← België

Arrest 250086 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 11/03/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.086 Rolnummer: A. 226775/XIV-37882 Zaak: Arrest 250086 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 11/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-12 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-20 00:27 Fiche Arrest nr 250.086 van 11 maart 2021 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 250.086 van 11 maart 2021 in de zaak A. 226.775/XIV-37.882 In zake : Wim Van HULLE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 24 november 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 14 augustus 2018 van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren waarbij het bezwaar van verzoeker ongegrond wordt verklaard en zij haar eerder genomen beslissing van 26 juni 2018 waarbij zij de kandidatuur van verzoeker voor de toekenning van de loonschaal O7 - Referentiejaar 2006 niet-ontvankelijk acht. II. Verloop van de rechtspleging De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-37.882 -1/25 Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 januari 2021 om 14u
  2. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Matthieu Generet, die loco advocaat Peter Crispyn verschijnt voor verzoeker, en advocaat Gautier De Wachter, die loco advocaat Stijn Butenaerts verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker is hoofdcommissaris van politie bij de lokale politiezone Gent. Verzoeker is geen mandaathouder. 3.
  5. Bij nota van de algemene directie van de Ondersteuning en het Beheer van de Federale Politie van 1 juli 2014 wordt de oproep tot kandidaatstelling voor de „Baremische loopbaan in het officierskader - Toekenning van de loonschalen O7 en O8 - Toetsingsjaar 2006‟ bekendgemaakt. Het aantal hoofdcommissarissen dat voor overgang naar loonschaal O7 in aanmerking komt wordt vastgesteld op zestien voor het jaar
  6. XIV-37.882 -2/25 Blijkens punt 2 van die oproep is de toekenning van hogere loonschalen verbonden aan voorwaarden waaronder “geen laatste evaluatie met de eindvermelding „onvoldoende‟ hebben”. Punt 3 van die oproep bepaalt dat de kandidaatstellingen overeenkomstig artikel VII.II.31 RPPol hetzij per aangetekende brief, hetzij tegen ontvangstbewijs, uiterlijk tegen 10 september 2014 bij DGS/DSPO worden ingediend volgens het model gevoegd als bijlage 1 bij de oproep tot de kandidaatstelling, zo niet is de kandidatuur niet-ontvankelijk. Onder punt 4 „Dossier tot kandidaatstelling‟ van de oproep wordt bepaald dat: “[o]m geldig te zijn moet het dossier van de kandidaatstelling volgende documenten [moet] bevatten: […] - Specifiek voor de niet-mandaathouders: de evaluatie zoals bedoeld in titel VII.I. RPPol of, bij ontstentenis, het laatst opgestelde advies bedoeld in artikel XII.VII.2 RPol of, bij ontstentenis, een attest afgeleverd door de functionele overste waaruit blijkt dat er geen onvoldoende evaluatie bestaat (evaluatie of advies op 31-12-2006); […]”. 3.
  7. Op 9 september 2014 dient verzoeker zijn kandidaatstelling in. Als één van de bijlagen ervan, voegt verzoeker het evaluatieverslag, gedagtekend door zowel de evaluator als verzoeker op 7 december
  8. 3.
  9. Tijdens haar zitting van 27 november 2014 onderzoekt de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren de ontvankelijkheid en geldigheid van de ingediende kandidaatstellingen en beslist met betrekking tot de kandidaatstelling van verzoeker dat zij niet-ontvankelijk is. Op 29 december 2014 dient verzoeker een bezwaarschrift en een aanvullend bezwaarschrift in tegen deze beslissing. XIV-37.882 -3/25 Op de zitting van 22 januari 2015 onderzoekt de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren de bezwaarschriften. Zij beslist dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn, doch de bezwaren ongegrond en bevestigt haar eerder genomen beslissing met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van verzoekers kandidaatstelling. Deze beslissing wordt vernietigd bij arrest van de Raad van State nr. 238.636 van 27 juni
  10. 3.
  11. Na deze nietigverklaring herneemt de verwerende partij de besluitvormingsprocedure. Bij schrijven van 7 februari 2018 wordt verzoeker ervan in kennis gesteld dat een nieuwe Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren was samengesteld en dat hij geen verdere stappen dient te ondernemen aangezien de commissie nog in het bezit is van zijn in 2014 ingediende kandidatuur. 3.
  12. Bij schrijven van 26 juni 2018 deelt de voorzitter van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren aan verzoeker de beslissing mee van de Nationale Selectiecommissie die, wat verzoekers kandidaatstelling betreft, luidt: “Om geldig te zijn moet het dossier van de kandidaatstelling, voor wat betreft de niet-mandaathouders, de evaluatie zoals bedoeld in titel VII.I RPPol bij ontstentenis, het laatste opgesteld advies bedoeld in artikel XII.VII.2 RPPol of, bij ontstentenis, een attest afgeleverd door de functionele overste waaruit blijkt dat er geen onvoldoende evaluatie bestaat. In de oproep staat gepreciseerd dat het de evaluatie of het advies op 31-12-2006 betreft. Het dossier tot kandidaatstelling van [verzoeker] bevat enkel een evaluatie daterende van
  13. Om deze redenen beslist de commissie dat de kandidaatstelling van [verzoeker] niet geldig en dus onontvankelijk is.”. Tegen deze beslissing dient verzoeker overeenkomstig artikel VII.II.36 RPPol een verweerschrift in. XIV-37.882 -4/25 3.
  14. In haar zitting van 14 augustus 2018, zo blijkt uit de notulen van de vergadering van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren, acht deze, na kennisneming van verzoekers bezwaar, dit bezwaar ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt aldus haar eerder genomen beslissing van 26 juni 2018 op grond van de volgende overwegingen: “Overwegende dat [verzoeker] beweert dat hij aan de voorwaarden voldoet zoals voorzien in de oproep tot kandidaatstelling van 01/07/2014 en bij zijn dossier tot kandidaatstelling een evaluatie van 07/12/2007 voegt; De commissie vaststelt dat in de oproep tot kandidaatstelling staat, om geldig te zijn, het dossier tot kandidaatstelling een evaluatie of advies moet bevatten uitgegeven op 31/12/2006; Bijgevolg de commissie niets anders kan dan vaststellen dat het dossier tot kandidaatstelling ingediend door [verzoeker] niet geldig is; De commissie vanaf dat moment acht dat ze zich niet moet uitspreken over de ander geformuleerde grieven van [verzoeker]. Algemene conclusie: De commissie bevestigt haar eerder genomen beslissing met betrekking tot de onontvankelijkheid van de kandidatuur van [verzoeker]. De commissie, besluit op basis van de hiervoor aangehaalde elementen, dat het bezwaarschrift van 11 juli 2018 niet gegrond is.” Dit is de bestreden beslissing. Deze beslissing wordt bij brief van 25 september 2018 aan verzoeker meegedeeld. 3.
