id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.108 Rolnummer: A. 233047/VII-41038 Zaak: Arrest 250108 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 15/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-16 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-20 00:32 Fiche Arrest nr 250.108 van 15 maart 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 250.108 van 15 maart 2021 in de zaak A. é.047/VII-41.038 In zake: 1. de BVBA QUIRYNEN DAIRY FARMING 2. de NV HOLLEBEEKHOEVE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ilse Cuypers kantoor houdend te 2600 Antwerpen Posthofbrug 6, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Willem Slosse en Stijn Brusselmans kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 64, bus 201 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 25 februari 2021, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “het besluit van het departement Omgeving, afdeling Handhaving van 18 februari 2021 houdende de veiligheidsmaatregelen volgens artikel 16.7.1 DABM”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. VII-41.038-1/14 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op11 maart 2021. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ilse Cuypers, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Stijn Brusselmans, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De bestreden beslissing luidt: “Voorliggende veiligheidsmaatregel werd opgesteld met inachtneming van: art. 16.3.1 §11° en 16 3 9 §2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (afgekort DABM), art. 16.7.1, art. 16.7 2, art 16 7 3, art. 16.7.4, art. 16.7.5 van het DABM; art. 12, 1° en art 21 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het DABM Bij besluit van 1 april 2017 heeft de secretaris-generaal van het departement Omgeving gewestelijke toezichthouders aangesteld overeenkomstig art. 12, 1° van het besluit van de Vlaamse regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. 1. Quirynen Dairy Farming bvba + Hollebeekhoeve nv beschikken over de volgende omgevingsvergunningen voor de milieutechnische eenheid gevestigd op de Hondenstraat 24-26, 9150 Kruibeke: Datum Nr vergunning Verlener Van Tot 9/8/2018 OMV2018031127 Dep Vergund 9/8/18 - M03/46031/34/4/A/1 VII-41.038-2/14 29/8/2019 OMV2019075052 Dep Vergund 29/8/19- M03/46031/34/4/M/1 Quirynen Dairy Farming bvba werd ook een erkenning verleend in het kader van de verordening Dierlijke bijproducten (Verordening (EG) Nr.1069/2009 en Verordening (EU) Nr.142/2011) met erkenningsnummer EK-1069BE-0078-001, geldig van 17 juli 2020 tot 17 juli 2025 2 Volgens de kruispuntbank der ondernemingen wordt • QUIRYNEN DAIRY FARMING bv (0472 635 567) met maatschappelijke zetel te Koekhoven 38 bus 1 te é0 Merksplas, bestuurd door de bvba QUIRYNEN-OVERSTEYNS (0899.751.808) en is Frank QUIRYNEN vast vertegenwoordiger. Frank QUIRYNEN is enige zaakvoerder van Quirynen-Oversteyns bvba. • HOLLEBEEKHOEVE nv (0432.600 204) met maatschappelijke zetel Hondenstraat 24 te 9150 Kruibeke, bestuurd door de BIEZENLAAGTE, een gewone commanditaire besloten vennootschap (0465.695.812), en door Q-INVEST bvba (0894 718.102), die tevens gedelegeerd bestuurder is. De enige vennoten van de BIEZENLAAGTE zijn Bart QUIRYNEN en Annemie VAN DEN BROECK. De vaste vertegenwoordigers van Q-INVEST bvba zijn Bart, Jimmy en Frank QUIRYNEN De heer François APERS is volgens het organigram dat we ter plekke krijgen CE0 van de HOLLEBEEKHOEVE nv en naar eigen zeggen enkel verantwoordelijk voor de zuiveltak 3 Tijdens diverse controles de voorbije maanden en jaren op de vestiging van Quirynen Energy Farming gelegen Koekhoven 38 te é0 Merksplas, werden non-conformiteiten vastgesteld bij de registratie van de aanvaarde stromen, bij de aanvaarding van stromen, bij de samenstelling van de verwerkte afvalstromen, bij de hygienisatie van de verwerkte stromen, bij de meldingsplicht en bij de transportdocumenten die de aangevoerde stromen moesten vergezellen. Een van de toezichtsrechten van de toezichthouder werd niet gerespecteerd. 