← België

Arrest 250087 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 11/03/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.087 Rolnummer: A. 226786/XIV-37883 Zaak: Arrest 250087 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 11/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-12 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-20 00:32 Fiche Arrest nr 250.087 van 11 maart 2021 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 250.087 van 11 maart 2021 in de zaak A. 226.786/XIV-37.883 In zake : Steven DE SMET bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 27 november 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 14 augustus 2018 van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren waarbij het bezwaar van verzoeker ongegrond wordt verklaard en zij haar eerder genomen beslissing van 26 juni 2018 waarbij zij de kandidatuur van verzoeker voor de toekenning van de loonschaal O7 - Referentiejaar 2006 niet-ontvankelijk acht. II. Verloop van de rechtspleging De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-37.883-1/22 Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 januari 2021 om 14u
  2. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Mathieu Generet, die loco advocaat Peter Crispyn verschijnt voor verzoeker, en advocaat Gautier De Wachter, die loco advocaat Stijn Butenaerts verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker is hoofdcommissaris van politie bij de lokale politiezone Gent. 3.
  5. Bij nota van de algemene directie van de Ondersteuning en het Beheer van de Federale Politie van 1 juli 2014 wordt de oproep tot kandidaatstelling voor de „Baremische loopbaan in het officierskader - Toekenning van de loonschalen O7 en O8 - Toetsingsjaar 2006‟ bekendgemaakt. Het aantal hoofdcommissarissen dat voor overgang naar loonschaal O7 in aanmerking komt wordt vastgesteld op zestien voor het jaar
  6. XIV-37.883-2/22 Blijkens punt 2 van die oproep is de toekenning van hogere loonschalen verbonden aan voorwaarden waaronder “een dossier tot kandidaatstelling indienen (zie punt 4 infra).” Punt 3 van die oproep bepaalt dat de kandidaatstellingen overeenkomstig artikel VII.II.31 RPPol hetzij per aangetekende brief, hetzij tegen ontvangstbewijs, uiterlijk tegen 10 september 2014 bij DGS/DSPO worden ingediend volgens het model gevoegd als bijlage 1 bij de oproep tot de kandidaatstelling, zo niet is de kandidatuur niet-ontvankelijk. Onder punt 4 „Dossier tot kandidaatstelling‟ van de oproep wordt bepaald dat: “[o]m geldig te zijn moet het dossier van de kandidaatstelling volgende documenten [moet] bevatten: […] - een nota waarin de kandidaat de aanspraken en verdiensten uiteenzet die hij meent te kunnen doen gelden voor de toekenning van een hogere loonschaal. In het bijzonder zal hij per criterium (zie bijlage 2) duidelijk maar kort en bondig de nodige beoordelingselementen opsommen en omschrijven (uitgezonderd voor criterium 5 dat betrekking heeft op de kwaliteit van de kandidaatstelling). De eventuele bewijsstukken die geen deel uitmaken van het persoonlijk dossier kunnen in bijlage bij de kandidaatstelling gevoegd worden. […]. De nota aanspraken en verdiensten omvat maximaal 10 pagina‟s A4 met per pagina een maximum van 40 regels, 600 woorden of 3500 karakters (exclusief spaties).[…]. Gelet op de bepalingen van het artikel VII.II.31 van het KB van 30-03-2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, zijn de kandidaatstellingen die niet aan deze in de oproep tot kandidaatstelling opgenomen voorschriften beantwoorden, ongeldig. […].” 3.
  7. Op 3 september 2014 dient verzoeker zijn kandidaatstelling in. Deze bevat een nota waarin de aanspraken en verdiensten van verzoeker worden uiteengezet. 3.
  8. Tijdens haar zitting van 27 november 2014 onderzoekt de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren de ontvankelijkheid en geldigheid van de ingediende kandidaatstellingen en beslist met betrekking tot de kandidaatstelling van verzoeker dat zij niet-ontvankelijk is. XIV-37.883-3/22 Op 29 december 2014 dient verzoeker een bezwaarschrift in tegen deze beslissing. Op de zitting van 22 januari 2015 onderzoekt de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren het bezwaarschrift. Zij beslist dat het bezwaarschrift ontvankelijk is, doch de bezwaren ongegrond en bevestigt haar eerder genomen beslissing met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van verzoekers kandidaatstelling. Deze beslissing wordt vernietigd bij arrest van de Raad van State nr. 238.638 van 27 juni
  9. 3.
  10. Na deze nietigverklaring herneemt de verwerende partij de besluitvormingsprocedure. Bij schrijven van 7 februari 2018 wordt verzoeker ervan in kennis gesteld dat een nieuwe Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren was samengesteld en dat hij geen verdere stappen dient te ondernemen aangezien de commissie nog in het bezit is van zijn in 2014 ingediende kandidatuur. 3.
  11. Bij schrijven van 26 juni 2018 deelt de voorzitter van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren aan verzoeker de beslissing mee van de Nationale Selectiecommissie die, wat verzoekers kandidaatstelling betreft, luidt: “De oproep tot kandidaatstelling stelt duidelijk dat de nota met aanspraken en verdiensten maximaal 10 pagina‟s A4 met per pagina een maximum van 40 regels, 600 woorden of 3500 karakters (exclusief spaties) omvat. De nota van [verzoeker] overschrijdt het maximum van 40 regels, 600 woorden en 3500 karakters. Gelet op de bepalingen van het artikel VII.II.31 van het KB van 30-03-2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, zijn de kandidaatstellingen die niet aan de in de oproep tot kandidaatstelling opgenomen voorschriften beantwoorden, ongeldig. Om deze redenen beslist de commissie dat de kandidatuur van [verzoeker] niet geldig en dus onontvankelijk is.” XIV-37.883-4/22 Tegen deze beslissing dient verzoeker overeenkomstig artikel VII.II.36 RPPol een verweerschrift in. 3.