  15. In haar zitting van 13 november 2018 heeft de Nationale Selectiecommissie 16 kandidaten voor overgang naar loonschaal O7 aan de minister aanbevolen. Bij brief van 22 november 2018 werd dit voorstel aan de minister overgemaakt. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel XIV-37.882 -5/25
  16. Verzoeker voert in het verzoekschrift de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht. Verzoeker zet, in hoofdorde, uiteen dat een geldige kandidaatstelling vereist dat die een evaluatie bevat (zoals bedoeld in titel VII.1 RPPol) uitgegeven op 31-12-2006 of, bij ontstentenis, het laatste opgesteld advies bedoeld in art. XII.V11.11 RPPol of, bij ontstentenis, een attest afgeleverd door de functionele overste waaruit blijkt dat er geen onvoldoende evaluatie bestaat. Deze eis beoogt immers zicht te krijgen op de evaluatie van het functioneren betrekkelijk het referentiejaar 2006 doch : - de gegeven evaluatie conform het RPPol is volgens rechtspraak van de Raad van State evenwel onwettig zodat die niet deugdelijk kan worden betrokken in een beslissingsproces, ook niet wat de loonschaal O7 betreft. Het gebeurlijk ontbreken van een dergelijke evaluatie kan evenmin aanleiding geven tot een niet-ontvankelijke kandidaatstelling, noch een negatieve weerslag hebben op de beoordeling ten gronde; - het alternatief, meer bepaald een advies conform artikel XII.V11.11 RPPol kon maar worden bekomen tot op datum van inwerkingtreding van de bepalingen omtrent de evaluatie, terwijl deze bepalingen in werking zijn getreden zodat dergelijk advies anno 2014 niet meer rechtsgeldig kon worden bekomen; - het andere alternatief, meer bepaald het attest van de functionele overste, heeft weerom betrekking op de evaluatie waaromtrent de Raad van State heeft geoordeeld dat deze onwettig is zodat dergelijk attest evenmin rechtsgeldig kan worden betrokken bij een beoordeling omtrent de loonschaal O
  17. Vermits het bestaan van een evaluatie op zich niet rechtsgeldig is, kan een attestering van de functionele overste dat er geen onvoldoende evaluatie is, al evenmin rechtsgeldig worden betrokken bij een beoordeling omtrent de loonschaal O
  18. Verzoeker besluit dat, aangezien de voorwaarde in de oproep tot kandidaatstelling inzake het overleggen van een evaluatie of een van de alternatieven daarvoor, een onmogelijke voorwaarde is om rechtsgeldig te XIV-37.882 -6/25 vervullen wat ertoe leidt dat het oordeel dat verzoekers kandidatuur niet beantwoordt aan de voorschriften om geldig te zijn, niet deugdelijk is en bijgevolg in strijd is met de materiëlemotiveringsplicht. In bijkomende orde merkt verzoeker op dat hij wel degelijk bij zijn kandidaatstelling een evaluatie heeft gevoegd, met name een evaluatie die betrekking heeft op de periode 2005-
  19. Hij zet uiteen dat de in toepassing van art. VII.1.9 RPPol, bedoelde evaluatie immers tweejaarlijks plaats heeft. Een afzonderlijke evaluatie op 31 december 2006, enkel slaande op 2006, bestaat niet en kan in 2014 onmogelijk nog worden geproduceerd. Verzoeker acht het op zich niet onlogisch dat ter beoordeling van de loonschaal O7 over het jaar 2006, men een zicht wenst op het functioneren van een betrokken kandidaat over deze periode. De door hem voorgelegde evaluatie, die slaat op de periode 2005-2007, volstaat daartoe volgens verzoeker ruimschoots vermits ze ook betrekking heeft op (onder andere) het jaar
  20. Ook al is de evaluatie op latere datum gesteld, doet verzoeker gelden dat het normdoel van die eis is bereikt, met name het hebben van informatie over verzoekers functioneren in
  21. Aldus is de materiële- motiveringsplicht geschonden, want stellen dat verzoeker niet heeft voldaan aan de vereiste van voorlegging van een dienstige evaluatie is feitelijk onjuist en dus geen deugdelijk motief.
  22. In de memorie van wederantwoord herneemt verzoeker zijn argumenten dat de regeling “in cascade” geen steek houdt. Hij stelt dat het standpunt dat de functionele overste de bevoegdheid zou hebben om een attest af te leveren en dat dit abstractie maakt van de rechtsgeldigheid om evaluaties op te stellen, niet juist is, vermits het bestaan van een evaluatie op zich niet rechtsgeldig is en een attestering door de functionele overste dat er geen onvoldoende evaluatie is, derhalve evenmin rechtsgeldig is. Volgens hem is dat ook de reden waarom hij geen dergelijk attest voorlegt: het heeft volgens hem geen nut. Dat andere kandidaten dit - beweerdelijk - wel hebben gedaan doet daar niet aan af. Het illustreert enkel dat “de selectiecommissie blijkbaar meer belang hecht aan nutteloze papieren dan aan kwaliteiten van de kandidaat.” In subsidiaire orde XIV-37.882 -7/25 herneemt hij zijn argument, stellende dat, “nu de reglementering een tweejaarlijkse evaluatie voorziet en de voorgelegde evaluatie deze is van december 2007, […] het toch wel voor zich [spreekt] dat ze betrekking heeft op o.a. het jaar 2006 en er dus beantwoord is aan de oproep tot kandidaatstelling.” Hij wijst erop dat de evaluatiecycli zijn gestart in 2003: een eerste maal over de periode 2003-2005 en een tweede maal over de periode 2005-2007, waar het jaar 2006 in valt. In de laatste memorie benadrukt verzoeker dat het argument dat het attest feitelijk gezien kon worden aangeleverd, voorbij gaat aan het feit dat zulks niet ter zake doet omdat de gevraagde evaluatie op zich niet rechtsgeldig is. Gevolg is dan ook dat een louter attest van de functionele overste “bij doorwerking” ook niet rechtsgeldig kan worden afgeleverd en dat een dergelijk gebrek aan rechtsgeldigheid noodzakelijkerwijze met zich meebrengt dat het niet-voegen ervan onmogelijk kan leiden tot het niet-ontvankelijk bevinden van zijn kandidaatstelling. Beoordeling
  23. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden.
