id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.028 Rolnummer: A. 226405/X-17348 Zaak: Arrest 250028 - Handelsvestigingen - 09/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-22 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-20 00:29 Fiche Arrest nr 250.028 van 9 maart 2021 Economische zaken - Handelsvestigingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 250.028 van 9 maart 2021 in de zaak A. 226.405/X-17.348 In zake : de NV LIRO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Beleyn en Merlijn De Rechter kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering en door het interministerieel comité voor de distributie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bouckaert, Guan Schaiko en Ann Apers kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 20 september 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van het interministerieel comité voor de distributie van 12 juli 2018 houdende de weigering in graad van bestuurlijk beroep van een socio-economische vergunning voor het wijzigen van een bestaand handelsgeheel aan de Boomsesteenweg 860 te Wilrijk-Antwerpen van twee naar drie units. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. X-17.348-1/7 Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 februari 2021. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Merlijn De Rechter, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Guan Schaiko, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoekende partij is eigenaar van een handelspand, gelegen aan de Boomsesteenweg nr. 860 te Wilrijk, dat zij verhuurt aan vestigingen van Hubo en Leen Bakker. Het pand ligt volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgestelde gewestplan Antwerpen in industriegebied. X-17.348-2/7 3.2. De verzoekende partij wenst een herinrichting van het voormelde handelspand, waarbij de bestaande handelsoppervlakte van Hubo wordt ingeperkt ten voordele van een derde handelszaak in het segment elektro- en huishoudartikelen. Deze nieuwe handelszaak zou een netto- handelsoppervlakte van 1.405 m² innemen. 3.3. Op 4 april 2018 verleent het nationaal sociaal-economisch comité voor de distributie een gunstig advies over de aanvraag. 3.4. Met een besluit van 25 mei 2018 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen de gevraagde socio- economische machtiging. 3.5. De verzoekende partij tekent tegen deze weigeringsbeslissing bestuurlijk beroep aan bij het interministerieel comité voor de distributie (hierna: ICD). 3.6. Met een besluit van 12 juli 2018 verklaart het ICD het beroep ongegrond en weigert zij de vergunning. Dit is het bestreden besluit. IV. Ontvankelijkheid van het beroep - belang Standpunt van de partijen 4.1. De verwerende partij stelt in haar laatste memorie dat het voorwerp van de handelsvergunningsaanvraag die tot het bestreden besluit heeft geleid, sedert de inwerkingtreding op 1 augustus 2018 van artikel 11 van het decreet van 15 juli 2015 „betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid‟ (hierna: DIHB) niet langer vergunningsplichtig is. Immers valt de gevraagde wijziging binnen dezelfde categorie “verkoop van andere producten” van artikel 3 X-17.348-3/7 DIHB. Zij meent dat de verzoekende partij dan ook het vereiste belang bij haar beroep ontbeert. 4.2. In haar laatste memorie treedt de verzoekende partij verweersters standpunt bij dat het gevraagde niet langer vergunningsplichtig is. Zij is het er echter niet mee eens dat zij zonder belang bij haar beroep zou zijn. In dit verband zet de verzoekende partij uiteen dat de kwestieuze aanvraag van vóór 1 augustus 2018 dateert en na vernietiging op grond van artikel 55 DIHB “beoordeeld dient te worden op basis van de oude regelgeving”. Indien zij de gevraagde socio-economische vergunning na vernietiging alsnog verkrijgt, dan “kunnen [haar] huurders [...] opnieuw 10% (of 300 m²) wijzigen van categorie 4 zonder vergunning”. Beoordeling 5.1. Artikel 11 DIHB luidt: “Niemand mag zonder voorafgaande omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten: 1° kleinhandelsactiviteiten uitvoeren in een kleinhandelsbedrijf of handelsgeheel met een netto handelsoppervlakte van meer dan 400 m² in een nieuw op te richten, niet van vergunning vrijgestelde constructie; 2° kleinhandelsactiviteiten uitvoeren in een kleinhandelsbedrijf of handelsgeheel met een netto handelsoppervlakte van meer dan 400 m² in een bestaand, vergund of hoofdzakelijk vergund gebouw of in tijdelijke vergunde of van vergunning vrijgestelde constructies als de handelsactiviteiten uitgevoerd worden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.