  12. In haar zitting van 14 augustus 2018, zo blijkt uit de notulen van de vergadering van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren, acht deze, na kennisneming van verzoekers bezwaar, dit bezwaar ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt aldus haar eerder genomen beslissing van 26 juni 2018 op grond van de volgende overwegingen: “Overwegende dat [verzoeker] acht dat de commissie de artikelen VII.II.30 en 31 RPPol schendt; De commissie aldus acht dat in de oproep tot kandidaatstelling duidelijk staat welke elementen, andere dan de verplichte vermeld in de artikelen VII.II.30 en 31 RPPol, moeten bevatten zodat het dossier tot kandidaatstelling geldig is; Dat in zijn bezwaarschrift van 11 juli 2018 [verzoeker] zelf erkent dat zijn kandidaatstelling die hij ingediend heeft niet voldoet aan de voorwaarden (o.a. „Titels en verdienste‟ van 20 blz. daar waar de limiet van 10 blz. is toegestaan); De commissie acht dat de voorwaarden bepaald en opgelegd werden aan de kandidaten teneinde ze te behandelen op gelijke voet; De commissie er niet van afwijkt om terug te komen om het algemene rechtsprincipe toe te passen om de kandidaten te begunstigen die deze niet hebben eerbiedigd; Dat de criteria objectief en begrijpelijk zijn. Algemene conclusie: De commissie bevestigt haar eerder genomen beslissing met betrekking tot de onontvankelijkheid van de kandidatuur van [verzoeker] De commissie, besluit op basis van de hiervoor aangehaalde elementen, dat de grieven niet gegrond zijn.”. Dit is de bestreden beslissing. Deze beslissing wordt bij brief van 25 september 2018 aan verzoeker meegedeeld. 3.
  13. In haar zitting van 13 november 2018 heeft de Nationale Selectiecommissie 16 kandidaten voor overgang naar loonschaal O7 aan de minister aanbevolen. Bij brief van 22 november 2018 werd dit voorstel aan de minister overgemaakt. XIV-37.883-5/22 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  14. Verzoeker voert in het verzoekschrift de schending aan van de artikelen VII.II.30 en VII.II.31 RPPol en van de materiëlemotiveringsplicht. Hij zet, in hoofdorde, uiteen dat in punt 3 van de oproep tot kandidaatstelling vereist wordt dat gebruik wordt gemaakt van het model gevoegd als bijlage 1 bij de oproep, zoniet is de kandidaatstelling “onontvankelijk”. Nochtans acht de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren zijn kandidaatstelling niet ontvankelijk omwille van een opgelegd vormvoorschrift, maar omwille van een inhoudelijk punt. Het in punt 4 van de oproep tot kandidaatstelling gestelde dat de nota „aanspraken en verdiensten‟ maximaal 10 blz. A4, met per pagina maximum 40 regels, 600 woorden of 3.500 karakters (exclusief spaties) mag omvatten, is naar de mening van verzoeker geen voorschrift dat kan leiden tot de niet-ontvankelijkheid. Hoogstens is het volgens verzoeker “een indicatie en verduidelijking van de eveneens verlangde duidelijke maar kort[e] en bondige opsomming/omschrijving van de beoordelingselementen.” Dit raakt de grond, en niet de ontvankelijkheid van de kandidaatstelling, zodat de artikelen VII.II.30 en VII.II.31 RPPol en de materiëlemotiveringsplicht geschonden zijn. In subsidiaire orde merkt verzoeker op dat de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren vaststelt: “de nota van [verzoeker] overschrijdt het maximum van 40 regels, 600 woorden en 3500 karakters.” Volgens verzoeker neemt de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren aldus aan dat wat wordt vereist inzake de omvang “in abstracto” geen hakbijlelement is. De nota telt “in abstracto” meer dan 10 bladzijden A4, maar dit is volgens verzoeker blijkbaar geen punt vermits de kandidaatstelling enkel XIV-37.883-6/22 afgewezen wordt omwille van de overschrijding van het maximum van 40 regels, 600 woorden en 3500 karakters per bladzijde. Volgens verzoeker telt, “strikt genomen”, de hele nota 20 bladzijden, 6306 woorden en 3.753 tekens exclusief spaties, wat neerkomt op gemiddeld 630 woorden per pagina en 3.753 karakters per pagina. Daarbij moet worden vastgesteld dat de nota minstens 6 pagina‟s lay out omvat (voorblad, inhoudstafel, voorwoord en referentielijst bijlagen), dat de tekstopmaak ook vraagt “om witruimte, grafische elementen (gelet op de quotering inzake presentatie!) en een resem figuren en vooral quotes - uitspraken gedaan door korpschefs en domeinexperts die een louter illustratief karakter hebben.” Dit “verrijkt” volgens verzoeker de nota, “maar heeft een illustratief karakter derwijze [dat] deze niet kunnen worden opgenomen in de telling.” Verzoeker komt aldus tot een berekening waarbij 794 woorden en 4.772 tekens exclusief spaties in mindering moeten worden gebracht, waardoor de inhoudelijke tekst 5.512 woorden en 32.758 tekens exclusief spaties omvat, wat ruimschoots binnen het vereiste maximum van 40 regels, 600 woorden en 3500 karakters ligt. “Wellicht ten overvloede” merkt verzoeker nog op, bevat zijn nota inzake de aanspraken en verdiensten de volgende paragraaf: “Op dit moment wil ik mijn verontschuldigingen aanbieden voor de vorm en de staat van mijn persoonlijk dossier, voor de mogelijks incomplete toestand waarin mij dit dossier werd aangeleverd en de soms onleesbare documenten die eraan werden toegevoegd.” Verzoeker stelt dat deze toestand niet zijn fout is maar dat de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren daardoor in haar werk bemoeilijkt is. Dat zette hem aan om “meer inhoud en „look & feel‟” te geven aan zijn nota met aanspraken en verdiensten.