  24. Ter beoordeling van dit middel moet ook worden gewezen op artikel 30 van de wet van 26 april 2002 „houdende de essentiële elementen van het XIV-37.882 -8/25 statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten‟ (hierna: de wet van 26 april 2002), dat de voorwaarden bepaalt verbonden aan de baremische loopbaan van de personeelsleden. Luidens het 2° van die bepaling is de baremische loopbaan van een personeelslid verbonden aan de voorwaarden “geen laatste evaluatie met de eindvermelding „onvoldoende‟ hebben”. Luidens artikel VII.II.24, tweede lid, RPPol, wordt de hogere loonschaal in de baremische loopbaan niet toegekend indien de evaluatie de eindvermelding “onvoldoende” draagt. Ook moet worden gewezen op artikel VII.II.31, tweede lid, RPPol, in de lezing van toepassing op de oproep die leidde tot de bestreden beslissing, luidens hetwelk een kandidaatstelling, om geldig te zijn, moet beantwoorden aan de voorschriften van de oproep. Uit deze bepalingen volgt dat een personeelslid niet de baremische verhoging in de hogere loonschaal geniet indien het een laatste evaluatie met eindvermelding “onvoldoende” heeft, alsook dat de kandidaatstelling, wil ze geldig zijn, dient te beantwoorden aan de voorschriften van de oproep.
  25. In hoofdorde voert verzoeker in essentie aan dat, aangezien de voorwaarde in de oproep tot kandidaatstelling inzake de voorlegging van de evaluatie een ongeldige voorwaarde betreft, die onmogelijk rechtsgeldig kan worden vervuld, zodat het motief dat verzoekers kandidaatstelling niet beantwoordt aan die voorwaarde niet deugdelijk is en bijgevolg in strijd is met de materiëlemotiveringsplicht. Centraal staat aldus de geldigheidsvoorwaarde in de oproep tot kandidaatstelling betreffende de evaluatie. Die is hiervoor weergegeven (supra, punt 3.2). Hij voorziet in een cascadesysteem. Om geldig te zijn, moet de kandidaatstelling, hetzij de evaluatie zoals bedoeld in titel VI.I. RPPol bevatten, hetzij, bij ontstentenis hiervan, het laatst opgesteld advies bedoeld in XIV-37.882 -9/25 artikel XII.VII.
  26. RPPol hetzij, bij ontstentenis, “een attest afgeleverd door de functionele overste waaruit blijkt dat er geen onvoldoende evaluatie bestaat.”. Uit deze geldigheidsvereiste volgt dat, indien verzoeker zoals te dezen, meent dat er noch een rechtsgeldige evaluatie op datum van 31 december 2006 kon worden gegeven wegens het ontbreken van het daartoe vereiste uitvoeringsbesluit, noch het in artikel XII.VII.
  27. RPPol bepaalde advies kon worden afgeleverd, hij in elk geval aan die vereiste rechtsgeldig kan voldoen door het voegen van een attest afgeleverd door zijn functionele overste waaruit blijkt dat er geen onvoldoende evaluatie bestaat op 31 december
  28. Verzoeker heeft nagelaten (op zijn minst) een dergelijk attest te voegen bij zijn kandidaatstelling. Zijn argument hiervoor in het verzoekschrift is dat dit attest evenmin dienstig is omdat het bestaan van een evaluatie op zich niet rechtsgeldig is, zodat de attestering dat er geen onvoldoende evaluatie is, al evenmin rechtsgeldig kan worden betrokken bij de beoordeling. Dit argument wordt niet bijgevallen. Het attest komt immers in cascade, met name als laatste alternatief om aan de bedoelde geldigheidsvereiste te voldoen, indien er geen evaluatie voorligt (eerste regel) noch een advies (tweede regel). Anders dan hoe verzoeker het ziet, heeft het derhalve geen betrekking op een (bepaalde) verleende evaluatie, zodat de vraag of die evaluatie al dan niet rechtsgeldig zou zijn, niet relevant is. Het attest strekt er enkel toe een bestaande feitelijke toestand te bevestigen, met name dat er op 31 december 2006 in hoofde van verzoeker geen onvoldoende evaluatie bestaat. De al dan niet rechtsgeldigheid van een (bestaande) evaluatie en/of bestaand evaluatiestelsel, vitieert derhalve niet dat een functionele overste zulks kan attesteren. Uit wat voorafgaat volgt dat, wanneer verzoeker meent dat er geen rechtsgeldige evaluatie kon worden opgesteld bij gebrek aan een ministerieel besluit omtrent de referentiefuncties en de basiscompetenties en dat er geen advies (met als laatste datum 31 december 2006) mogelijk is omdat de ter zake bestaande overgangsregel is uitgedoofd, een en ander er geenszins aan in de weg staat dat XIV-37.882 -10/25 verzoeker een “attest afgeleverd door de functionele overste waaruit blijkt dat er geen onvoldoende evaluatie bestaat” voegt bij zijn kandidaatstelling opdat die geldig en dus ontvankelijk zou zijn. Verzoeker maakt derhalve niet aannemelijk dat de betwiste geldigheidsvoorwaarde van de kandidaatstelling vermeld in de oproep, een “onmogelijke voorwaarde” is. De verwerende partij schendt derhalve de materiëlemotiveringsplicht niet door te oordelen dat verzoekers kandidaat- stelling niet ontvankelijk is omdat het niet aan de gestelde geldigheidvoorwaarde voldoet. Het middel is in die mate niet gegrond.