4 De vaststellingen in Merksplas doen vermoeden dat niet kan worden gegarandeerd dat alle materiaal dat in de biogasinstallatie werd verwerkt, ook voldoet aan de wettelijke bepalingen die aan deze verwerking worden gesteld. Bovendien werd de exploitant in het verleden reeds geverbaliseerd voor het verdunnen van afvalstoffen en stelde de toezichthouder op basis van de analyse van monsters van eindproducten vast dat het eindproduct in het verleden meermaals niet voldeed aan de samenstellingsvoorwaarden van bijlage 2 3 1 van VLAREMA en de microbiologische kwaliteitsvereisten van de verordening 1069/2009 5 Aangezien deze wettelijke bepalingen (
- i)het leefmilieu dienen te beschermen, (
- ii)de volksgezondheid dienen te beschermen, en (iii) de verspreiding van voor de mens en dieren gevaarlijke pathogenen dienen te voorkomen, was het opleggen van een veiligheidsmaatregel in dit dossier ter bescherming van het leefmilieu, mens en dier noodzakelijk. Omdat in overeenstemming met de vigerende mestwetgeving vanaf 15 februari 2021 opnieuw mest kon worden uitgereden op de landbouwgronden waardoor VII-41.038-3/14 verspreiding in het leefmilieu en de voedselketen van mens en dier niet zou kunnen worden voorkomen, moest de veiligheidsmaatregel dringend worden opgelegd. Om die reden werd hij mondeling afgekondigd op 12 februari 2021. 6 De biogasinstallatie op de vestiging te Kruibeke wordt uitgebaat door de Quirynen-groep en dezelfde natuurlijke personen die de exploitatie waarnemen in Merksplas. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de onregelmatigheden die in Merksplas werden vastgesteld ook niet in Kruibeke zouden kunnen worden vastgesteld, aangezien dezelfde natuurlijke personen de exploitatie in beide vestigingen verzorgen. Anderzijds hebben we op 12 februari 2021 geen concrete indicaties dat er afvalstoffen of dierlijke bijproducten zouden zijn aanvaard die hetzij niet in het register zijn opgenomen, hetzij niet zijn vergund, hetzij niet voldoen aan de samenstellingscriteria van Vlarema. We beschikken ook niet over concrete aanwijzingen dat de aanvaarde stromen niet zouden zijn verwerkt volgens de daaraan gestelde wettelijke vereisten. 7 Rekening houdend met het bovenstaande en omdat we willen vermijden dat materiaal vanuit Merksplas via de vestiging te Kruibeke zou worden afgevoerd, achten we het ook raadzaam en noodzakelijk om een veiligheidsmaatregel op te leggen voor de vestiging te Kruibeke die moet voorkomen dat ongeschikte eindproducten als andere meststof zouden worden afgevoerd en als dusdanig een aanzienlijk risico zouden kunnen vertegenwoordigen voor mens en/of leefmilieu door de verspreiding van gecontamineerd matenaal 8 Op 12 februari 2021 nodigen wij de exploitant telefonisch uit om deel te nemen aan een video-overleg op 12 februari 2021 om 18u30. 9. Aan het video-overleg op 12 februari 2021 namen de volgende personen deel. De afvaardiging van de exploitant bestond uit • François APERS, CE0 Hollebeekhoeve nv • Annemie Van den Broeck, afgevaardigde van de exploitant Quirynen Dairy Farming bvba en vennoot van Q-Invest die gedelegeerd bestuurder is van Hollebeekhoeve nv • Kristof Bol, extern milieucoördinator (United Experts) Onze afdeling werd vertegenwoordigd door • Greta De Maesschalck (handhavingsmanager OVL) • Wilfried Van den Acker (handhavingsmanager ANT) • Hans Delcourt (toezichthouder) • Joffrey Van Moer (toezichthouder) • Christophe Bervoets (toezichthouder) 10. De toezichthouder opende het video-overleg met de volgende mededelingen. -wij leggen de exploitant uit dat hij werd uitgenodigd omdat we een veiligheidsmaatregel wensen op te leggen waarna het regelgevend kader kort wordt toegelicht, - wij zullen de maatregel mondeling afkondigen, VII-41.038-4/14 - dat er een beroepsmogelijkheid bestaat tegen beslissingen tot oplegging van een veiligheidsmaatregel bij de Raad van State; - dat we de