  15. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker, wat zijn in hoofdorde gevoerde kritiek betreft, dat punt 3 van de oproep de eisen bevat inzake de wijze van kandidaatstelling. Wat de subsidiair aangevoerde kritiek betreft, stelt verzoeker dat bij de telling van het aantal woorden enzovoort, enkel rekening mag worden gehouden met de inhoudelijke tekst en dat de verwerende partij zijn becijfering geenszins betwist. Hij stelt zich op het standpunt dat de verwerende partij voorbijgaat aan de vaststelling dat uit haar eigen beslissing blijkt XIV-37.883-7/22 dat de omvang “in abstracto” van de nota geen hakbijlelement is. Voorts benadrukt verzoeker dat de toestand waarin zijn persoonlijk dossier zich bevond, reden was om zijn nota “wat te illustreren met ruimte die op zich niet inhoudelijk is en dus niet mag worden meegenomen met de telling van aantal karakters etc…” Beoordeling
  16. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het middel op grond van de volgende overwegingen zoals die blijken uit het navolgende uittreksel uit zijn verslag: “1.3.1 In hoofdorde meent verzoeker dat de artikelen VII.II.30 en VII.II.31 RPPol, alsook de materiële motiveringsplicht geschonden zijn, doordat de in de oproep tot kandidaatstelling gestelde voorwaarde inzake de omvang van de nota „aanspraken en verdiensten‟ niet de ontvankelijkheid van de kandidatuur betreft, maar wel de grond ervan (zodat op die basis niet tot de onontvankelijkheid van de kandidatuur kon besloten worden). De verzoeker zoekt voor deze stelling kennelijk steun in de vaststelling dat in punt 3 van de oproep tot kandidaatstelling gesteld wordt dat de kandidatuur om „ontvankelijk‟ te zijn moet ingediend worden conform het model dat als bijlage 1 bij de oproep tot kandidaatstelling is gevoegd, terwijl onder punt 4, waarin onder meer de vereisten waaraan de nota „aanspraken en verdiensten‟ moet voldoen worden vermeld, geen dergelijk voorschrift wordt opgelegd. De verzoeker vergist zich. De gehanteerde bewoordingen onder punt 4 laten geen twijfel mogelijk: „(…) De nota aanspraken en verdiensten omvat maximaal 10 pagina‟s A4 met per pagina een maximum van 40 regels, 600 woorden of 3500 karakters (exclusief spaties). (…) Gelet op de bepalingen van het artikel VII.II.31 van het KB van 30-03-2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, zijn de kandidaatstellingen die niet aan deze in de oproep tot kandidaatstelling opgenomen voorschriften beantwoorden, ongeldig.‟ Deze vermelding kan niet anders begrepen worden dan dat een kandidatuur met een nota „aanspraken en verdiensten‟ die niet voldoet aan de vooropgestelde maxima qua aantal pagina‟s, en qua regels, woorden of karakters per pagina, ongeldig is. Als een kandidatuur ongeldig is, betekent dit dat zij niet in aanmerking genomen kan worden en dat zij derhalve onontvankelijk is. Overeenkomstig artikel VII.II.30 RPPol bevat de oproep tot kandidaatstelling onder meer de wijze van kandidaatstelling. Overeenkomstig artikel VII.II.31 RPPol moet de kandidaatstelling, om geldig te zijn, beantwoorden aan de voorschriften van de oproep. De oproep heeft hier de voorwaarden waaraan de nota „aanspraken en verdiensten‟ moet voldoen bepaald. Wanneer de selectiecommissie vaststelt dat de betrokken nota niet voldoet aan de in de oproep gesteld vereisten, en op die basis besluit tot de onontvankelijkheid van de kandidatuur, dan schendt zij noch de artikelen VII.II.30 en VII.II.31 RPPol, noch de materiële motiveringsplicht. 1.3.2 Ondergeschikt [ontwikkelt] verzoeker een redenering, inzoverre aangenomen wordt dat de vereisten inzake de nota „aanspraken en verdiensten‟ wel de XIV-37.883-8/22 ontvankelijkheid van de kandidatuur betreffen, dat de selectiecommissie de kandidatuur niet afwijst omdat ze meer dan 10 bladzijden omvat, maar omdat het maximum van 40 regels, 600 woorden en 3500 karakters per pagina wordt overschreden, terwijl verzoeker op grond van een eigen berekening, waarbij een aantal stukken uit de nota die louter illustratief zijn niet meegerekend worden, tot de conclusie komt dat het maximum aantal regels, woorden en karakters van de gehele nota (zijnde de vooropgestelde maxima per pagina x 10) wel gerespecteerd wordt, zodat de beslissing van de selectiecommissie dat de kandidatuur onontvankelijk niet op deugdelijke motieven steunt en derhalve de materiële motiveringsplicht schendt. Ten aanzien van deze redenering wordt vooreerst vastgesteld dat de beslissing „in eerste aanleg‟ van de selectiecommissie (vóór bezwaar) inderdaad als motief enkel vermeldt dat de nota het maximum van 40 regels, 600 woorden en 3500 karakters overschrijdt, terwijl de selectiecommissie er in de bestreden beslissing op wijst dat verzoeker in zijn bezwaar zelf erkent dat zijn kandidaatstelling niet voldoet aan de voorwaarden, waarbij verwezen wordt naar het aantal van 20 bladzijden, daar waar de toegestane limiet 10 bladzijden is. Dat de selectiecommissie de kandidatuur enkel onontvankelijk zou hebben verklaard omdat het maximum aantal regels, woorden en karakters per pagina niet gerespecteerd werd mist dus grondslag. Overigens moet vastgesteld worden dat de oproep tot kandidaatstelling ook duidelijk stelt dat de nota aanspraken en verdiensten maximaal 10 pagina‟s A4 omvat, zodat het overschrijden van dit aantal pagina‟s - ook als het maximum aantal regels, woorden en karakters van de gehele nota gerespecteerd wordt - de conclusie dat de kandidaatstelling onontvankelijk is deugdelijk verantwoordt. Aangenomen dat voorgaande conclusie te strikt is en dat het maximaal aantal pagina‟s van 10 mag overschreden worden indien het globaal aantal regels, woorden en karakters het vooropgestelde maximum niet overschrijdt, dan nog erkent de verzoeker dat ook die maxima overschreden worden, maar dat dit niet het geval is indien de louter illustratieve gedeelten niet meegerekend worden. Een dergelijke benadering/interpretatie, waarbij bepaalde gedeelten buiten beschouwing kunnen gelaten worden, is niet verenigbaar met de duidelijke bewoordingen onder punt 4 van de oproep tot kandidaatstelling: „(…) De nota aanspraken en verdiensten omvat maximaal 10 pagina‟s A4 met per pagina een maximum van 40 regels, 600 woorden of 3500 karakters (exclusief spaties).‟ Dat de selectiecommissie vaststelt dat de nota „aanspraken en verdiensten‟ de in de oproep tot kandidaatstelling vooropgestelde vereisten inzake het maximum aantal pagina‟s, regels, woorden en karakters overschrijdt, stemt overeen met de werkelijkheid zodat de bestreden beslissing in feite en in rechte deugdelijk gemotiveerd is en de materiële motiveringsplicht niet schendt. Dat het persoonlijk dossier van de verzoeker niet in optimale staat is heeft ten aanzien van deze vaststelling geen enkele relevantie.”