  29. De in subsidiaire orde aangevoerde grief wordt evenmin bijgetreden. Verzoekers kandidaatstelling voor de toekenning van de loonschaal 07 slaat op het toetsingsjaar
  30. De over te leggen attesten inzake evaluatie of, zoals te dezen, het niet bestaan van een evaluatie “onvoldoende” moet op grond van de oproep tot de kandidaten, verplichtend op 31 december 2006 zijn vervuld. Verzoeker brengt bij zijn kandidaatstelling een evaluatie bij van 7 december 2007, die volgens hem betrekking heeft op 2005-
  31. Anders dan hoe verzoeker het ziet, blijkt uit die evaluatie niet dat op 31 december 2006 geen onvoldoende evaluatie voorligt, maar enkel dat post datum - na het referentiejaar 2006 - alsnog een evaluatie bestaat waarin hij de eindvermelding “goed” heeft verkregen. Een dergelijk bijgebracht stuk voldoet niet aan de expliciete eis in de oproep dat aan de gestelde vereiste (laatstens) op datum van 31 december 2006 moet zijn voldaan. De omstandigheid dat er geen afzonderlijke evaluatie op datum van 31 december 2006 met betrekking tot het referentiejaar 2006 bestaat, doet hieraan geen afbreuk te meer dat, in die hypothese, verzoeker minstens de mogelijkheid had het hiervoor onderzochte attest te voegen. XIV-37.882 -11/25 Het argument dat de overgelegde evaluatie van 7 december 2007 betrekking heeft op het jaar 2006 zodat aan het normdoel van de gestelde geldigheidsvoorwaarde is voldaan, wordt evenmin bijgetreden. De in de oproep gestelde voorwaarde om bij de kandidaatstelling de evaluatie zoals bedoeld in titel VII.I. RPPol te voegen - of, bij ontstentenis, het laatst opgestelde advies bedoeld in artikel XII.VII.2 RPol of, bij ontstentenis, een attest afgeleverd door de functionele overste waaruit blijkt dat er geen onvoldoende evaluatie bestaat -, strekt ertoe de verwerende partij toe te laten te verifiëren of verzoeker voldoet aan de in artikel 30, 2° van de wet van 26 april 2002 bepaalde uitdrukkelijke voorwaarde tot baremische verhoging dat hij “geen laatste evaluatie met de eindvermelding „onvoldoende‟” heeft. Aangezien het toetsingsjaar 2006 betreft, is de “laatste” evaluatie die welke in het toetsingsjaar op (ten laatste) 31 december 2006 ondubbelzinnig voorligt. Uit wat voorafgaat volgt dat de verwerende partij binnen de grenzen van haar beoordelingsvrijheid is gebleven door te beslissen dat een op 7 december 2007 verleende evaluatie zoals die welke door verzoeker wordt voorgelegd, niet voldoet aan de uitdrukkelijke geldigheidsvoorwaarde gesteld in de oproep tot kandidaatstelling van 1 juli
  32. Het middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  33. Verzoeker voert in het verzoekschrift de “ongeldige samenstelling van de selectiecommissie, onbevoegdheid, schending van artikel VII.25 RPPol evenals artikel VII.II.26 RPPol” aan, alsook de schending van het “algemeen rechtsbeginsel van de beslotenheid der vergadering.” Met verwijzing naar de artikelen VII.II.25 en VII.II.26 RPPol zet verzoeker de XIV-37.882 -12/25 volgende grieven uiteen inzake de samenstelling van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren. Een eerste grief betreft de deelneming van hoofdcommissaris van politie P. Vd. C. aan de beraadslagingen van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren. In wat als een eerste kritiek kan worden beschouwd, stelt verzoeker vast dat de voornoemde hoofdcommissaris van politie als plaatsvervanger voor de directeur-generaal die de algemene directie van de “Bestuurlijke Politie” - verzoeker bedoelt allicht: “Gerechtelijke politie” - leidt, effectief heeft zitting gehouden in de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren wanneer die de bestreden beslissing heeft genomen. Hij stelt vast dat het ministerieel besluit van 22 december 2017 „houdende de aanwijzing van de leden van de nationale selectiecommissie voor hogere officieren‟ (hierna: het ministerieel besluit van 22 december 2017) weliswaar in de aanhef ervan verwijst naar een lijst van kandidaten van onder meer de commissaris-generaal van de Federale Politie, doch dat uit niets blijkt dat hoofdcommissaris van politie P. Vd. C. effectief voorkomt op die lijst. Verzoeker vordert dat de verwerende partij dit stuk aan het administratief dossier toevoegt en stelt dat, bij gebrek aan bewijs dat hoofdcommissaris van politie P. Vd. C. effectief op deze lijst voorkomt en ook effectief de loonschaal O7 genoot op het moment dat die deel uitmaakte van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren, die selectiecommissie ongeldig is samengesteld. In wat als een tweede kritiek kan worden beschouwd, stelt verzoeker dat, gelet op het belang dat de regelgever heeft gehecht om de specifieke algemene directie gerechtelijke politie vertegenwoordigd te laten zijn in de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren, de plaatsvervanger enkel zitting kan houden indien de titularis, zijnde de directeur-generaal algemene directie Gerechtelijke politie, in realiteit verhinderd is om te zetelen. Volgens verzoeker blijkt uit niets dat die directeur-generaal effectief was verhinderd, zodat bij gebrek aan bewijs ter zake, de plaatsvervanger niet behoorde te zetelen, waardoor de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren ongeldig is samengesteld. XIV-37.882 -13/25 Een tweede grief betreft de leden, niet-politiepersoneelsleden. Verzoeker stelt vast dat J.K. een plaatsvervangend lid is en dat die het effectieve lid heeft vervangen. Hij voert aan dat de plaatsvervanger pas kan zetelen als het effectieve lid “in ernst en redelijkheid” verhinderd is, wat niet blijkt. Verzoeker besluit dat de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren ook hierdoor ongeldig is samengesteld. Een derde grief betreft de aangewezen leden-korpschefs van de lokale politie. Hij stelt vast dat het ministerieel besluit van 22 december 2017 weliswaar in