mondeling opgelegde maatregel binnen de vijf werkdagen schriftelijk zullen bevestigen 11 We kondigden onderstaande veiligheidsmaatregel mondeling af tijdens het video-overleg van 12 februari 2021 lastens Quirynen Dairy Farming bvba + Hollebeekhoeve nv voor de vestiging gelegen aan de Hondenstraat 24-26 te 9150 Kruibeke BESLUIT Artikel 1. De volgende velligheidsmaatregelen worden opgelegd aan: Quirynen Dairy Farming bvba met maatschappelijke zetel gelegen Koekhoven 38 bus 1 te é0 Merksplas en ondernemingsnummer 0472.635.567 en Hollebeekhoeve nv met maatschappelijke zetel gelegen Hondenstraat 24 te 9150 Kruibeke en ondernemingsnummer 0432.600.204 - Het bevel om de eindproducten uit de biogasinstallatie en de inhoud van de vergisters niet af te voeren, tenzij dat gebeurt als afvalstof die is gecontamineerd met categorie 1-dierlijke bijproducten en die niet voldoet aan de samenstellingsvoorwaarden van bijlage 2.3.1 van VLAREMA, naar een vergund verwerker voor deze afvalstroom. - Indien wordt beslist om een vracht als afval af te voeren, moet die minstens 5 dagen op voorhand worden gemeld aan de afdeling Handhaving met vermelding van het tijdstip van transport en de ontvanger van de vracht - Elke afgevoerde partij dient te worden vergezeld van de correcte transportdocumenten en dient te worden geregistreerd in het producentenregister zoals bedoeld in Vlarema art. 7.2 1.1. - Een overzicht van de hoeveelheid aanwezige producten in de verschillende onderdelen van de installatie met hun hoeveelheden op 11/2/2021 wordt ten laatste op 22/2/2021 aan de afdeling Handhaving bezorgd - Er dient over te worden gewaakt dat de vergunde opslaghoeveelheden niet worden overschreden. Artikel 2. Deze veiligheidsmaatregel gaat onmiddellijk in. Artikel 3. Deze veiligheidsmaatregel kan worden opgeheven of herzien op het moment dat op basis van nieuwe informatie (waaronder de analyseresultaten van de bemonsterde stromen en de analyse van de geregistreerde procesparameters) kan worden aangetoond dat de eindproducten zonder risico voor mens en/of leefmilieu kunnen worden aangewend”. 3.2. De verzoekende partijen hebben op 3 maart 2021 een analyserapport van 2 maart 2021 bezorgd waaruit moet blijken dat voldaan wordt aan de Vlarema-samenstellingscriteria. VII-41.038-5/14 3.3. Op de zitting van 4 maart 2021 heeft de auditeur-verslaggever aan de verwerende partij gevraagd om tegen de zitting van 11 maart 2021 haar beoordeling te bezorgen van deze analyseresultaten. In haar op 10 maart 2021 bezorgde aanvullende nota houdt de verwerende partij zich wat dat betreft op de vlakte. Ze beperkt zich ertoe te stellen dat uit de analyse van geregistreerde procesparameters blijkt dat niet steeds werd voldaan aan de vereisten inzake hygiënisatie, wat volgens haar volstaat om de veiligheidsmaatregel niet op te heffen. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Ernst van de middelen Eerste middel Standpunten van de partijen 5. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 16.7.1, § 2, eerste lid, en artikel 16.7.5, § 5 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM), van het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht als beginselen van behoorlijk bestuur, machts- en bevoegdheidsoverschrijding en ontstentenis van de rechtens vereiste wettelijke en VII-41.038-6/14 feitelijke grondslag. Volgens de verzoekende partijen geeft de verwerende partij haast expliciet toe dat er op de vestiging te Kruibeke, waarop de bestreden beslissing betrekking heeft, geen indicaties zijn van een ernstig gevaar of een aanzienlijk risico voor mens of leefmilieu. Vermits het opleggen van veiligheidsmaatregelen vereist dat er sprake is van een ernstig gevaar voor de mens of het leefmilieu dat erdoor moet worden uitgeschakeld, tot een aanvaardbaar niveau ingeperkt of gestabiliseerd, dient te worden vastgesteld dat dergelijk ernstig gevaar niet aanwezig is op de vestiging te Kruibeke en dat de bestreden beslissing wettelijke en feitelijke grondslag