  17. Verzoeker betwist deze beoordeling, maar na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft hij evenwel niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Hij verzuimt immers om op de bespreking van dit middel in het auditoraatsverslag nog te reageren en beperkt zich tot het verwijzen naar zijn XIV-37.883-9/22 eigen visie, ter zake uiteengezet in het verzoekschrift en in de memorie van wederantwoord. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het eerste middel ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  18. Verzoeker voert in het verzoekschrift de “ongeldige samenstelling van de selectiecommissie, onbevoegdheid, schending van artikel VII.25 RPPol evenals artikel VII.II.26 RPPol” aan, alsook de schending van het “algemeen rechtsbeginsel van de beslotenheid der vergadering.” Met verwijzing naar de artikelen VII.II.25 en VII.II.26 RPPol zet verzoeker de volgende grieven uiteen inzake de samenstelling van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren. Een eerste grief betreft de deelneming van hoofdcommissaris van politie P. Vd. C. aan de beraadslagingen van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren. In wat als een eerste kritiek kan worden beschouwd, stelt verzoeker vast dat de voornoemde hoofdcommissaris van politie als plaatsvervanger voor de directeur-generaal die de algemene directie van de “Bestuurlijke Politie” - verzoeker bedoelt allicht: “Gerechtelijke politie” - leidt, effectief heeft zitting gehouden in de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren wanneer die de bestreden beslissing heeft genomen. Hij stelt vast dat het ministerieel besluit van 22 december 2017 „houdende de aanwijzing van de leden van de nationale selectiecommissie voor hogere officieren‟ (hierna: het ministerieel besluit van 22 december 2017) weliswaar in de aanhef ervan verwijst naar een lijst van kandidaten van onder meer de commissaris-generaal van de Federale politie, doch dat uit niets blijkt dat hoofdcommissaris van politie P. Vd. C. XIV-37.883-10/22 effectief voorkomt op die lijst. Verzoeker vordert dat de verwerende partij dit stuk aan het administratief dossier toevoegt en stelt dat, bij gebrek aan bewijs dat hoofdcommissaris van politie P. Vd. C. effectief op deze lijst voorkomt en ook effectief de loonschaal O7 genoot op het moment dat die deel uitmaakte van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren, die selectiecommissie ongeldig is samengesteld. In wat als een tweede kritiek kan worden beschouwd, stelt verzoeker dat, gelet op het belang dat de regelgever heeft gehecht om de specifieke algemene directie gerechtelijke politie vertegenwoordigd te laten zijn in de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren, de plaatsvervanger enkel zitting kan houden indien de titularis, zijnde de directeur-generaal algemene directie Gerechtelijke politie, in realiteit verhinderd is om te zetelen. Volgens verzoeker blijkt uit niets dat die directeur-generaal effectief was verhinderd, zodat bij gebrek aan bewijs ter zake, de plaatsvervanger niet behoorde te zetelen, waardoor de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren ongeldig is samengesteld. Een tweede grief betreft de leden, niet-politiepersoneelsleden. Verzoeker stelt vast dat J.K. een plaatsvervangend lid is en dat die het effectieve lid heeft vervangen. Hij voert aan dat de plaatsvervanger pas kan zetelen als het effectieve lid “in ernst en redelijkheid” verhinderd is, wat niet blijkt. Verzoeker besluit dat de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren ook hierdoor ongeldig is samengesteld. Een derde grief betreft de aangewezen leden-korpschefs van de lokale politie. Hij stelt vast dat het ministerieel besluit van 22 december 2017 weliswaar in de aanhef ervan verwijst naar een lijst van kandidaten van onder meer de vaste commissie van de Lokale Politie, doch dat uit niets blijkt dat de effectief zetelende korpschefs voorkomen op die lijst en dat die lijst afkomstig is van de genoemde vaste commissie. Verzoeker besluit andermaal dat de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren ook hierdoor ongeldig is samengesteld. XIV-37.883-11/22 Een vierde grief betreft de bijstand van de secretarissen. In wat als een eerste kritiek kan worden beschouwd, stelt verzoeker vast dat uit de notulen van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren het volgende blijkt: “verzonden aan en goedgekeurd door,” met ernaast de opsomming van leden, secretarissen en ook een technische steun. Volgens verzoeker kan uit de bewoording “goedgekeurd door” niet anders worden besloten dan dat de secretarissen hebben deelgenomen aan het besluitvormingsproces en aldus mee deel hebben uitgemaakt van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren. Die secretarissen zijn daar nochtans op grond van artikel VII.II..25 RPPol geen lid van. Verzoeker oordeelt dat, door desalniettemin mee te hebben beslist, de selectiecommissie ongeldig is samengesteld en zodoende onbevoegd is. In wat als een tweede kritiek kan worden beschouwd, stelt verzoeker vast dat zowel de effectieve secretaris als de plaatsvervangende secretaris deel uitmaakten van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren, minstens hebben beiden het secretariaat gevoerd en waren beiden aanwezig bij de besluitvorming. Zulks kan volgens verzoeker niet en zulks strijdt met het beginsel van de beslotenheid van de beraadslaging van een collegiaal orgaan. Volgens verzoeker, zich hiertoe steunend op rechtsleer met betrekking tot het ambtenarentuchtrecht, houdt de regel dat de vergadering met