de aanhef ervan verwijst naar een lijst van kandidaten van onder meer de vaste commissie van de Lokale Politie, doch dat uit niets blijkt dat de effectief zetelende korpschefs voorkomen op die lijst en dat die lijst afkomstig is van de genoemde vaste commissie. Verzoeker besluit andermaal dat de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren ook hierdoor ongeldig is samengesteld. Een vierde grief betreft de bijstand van de secretarissen. In wat als een eerste kritiek kan worden beschouwd, stelt verzoeker vast dat uit de notulen van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren het volgende blijkt: “verzonden aan en goedgekeurd door,” met ernaast de opsomming van leden, secretarissen en ook een technische steun. Volgens verzoeker kan uit de bewoording “goedgekeurd door” niet anders worden besloten dan dat de secretarissen hebben deelgenomen aan het besluitvormingsproces en aldus mee deel hebben uitgemaakt van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren. Die secretarissen zijn daar nochtans op grond van artikel VII.II.25 RPPol geen lid van. Verzoeker oordeelt dat, door desalniettemin mee te hebben beslist, de selectiecommissie ongeldig is samengesteld en zodoende onbevoegd is. In wat als een tweede kritiek kan worden beschouwd, stelt verzoeker vast dat zowel de effectieve secretaris als de plaatsvervangende secretaris deel uitmaakten van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren, minstens hebben beiden het secretariaat gevoerd en waren beiden aanwezig bij de besluitvorming. Zulks kan volgens verzoeker niet en zulks strijdt met het beginsel van de beslotenheid van de beraadslaging van een collegiaal orgaan. Volgens verzoeker, XIV-37.882 -14/25 zich hiertoe steunend op rechtsleer met betrekking tot het ambtenarentuchtrecht, houdt de regel dat de vergadering met gesloten deuren moet plaatsvinden in dat het personen die geen lid zijn van de vergadering, verboden is aanwezig te zijn bij de beraadslaging en de stemming. Hij concludeert dat, “alwaar de effectieve secretaris aanwezig was kon de plaatsvervanger niet optreden als secretaris en diens aanwezigheid is dan ook een markante inbreuk op het gebod van de beslotenheid van de vergadering, wat de bestreden beslissing vitieert.”. Een vijfde en laatste kritiek betreft de aanwezigheid van een “technische steun”. Verzoeker stelt vast dat uit de notulen van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren blijkt dat ook een “technische steun” deel uitmaakte van die selectiecommissie, minstens was die aanwezig bij haar activiteiten. Ten aanzien van die persoon formuleert verzoeker dezelfde kritieken als inzake de bijstand van secretarissen.
  34. In de memorie van wederantwoord betwist verzoeker, wat de eerste grief betreft, vooreerst het door de verwerende partij overgelegde stuk met betrekking tot de lijst voorgesteld door de commissaris-generaal van de Federale politie. Hij benadrukt tevens dat uit het overgelegde stuk niet blijkt dat de hoofdcommissaris van politie P. Vd. C. daadwerkelijk de loonschaal O7 genoot op het ogenblik dat die deel uitmaakte van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren. Voorts benadrukt verzoeker dat de functie van een plaatsvervanger is om een overmachtssituatie te kunnen opvangen, niet om naar willekeur de samenstelling te laten afhangen van de (on)wil van het titulair lid. Verzoeker dringt voorts niet langer aan op de derde grief (de aanwijzing van de leden-korpschefs). Wat de vierde en vijfde grief betreft, herneemt verzoeker in essentie zijn argumentatie uit het verzoekschrift. In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker dat hij ook opwierp dat moet blijken dat hoofdcommissaris van politie P. Vd. C. de loonschaal O7 genoot op het ogenblik dat hij deel uitmaakte van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren en dat geen overgelegd stuk zulks aantoont. Wat de XIV-37.882 -15/25 problematiek van de plaatsvervanging betreft, herneemt verzoeker zijn argumentatie en blijft hij bij zijn standpunt. Hetzelfde geldt wat betreft de aanwezigheid van de extra secretaris en de technische steun, waarbij hij opwerpt dat de “goedkeuring” niet slaat op de materialiteit van de notulen, maar wel op de besluitvorming en dat van hem niet kan worden verwacht dat hij aantoont welke rechtstreekse bemoeienissen er van derden zijn geweest. Beoordeling
  35. De artikelen VII.II.25 en VII.II.26 RPPol, zoals ze van toepassing zijn op het voorliggende geschil, regelen de samenstelling van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren. Ze luiden in de versie van toepassing op het voorliggende geschil: “Artikel VII.II.
  36. Bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken bestaat, met het oog op de toekenning van de loonschalen O7 en O8, een nationale selectiecommissie voor hogere officieren, in deze afdeling de „selectiecommissie‟ genoemd, die als volgt is samengesteld : 1° de inspecteur-generaal van de algemene inspectie, voorzitter; 2° de directeur-generaal die de algemene directie bestuurlijke politie leidt; 3° de directeur-generaal die de algemene directie gerechtelijke politie leidt; 4° twee korpschefs van de lokale politie die ten minste de loonschaal O7 genieten; 5° twee leden die geen personeelslid zijn. De in het eerste lid, 5°, bedoelde leden moeten ten minste houder zijn van een diploma van een universiteit of hogeschool van de Vlaamse of Franse Gemeenschap en doen blijken van een voor de opdracht van de selectiecommissie relevante beroepservaring van ten minste tien jaar. De voorzitter en de leden van de selectiecommissie hebben bovendien elk een plaatsvervanger. Met uitzondering van de plaatsvervangers van de onder het eerste lid, 5°, bedoelde leden die moeten voldoen aan de in het tweede lid bepaalde vereisten, genieten deze plaatsvervangers ten minste de loonschaal O