mist. De verwerende partij leidt het potentieel risico dus niet af uit de exploitatie van de vestiging te Kruibeke, maar wel (onrechtstreeks) uit de exploitatie van de vestiging te Merkplas. Zij benadrukt dat de bestreden beslissing zeer voorwaardelijk is geschreven: de onregelmatigheden die in Merkplas werden vastgesteld zouden in Kruibeke ook kunnen worden vastgesteld, terwijl die vaststellingen er niet zijn. Bovendien wordt de biogasinstallatie op de vestiging te Kruibeke niet uitgebaat door de “Quirynen-groep”, maar door Quirynen Dairy Farming bvba -eerste verzoekende partij- die te Merkplas enkel het rundveebedrijf uitbaat en te Kruibeke de vergistings- en biogasinstallatie. De vergistings- en biogasinstallatie te Merksplas wordt uitgebaat door Quirynen Energy Farming bvba. 6. Volgens de verwerende partij is, opdat een veiligheidsmaatregel kan worden opgelegd, het bestaan van een inbreuk of een misdrijf niet vereist. In dat opzicht zijn veiligheidsmaatregelen een soepeler instrument dan de preventie- of herstelmaatregelen die op basis van Titel XV van het DABM kunnen worden opgelegd, nu die niet alleen aan welbepaalde schadesoorten zijn gekoppeld maar ook slechts inzetbaar zijn mits strikte schadedrempels worden overschreden. VII-41.038-7/14 In huidige aangelegenheid heeft de verwerende partij in het bestreden besluit vooreerst gewezen op het feit dat er de afgelopen maanden en jaren bij de exploitatie van Quirynen Energy Farming te Merksplas diverse controles werden uitgevoerd en dat tijdens vele van deze controles non-conformiteiten werden vastgesteld bij de registratie van de aanvaarde stromen, de aanvaarding van stromen, bij de samenstelling van de verwerkte afvalstromen, bij de hygiënisatie van de verwerkte stromen, bij de meldingsplicht en bij de transportdocumenten die de aangevoerde stromen moesten vergezellen. Ook werd een toezichtsrecht van de toezichthouder niet gerespecteerd. In het thans bestreden besluit wordt gemotiveerd dat op de site van de Quirynen Groep te Kruibeke ook een biogasinstallatie wordt uitgebaat. Uit de milieuvergunningen voor deze site blijkt dat de eerste en de tweede verzoekende partij aldaar een milieutechnische eenheid vormen, hetgeen ook wordt bevestigd door de verzoekende partijen in hun verzoekschrift. De verwerende partij haalt aan dat beide verzoekende partijen deel uitmaken van dezelfde groep en dat de uitbating te Kruibeke gebeurt door dezelfde natuurlijke personen die de exploitatie in Merksplas uitbaten. Dit deed de verwerende partij besluiten dat er geen enkele reden was om aan te nemen dat de onregelmatigheden die werden vastgesteld te Merksplas zich ook niet zouden voordoen te Kruibeke. Beoordeling 7. De feitelijke grondslag voor de bestreden veiligheidsmaatregel is beperkt tot de loutere verdenking dat vennootschappen en natuurlijke personen die verantwoordelijk worden geacht voor onregelmatigheden die werden vastgesteld in de inrichting te Merksplas, mogelijk gelijkaardige onregelmatigheden zouden hebben begaan in de inrichting te Kruibeke, ook al erkent de verwerende partij dat daarvoor geen enkele concrete aanwijzing bestaat. VII-41.038-8/14 De verwerende partij maakt op het eerste gezicht niet aannemelijk dat er een deugdelijke grondslag bestaat voor dit vermoeden. Het eerste middel is ernstig. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunten van de partijen 8. De verzoekende partijen schrijven het volgende over de spoedeisendheid: “[…] De bestreden beslissing en de erin vervatte veiligheidsmaatregelen zijn onmiddellijk van toepassing. Gelet op het feit dat deze zwaarwichtige maatregelen disproportioneel zijn […] is het voor verzoekende partijen zeer moeilijk, zo niet onmogelijk om te verwezenlijken. Ze veroorzaken in ieder geval schade. De bedrijfsvoering van verzoekende partijen ligt volledig stil, er kan momenteel geen mest verwerkt worden en er kan zelfs geen mest uitgereden worden op de landbouwgronden (ondanks dat het