beroepen op hinder die in de eerste plaats het gevolg is van de afgeleverde stedenbouwkundige vergunning. De overheid die uitspraak doet over een milieuvergunningsaanvraag moet immers ook de voorschriften van de geldende plannen van aanleg in acht nemen[…]. In tegenstelling tot wat de tussenkomende partijen voorhouden kunnen de hinderaspecten (in het bijzonder de visuele hinder) die worden aangevoerd naar aanleiding van het rechts magazijn wel degelijk worden aangevoerd door de verzoekende partijen ter ondersteuning van hun belang.
- Vervolgens benadrukken verzoekende partijen dat zij wel degelijk (eveneens) hinder ondervinden van het links magazijn. Het links magazijn is eveneens slechts op een kleine afstand (maximaal 300 meter) van de woningen van verzoekende partijen gelegen. Deze afstand is in geen geval zo groot dat verzoekende partijen geen enkele geluids-, geur-, visuele, gezondheids- en mobiliteitshinder ten gevolge van de exploitatie zouden kunnen ondervinden.
- In een arrest van de Raad van State dat betrekking heeft op een naastgelegen site van de thans voorliggende site, werd overigens uitdrukkelijk bevestigd dat de verzoekende partijen over het rechtens vereiste belang beschikken. In casu woonden de verzoekers op een afstand van 300 en 400 meter van de hinderlijke activiteit. Het betrof eveneens de exploitatie van een klasse 3 inrichting terwijl in casu zelfs de exploitatie van een inrichting klasse 2 voorligt:[…] […]
- Men kan dan ook niet zinvol voorhouden dat verzoekende partijen geen hinder zullen ondervinden van de hinderlijke activiteiten die op het naast hen gelegen perceel (op nog geen afstand van 300 meter) zullen plaatsvinden.
- Daarnaast voeren tussenkomende partijen aan dat verzoekende partijen niet over het vereiste belang zouden beschikken omdat de hinder die verzoekende partijen aanvoeren uiterst beperkt zou zijn. Dit is evenwel niet het geval, zoals hierboven reeds uitgebreid werd uiteengezet. Bovendien volstaat het dat verzoekende partijen als omwonenden de hinder en nadelen die zij kunnen ondervinden voldoende aannemelijk maken. Opdat van een voldoende belang sprake zou zijn, moet evenwel niet worden aangetoond dat die hinder onaanvaardbaar is.[…]
- Ten slotte lijken tussenkomende partijen te insinueren dat verzoekende partijen niet over het vereiste belang zouden beschikken omdat zij er zelf voor gekozen hebben om zich te vestigen in de nabijheid een industriegebied. De omstandigheid dat verzoekende partijen er zelf voor zouden hebben gekozen om zich te vestigen in de nabijheid een industriegebied heeft echter VII-40.277-8/20 niet tot gevolg dat zij geen belang zouden hebben bij voorliggend annulatieberoep”. Beoordeling
- Om zijn belang aan te tonen bij de nietigverklaring van de vergunning voor de exploitatie van een hinderlijke inrichting, moet degene die opkomt tegen die vergunning minstens aannemelijk maken dat hij hinder of nadeel kan ondervinden door de exploitatie. Opdat van een voldoende belang sprake zou zijn, moet niet aan de hand van stukken worden aangetoond dat die hinder onaanvaardbaar is. Een door de tussenkomende partijen impliciet gesuggereerde beweerd hogere tolerantiedrempel is evenmin van aard het belang van een omwonende te ontnemen.
- Rekening houdend met de concrete gegevens van de zaak, zoals het feit dat de verzoekers naast de site wonen waarvoor de bestreden vergunning werd verleend, kan de Raad van State niet vaststellen dat de verzoekers geen enkele hinder van de vergunde activiteiten zullen ondervinden.