  37. Een secretaris, aangewezen door de minister, staat de selectiecommissie bij. Artikel VII.II.
  38. De minister wijst aan : 1° de in artikel VII.II.25, eerste lid, 4°, bedoelde korpschefs onder die welke voorkomen op een lijst bevattende ten minste vier korpschefs die worden voorgesteld door de Vaste Commissie voor de lokale politie; 2° de in artikel VII.II.25, eerste lid, 5°, bedoelde leden, alsook hun plaatsvervangers; 3° een plaatsvervangende voorzitter uit een dubbeltal voorgesteld door de inspecteur-generaal van de algemene inspectie; 4° een plaatsvervanger voor elk van de leden van de selectiecommissie onder de hoofdcommissarissen die ten minste de loonschaal O7 genieten en die voorkomen op een lijst, bevattende ten minste vier hoofdcommissarissen van politie die ten minste de loonschaal O7 genieten, die wordt voorgesteld door de XIV-37.882 -16/25 commissaris-generaal wat de leden van de federale politie betreft en door de Vaste Commissie voor de lokale politie wat de korpschefs betreft.” Betreffende de eerste grief - de plaatsvervanger van het lid van de selectiecommissie
  39. In de mate dat verzoeker in een eerste kritiek doet gelden dat hoofdcommissaris van politie P. Vd. C. niet voorkomt op de lijst van kandidaten die in overeenstemming met artikel VII.II.26, 4° RPPol door de commissaris-generaal van de Federale Politie zijn voorgesteld wat de leden van de Federale Politie betreft, besluit het auditoraat tot de ongegrondheid van deze kritiek op grond van de volgende overwegingen zoals die blijken uit het navolgende uittreksel uit zijn verslag: “2.3.
  40. In zoverre de verzoeker stelt dat uit niets blijkt dat de aanwijzing van directeur-generaal [P.Vd.C.] (bij het MB van 22 december 2017) als plaatsvervanger voor de directeur-generaal van de algemene directie gerechtelijke politie is gebeurd op grond van een lijst voorgesteld door de commissaris-generaal, brengt de verwerende partij als stuk 16 van het administratief dossier een brief van commissaris-generaal a.i. van 22 april 2011 m.b.t. de samenstelling van de selectiecommissie voor de referentiejaren 2004 en
  41. Op die lijst wordt HCP [P.Vd.C.] vermeld. Tevens wordt e-mailverkeer van 30 en 31 oktober 2017 tussen HCP [P.Vd.C.] en de diensten van de commissaris-generaal gevoegd waaruit blijkt dat de commissaris-generaal geen wijziging van de samenstelling van de selectiecommissie (wat de leden van de federale politie betreft) wenste. Artikel VII.II.26 RPPol bepaalt geen bijzondere vormvoorschriften waaraan de lijst van de commissaris-generaal moet voldoen en bepaalt enkel dat zij tenminste vier hoofdcommissarissen van politie met loonschaal O7 moet bevatten. Waar uit het e-mailverkeer met de diensten van de commissaris-generaal blijkt dat deze geen wijzigingen wenste, moet in herinnering gebracht worden dat de onregelmatige samenstelling van de oorspronkelijke selectiecommissie (enkel) de aanwijzing van de korpschefs van de lokale politie betrof, en dat HCP [P.Vd.C.] ook toen reeds als plaatsvervanger voor de directeur-generaal FGP was aangewezen (arrest nr. 238.636 van 27 juni 2017). In die omstandigheden meen ik dat voldoende aangetoond wordt dat HCP [P.Vd.C.] bij het MB van 22 december 2017 aangewezen werd als plaatsvervanger op basis van een voorstel van de commissaris-generaal dat tenminste vier hoofd- commissarissen van politie met loonschaal O7 vermeldt. Dat er geen expliciet (ondertekend) voorstel van de commissaris-generaal voorligt doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de diensten van de commissaris-generaal bevestigen dat de samenstelling van de commissie niet gewijzigd moest worden (wat de plaatsvervangers van de federale politie betreft).” XIV-37.882 -17/25 Verzoeker betwist deze beoordeling, maar na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft hij niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Hij verzuimt immers om op de bespreking van deze wettigheidskritiek in het auditoraatsverslag nog te reageren en beperkt zich tot het verwijzen ter zake naar zijn eerdere procedurestukken. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, deze wettigheidskritiek ongegrond.
  42. De kritiek dat hoofdcommissaris van politie P. Vd. C. slechts als plaatsvervanger kan zetelen indien het effectief lid werkelijk verhinderd is, vindt geen steun in de hiervoor geciteerde artikelen VII.II.25 en VII.II.26 RPPol. Uit die bepalingen kan immers niet worden afgeleid dat de plaatsvervanger slechts geldig kan zetelen indien is aangetoond dat het effectief lid verhinderd is te zetelen. Voorts blijkt uit artikel VII.II.25, derde lid, dat de enige vereiste die is opgelegd aan de plaatsvervanger, de eis is dat die als hoofdcommissaris van politie (bij de Federale Politie) ten minste de loonschaal O7 geniet. Niet blijkt uit die bepaling dat de plaatsvervanger lid moet zijn van dezelfde algemene directie als de algemene directeur die hij vervangt, zodat verzoekers argument dat er een “evenwichtige vertegenwoordiging” moet zijn voor de delegatie van de Federale Politie, alvast niet opgaat wat de aanwijzing van plaatsvervangers ervoor betreft. In de mate dat verzoeker derhalve uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt die in rechte en is zijn wettigheidskritiek ongegrond.