gesloten deuren moet plaatsvinden in dat het personen die geen lid zijn van de vergadering, verboden is aanwezig te zijn bij de beraadslaging en de stemming. Hij concludeert dat, “alwaar de effectieve secretaris aanwezig was kon de plaatsvervanger niet optreden als secretaris en diens aanwezigheid is dan ook een markante inbreuk op het gebod van de beslotenheid van de vergadering, wat de bestreden beslissing vitieert.” Een vijfde en laatste kritiek betreft de aanwezigheid van een “technische steun”. Verzoeker stelt vast dat uit de notulen van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren blijkt dat ook een “technische steun” deel uitmaakte van die selectiecommissie, minstens was die aanwezig bij haar activiteiten. Ten aanzien van die persoon formuleert verzoeker dezelfde kritieken als inzake de bijstand van secretarissen. XIV-37.883-12/22
  19. In de memorie van wederantwoord betwist verzoeker, wat de eerste grief betreft, vooreerst het door de verwerende partij overgelegde stuk met betrekking tot de lijst voorgesteld door de commissaris-generaal van de Federale politie. Hij benadrukt tevens dat uit het overgelegde stuk niet blijkt dat de hoofdcommissaris van politie P. Vd. C. daadwerkelijk de loonschaal O7 genoot op het ogenblik dat die deel uitmaakte van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren. Voorts benadrukt verzoeker dat de functie van een plaatsvervanger is om een overmachtssituatie te kunnen opvangen, niet om naar willekeur de samenstelling te laten afhangen van de (on)wil van het titulair lid. Verzoeker dringt voorts niet langer aan op de derde grief (de aanwijzing van de leden-korpschefs). Wat de vierde en vijfde grief betreft, herneemt verzoeker in essentie zijn argumentatie uit het verzoekschrift. In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker dat hij ook opwierp dat moet blijken dat hoofdcommissaris van politie P. Vd. C. de loonschaal O7 genoot op het ogenblik dat hij deel uitmaakte van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren en dat geen overgelegd stuk zulks aantoont. Wat de problematiek van de plaatsvervanging betreft, herneemt verzoeker zijn argumentatie en blijft hij bij zijn standpunt. Hetzelfde geldt wat betreft de aanwezigheid van de extra secretaris en de technische steun, waarbij hij opwerpt dat de “goedkeuring” niet slaat op de materialiteit van de notulen, maar wel op de besluitvorming en dat van hem niet kan worden verwacht dat hij aantoont welke rechtstreekse bemoeienissen er van derden zijn geweest. Beoordeling
  20. De artikelen VII.II.25 en VII.II.26 RPPol, zoals ze van toepassing zijn op het voorliggende geschil, regelen de samenstelling van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren. Ze luiden in de versie van toepassing op het voorliggende geschil: “Artikel VII.II.
  21. Bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken bestaat, met het oog op de toekenning van de loonschalen O7 en O8, een nationale XIV-37.883-13/22 selectiecommissie voor hogere officieren, in deze afdeling de " selectiecommissie " genoemd, die als volgt is samengesteld : 1° de inspecteur-generaal van de algemene inspectie, voorzitter; 2° de directeur-generaal die de algemene directie bestuurlijke politie leidt; 3° de directeur-generaal die de algemene directie gerechtelijke politie leidt; 4° twee korpschefs van de lokale politie die ten minste de loonschaal O7 genieten; 5° twee leden die geen personeelslid zijn. De in het eerste lid, 5°, bedoelde leden moeten ten minste houder zijn van een diploma van een universiteit of hogeschool van de Vlaamse of Franse Gemeenschap en doen blijken van een voor de opdracht van de selectiecommissie relevante beroepservaring van ten minste tien jaar. De voorzitter en de leden van de selectiecommissie hebben bovendien elk een plaatsvervanger. Met uitzondering van de plaatsvervangers van de onder het eerste lid, 5°, bedoelde leden die moeten voldoen aan de in het tweede lid bepaalde vereisten, genieten deze plaatsvervangers ten minste de loonschaal O
  22. Een secretaris, aangewezen door de minister, staat de selectiecommissie bij. Artikel VII.II.
  23. De minister wijst aan : 1° de in artikel VII.II.25, eerste lid, 4°, bedoelde korpschefs onder die welke voorkomen op een lijst bevattende ten minste vier korpschefs die worden voorgesteld door de Vaste Commissie voor de lokale politie; 2° de in artikel VII.II.25, eerste lid, 5°, bedoelde leden, alsook hun plaatsvervangers; 3° een plaatsvervangende voorzitter uit een dubbeltal voorgesteld door de inspecteur-generaal van de algemene inspectie; 4° een plaatsvervanger voor elk van de leden van de selectiecommissie onder de hoofdcommissarissen die ten minste de loonschaal O7 genieten en die voorkomen op een lijst, bevattende ten minste vier hoofdcommissarissen van politie die ten minste de loonschaal O7 genieten, die wordt voorgesteld door de commissaris-generaal wat de leden van de federale politie betreft en door de Vaste Commissie voor de lokale politie wat de korpschefs betreft.” Betreffende de eerste grief – de plaatsvervanger van het lid van de selectiecommissie
  24. In de mate dat verzoeker in een eerste kritiek doet gelden dat hoofdcommissaris van politie P. Vd. C. niet voorkomt op de lijst van kandidaten die in overeenstemming met artikel VII.II.26, 4° RPPol door de commissaris-generaal van de Federale politie zijn voorgesteld wat de leden van de federale politie betreft, besluit het auditoraat tot de ongegrondheid van deze kritiek op grond van de volgende overwegingen zoals die blijken uit het navolgende uittreksel uit zijn verslag: “2.3.