- De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de middelen Derde middel Standpunt van de partijen
- De verzoekers voeren de schending aan van artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna: milieuvergunningsdecreet), artikel 21, § 2, 2°, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de VII-40.277-9/20 bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel. Zij betogen dat een loutere verwijzing naar de verleende stedenbouwkundige vergunning geen afdoende motivering vormt inzake de verenigbaarheid van de aanvraag met de omgeving en de goede ruimtelijke ordening, wat te dezen is gebeurd. De deputatie heeft zich enkel en alleen gebaseerd, voor de motivering van het stedenbouwkundige luik van de bestreden beslissing, op de eerder verleende stedenbouwkundige vergunning voor het betrokken project. Door de provinciaal stedenbouwkundig ambtenaar werd bovendien geen advies verstrekt, zodat te dezen geen enkele beoordeling heeft plaatsgevonden over het ruimtelijke aspect en de ruimtelijke inpasbaarheid van de inrichting in zijn omgeving. De verzoekers wijzen op diverse hinderaspecten die zij hebben aangehaald in hun bezwaarschriften. Zij wijzen op de geluidshinder en trillingen die ontstaan door de activiteiten op slechts luttele meters van hun woningen en het met de uitbating gepaard gaande verkeer. Tevens wijzen zij op de mobiliteitshinder doordat er slechts één ontsluitingsweg is en de ontsluiting langs de Bouwelsesteenweg is niet geschikt voor vrachtverkeer. De mobiliteitsstudie bevat dan ook fouten. De Industrieweg en de woonzone zijn op het vlak van verkeersdrukte reeds verzadigd. Voorts zijn er de gezondheidsrisico‟s die de inrichting met zich meebrengt, met name de luchtverontreiniging door houtverbranding, waarvan de deputatie zonder bewijs aanneemt dat deze risico‟s geen negatieve impact op de omgeving zullen hebben. Zij wijzen nog op de visuele en esthetische hinder die de exploitatie veroorzaakt en die de lichtinval van de naastliggende woningen zal verminderen. Al deze hinderaspecten werden niet betrokken bij de beoordeling van de aanvraag. Zij betogen verder dat de bestreden beslissing volledig voorbijgaat aan het gegeven van het volautomatische magazijn langs de zijde van de woonzone, dat niet mee in de aanvraag werd betrokken. Volgens de deputatie moet elke vergunnings- of meldingsplichtige activiteit in dit gebouw het voorwerp VII-40.277-10/20 uitmaken van een nieuwe aanvraag. Dit magazijn zal echter veel hinder veroorzaken door de ligging, de omvang en de activiteiten die erin zullen plaatsvinden. Bovendien maakt het deel uit van de milieutechnische eenheid, zodat het bij de beoordeling van de huidige aanvraag dient te worden betrokken. De hinder van de inrichting dient in zijn globaliteit te worden beoordeeld. Het magazijn diende aldus deel uit te maken van de aanvraag. De deputatie handelde dan ook onzorgvuldig door te besluiten dat het opslagmagazijn niet mee in de beoordeling van de aanvraag diende te worden betrokken. Tenslotte zetten de verzoekers uiteen dat de bestreden beslissing omtrent de milieutechnische aspecten evenmin een eigen motivering heeft opgebouwd maar enkel de adviezen heeft gekopieerd. En dat de deputatie zich integraal baseert op het advies van de provinciaal stedenbouwkundig ambtenaar dat niet eens werd uitgebracht om te besluiten tot de verenigbaarheid met ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften.