  43. Inzake de kritiek dat hoofdcommissaris van politie P. Vd. C. de loonschaal O7 genoot op het ogenblik dat hij deelneemt aan de werkzaamheden van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren, legt - zoals hiervoor is vastgesteld inzake de eerste kritiek (supra, punt 15) - de verwerende partij stukken voor waaruit kan worden afgeleid dat deze hoofdcommissaris van politie door de XIV-37.882 -18/25 commissaris-generaal van de Federale Politie is voorgesteld als een van de hoofdcommissarissen van politie die ten minste de loonschaal O7 genieten, alsook dat hij in die hoedanigheid werd aangewezen in het ministerieel besluit van 22 december
  44. Ook blijkt dat hoofdcommissaris van politie P. Vd. C. reeds in het door het besluit van 22 december 2017 opgeheven ministerieel besluit van 4 april 2014 „houdende de aanwijzing van de leden van de nationale selectiecommissie voor hogere officieren,‟ was aangewezen als plaatsvervangend lid voor de directeur-generaal die de algemene directie van de gerechtelijke politie leidt. Behoudens dit begin van bewijs, ligt, hoewel expliciet gevorderd door verzoeker in zijn verzoekschrift, evenwel geen expliciet stuk voor dat afdoende aannemelijk maakt dat hoofdcommissaris van politie P. Vd. C. de loonschaal O7 daadwerkelijk genoot op het ogenblik dat hij als plaatsvervanger deelnam aan de werkzaamheden van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren. Met het oog op de finale geschillenbeslechting die door de Raad van State moet worden nagestreefd en ten einde deze grief met volledige kennis van zaken te kunnen beoordelen, is er reden om daarom het debat te heropenen ten einde de verwerende partij te bevelen het administratief dossier te vervolledigen met het stuk of de stukken betreffende de loonschaal die hoofdcommissaris van politie P. Vd. C. daadwerkelijk genoot op het ogenblik dat hij als plaatsvervanger deelnam aan de werkzaamheden van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren. Betreffende de tweede grief - de leden niet-personeelsleden
  45. De kritiek dat de plaatsvervanger slechts kan zetelen indien het effectief lid “in ernst en redelijkheid” is verhinderd, is ongegrond om dezelfde redenen als die welke hiervoor zijn uiteengezet inzake de plaatsvervanging van de algemene directeur door een hoofdcommissaris van politie. Er wordt naar gewezen (supra punt 15). Betreffende de derde grief - de aanwijzing van de leden-korpschefs XIV-37.882 -19/25
  46. Door in de memorie van wederantwoord uitdrukkelijk te verklaren niet langer aan te dringen wat dit punt betreft, wordt impliciet maar zeker afstand gedaan van deze grief. De Raad van State verleent akte van de afstand van deze grief. Betreffende de vierde en de vijfde grief - de bijstand van de secretarissen en de technische steun
  47. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van deze grieven op grond van de volgende overwegingen zoals die blijken uit het navolgende uittreksel uit zijn verslag: “2.3.5 In zoverre de verzoeker aanvoert dat zowel de effectieve als de plaatsvervangende secretaris aanwezig waren op de vergadering van de selectiecommissie: De verzoeker meent vooreerst dat zij deelgenomen hebben aan het besluitvormingsproces tijdens de vergadering van de selectiecommissie aangezien ook zij de notulen hebben goedgekeurd. De verzoeker leidt dit af uit de vermelding „Verzonden aan en goedgekeurd doo[r]‟ naast de vermelding van de aanwezigen op de vergadering (waaronder de beide secretarissen). Overeenkomstig artikel VII.II.25, vierde lid RPPol staat een secretaris, aangewezen door de minister, de selectiecommissie bij. De secretaris maakt derhalve geen deel uit van de commissie, maar staat deze slechts bij. De secretaris kan derhalve niet deelnemen aan het besluitvormingsproces. De secretaris staat wel in voor de notulering van de vergadering. De vermelding „verzonden aan en goedgekeurd doo[r]‟ betreft deze de notulering en toont niet aan dat de secretarissen zouden deelgenomen hebben aan het besluitvormingsproces. De verzoeker meent verder dat een plaatsvervangend secretaris slechts kan zetelen als de effectieve secretaris verhinderd is, zoniet wordt het principe van de beslotenheid van de vergadering, dat de openbare orde raakt, geschonden. Strikt genomen wordt de selectiecommissie overeenkomstig artikel VII.II.25, vierde lid RPPol bijgestaan door één secretaris, aangewezen door de minister. Er is dus geen rechtsgrond voor de bijstand van een tweede (plaatsvervangende) secretaris. Vastgesteld wordt tevens dat er in artikel VII.II.26 RPPol geen expliciete rechtsgrond kan gevonden worden voor de aanwijzing van een plaatsvervangend secretaris, hetgeen hier nochtans is gebeurd bij het MB van 22 december
  48. Evenwel mag niet uit het oog verloren worden dat de secretaris geen deel uitmaakt van de selectiecommissie, maar dat hij slechts bijstand verleent. De aanwezigheid van een tweede (plaatsvervangende) secretaris op de vergadering van de selectiecommissie heeft derhalve geen invloed op de regelmatigheid van de samenstelling van de commissie, bekeken vanuit het oogpunt van de bevoegdheid. De verzoeker meent evenwel dat de aanwezigheid van de plaatsvervangende secretaris het beginsel van de beslotenheid van de vergadering, dat naar zijn mening van openbare orde is, schendt. Hij verwijst daartoe naar de rechtsleer XIV-37.882 -20/25 (I. OPDEBEEK & A. COOLSAET, Algemene Beginselen van ambtenarentuchtrecht, Arb, Brugge, die Keure, 2011, nr. 763) en doet dit enigszins selectief aangezien onder nr. 762 van dit werk ook gesteld wordt: „In tuchtzaken is de beslotenheid van de vergadering de regel. Het algemeen beginsel van discretie in tuchtzaken houdt in dat de tuchtoverheid niet verplicht is de zaak in het openbaar te onderzoeken en de tuchtstraf in het openbaar uit te spreken. Vaak zal uitdrukkelijk bepaald zijn dat de beraadslaging en de beslissing moet gebeuren in besloten vergadering of „achter gesloten deuren‟. Zo moeten beslissingen genomen door de organen van de lokale besturen over aangelegenheden die de persoonlijke levenssfeer raken, worden genomen in besloten vergadering. Het spreekt voor zich dat tuchtbeslissingen hieronder vallen. De beslotenheid van de vergadering bestaat in de afwezigheid van publiek om de onafhankelijkheid van beslissingsorgaan te beschermen. Aan de beslotenheid van de vergadering wordt evenwel geen afbreuk gedaan door de aanwezigheid van een personeelslid om het secretariaat waar te nemen, of van de raadsman van de tuchtoverheid, gelet op hun beroepsgeheim. Er is evenmin bezwaar tegen de aanwezigheid van een plaatsvervangend secretaris, ook al zijn bepaalde tenlasteleggingen gesteund op zijn verklaringen. (…).‟ De vraag daar gelaten of deze rechtsleer en rechtspraak in tuchtaangelegenheden zonder meer toepasbaar is in andere aangelegenheden, blijkt duidelijk dat met de beslotenheid van de vergadering beoogd wordt de leden die deel uitmaken van het beslissingsorgaan af te schermen van het publiek, en dat de aanwezigheid van andere personen die bijstand of ondersteuning verlenen geen afbreuk doen aan de beslotenheid van de vergadering. Minstens lijkt het mij dat moet aangetoond of minstens aannemelijk gemaakt worden dat die personen een ongeoorloofde druk hebben uitgeoefend op de leden van de commissie, dermate dat zij niet vrij meer konden beslissen. De loutere aanwezigheid van een plaatsvervangende secretaris, naast de effectieve secretaris, toont naar ik meen niet aan dat deze personeelsleden een ongeoorloofde druk op de leden van de commissie hebben uitgeoefend, zodat op grond van zijn aanwezigheid niet kan besloten worden tot de schending van het beginsel van de beslotenheid van de vergadering. 2.3.6 Met betrekking tot de aanwezigheid van [X.] als „technische steun‟ voert verzoeker eenzelfde kritiek aan als tegen de aanwezigheid van de plaatsvervangende secretaris, met name dat ook deze de notulen zou „goedgekeurd‟ hebben en dat zijn aanwezigheid, die reglementair niet voorzien is, het beginsel van de beslotenheid van de vergadering schendt. Wat de „goedkeuring‟ door [X.] betreft, kan herhaald worden dat uit die „goedkeuring‟ niet blijkt dat hij heeft deelgenomen aan het besluitvormingsproces, zoals verzoeker stelt. Deze goedkeuring betreft enkel de notulering. Wat zijn aanwezigheid betreft, terwijl die reglementair niet voorzien is, hetgeen de beslotenheid van de vergadering heeft geschonden, kan mutatis mutandis verwezen worden naar hetgeen ter zake uiteengezet werd met betrekking tot de aanwezigheid van de plaatsvervangende secretaris (punt 2.3.5).”