  25. In zoverre de verzoeker stelt dat uit niets blijkt dat de aanwijzing van directeur-generaal [P. Vd. C.] (bij het MB van 22 december 2017) als plaatsvervanger voor de directeur-generaal van de algemene directie gerechtelijke XIV-37.883-14/22 politie is gebeurd op grond van een lijst voorgesteld door de commissaris-generaal, brengt de verwerende partij als stuk 16 van het administratief dossier een brief van commissaris-generaal a.i. van 22 april 2011 m.b.t. de samenstelling van de selectiecommissie voor de referentiejaren 2004 en
  26. Op die lijst wordt HCP [P. Vd. C.] vermeld. Tevens wordt e-mailverkeer van 30 en 31 oktober 2017 tussen HCP [P. Vd. C.] en de diensten van de commissaris-generaal gevoegd waaruit blijkt dat de commissaris-generaal geen wijziging van de samenstelling van de selectiecommissie (wat de leden van de federale politie betreft) wenste. Artikel VII.II.26 RPPol bepaalt geen bijzondere vormvoorschriften waaraan de lijst van de commissaris-generaal moet voldoen en bepaalt enkel dat zij tenminste vier hoofdcommissarissen van politie met loonschaal O7 moet bevatten. Waar uit het e-mailverkeer met de diensten van de commissaris-generaal blijkt dat deze geen wijzigingen wenste, moet in herinnering gebracht worden dat de onregelmatige samenstelling van de oorspronkelijke selectiecommissie (enkel) de aanwijzing van de korpschefs van de lokale politie betrof, en dat HCP [P. Vd. C.] ook toen reeds als plaatsvervanger voor de directeur-generaal FGP was aangewezen (arrest nr. 238.636 van 27 juni 2017). In die omstandigheden meen ik dat voldoende aangetoond wordt dat HCP [P. Vd. C.] bij het MB van 22 december 2017 aangewezen werd als plaatsvervanger op basis van een voorstel van de commissaris-generaal dat tenminste vier hoofdcommissarissen van politie met loonschaal O7 vermeldt. Dat er geen expliciet (ondertekend) voorstel van de commissaris-generaal voorligt doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de diensten van de commissaris-generaal bevestigen dat de samenstelling van de commissie niet gewijzigd moest worden (wat de plaatsvervangers van de federale politie betreft). Verzoeker betwist deze beoordeling, maar na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft hij niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Hij verzuimt immers om op de bespreking van deze wettigheidskritiek in het auditoraatsverslag nog te reageren en beperkt zich tot het verwijzen ter zake naar wat hij reeds eerder heeft ontwikkeld. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, deze wettigheidskritiek ongegrond.
  27. De kritiek dat hoofdcommissaris van politie P. Vd. C. slechts als plaatsvervanger kan zetelen indien het effectief lid werkelijk verhinderd is, vindt geen steun in de hiervoor geciteerde artikelen VII.II.25 en VII.II.26 RPPol. Uit die bepalingen kan immers niet worden afgeleid dat de plaatsvervanger slechts geldig XIV-37.883-15/22 kan zetelen indien is aangetoond dat het effectief lid verhinderd is te zetelen. Voorts blijkt uit artikel VII.II.25, derde lid, dat de enige vereiste die is opgelegd aan de plaatsvervanger, de eis is dat die als hoofdcommissaris van politie (bij de Federale politie) ten minste de loonschaal O7 geniet. Niet blijkt uit die bepaling dat de plaatsvervanger lid moet zijn van dezelfde algemene directie als de algemene directeur die hij vervangt, zodat verzoekers argument dat er een “evenwichtige vertegenwoordiging” moet zijn voor de delegatie van de federale politie, alvast niet opgaat wat de aanwijzing van plaatsvervangers ervoor betreft. In de mate dat verzoeker derhalve uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt die in rechte en is zijn wettigheidskritiek ongegrond.