- De verwerende partij repliceert: “Hierover dient te worden gesteld dat inzake de stedenbouwkundige verenigbaarheid inderdaad enkel maar kan worden vastgesteld dat de PSA ter zake geen advies heeft verleend en er derhalve, volgens de geldende wetgeving, er van uit dient te gaan dat het hier een stilzwijgend gunstig advies betreft. Ter zake wordt nogmaals verwezen naar het besluit van het schepencollege van Grobbendonk van 18 april 2016 waarin het een bouwvergunning verleende (waaruit ook blijkt dat het schepencollege van oordeel is dat er zich op stedenbouwkundig vlak geen probleem stelt) en dat de deputatie in het besluit van 28 juli 2016 in beroep het besluit van het schepencollege van Grobbendonk bevestigde. De PMVC verwees uitdrukkelijk naar bovenstaande besluiten en ook de deputatie maakte zich deze motivering eigen. Voor de inhoud van deze beide besluiten wordt uitdrukkelijk verwezen naar de repliek op het tweede middel, zoals bovenstaand vermeld. Wat betreft de vermeende geluidsoverlast wordt het volgende gesteld: de inrichting ligt in industriegebied palend aan gewoon woongebied: de vergunning legt hiervoor normen op, die door het bedrijf zullen moeten worden nageleefd. Alle geluid producerende activiteiten zullen plaatsvinden in nieuwe goed geïsoleerde bedrijfsgebouwen. Ook inzake de mobiliteitshinder wordt door verzoeker niet het minste (begin van) bewijs aangeleverd. De mobiliteitsstudie werd opgesteld ten behoeve van de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag en bijgevoegd als bijlage bij de VII-40.277-11/20 milieuvergunningsaanvraag. De verzoekers hebben gelijk als ze stellen dat het verkeer via Bouwelsesteenweg onmogelijk is voor vrachtvervoer, en slechts via 1 kant voor personenwagens. Als men het aantal vervoersbewegingen per dag echter bekijkt, worden slechts maximaal 7 à 8 vrachtwagens per dag verwacht (14 à 16 bewegingen dus); voor een industrieterrein van die omvang is dit aantal acceptabel, zeker als men de zeer korte afstand tot de oprit autoweg ziet. Ook van de vermeende gezondheidshinder (luchtverontreiniging) wordt geen enkel bewijs geleverd. De VMM stelt ter zake het volgende: Gelet op de huidige luchtkwaliteit in de omgeving van het bedrijf en ervan uitgaande dat de drempelwaarde voor dioxines & furanen in de omliggende woonzones en landbouwzone ten NO van het bedrijf wordt gerespecteerd, kan gesteld worden dat de aangevraagde emissie verenigbaar is met de kwaliteit van de omgevingslucht. Voor de milieuvergunningsaanvraag van het bedrijf Smeets & Co te Grobbendonk kan voor lucht een gunstig advies worden verleend mits volgende bijzondere voorwaarden worden opgenomen in de milieuvergunning: - Halfjaarlijkse emissiemeting van dioxines & furanen in de rookgassen van de houtverbrandingsinstallatie. Jaarlijkse rapportering van de meetresultaten aan de VMM. - Binnen een termijn van 1 jaar na de ingebruikname van de verbrandingsinstallatie een studie laten uitvoeren door een erkend deskundige Lucht waarin aan de hand van een dispersieberekening o.b.v. de resultaten van de emissiemetingen de dioxinedepositie in de omgeving wordt bepaald. Een rapport hiervan dient ter beoordeling overgemaakt te worden aan de VMM. De deputatie legde deze twee voorwaarden ook op in het bestreden besluit, wat er dus op wijst dat er geen sprake is van luchtverontreiniging. De visuele en esthetische hinder wordt ook op geen enkele manier bewezen. Wat betreft het volautomatisch opslagmagazijn wordt opgemerkt dat op het uitvoeringsplan vooraan op het terrein, het dichtst bij de woningen, een groot opslagmagazijn staat, dat echter niet door deze milieuvergunningsaanvraag wordt gedekt. De impact van dit gebouw werd dus niet meegenomen in deze milieutechnische evaluatie. Elke omgevingsvergunningsplichtige of meldingsplichtige activiteit die in dit gebouw zou plaatsvinden, moet dus het voorwerp uitmaken van een nieuw aanvraagdossier. Uiteraard kan de deputatie zich enkel uitspreken over hetgeen wordt aangevraagd en aangezien dit magazijn hier uitdrukkelijk niet tot behoorde, kon de deputatie hierover geen beslissing nemen”.
