← België

Arrest 250107 - Dierenwelzijn - 15/03/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.107 Rolnummer: A. 233094/VII-41039 Zaak: Arrest 250107 - Dierenwelzijn - 15/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-22 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-20 00:32 Fiche Arrest nr 250.107 van 15 maart 2021 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 250.107 van 15 maart 2021 in de zaak A. é.094/VII-41.039 In zake: Susanna SCHELLING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan De Monie kantoor houdend te 2390 Malle Blommerschot 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karelaan 586, bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 3 maart 2021, strekt tot het opleggen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid van “de beslissing tot in beslagname d.d. 21 januari 2021 en de beslissing tot bestemming 5 februari 2021 beide genomen door het Departement Omgeving, Vlaamse overheid, Afdeling Strategie, Internationaal Beleid en Dierenwelzijn, Inspectie Dierenwelzijn”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. VII-41.039-1/6 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 maart 2021, om 14.30 uur. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Lotte Arkens, die loco advocaat Jan De Monie verschijnt voor verzoekster, en advocaat Joeri Leten, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. De inspectie Dierenwelzijn van het Vlaamse Gewest (hierna: inspectie Dierenwelzijn), maakt op 16 september 2019 ten laste van verzoekster een eerste PV op. Hierbij werd het volgende vastgesteld: - er werden asielactiviteiten uitgevoerd zonder vereiste erkenning; - 6 aanwezige honden staan niet geregistreerd, 2 honden staan niet correct geregistreerd; - 38 geregistreerde honden zijn niet meer aanwezig; - 1 hond werd verhandeld en staat niet geregistreerd; De inspectie Dierenwelzijn wijst op het feit dat een erkenning vereist is voor deze activiteiten en dat de problemen met de registratie zo spoedig mogelijk moeten worden opgelost. Na het verkrijgen van een machtiging van de politierechtbank werden door de inspectie Dierenwelzijn op 21 januari 2021 volgende VII-41.039-2/6 overtredingen vastgesteld op het adres van verzoekster: - er worden nog steeds asielactiviteiten uitgevoerd zonder vereiste erkenning; - de meeste honden worden gehuisvest in een ruimte die vuil en ongeschikt is; - er zijn 9 honden aanwezig die niet geregistreerd staan; - er staan 3 honden als geëxporteerd geregistreerd en 8 staan niet correct geregistreerd. Er werden hierbij 22 honden administratief in beslag genomen in toepassing van artikel 42, § 1 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren. In afwachting van de bestemmingsbeslissing werden deze naar een erkend asiel overgebracht. Op 3 februari 2021 legde verzoekster een verklaring af. Met een besluit van 5 februari 2021 werden 20 honden in toepassing van artikel 42, § 2 van de hierboven vermelde wet definitief in volle eigendom gegeven aan het dierenasiel (de andere twee honden werden aan de eigenaar teruggegeven). Zoals vermeld staat in het verzoekschrift werd dit besluit op 9 februari 2021 aangeboden aan verzoekster. De overige 20 honden werden intussen ook alle reeds geadopteerd. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  5. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot het opleggen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering. VII-41.039-3/6 V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
  6. In het verzoekschrift wordt uiteengezet dat het verzoekster pas recent ter ore is gekomen dat de vzw Canina ook effectief uitwerking heeft gegeven aan de beslissing tot bestemming en de honden reeds ter adoptie worden aangeboden en dat hierdoor de noodzaak van de huidige procedure voor verzoekster uiterst dringend is geworden. Beoordeling
  7. De toepassing van de kortgedingprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid brengt een ernstige verstoring teweeg in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, beperkt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en brengt de uitoefening van de rechten van de verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang. Daarom moet de aanwending van die procedure zeer uitzonderlijk blijven, in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid voor het opleggen van een voorlopige maatregel wordt mede afgemeten naar de haast die een verzoekende partij zelf betoont bij het instellen van haar vordering. De noodzaak om na de kennisname van de griefhoudende beslissing met passende voortvarendheid de vordering bij de Raad van State in te leiden is immers inherent aan het zeer uitzonderlijke en ongewone karakter van de uiterst dringende procedure. Diligent optreden is vervat in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid. Van een verzoekende partij -die haar belangen door de bestreden beslissing immers dermate nadelig aangetast weet dat zij de afwikkeling van de procedure ten gronde niet kan afwachten- wordt gevergd dat zij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State. In het inleidend verzoekschrift wordt geen verantwoording gegeven voor de lange tijd die verstreken is tussen de VII-41.039-4/6 kennisneming van de bestreden beslissing en het instellen van de vordering tot het horen opleggen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid. 7 De bestemmingsbeslissing is het resultaat van een hele procedure waarbij controles plaatsvonden, een PV werd opgesteld en een beslissing tot inbeslagname werd genomen. Verzoekster kon weten dat er na die inbeslagname een bestemmingsbeslissing zou worden genomen. Zodra verzoekster kennis kreeg van de bestreden beslissing op 9 februari 2021 wist zij of moest zij weten dat de in het verzoekschrift uiteengezette nadelige gevolgen van de tenuitvoerlegging -en dus ook de mogelijkheid dat de honden ter adoptie worden afgestaan- zich onmiddellijk vanaf die kennisneming zouden voordoen. De uiterst dringende noodzakelijkheid is derhalve bij de kennisgeving van de bestreden beslissing ontstaan. Het verzoekschrift met de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen werd bij de Raad van State ingediend op 3 maart
  8. Het daadwerkelijk vaststellen of ondergaan van de aangevoerde gevolgen kan op zich niet het talmen van verzoekster verklaren, indien die aangevoerde gevolgen zich vanaf de kennisname van de bestreden beslissing kunnen voordoen.
  9. Deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen. VII-41.039-5/6 BESLISSING
  10. De Raad van State verwerpt de vordering.
  11. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-41.039-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.107 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.