uitrijdseizoen begonnen is op 15 februari 2021). Verzoekende partijen draaien alleen maar verlies dat per verloren dag exponentieel oploopt. Daarenboven zou het afvoeren van alle materialen thans aanwezig op de vestiging te Kruibeke als afvalstof betekenen dat zij ± 12.000 ton (toestand op 11 februari 2021) […] moet laten afvoeren naar een verbrandingsinstallatie aan 150 euro/ton (conform artikel 46, §1, eerste lid, 1° Materialendecreet), wat neerkomt op 1.800.000,00 euro aan milieuheffingen. Daarenboven komt dan nog eens de commerciële kostprijs die verzoekende partijen zullen moeten betalen aan de verbrander, die eveneens neerkomt op ca. 200 euro/ton. Hierdoor gaan verzoekende partijen onvermijdelijk failliet. Zulks is aldus geen optie. De financieel adviseur van eerste verzoekende partij begroot het bedrijfsverlies op […] EUR 2.755.249,00, waardoor de continuïteit van de onderneming onmiddellijk in het gedrang komt en faillissement onafwendbaar wordt […]. Zelfs zonder gevaar op faillissement kan de uiterst dringende noodzakelijkheid wegens het financieel nadeel worden aanvaard: een financiële klap kan volstaan. Dat is in casu ontegensprekelijk het geval. […]” VII-41.038-9/14 9. De verwerende partij lijkt in haar nota met opmerkingen aan te nemen dat beide verzoekende partijen exploitant zijn van de vergistingsinstallatie, omdat hun respectieve vergunde inrichtingen ter plaatse een milieutechnische eenheid zouden vormen. De vergistingsinstallatie is evenwel niet hun voornaamste activiteit. Zij leveren geen bewijs dat door de bestreden maatregel hun volledige bedrijfsvoering komt stil te liggen. Stuk 14 van de verzoekende partijen, dat een raming bevat van de financiële impact van de bestreden maatregel, heeft volgens de verwerende partij enkel betrekking op de eerste verzoekende partij. Bovendien wordt wel een raming gegeven van verminderde inkomsten en verhoogde uitgaven, maar er worden geen gegevens voorgelegd over de concrete impact daarvan op de financiële situatie van de eerste verzoekende partij. De bestreden beslissing legt niet op dat het betreffende materiaal moet worden verwijderd als afvalstof. Er wordt enkel opgelegd dat het niet mag worden afgevoerd, behalve als afvalstof. Artikel 3 bepaalt dat de maatregel kan worden opgeheven als aan de hand van nieuwe informatie (waaronder de analyseresultaten van de bemonsterde stromen en de analyse van de geregistreerde procesparameters) kan worden aangetoond dat de eindproducten zonder risico voor mens en/of leefmilieu kunnen worden aangewend. Als uit een Vlarema-analyse dus zou blijken dat de Vlarema-vereisten worden nageleefd, dan kan de veiligheidsmaatregel worden opgeheven en worden de verzoekende partijen niet geconfronteerd met de kosten die gepaard zouden gaan met de afvoer van de eindproducten en de inhoud van de installaties als afval. Als uit de Vlarema-analyse echter zou blijken dat de Vlarema-vereisten niet worden nageleefd, dan vloeit het feit dat de eindproducten en de inhoud van de installaties alleen maar als afval afgevoerd kunnen worden niet voort uit de veiligheidsmaatregel maar uit de toepassing van de regelgeving en VII-41.038-10/14 wel met name artikel 3, § 1, 1° juncto artikel 34 Materialendecreet en artikel 2.2.1 en artikel 2.2.2 Vlarema en bijlage 2.3.1 Vlarema. Het financieel nadeel vloeit in dat geval niet voort uit het bestreden besluit. Beoordeling 10. De tweede verzoekende partij is naar eigen zeggen „louter en alleen een zuivelproducent die met de rauwe melk van de koeien van eerste verzoekende partij binnen de 24 uur dagverse zuivelproducten produceert‟. Zij is niet de exploitant van de vergistingsinstallatie waarop de bestreden veiligheidsmaatregel betrekking heeft. In het verzoekschrift wordt niet uiteengezet welke gevolgen deze maatregel heeft voor haar persoonlijk. In stuk 14 bij het verzoekschrift, dat de spoedeisendheid moet aantonen, is er enkel sprake van de impact op de eerste verzoekende partij. Bij gebrek aan uiteenzetting van de spoedeisendheid in hoofde van de tweede verzoekende partij moet de vordering tot schorsing wat haar betreft worden verworpen. 