  28. Inzake de kritiek dat hoofdcommissaris van politie P. Vd. C. de loonschaal O7 genoot op het ogenblik dat hij deelneemt aan de werkzaamheden van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren, legt - zoals hiervoor is vastgesteld inzake de eerste kritiek (supra, punt 12) - de verwerende partij stukken voor waaruit kan worden afgeleid dat deze hoofdcommissaris van politie door de commissaris-generaal van de Federale politie is voorgesteld als een van de hoofdcommissarissen van politie die ten minste de loonschaal O7 genieten, alsook dat hij in die hoedanigheid werd aangewezen in het ministerieel besluit van 22 december
  29. Ook blijkt dat hoofdcommissaris van politie P. Vd. C reeds in het door het besluit van 22 december 2017 opgeheven ministerieel besluit van 4 april 2014 „houdende de aanwijzing van de leden van de nationale selectiecommissie voor hogere officieren,‟ was aangewezen als plaatsvervangend lid voor de directeur-generaal die de algemene directie van de gerechtelijke politie leidt. Behoudens dit begin van bewijs, ligt, hoewel expliciet gevorderd door verzoeker in zijn verzoekschrift, evenwel geen expliciet stuk voor dat afdoende aannemelijk maakt dat hoofdcommissaris van politie P. Vd. C de loonschaal O7 daadwerkelijk genoot op het ogenblik dat hij als plaatsvervanger deelnam aan de werkzaamheden van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren. Met het oog op de finale geschillenbeslechting die door de Raad van State moet worden nagestreefd en ten einde deze grief met volledige kennis XIV-37.883-16/22 van zaken te kunnen beoordelen, is er reden om daarom het debat te heropenen ten einde de verwerende partij te bevelen het administratief dossier te vervolledigen met het stuk of de stukken betreffende de loonschaal die hoofdcommissaris van politie P. Vd. C daadwerkelijk genoot op het ogenblik dat hij als plaatsvervanger deelnam aan de werkzaamheden van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren. Betreffende de tweede grief – de leden niet-personeelsleden
  30. De kritiek dat de plaatsvervanger slechts kan zetelen indien het effectief lid “in ernst en redelijkheid” is verhinderd, is ongegrond om dezelfde redenen als die welke hiervoor zijn uiteengezet inzake de plaatsvervanging van de algemene directeur door een hoofdcommissaris van politie. Er wordt naar gewezen (supra,punt 12). Betreffende de derde grief – de aanwijzing van de leden-korpschefs
  31. Door in de memorie van wederantwoord uitdrukkelijk te verklaren niet langer aan te dringen wat dit punt betreft, wordt impliciet maar zeker afstand gedaan van deze grief. De Raad van State verleent akte van de afstand van deze grief. Betreffende de vierde en de vijfde grief – de bijstand van de secretarissen en de technische steun
  32. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van deze grieven op grond van de volgende overwegingen zoals die blijken uit het navolgende uittreksel uit zijn verslag: “2.3.5 In zoverre de verzoeker aanvoert dat zowel de effectieve als de plaatsvervangende secretaris aanwezig waren op de vergadering van de selectiecommissie: De verzoeker meent vooreerst dat zij deelgenomen hebben aan het besluitvormingsproces tijdens de vergadering van de selectiecommissie aangezien ook zij de notulen hebben goedgekeurd. De verzoeker leidt dit af uit de vermelding XIV-37.883-17/22 „Verzonden aan en goedgekeurd doo[r]‟ naast de vermelding van de aanwezigen op de vergadering (waaronder de beide secretarissen). Overeenkomstig artikel VII.II.25, vierde lid RPPol staat een secretaris, aangewezen door de minister, de selectiecommissie bij. De secretaris maakt derhalve geen deel uit van de commissie, maar staat deze slechts bij. De secretaris kan derhalve niet deelnemen aan het besluitvormingsproces. De secretaris staat wel in voor de notulering van de vergadering. De vermelding „verzonden aan en goedgekeurd doo[r]‟ betreft deze de notulering en toont niet aan dat de secretarissen zouden deelgenomen hebben aan het besluitvormingsproces. De verzoeker meent verder dat een plaatsvervangend secretaris slechts kan zetelen als de effectieve secretaris verhinderd is, zoniet wordt het principe van de beslotenheid van de vergadering, dat de openbare orde raakt, geschonden. Strikt genomen wordt de selectiecommissie overeenkomstig artikel VII.II.25, vierde lid RPPol bijgestaan door één secretaris, aangewezen door de minister. Er is dus geen rechtsgrond voor de bijstand van een tweede (plaatsvervangende) secretaris. Vastgesteld wordt tevens dat er in artikel VII.II.26 RPPol geen expliciete rechtsgrond kan gevonden worden voor de aanwijzing van een plaatsvervangend secretaris, hetgeen hier nochtans is gebeurd bij het MB van 22 december
  33. Evenwel mag niet uit het oog verloren worden dat de secretaris geen deel uitmaakt van de selectiecommissie, maar dat hij slechts bijstand verleent. De aanwezigheid van een tweede (plaatsvervangende) secretaris op de vergadering van de selectiecommissie heeft derhalve geen invloed op de regelmatigheid van de samenstelling van de commissie, bekeken vanuit het oogpunt van de bevoegdheid. De verzoeker meent evenwel dat de aanwezigheid van de plaatsvervangende secretaris het beginsel van de beslotenheid van de vergadering, dat naar zijn mening van openbare orde is, schendt. Hij verwijst daartoe naar de rechtsleer (I. OPDEBEEK & A. COOLSAET, Algemene Beginselen van ambtenarentuchtrecht, Arb, Brugge, die Keure, 2011, nr. 763) en doet dit enigszins selectief aangezien onder nr. 762 van dit werk ook gesteld wordt: „In tuchtzaken is de beslotenheid van de vergadering de regel. Het algemeen beginsel van discretie in tuchtzaken houdt in dat de tuchtoverheid niet verplicht is de zaak in het openbaar te onderzoeken en de tuchtstraf in het openbaar uit te spreken. Vaak zal uitdrukkelijk bepaald zijn dat de beraadslaging en de beslissing moet gebeuren in besloten vergadering of „achter gesloten deuren‟. Zo moeten beslissingen genomen door de organen van de lokale besturen over aangelegenheden die de persoonlijke levenssfeer raken, worden genomen in besloten vergadering. Het spreekt voor zich dat tuchtbeslissingen hieronder vallen. De beslotenheid van de vergadering bestaat in de afwezigheid van publiek om de onafhankelijkheid van beslissingsorgaan te beschermen. Aan de beslotenheid van de vergadering wordt evenwel geen afbreuk gedaan door de aanwezigheid van een personeelslid om het secretariaat waar te nemen, of van de raadsman van de tuchtoverheid, gelet op hun beroepsgeheim. Er is evenmin bezwaar tegen de aanwezigheid van een plaatsvervangend secretaris, ook al zijn bepaalde tenlasteleggingen gesteund op zijn verklaringen. (…).‟ De vraag daar gelaten of deze rechtsleer en rechtspraak in tuchtaangelegenheden zonder meer toepasbaar is in andere aangelegenheden, blijkt duidelijk dat met de beslotenheid van de vergadering beoogd wordt de leden die deel uitmaken van het beslissingsorgaan af te schermen van het publiek, en dat de aanwezigheid van andere personen die bijstand of ondersteuning verlenen geen afbreuk doen aan de beslotenheid van de vergadering. Minstens lijkt het mij dat moet aangetoond of minstens aannemelijk gemaakt worden dat die personen een ongeoorloofde druk hebben uitgeoefend op de leden van de commissie, dermate dat zij niet vrij meer konden beslissen. De loutere aanwezigheid van een plaatsvervangende secretaris, naast de effectieve secretaris, XIV-37.883-18/22 toont naar ik meen niet aan dat deze personeelsleden een ongeoorloofde druk op de leden van de commissie hebben uitgeoefend, zodat op grond van zijn aanwezigheid niet kan besloten worden tot de schending van het beginsel van de beslotenheid van de vergadering. 2.3.6 Met betrekking tot de aanwezigheid van [X.] als „technische steun‟ voert verzoeker eenzelfde kritiek aan als tegen de aanwezigheid van de plaatsvervangende secretaris, met name dat ook deze de notulen zou „goedgekeurd‟ hebben en dat zijn aanwezigheid, die reglementair niet voorzien is, het beginsel van de beslotenheid van de vergadering schendt. Wat de „goedkeuring‟ door [X.] betreft, kan herhaald worden dat uit die „goedkeuring‟ niet blijkt dat hij heeft deelgenomen aan het besluitvormingsproces, zoals verzoeker stelt. Deze goedkeuring betreft enkel de notulering. Wat zijn aanwezigheid betreft, terwijl die reglementair niet voorzien is, hetgeen de beslotenheid van de vergadering heeft geschonden, kan mutatis mutandis verwezen worden naar hetgeen ter zake uiteengezet werd met betrekking tot de aanwezigheid van de plaatsvervangende secretaris (punt 2.3.5).”