- De tussenkomende partij repliceert: “
- In haar derde middel herkauwen de verzoekende partijen hun derde bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen opgeworpen middel en blijven zij van mening dat de deputatie de verenigbaarheid van de constructie met de goede ruimtelijke ordening in de omgeving kennelijk onredelijk beoordeelde. Uit hetgeen volgt blijkt dat de deputatie in huidig dossier de relevante aspecten van de goede ruimtelijke ordening bij haar beoordeling heeft betrokken en heeft rekening gehouden met de ingediende bezwaren van VII-40.277-12/20 verzoekende partijen. Zij is daarbij uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, heeft deze correct beoordeeld en is op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit kunnen komen. Verzoekende partijen negeren willens en wetens de inhoud van het bestreden besluit en vragen Uw Raad om ter zake een opportuniteitsbeoordeling te maken. Wanneer het bestreden besluit wordt bestudeerd dan lezen we: Dat verzoekende partijen de onverenigbaarheid met de goede ruimtelijk ordening niet in hun administratieve beroepsakte hebben opgenomen Dat door het Departement Omgeving een gunstig advies werd verstrekt en dat deze motieven in het bestreden besluit werden opgenomen; Dat door de PMVC een gunstig advies werd verstrekt waarin de bezwaren van verzoekende partijen worden besproken, de argumenten van tussenkomende partijen en de uitgebrachte adviezen worden toegelicht en uiteindelijk wordt geoordeeld dat „de PMVC van oordeel is dat de aanvraag principieel stedenbouwkundig verenigbaar is‟. Dat op Pag. 10 volgende bijzondere voorwaarde wordt toegevoegd: „in afwijking van artikel 5.2.1.5§5 Vlarem II dient geen groenscherm van 5 meter rondom de ganse inrichting voorzien te worden. Het groenscherm dient aangelegd te worden zoals voorzien in de stedenbouwkundige vergunning.‟ De ligging van de woningen van verzoekende partijen werd dus weldegelijk in kaart gebracht, net als de mogelijke hinder die zij zouden kunnen ondervinden. Geluidshinder, schaduwhinder en visuele hinder. Hoewel deze in hoofdzaak stedenbouwkundige argumenten reeds werden beoordeeld in het kader van de stedenbouwkundige vergunning en daarin desgevallend opgevangen mits het opleggen van de voorwaarde van de verbrede dense groenbuffer, wordt eenzelfde oefening opnieuw uitgevoerd in het kader van de beoordeling van deze milieuvergunningsaanvraag. Hierdoor werd het vergunde project ook in deze procedure verenigbaar geacht met de goede ruimtelijke ordening.
- Verder wordt ongegronde opportuniteitskritiek geleverd op de beoordeling van de functionele inpasbaarheid. De deputatie is van oordeel dat dit industriële project zich functioneel inpast in haar bestaande bestemming als industriegebied. De verhouding met de aanpalende woonzone werd zoals zonet uiteengezet ook reeds meermaals beoordeeld.
- Hetzelfde geldt voor de mobiliteitsimpact buiten de site[…] als op de site. Buiten de site wordt verwezen naar de nabijheid van E313 en het oprittencomplex, binnen de site naar de ringweg waarvoor specifiek in functie van de woningen van verzoekende partijen in een verbrede dense groenbuffer wordt voorzien. Uw Raad mag hierbij trouwens niet uit het oog verliezen dat het verzoekende partijen zijn die naast een bestaande industriezone zijn komen wonen en aldus rekening dienden te houden met een minimale impact. Dat het „thans rustig is‟ is geen uitgangspunt. Het is een uitzonderlijke en tijdelijke situatie ingevolge de stopzetting van de vroegere industriële activiteiten en de afbraak van de gebouwen. Gezien de bestaande industriële bestemming was het slechts een kwestie van tijd voor zich hier nieuwe activiteiten zouden vestigen. Nieuwe activiteiten waarbij nauwgezet wordt rekening gehouden met de nadien opgerichte woningen van verzoekende partijen. Klaarblijkelijk zal het voor hen echter nooit genoeg zijn en zijn alle middelen goed om hun ongelijk aan te tonen...Bovendien VII-40.277-13/20 blijkt uit de beschikbare stukken dat maximaal 7 à 8 vrachtwagens per dag het bedrijf zullen bedienen. Zeer weinig dus voor een bedrijf in industriegebied.