  49. Verzoeker betwist deze beoordeling maar beperkt zich, na kennisneming van het verslag van het auditoraat, tot het benadrukken van zijn eigen standpunt en zijn eigen overtuiging. Hij brengt evenwel geen (inhoudelijke) argumenten in tegen de beoordeling van het auditoraat, maar beperkt zich te dezen XIV-37.882 -21/25 tot blote of algemene beweringen, dan wel subjectieve bevindingen die geen steun vinden in het dossier. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, deze wettigheidskritiek ongegrond. Conclusie
  50. Het debat wordt heropend zoals nader bepaald in het beschikkend gedeelte wat de grief betreft inzake de vereiste loonschaal O7 die hoofdcommissaris van politie P. Vd. C. daadwerkelijk moest genieten op het ogenblik dat hij als plaatsvervanger deelnam aan de werkzaamheden van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren. Het middel wordt voor het overige verworpen. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  51. Verzoeker voert in het verzoekschrift de schending aan van artikel VII.II.36 RPPol. Hij voert in essentie aan dat overeenkomstig deze bepaling de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren haar gemotiveerd voorstel, bevattende de door haar voor het toekennen van de loonschaal O7 geselecteerde kandidaten, meedeelt aan de kandidaten, terwijl de kennisgeving van 26 juli 2018 geenszins het gemotiveerd voorstel van de door de voornoemde commissie geselecteerde kandidaten bevatte. Daardoor heeft verzoeker in zijn bezwaarschrift hierover geen argumenten kunnen laten gelden. Artikel VII.II.36 RPPol is derhalve geschonden. Verzoeker stelt dat hij belang heeft bij dit middel aangezien het hem beperkt heeft in zijn verweermiddelen. XIV-37.882 -22/25
  52. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker inzake zijn belang bij het middel dat, indien tegemoet was gekomen aan het geschonden geachte voorschrift, hij argumenten had kunnen doen gelden waarom - bijvoorbeeld - hijzelf beter geschikt is om geselecteerd te worden ter gelegenheid waarvan de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren ook beter oog had kunnen hebben voor de nota inzake zijn aanspraken en verdiensten. Beoordeling
  53. Het auditoraat besluit tot de niet-ontvankelijkheid van het middel op grond van de volgende overwegingen zoals die blijken uit het navolgende uittreksel uit zijn verslag: “De kandidatuurstelling van de verzoeker is ongeldig, en dus onontvankelijk, bevonden op grond van de vaststelling dat het dossier niet het vereiste stuk betreffende de afwezigheid van een evaluatie „onvoldoende‟ op 31 december 2006 bevatte. Het valt in die omstandigheden niet in te zien welk belang de verzoeker bij het gegrond bevinden van het middel kan hebben. De vernietiging van de bestreden beslissing op grond van de vaststelling dat de kennisgeving van het gemotiveerd voorstel niet de door selectiecommissie geselecteerde kandidaten bevatte heeft in voorkomend geval niet tot gevolg dat de selectiecommissie bij de herneming van de procedure ertoe gehouden zou zijn de kandidatuur van verzoeker geldig, en dus ontvankelijk, te verklaren. Evenmin heeft het gegeven dat de mededeling van de geselecteerde kandidaten de verzoeker in staat zou gesteld hebben hierop kritiek te leveren tot gevolg dat zijn kandidatuur wel geldig en ontvankelijk zou zijn.”
  54. Verzoeker betwist dit standpunt, maar na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft hij evenwel niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Hij verzuimt immers om op de bespreking van dit middel in het auditoraatsverslag nog te reageren en beperkt zich tot het verwijzen ter zake naar zijn memorie van wederantwoord. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de XIV-37.882 -23/25 redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het derde middel niet-ontvankelijk. BESLISSING
  55. De Raad van State heropent het debat.
  56. De Raad van State beveelt de verwerende partij het administratief dossier binnen acht dagen na de kennisgeving van het onderhavige arrest te vervolledigen met het stuk of de stukken betreffende de loonschaal die de bij artikel 5 van het ministerieel besluit van 22 december 2017 als plaatsvervangend lid aangewezen hoofdcommissaris van politie P. Vd. C., daadwerkelijk genoot op het ogenblik dat hij als plaatsvervanger deelnam aan de werkzaamheden van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren.
  57. De zaak wordt vastgesteld op de openbare terechtzitting van 21 april 2021 om 14.15 uur. XIV-37.882 -24/25 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van elf maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.882 -25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.086 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.820 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.