  34. Verzoeker betwist deze beoordeling maar beperkt zich, na kennisneming van het verslag van het auditoraat, tot het benadrukken van zijn eigen standpunt en zijn eigen overtuiging. Hij brengt evenwel geen (inhoudelijke) argumenten in tegen de beoordeling van het auditoraat, maar beperkt zich te dezen tot blote of algemene beweringen, dan wel subjectieve bevindingen die geen steun vinden in het dossier. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, deze wettigheidskritiek ongegrond. Conclusie
  35. Het debat wordt heropend zoals nader bepaald in het beschikkend gedeelte wat de grief betreft inzake de vereiste loonschaal O7 die hoofdcommissaris van politie P. Vd. C daadwerkelijk moest genieten op het ogenblik dat hij als plaatsvervanger deelnam aan de werkzaamheden van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren. Het middel wordt voor het overige verworpen. XIV-37.883-19/22 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  36. Verzoeker voert in het verzoekschrift de schending aan van artikel VII.II.36 RPPol. Hij voert in essentie aan dat overeenkomstig deze bepaling de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren haar gemotiveerd voorstel, bevattende de door haar voor het toekennen van de loonschaal O7 geselecteerde kandidaten, meedeelt aan de kandidaten, terwijl de kennisgeving van 26 juli 2018 geenszins het gemotiveerd voorstel van de door de voornoemde commissie geselecteerde kandidaten bevatte. Daardoor heeft verzoeker in zijn bezwaarschrift hierover geen argumenten kunnen laten gelden. Artikel VII.II.36 RPPol is derhalve geschonden. Verzoeker stelt dat hij belang heeft bij dit middel aangezien het hem beperkt heeft in zijn verweermiddelen.
  37. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker inzake zijn belang bij het middel dat, indien tegemoet was gekomen aan het geschonden geachte voorschrift, hij argumenten had kunnen doen gelden waarom - bijvoorbeeld - hijzelf beter geschikt is om geselecteerd te worden ter gelegenheid waarvan de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren ook beter oog had kunnen hebben voor de nota inzake zijn aanspraken en verdiensten. Beoordeling
  38. Het auditoraat besluit tot de niet-ontvankelijkheid van het middel op grond van de volgende overwegingen zoals die blijken uit het navolgende uittreksel uit zijn verslag: “De kandidatuurstelling van de verzoeker is ongeldig, en dus onontvankelijk, bevonden op grond van de vaststelling dat nota „aanspraken en verdiensten‟ niet aan de in de oproep tot de kandidaatstelling gestelde vereisten voldoet. Het valt in die omstandigheden niet in te zien welk belang de verzoeker bij het gegrond bevinden van het middel kan hebben. De vernietiging van de bestreden beslissing op grond van de vaststelling dat de kennisgeving van het gemotiveerd voorstel niet de door XIV-37.883-20/22 selectiecommissie geselecteerde kandidaten bevatte heeft in voorkomend geval niet tot gevolg dat de selectiecommissie bij de herneming van de procedure ertoe gehouden zou zijn de kandidatuur van verzoeker geldig, en dus ontvankelijk, te verklaren vermits het gegrond bevinden van dit middel niet tot gevolg heeft dat de kandidatuur van verzoeker wel aan de vereisten van de oproep tot kandidaatstelling voldoet.”
  39. Verzoeker betwist dit standpunt, maar na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft hij evenwel niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Hij verzuimt immers om op de bespreking van dit middel in het auditoraatsverslag nog te reageren en beperkt zich tot het verwijzen ter zake naar zijn memorie van wederantwoord. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het derde middel niet-ontvankelijk. BESLISSING
  40. De Raad van State heropent het debat.
  41. De Raad van State beveelt de verwerende partij het administratief dossier binnen acht dagen na de kennisgeving van het onderhavige arrest te vervolledigen met het stuk of de stukken betreffende de loonschaal die de bij artikel 5 van het ministerieel besluit van 22 december 2017 als plaatsvervangend lid aangewezen hoofdcommissaris van politie P. Vd. C, daadwerkelijk genoot op het ogenblik dat hij als plaatsvervanger deelnam aan de werkzaamheden van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren.
  42. De zaak wordt vastgesteld op de openbare terechtzitting van 21 april 2021 om 14.15 uur. XIV-37.883-21/22 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van elf maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.883-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.087 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.821 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.