- Hetzelfde geldt voor de (slag)schaduw. Verzoekende partijen blijven ter zake maar abstractie maken van de dense en bijkomend verbrede groenbuffer die wordt voorzien. Als er dan al sprake is van slagschaduw, dan is deze evident het gevolg van de bestaande bomen langs de Jagersdreef met hun dense bladerdek. Of moeten deze misschien ook gekapt worden? Ook de gezondheidshinder (luchtverontreiniging) werd uitvoerig bestudeerd en mits het opleggen van enkele bijzondere voorwaarden aanvaardbaar geacht.
- Tot slot is er nog het vermeende brandrisico waarbij klaarblijkelijk zelfs een gebufferd magazijn gelegen op een afstand van maar liefst 60 m tot 90 m niet volstaat. Hoe een „escalatie van brand naar de woonzone‟ reëel is wordt opnieuw niet geïllustreerd. Dat de brandweer ter zake een gunstig advies uitbracht is voor verzoekende partijen blijkbaar ook niet relevant
- Voorts is er het verwijt aan verwerende partij dat het rechts magazijn, dat geen deel uitmaakt van het voorwerp van de milieuvergunningsaanvraag, niet mee werd betrokken in de beoordeling van de milieuvergunning. Dit is uiteraard niet correct. De concrete invulling van dit magazijn is nog niet gekend en zal bovendien mogelijk geen milieuvergunningsplichtige activiteiten behelzen (wellicht louter meldingsplichtige). Op het ogenblik dat hiervoor een milieuvergunning dan wel melding wordt uitgevoerd, kan de deputatie haar impact beoordelen. De verzoekende partijen slagen er niet in om te overtuigen dat de verwerende partij, in haar hoedanigheid van milieuvergunningverlenende overheid, geen correcte beoordeling van de verenigbaarheid van het aangevraagde project aan de goede ruimtelijke ordening heeft gemaakt”.
- De verzoekers dupliceren dat de tussenkomende partijen ten onrechte stellen dat de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening voor het verlenen van een milieuvergunning niet opnieuw in concreto dient te worden uitgevoerd. Voorts dat de verwerende noch de tussenkomende partij ontkennen dat de verzoekers geconfronteerd zullen worden met ernstige geluidshinder en visuele en esthetische hinder. Het feit dat zij ervoor gekozen hebben om naast industriegebied te gaan wonen impliceert niet dat zij zich niet op ernstige hinderaspecten kunnen beroepen naar aanleiding van nieuwe aanvragen. De tussenkomende partijen stellen ten onrechte dat voldoende concreet werd rekening gehouden met de aangevoerde hinderaspecten. De bestreden beslissing beperkt zich tot de verwijzing naar de stedenbouwkundige vergunning en de adviezen die zich eveneens op deze vergunning beroepen. Met betrekking tot de onzorgvuldige besluitvorming wijzen de verzoekers er nog op dat de verwerende partij ten VII-40.277-14/20 onrechte, want foutief, stelt dat zij het opslagmagazijn niet bij de beoordeling diende te betrekken omdat het in de aanvraag niet uitdrukkelijk werd opgenomen.
- De tussenkomende partijen wijzen er in hun laatste memorie op dat de deputatie op 16 januari 2020 een nieuwe stedenbouwkundige vergunning heeft verleend “met een duidelijke voorwaarde inzake de groenbuffer”, zodat er in dit verband geen sprake meer kan zijn van een gebeurlijk motiveringsgebrek. Zij stellen nog dat het magazijn aan de zijde van de Jagersdreef “naar alle waarschijnlijkheid geen milieuvergunningsplichtige activiteiten [zal] behelzen (louter meldingsplichtige). Op het ogenblik dat hiervoor een milieuvergunning dan wel melding wordt uitgevoerd, kan de bijkomende en globale impact worden beoordeeld”.