11. De eerste verzoekende partij schrijft over zichzelf: “Eerste verzoekende partij exploiteert in de eerste plaats een rundveebedrijf met in totaliteit meer dan 6700 stuks rundvee (1200 stuks melkvee, 700 stuks jongvee en 4800 stuks vleeskalveren) verspreid over een 7-tal exploitaties in Merksplas en Kruibeke. Op haar site te Kruibeke, gekend als de „Hollebeekhoeve‟, exploiteert zij bovendien een vergistings- en biogasinstallatie ter verwerking van de meststroom van het vee dat zich bevindt op de site te Kruibeke. De mest van deze dieren wordt onmiddellijk en rechtstreeks verwerkt in de vergistings- en biogasinstallatie te Kruibeke. Wat na het verwerkingsproces achterblijft, m.n. de dikke fractie van het digestaat, wordt afgevoerd voor verdere verwerking bij derden en de dunne fractie wordt uitgereden op landbouwgronden als bemesting”. 12. Een financieel verlies kan, behoudens tegenbewijs, worden hersteld na een annulatiearrest, tenzij bijzondere omstandigheden worden VII-41.038-11/14 aangevoerd zoals wanneer de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat de activiteit van de verzoekende partij op een definitieve wijze in gevaar wordt gebracht of wanneer een belangrijk deel van de activiteiten moet worden stopgezet, waardoor zij op een faillissement afstevent, of dat het voortbestaan zelf of het financieel evenwicht van het bedrijf ernstig in gevaar wordt gebracht. Om de spoedeisendheid aan te tonen moeten de financiële gevolgen in beginsel dus onomkeerbaar zijn. Hoewel de exploitatie van de vergistingsinstallatie belangrijk is voor de activiteiten van de eerste verzoekende partij, toont deze niet aan dat op korte termijn haar voortbestaan cruciaal in het gedrang wordt gebracht. 13. De berekening die wordt voorgelegd als stuk 14 gaat er van uit dat de vergistingsinstallatie enkele maanden zal stilliggen, en dat de eindproducten uit de biogasinstallatie en de inhoud van de vergisters naar een vergund verwerker moeten worden afgevoerd als afvalstof die is gecontamineerd met categorie 1-dierlijke bijproducten en die niet voldoet aan de samenstellingsvoorwaarden van bijlage 2.3.1 van Vlarema. 14. De verwerende partij wijst er terecht op dat overeenkomstig artikel 3 de bestreden maatregel kan worden opgeheven of herzien op het moment dat op basis van nieuwe informatie (waaronder de analyseresultaten van de bemonsterde stromen en de analyse van de geregistreerde procesparameters) kan worden aangetoond dat de eindproducten zonder risico voor mens en/of leefmilieu kunnen worden aangewend. Het is dan ook voorbarig om te stellen dat de bestreden beslissing de impact zal hebben die de verzoekende partij vooropstelt ter staving van de aangevoerde spoedeisendheid. 15. Ook wijst de verwerende partij erop dat indien uit die analyseresultaten zou blijken dat de eindproducten niet voldoen aan de normen, deze hoe dan ook niet mogen worden afgevoerd (anders dan als afvalstof), ook los van de hier bestreden beslissing. In het kader van de beoordeling die de Raad van State in de uiterst dringende kortgedingprocedure moet uitvoeren -en die uiteraard VII-41.038-12/14 enkel juridisch van aard kan zijn- kan niet worden uitgemaakt of de analyseresultaten die de eerste verzoekende partij thans voorlegt van aard zijn om over de vereiste urgentie milder te beslissen. 16. De spoedeisendheid van de vordering in hoofde van de eerste verzoekende partij wordt niet aangetoond. 17. Er is niet voldaan aan een van de voorwaarden van artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De vordering tot schorsing moet bijgevolg worden verworpen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro. VII-41.038-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-41.038-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.108 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div