- De verwerende partij betoogt in de laatste memorie dat zij “het recht [had] te wijzen op de geldende stedenbouwkundige vergunning, waardoor ze de gebruikte motivering ter zake uiteraard overneemt en de motivering zich dus eigen maakt”. Zij merkt op “dat er geen verwijzing is naar het feit dat inmiddels […] op 16 januari 2020 een nieuwe beslissing is genomen, zodat heden de inrichting stedenbouwkundig is vergund”.
- De verzoekers wijzen in hun laatste memorie op het feit dat de RvVb bij arrest van 6 november 2018 de stedenbouwkundige vergunning van 28 juli 2016 heeft vernietigd en dat de deputatie bij besluit van 16 januari 2020 opnieuw een stedenbouwkundige vergunning heeft verleend waartegen zij beroep heeft ingesteld bij de RvVb. Zij stellen dat de motivering in de bestreden beslissing door de loutere verwijzing naar de stedenbouwkundige vergunning van 28 juli 2016 niet afdoende is en na vernietiging van deze laatste vergunning “thans ook niet langer accuraat en correct. De bestreden beslissing verwijst immers, voor de beoordeling van de stedenbouwkundige verenigbaarheid van de aanvraag, naar een vergunningsbeslissing die thans niet langer bestaat”. VII-40.277-15/20 Beoordeling
- De milieuvergunningverlenende overheid moet, naast een milieuhygiënische, tevens een stedenbouwkundige toets uitvoeren wanneer zij een milieuvergunningsaanvraag beoordeelt. Deze stedenbouwkundige toets behelst de verenigbaarheid met de geldende bestemmingsvoorschriften en met de goede ruimtelijke ordening.
- Te dezen wordt er in het bestreden besluit, na de verwijzing naar het “stilzwijgend gunstige advies van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar”, op gewezen dat de inrichting volgens het gewestplan in industriegebied is gelegen, en dat het college een stedenbouwkundige vergunning heeft verleend die de deputatie heeft bevestigd. Het bestreden besluit komt vervolgens niet verder dan de stijlformule dat de exploitatie van de inrichting “verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften”, zonder deze stelling te onderbouwen aan de hand van concrete elementen. De loutere verwijzing naar de stedenbouwkundige vergunning maakt evenmin een afdoende motivering uit. Dit klemt des te meer nu deze stedenbouwkundige vergunning werd vernietigd door de RvVb en derhalve geacht wordt nooit te hebben bestaan. Het feit dat een nieuwe stedenbouwkundige vergunning werd verleend die overigens het voorwerp is van een beroep tot nietigverklaring bij de RvVb, doet aan deze vaststellingen geen afbreuk.
- Gelet op de in beroep bijgebrachte argumentatie van de verzoekers, rust bovendien de verplichting op de deputatie om te onderzoeken of de gevraagde inrichting al of niet met het opslagmagazijn een milieutechnische eenheid vormt. De verwerende partij kon derhalve niet volstaan met de overweging dat dit magazijn “niet door deze milieuvergunningsaanvraag wordt gedekt” en derhalve “de impact van dit gebouw […] niet [werd] meegenomen in deze milieutechnische evaluatie”.
- Het derde middel is gegrond. VII-40.277-16/20 Vierde middel Standpunt van de partijen
- De verzoekers voeren de schending aan van artikel 17 van het milieuvergunningsdecreet, artikel 30bis, § 1, lid 1, Vlarem I, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel. Zij betogen onder meer dat met betrekking tot het aan te leggen groenscherm de bestreden beslissing de voorwaarde oplegt om een groenscherm aan te leggen zoals voorzien in de stedenbouwkundige vergunning, zulks in afwijking van artikel 5.2.1.5, § 5, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna: Vlarem II) dat een groenscherm van 5 meter rondom de ganse inrichting oplegt. Deze afwijking wordt toegestaan zonder afdoende motivering, terwijl deze voorwaarde haaks staat op de bezwaren die de verzoekers met betrekking tot het gebrek aan buffering hebben ingediend.
- De verwerende partij repliceert: “Ook wat betreft het groenscherm is er niet de minste onzekerheid: deze voorwaarde werd immers geschrapt omdat er een groenscherm dient te komen conform het voorziene in de stedenbouwkundige vergunning, zoals ook letterlijk staat vermeld in betreffende voorwaarde”.
- De tussenkomende partij wijst erop dat het voorziene groenscherm veel breder is dan in Vlarem II wordt bepaald. In de laatste memorie wijst zij op de op 16 januari 2020 verleende stedenbouwkundige vergunning “met voorwaarde inzake de groenbuffer, zodat er geen sprake meer kan zijn van een gebeurlijk motiveringsgebrek in dat verband”.
- Ook de verwerende partij wijst in de laatste memorie op “het feit dat inmiddels […] op 16 januari 2020 een nieuwe beslissing is genomen, zodat heden de inrichting stedenbouwkundig is vergund”. VII-40.277-17/20
- De verzoekers antwoorden in hun laatste memorie dat “dit motiveringsgebrek geenszins [wordt] verholpen door de recent opnieuw verleende vergunningsbeslissing van de deputatie. De motivering uit de bestreden beslissing hieromtrent is immers niet langer accuraat en correct. De bestreden beslissing verwijst naar de opgelegde voorwaarden in een vergunningsbeslissing die thans niet langer bestaat. Alleen om deze redenen dient de bestreden beslissing vernietigd te worden. Beoordeling
- Artikel 30bis, § 1, eerste lid, van Vlarem I bepaalt, in de op het geding toepasselijke versie, dat een vergunning kan worden verleend wanneer deze voorwaarden bevat welke garanderen dat de inrichting voldoet aan de eisen die door dit reglement en titel II van Vlarem zijn gesteld en dat de vergunning wordt geweigerd wanneer dat niet het geval is. Uit voormelde bepaling vloeit onder meer voort dat het bestuur de milieuvergunning dient te weigeren wanneer de geldende algemene en sectorale milieuvoorwaarden niet kunnen worden nageleefd tijdens de exploitatie. Om te voldoen aan de doelstelling van artikel 30bis van Vlarem I, die preventief van aard is, volstaat het niet om de in eerste aanleg toegestane afwijking op artikel 5.2.1.5, § 5 van Vlarem II met betrekking tot de vijf meter brede groenscherm, als bijzondere voorwaarde op te leggen zonder in te gaan op het bezwaar dienaangaande van de verzoekers. In zoverre als verantwoording voor deze bijzondere voorwaarde moet gelden dat deze afwijking werd toegestaan in de stedenbouwkundige vergunning van 28 juli 2016, dient bovendien vastgesteld te worden dat deze laatste vergunning werd vernietigd door de RvVb. Deze vergunning wordt derhalve geacht nooit te hebben bestaan. Het feit dat een nieuwe stedenbouwkundige vergunning werd verleend die overigens het voorwerp is van een beroep tot nietigverklaring bij de RvVb, doet aan deze vaststellingen geen afbreuk.
- Het vierde middel is gegrond. VII-40.277-18/20 VI. Kosten
- De kosten dienen ten laste van de verwerende partij te worden gelegd. Deze kosten omvatten het rolrecht van 200 euro per verzoekende partij en een bijdrage van 20 euro per verzoekende partij, zoals bepaald bij artikel 66, 6°, van het algemeen procedurereglement. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof evenwel in het kader van het beroep tot vernietiging van de wet van 19 maart 2017 „tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand‟ en van de wet van 26 april 2017 „houdende de regeling van de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand voor wat de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft‟, de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017, zoals het is ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 26 april
- Bijgevolg is er, op grond van de erga omnes en retroactieve werking van het voormelde arrest, aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdragen. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 22 februari 2018 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grobbendonk van 2 oktober 2017, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de nv Smeets & Co en de nv Stylin’Art voor het exploiteren van een inrichting voor het bewerken van spaanderplaten, gelegen aan de Industrieweg 13 te Grobbendonk, ongegrond worden VII-40.277-19/20 verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd mits vervanging en aanvulling van de bijzondere voorwaarden.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
- Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekers. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 300 euro, elk voor de helft. De onterecht betaalde bijdrage van 20 euro dient aan de verzoekers te worden terugbetaald. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.277-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.026 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div